terug  begin  verder
[p. 491]

Serge van Duijnhoven
Gedichten

De vlucht van de magiër
I
 
Het is niet zonder bijbedoelingen
 
dat hij zijn kussen pakt en de poes
 
met de ochtend tegen de hemel
 
geplakt de dag losmaakt
 
van de rest van het leven
 
na een nacht van donkere regen
 
(...) Het dode oog in het plafond
 
verwijt hem zijn vermoeidheid
 
het verwijt hem de pijn
 
die niet wil genezen
 
het verwijt hem de angst
 
niet onzichtbaar te kunnen blijven
 
(...) op de trap ligt de post
 
voor zijn gade hij steekt
 
de brieven in zijn zak
 
hij zoekt de sleutel
 
onwillekeurig herkent hij in zijn
 
gebaren de trekken van zijn vader
[p. 492]
II
 
op de binnenplaats gillen de
 
kinderen alsof ze met stokken
 
geranseld worden terwijl het
 
ijzeren hek achter hem jammert
 
hoort hij hoe de douchedruppels
 
van de muren worden gestript
 
(...) hij springt op zijn fiets
 
en jaagt en jakkert bezeten langs
 
de school met de dichtgetimmerde
 
ramen de parochiekerk waar hij
 
getrouwd is nu een mortuarium
 
(...) voortgedreven wordt hij
 
door de sirenes op maandag
 
iedereen zal verbaasd staan dat hij
 
niet zal terugkeren de magiër
 
met schrik voor het kwik van de
 
slaap waarin hij zijn goden niet
 
van zijn dromen te scheiden ziet
[p. 493]
The night that mysterious, little Sputnik appeared, we could no more see our dreams reflected in the sky. So we went crazy.
Roger Walcraft
De komst van de Spoetnik
I
 
De hemel, de vrede, het asiel
 
noem het, en zij heeft
 
erin geloofd, ook 's nachts
 
houdt zij de ramen
 
op een kier met
 
uitzicht op de stad
 
(...) Ze ziet het eerste licht
 
dat van de huizen beneden
 
komt, ze hoort de wind, de
 
stoelen schuiven op het balkon
 
de flat is haar doorsneden
 
naoorlogse wereld
 
(...) Was er alleen maar wat meer
 
van haar muziek die door de
 
muren sijpelde, licht van
 
een andere soort, een andere
 
slaap dan die van uitputting
[p. 494]
II
 
Nu is er enkel de koude waar-
 
tegen ze moet vechten met
 
het licht dat over de muren
 
kruipt, dat stijgt tot
 
het dooft in haar hoofd
 
droomt ze van een donkere hal
 
(...) Van een deur die wordt
 
geopend van wind die zich een
 
weg zoekt naar boven - en gaat
 
liggen op de trap in de
 
kille, kleurloze ochtend van
 
die dag in oktober, 1957
 
(...) Op de radio hoort zij weer
 
van zijn komst, zij rookt
 
een sigaret, likt haar lippen
 
en huilt. Wie leeft
 
wil hulp aan wonder
[p. 495]
‘Het beste wat ik je kan wensen is wat tegenslag...’
F. Scott Fitzgerald
In Morpheus' armen
 
1936. September. Nieuwe episode.
 
Al diegenen die hier een maand
 
geleden nog waren met hun kwalen
 
schrijven mij nu briefkaarten:
 
Scott, kop op
 
het oude keert terug in lachspiegel
 
boek, of rijdt voorbij. Een ijzeren
 
wagentje op rubber wielen
 
geen glazen alleen kopjes
 
(de dokters drinken uit bekertjes)
 
Die heldere zomer lijkt een half
 
leven geleden. De barbecueparties
 
de citroenen die rijpten
 
aan de bomen, en de mislukte duik
 
van die veel te hoge plank. Mis.
 
Ik ben een wreed onder handen genomen
 
kind, mijn penis is met mijn spieren
 
verslapt van alle slaap
 
de zomer borrelt weg
 
het leven smelt
terug  begin  verder