terug  begin  verder
[p. 512]

Wiel Kusters
Condor en papegaai+

Van Rainer Maria Rilke is het gedicht ‘Der Panther’1. Hij publiceerde het in de Neue Gedichte van 1907 en gaf daarbij aan dat de panter die hem tot zijn vers inspireerde, te bezichtigen was in de Jardin des Plantes te Parijs.

 
Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe
 
so müd geworden, daß er nichts mehr hält.
 
Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe
 
und hinter tausend Stäben keine Welt.
 
 
 
Der weiche Gang geschmeidig starker Schritte,
 
der sich im allerkleinsten Kreise dreht,
 
ist wie ein Tanz von Kraft um eine Mitte,
 
in der betäubt ein großer Wille steht.
 
 
 
Nur manchmal schiebt der Vorhang der Pupille
 
sich lautlos auf-. Dann geht ein Bild hinein,
 
geht durch der Glieder angespannte Stille -
 
und hört im Herzen auf zu sein.

Voor de panter wiens beeld Rilke hier oproept, is de wereld onzichtbaar geworden. Met zijn vermoeide blik ziet hij niet meer wat er zich achter de tralies bevindt; het lijkt wel of de wereld opgehouden heeft te bestaan. Zijn ‘wil’, de krachtige wil (opgevat als levenskracht) die de panter in zijn natuurlijke omgeving eigen moet zijn geweest, is in gevangenschap verdoofd. Het koninklijke dier is geknecht, de tralies hebben hem murw geslagen. Een enkele keer nog dringt een beeld van de buitenwereld door zijn ogen bij hem binnen, maar dat beeld sterft in zijn hart. Es ‘hört im Herzen auf zu sein’. Het leidt niet tot nieuwe vitaliteit. De wereld is dood voor deze gekooide: zij leeft niet meer in hem, laat staan dat zij in zijn innerlijk verder leeft, zoals dat bij de dichter het geval is wanneer hij de wereld verinwendigt en haar op deze wijze als het ware herschept, door haar in zijn geest op ideële wijze, onzichtbaar maar aanwezig, te laten voortbestaan.

[p. 513]

Gekooide kracht. Rilkes gedicht laat zien wat daarvan overblijft, nadat de strijd om het voortbestaan van een onverdoofde wil gestreden is. Die strijd doet aan het lot van Prometheus denken, de in de Kaukasus aan een rots geketende, bij wie een door Zeus gezonden adelaar elke dag de 's nachts weer aangegroeide lever kwam uitpikken. In Boutens' vertaling van Aischylos' tragedie klinkt zo zijn klacht:

 
Ziet welke dingen ik, een god, van goden lijd!
 
Ziet door de krenking van wat kwalen
 
Vermaald, ik zwoegen zal
 
Den tienmaalduizendjaargen tijd!
 
Zoo smadelijke banden
 
Heeft tegen mij bedacht
 
Der zaalgen nieuwe vorst. [d.i. Zeus]

En zo wordt hij door een rei van Okeanieden, dochters van Okeanos en Tethys, beklaagd:

 
'k Zie, Prometheus - voor mijn oogen
 
Trekt de duistre nevel samen
 
Zwaar van tranen bij den aanblik
 
Van uw lijf dat gaat verdorren
 
Aan de zongeblaakte rots
 
Waar deze stalen hoon u ketent.2

De tegenstelling tussen de door Zeus gezonden adelaar en de gekluisterde Prometheus is met een bijzondere betekenis geladen, waar men gewoonlijk niet zo bij stilstaat. De grote en krachtige vogel, met zijn uitzonderlijke vleugelbreedte, vertegenwoordigt alleen al door zijn vermogen tot vliegen een extreme mate van autonomie en bewegingsvrijheid. Hij heerst over zijn kracht en daarmee over de geboeide Prometheus, de vleugellamme. Maar, zoals wij weten, is Prometheus niet voorgoed gekluisterd. Hem wacht verlossing.

 

Met zijn vleugelbreedte van meer dan drie meter, behoort de condor tot de grootste en imposantste vogels ter wereld. Hij is een toonbeeld van kracht en trots. De dichter Edgar Allan Poe brengt hem in verband met de meedogenloos en onverstoorbaar voorbij razende jaren, de alles verslindende tijd, wanneer hij in zijn ‘Romance’ van 1829 bij wijze van beeldspraak ‘eternal Condor years’ met donderend tumult langs de hemel laat trekken (alsof hij de komst van de straaljager voorspelt!)3. En om na Edgar Allan Poe ook eens een Limburgse dichter te noemen, Ton van Reen: in diens gedicht Soms ben ik de grote condor (1975) figureert deze reu-

[p. 514]

zenvogel uit de Andes als een beeld voor plotseling opkomende woede en agressie:

 
ik ben niet meer mezelf
 
geen vent
 
maar een kind
 
een kat misschien
 
een condor ook
 
de veren barsten uit mijn huid
 
de grote vogel breekt uit mijn lijf4

Een andere Limburger, de Sittardenaar Charles Beltjens (18**-1890), publicerend in de Franse taal, liep aan het eind van de jaren zestig van de vorige eeuw door de Parijse Jardin des Plantes, net als meer dan dertig jaar later Rainer Maria Rilke, en zag zich daar plotseling geconfronteerd met een gekooide condor. Het valt te lezen in zijn lange gedicht Le Condor captif, ‘de gevangen condor’, dat in 1885, samen met de idylle Aurore, in Sittard verscheen bij de drukkerij van Ger. Tholen, maar dat zijn eerste publikatie al in mei 1870 had beleefd in L'Impartial de Nice5.

Le Condor captif bestaat uit vijfenzestig strofen van vier regels. In de eerste zeven strofen roept Beltjens het vredige en idyllische beeld op van een meimorgen (het is zelfs de eerste mei) in de Jardin des Plantes: het ochtendbriesje, als het zuchtje van een slapend kind, het fonkelen van de dauw op bloemen en gras, het blauw van de hemel, het zachte geklater van de fonteinen. Het was, schrijft Beltjens, een van die dagen waarop alle verdriet en zwaarmoedigheid onder invloed van de lentezon in hoop verkeert. +Zijn hart is vervuld van een zachte extase, (‘de molle extase’), van vergetelheid en vage mijmeringen. En juist in die sfeer en dat decor wordt hij plotseling getroffen door een afschuwelijke wanhoopskreet:

 
Un de ces cris d'angoisse, alarme épouvantable
 
D'un être qui succombe au bout de ses voeux,
 
Dont l'accent se prolonge en écho lamentable,
 
Et d'horreur aux passants fait6 dresser les cheveux.

Het is de kreet van een wezen dat aan zijn onvervulde verlangens ten onder gaat, de kreet van een stervende, die je de haren te berge doet rijzen. In een ijzeren kooi zit een condor, die probeert te ontkomen en zijn vleugels tegen de tralies te pletter slaat. +En voor die kooi staat een opgewonden menigte, te schreeuwen, te lachen en druk te gebaren, ‘une foule grotesque / De niais radieux, de ba-

[p. 515]

dauds aux fronts plats’ (een menigte van onnozele halzen, stralend van simpelheid, zegt Beltjens geërgerd; een troep nieuwsgierigen met platte koppen, niet al te intelligent kennelijk; Beltjens' bewoordingen zijn met opzet karikaturaal). Onder de voorbijgangers zijn er maar een paar die, net als de dichter, door de navrante aanblik van de gevangen condor tot medelijden bewogen worden. +De kreten van de majesteitelijke vogel zijn voor de dichter een ‘hymne d'agonie, / Dont l'écho pour jamais dans mon coeur est resté’.

Het beeld dat Beltjens van de gekooide reuzenvogel oproept, is indrukwekkend. Met zijn machtige vleugelen doet hij wolken stof opwaaien, de takken van de struiken rond de kooi buigen door onder het geweld van de wind die hij met zijn wieken opwekt. Men ziet hoe hij zijn machtige klauwen als in een koortsaanval samentrekt, hoe zijn hals zwelt. Zijn kooi schudt en trilt. En dan plotseling:

 
Dans un cri formidable, il s'éleva, terrible,
 
Comme s'il eût tenté d'en briser le plafond:
 
Sa tête alla frapper la barrière inflexible
 
Et, poussant un long râle, il tomba sur le fond.
 
 
 
Tel qu'un ange déchu, les ailes pantelantes,
 
Le colossal oiseau gisait silencieux;
 
Par moment, relevé sur ses jambes tremblantes,
 
Il geignait tristement, en regardant les cieux.

(Met een enorme kreet kwam hij omhoog, angstaanjagend, alsof hij de bovenkant van de kooi wilde stukslaan. Zijn kop sloeg tegen het onbuigzame traliewerk; reutelend viel hij op de grond. Als een gevallen engel lag de reusachtige vogel met stuiptrekkende vleugels op de bodem van de kooi. Toen hij weer op zijn trillende poten stond, keek hij naar de lucht en kermde droevig.)

Tranen springen de dichter in de ogen. In een achttal strofen schildert hij vervolgens het natuurlijk milieu van de condor en zijn vrije en koninklijke leven in de Andes. Hoe is het mogelijk dat een vogel die zonder moeite rond de aardbol kan vliegen, hier klem zit in een kooi van twintig voet doorsnee, als weduwnaar van zijn vrijheid, ‘veuf de [s]a liberté’, zoals Beltjens hem treffend noemt.

+Op de beschrijving van het leven dat de condor op en rond de verre toppen van de Andes had kunnen leiden, als hij niet gevangen was en naar Europa gebracht, volgt een evocatie van het verlangen dat de vogel in het voorjaar bevangt, wanneer de atmosfeer vervuld is van magische geuren (‘des magiques parfums’) uit het zuiden. Beltjens roept hier een droombeeld op, dat de ondraaglijke werkelijkheid doet vergeten, al zal het daarna onherroepelijk tot grote wanhoop leiden, tot wanhoop om de reële situatie. Het is dan ook niet voor niets, dat deze droom over het exotische

[p. 516]

land van herkomst in de eerste dagen van april wordt gesitueerd en dat de hartverscheurende onmacht van de condor zich pas later, in mei, zoals Beltjens' eerste regel aangeeft, op zijn hevigst manifesteert. Op de zoete droom volgt de bittere realiteit.

De droom van de condor over zijn verre geboortegrond wordt geactiveerd door exotische geuren. Die geuren, aangevoerd door een vrolijk zeebriesje vanaf een schip dat, komend van verre, schitterende kusten een naburige haven binnenloopt, maken de vogel onrustig. Er gaat een rilling door hem heen, ‘pareil au grand cheval de guerre, / Quand de son écurie il entend le clairon’. Hij is nog niet verslagen, de gevangenschap heeft hem nog niet murw gemaakt: hij zal terugkeren naar zijn land of sterven. Dat het op zijn dood zal uitdraaien, wordt door Beltjens nog eens bevestigd: er zit voor de grote condor niets anders op dan zich neer te leggen bij zijn gevangenschap. Letterlijk. ‘+Que la mort te délivre et te jette au néant!’

Met kapotgeslagen vleugels ligt de vogel uitgeput in zijn kooi, ten prooi aan de spot van omstanders, die zijn nederlaag toejuichen. In het beeld dat Beltjens van hem geeft, verwordt de eens zo trotse condor tot een wat groot uitgevallen, lachwekkende papegaai.

Opmerkelijk is dat ook Edgar Allan Poe in het gedicht ‘Romance’, waaruit ik al eerder citeerde, condor en papegaai tegenover elkaar heeft geplaatst. De napratende papegaai, slaperig, met dichte vleugels, wordt door Poe opgevat als beeld voor de romance, het kleurrijke, lieflijke maar onbelangrijke rijm. Als zodanig staat de papegaai tegenover het leger van ‘eternal Condor years’, dat langs de hemel trekt en voor de dichter zichtbaar maakt hoe kort zijn dagen zijn, zodat hij ervan doordrongen raakt dat de poëzie geen tijdverdrijf moet zijn. Hoe dan ook, Beltjens vervolgt:

 
Pour ton malheur du moins le poète a des larmes;
 
Je reconnais en toi, noble oiseau que je plains,
 
Un symbole effrayant des pleurs et des alarmes
 
Dont, sous le poids du sort, nos propres coeurs sont pleins.

Zo wordt de condor voor de dichter expliciet tot een afschrikwekkend symbool voor het verdriet en de nood van de mens, tot beeld voor het menselijk lot. En hier doet zich opnieuw een parallel voor met het gedicht ‘Romance’ van Edgar Allan Poe, die in Beltjens' dagen in Frankrijk bekendheid genoot door de aandacht die met name de dichter Baudelaire aan hem had geschonken en door de vertalingen die hij van Poe's werk had gemaakt.

Net zoals Poe doet in zijn ‘Romance’, beklemtoont Beltjens in Le Condor captif het voorbijsnellen van de tijd en de onoplettende gulheid waarmee wij hem verkwisten, ‘En nous disant: vivez, usez

[p. 517]

avec largesse / De l'heure qui s'enfuit’. +Uit de onnadenkende en zorgeloze wijze waarop wij soms leven, worden wij opgeschrikt door het gerucht van geheimzinnige vleugels (‘des bruits d'ailes mysterieuses’), als die van de gevangen condor, aan zijn lot gekluisterd. Midden in ons plezier, door lachende gezichten omgeven, huiveren wij en verbleken, bevangen door een plotselinge weerzin (‘dégoût’), een ongeneeslijke verveling, lusteloosheid, melancholie (‘ennui’).

 
C'est qu'un instinct sublime au fond de nous sommeille,
 
Taciturne, immobile, aussi longtemps qu'il dort,
 
Mais qu'un choc imprévu subitement réveille,
 
Et fait crier d'horreur, semblable à ce Condor.

Wat is er nodig om dit ‘instinct’, deze neiging tot weerzin en melancholie te wekken? Een geur, ‘le triste et doux parfum’ die een gestorven geliefde uit de dood terugroept; de herdersfluit die de vervlogen dagen van onze jonge volwassenheid evoceert; de gevoelvolle dichtregels die een voorgoed gesloten en nooit meer glimlachende mond voor ons zong; het angelus dat 's avonds van ver langs de verwelkte hellingen speelt, rond de graven van hen die wij innig hebben liefgehad; het signaal van de stoomfluit, vlak voor de boot vertrekt met vrienden aan boord die wij misschien nooit meer zullen zien; enzovoort. Vreugden worden gevolgd door schaduwen van rouw: ‘Vanité, vanité, tout n'est que vanité!’ In onze eenzaamheid horen wij een verschrikkelijke stem, de stem van een geheimzinnige gast, droever dan de dood. Hij heeft een snavel en kromme klauwen, als de condor. Zijn naam is Herinnering, door hem zijn wij ons bewust van alles wat voorbijging. ‘+C'est toi qui veut7 rouvrir ta grande aile captive, / O Souvenir, oiseau des Paradis perdus!’

De droom die tegen het voorbijgaan van de dingen opponeert, is een dagdroom. Hij maakt ontsnapping mogelijk uit een ondraaglijk lege werkelijkheid naar een ‘elders’ dat vergetelheid schenkt. Zo bezien is hij ook een middel tegen de Herinnering, die op pijnlijke wijze in het heden aanwezig is. De droom is een vorm van verlangen: het typisch romantische verlangen dat zichzelf tot bevrediging strekt, zo lang de illusie duurt. Wat Beltjens in de passage over het van verre kusten komende schip en de door een zeebries aangevoerde magische geuren vertelt, heeft trekken van het ideale, ‘l'Idéal’, om een aan de dichter Baudelaire en zijn Fleurs du Mal van 1861 ontleende term te gebruiken8. Het ‘ideale’ als tegenpool van de ‘ennui’, van het ‘spleen’, de dodelijke zwaarmoedigheid van alledag. In een gedicht als ‘Parfum exotique’ van Charles Baudelaire, dat Beltjens zeker gekend zal hebben, speelt zo'n door

[p. 518]

geuren - de geur van de borsten der liefste - opgeroepen ideale, paradijselijke en exotische wereld haar troostende rol. Een belangrijk verschil met de voor de condor ideale wereld in Le Condor captif is, dat de Andes voor de condor ooit een realiteit moet zijn geweest. Baudelaires zalige zuidelijke eiland is een denkbeeldig en kunstmatig paradijs.

Wat de ‘brise marine’ betreft, het zeebriesje dat in Beltjens' gedicht exotische geuren aanvoert: dit kan, gezien de functie die het vervult ten behoeve van ‘l'Idéal’, heel goed een reminiscentie zijn aan het sonnet ‘Brise marine’ van Stéphane Mallarmé, voor het eerst gepubliceerd in Le Parnasse contemporain van 12 mei 18669, enkele jaren voor Beltjens' publikatie van Le Condor captif. In Mallarmés ‘Brise marine’ voelt de dichter zich aangespoord te vertrekken naar exotische domeinen, terwijl ‘een Weerzin [“Un Ennui”], door bittere hoop teleurgesteld’ hem nawuift10. Het gedicht van Mallarmé eindigt echter met de gedachte aan een mogelijk echec. Anders dus dan ‘Parfum exotique’ van Baudelaire, en daarmee iets dichter in de buurt komend van Beltjens' evocatie van de in zijn vrijheidsdrang gefnuikte condor.

Voor Le Condor captif lijkt Charles Beltjens echter vooral schatplichtig aan die andere Charles, Charles Baudelaire en aan Edgar Allan Poe. Nog afgezien van de mogelijkheid dat Poe's ‘Romance’ in Beltjens' vers enige kleine sporen heeft achtergelaten, is ook de sfeer van Poe's overige werk niet helemaal vreemd aan Le Condor captif, hetgeen, gezien de verwantschap tussen Baudelaire en de Amerikaan niet hoeft te verwonderen. +Ik heb nog niet gewezen op regels als ‘Enseveli vivant dans ce morne tombeau’, ‘levend begraven in dit droefgeestige graf’, een regel over de condor in zijn kooi, die reminiscenties wekt aan Poe's verhaal over een ontijdige begrafenis, The Premature Burial. Een ander voorbeeld leveren de regels over de ‘dégoût’ en de ‘ennui’ die ons bevangen wanneer wij ons, midden in het vrolijke leven, plotseling het onophoudelijke verstrijken van de tijd realiseren. Dan bonkt ons hart, hoorbaar, alsof het de seconden telt.

 
[...] quel est ce beffroi qui dans nos seins résonne,
 
Plus triste et plus profond que la voix de minuit [?]

Het zijn regels die ons aan Poe's verhaal The Tell-tale Heart herinneren, of misschien eerder nog aan The Masque of the Red Death. Daar wordt een feestend gezelschap, dat zich van de door de pest geteisterde wereld heeft teruggetrokken in een als kasteel ge-

[p. 519]

bouwde abdij, door het slaan van een reusachtige ebbenhouten klok bij voortduring herinnerd aan het niet buiten te sluiten tijdsverloop en de naderende dood. Telkens, na verloop van een uur, zijn de muzikanten gedwongen hun spel even te staken om naar die klok te luisteren. Dan moeten de dansers ook wel stilstaan en heerst er onder het vrolijke gezelschap een korte verstoordheid. ‘En terwijl de slagen van de klok nog weerklonken,’ schrijft Poe, ‘was het te zien dat de lichtzinnigsten verbleekten en de ouderen, meer bezadigden, streken met de hand over hun voorhoofd alsof ze in verwarde dromen of gepeinzen verzonken waren.’11

Wij zouden kunnen twisten over de plausibiliteit van mijn vermoedens omtrent echo's van Poe bij Charles Beltjens. Maar nauwelijks betwistbaar lijkt mij de lijn die er loopt van Le Condor captif naar het fameuze gedicht ‘L'Albatros’ van de nu al zo dikwijls genoemde Charles Baudelaire. In ‘L'Albatros’ zien wij de grote zeevogel van die naam in grote verlegenheid. Matrozen hebben zo'n ‘koning van het azuur’ gevangen en bespotten en pesten hem nu, zoals hij zich, gehinderd door zijn op het dek onhandig grote vleugels, moeizaam over de planken voortbeweegt. Er is een associatie mogelijk met de bespotting van Christus, maar Baudelaire denkt vooral toch aan de dichter, die, net als de ‘vorst der wolken’, getrakteerd wordt op het gejoel van niet-begrijpende buitenstaanders en te midden van hen hinder ondervindt van zijn reuzenvleugels. En dan is er natuurlijk nog Baudelaires gedicht ‘L'Irrémédiable’, met zijn evocatie van een naar de aarde of de hel afgedaalde engel, een geliefd thema van romantische dichters. +Ook Beltjens spreekt van ‘un ange déchu’, zoals we al zagen.

 

Enkele strofen uit ‘L'Irrémédiable’:

 
Une Idée, une Fomie, un Être
 
Parti de l'azur et tombé
 
Dans un Styx bourbeux et plombé
 
Où nul oeil du Ciel ne pénètre;
 
 
 
Un Ange, imprudent voyageur
 
Qu'a tenté l'amour du difforme,
 
Au fond d'un cauchemar énorme
 
Se débattant comme un nageur
 
 
 
[...]
 
 
 
Un navire pris dans le pôle,
 
Comme un piège de cristal,
 
Cherchant pur quel détroit fatal
 
Il est tombé dans cette geôle[.]12
[p. 520]

Baudelaire, Poe en misschien ook Mallarmé, die vijftien jaar na Le Condor captif, in 1885, een aan ‘L'Irrémédiable’ verwant sonnet zal schrijven over een in het ijs vastzittende zwaan13: in deze sferen hoort Beltjens' gedicht over een gevangen condor thuis, hetgeen voor mij aan de authenticiteit van het gedicht nauwelijks afbreuk doet. Wij mogen er gerust van uitgaan, dat de dichter Beltjens in Le Condor captif een persoonlijke belevenis heeft verwerkt, een navrante ontmoeting in de Jardin des Plantes, en dat hij in de gekooide condor trekken van zichzelf heeft herkend, zoals ook P. Valkhoff in zijn Gids-artikel van 1940 suggereerde14. Maar zoiets sluit beïnvloeding door en verwantschap met anderen natuurlijk niet uit. Charles Beltjens wordt er als literair-historisch personage alleen maar interessanter van, omdat we hem nu ook een beetje als lezer menen te kennen.

+Over Le Condor captif van Charles Beltjens.
1Rainer Maria Rilke, Die Gedichte. Frankfurt am Main, 1987, p. 451.
2P.C. Boutens, Verzamelde werken. IV. Haarlem/'s-Gravenhage, 1947, p. 123-124, 125-126.
3Edgar Allan Poe, Gedichte - Poems. Vollständige zweisprachige Ausgabe. Deutsch von A. Schmidt und H. Wollschläger. München, 1986, p. 70.
4Ton van Reen, Soms ben ik de grote condor. Maastricht, 1975.
5P. Valkhoff, ‘Een vergeten Limburgs romanticus’. In: De Gids 104 (1940), I, p. 315.
+molle extase
6De gedrukte tekst (Sittard, 1885) heeft hier font. Dit is in het door mij geraadpleegde exemplaar met pen verbeterd tot fait.
+une foule grotesque
+hymne d'agonie
+des magiques parfums
+Que la mort te délivre et te jette au néant!
+des bruits d'ailes mysterieuses
+O Souvenir, oiseau des Paradis perdus!
7De gedrukte tekst heeft veux. Dit moet wel een drukfout zijn.
8Zie bij voorbeeld Charles Baudelaire, Les Fleurs du Mal. Een bloemlezing. Vertaald door Petrus Hoosemans. Ingeleid en van commentaar voorzien door Maarten van Buuren. Nawoord door Johan Polak. Baarn, 1986, p. 13-14.
9Stéphane Mallarmé, Oeuvres complètes. Ed. H. Mondor & Jean-Aubry. Paris, 1945, p. 1433.
10Stéphane Mallarmé, Gedichten. Vertaald en toegelicht door Paul Claes. Amsterdam, 1986, p. 15.
+Enseveli vivant dans ce morne tombeau
11Edgar Allan Poe, 30 Beroemde verhalen. [Vertaald door H. Manger en A. van Huizen]. Utrecht/Antwerpen, 1981, p. 107.
+un ange déchu
12[Charles] Baudelaire, Oeuvres complètes. I. Ed. Claude Pichois. Paris, 1975, p. 9-10.
13Bedoeld is het titelloze sonnet met de openingsregel ‘Le vierge, le vivace et le bel aujourd'hui’. Oeuvres complètes, p. 67-68. Vergelijk mijn oratie Pooltochten [Rijksuniversiteit Limburg, Maastricht]. Amsterdam 1989, p. 14-17.
14P. Valkhoff, ‘Een vergeten Limburgs romanticus’, p. 315: ‘Evenals zoveel andere vertoornde boetpredikers en ontkenners, is Beltjens een teleurgesteld idealist geweest. Uit verscheidene van zijn gedichten klinkt een verlangen naar hoger en beter. Het mooist is die drang door hem verbeeld in de onrust van een gevangen roofvogel.’
In een noot schreef Valkhoff: ‘Beltjens kende blijkbaar Le Sommeil du Condor van Leconte de Lisle. “Les pics altiers” en de “grand phare” vinden wij reeds dáárin.’ (p. 316). Inhoudelijk echter heeft Beltjens' gedicht nauwelijks iets gemeen met het vers van Leconte de Lisle, te vinden in diens Poèmes barbares (1862-1880). De daarin figurerende condor is een vrije vogel in Zuid-Amerika.
terug  begin  verder