Katarina Frostenson (1953) is in Zweden het meest bekend als dichteres maar ze schrijft ook lyrisch proza en toneelwerk. Vorig jaar werd ze lid van de Zweedse Academie die de jaarlijkse Nobelprijs literatuur uitreikt (als opvolgster van Artur Lundkvist).
Katarina Frostenson begon lyriek te schrijven op het eind van de jaren zeventig, op een moment dat Göran Sonnevi en Tomas Tranströmer de belangrijkste dichters waren. Zij waren zo dominant aanwezig, dat er voor de jongeren maar weinig ruimte was. De literaire kritiek, die bij elk nieuw decennium naar jonge talenten spiedt, ontdekte tenslotte enkele dichteressen, onder andere Katarina Frostenson. Het zou echter nog jaren duren voor ze de leidende figuren van de Zweedse poëzie werden.
Katarina Frostenson begon te schrijven vanuit een reactie op de poëzie van haar grote voorgangers. Haar kritiek richtte zich voornamelijk op het statische in hun poëzie, ‘een poëzie zonder beweging, met volmaakte beelden waardoor de lezer dan overrompeld kan worden.’ Zij wilde er een ander soort poëzie tegenover zetten, een poëzie die beweging uitdrukt, ‘innerlijke reizen, reizen met de taal’. Dat programma voerde ze uit in de bundels Rena land (1980) en Den andra (1982). De gedichten daarin handelen over beweging, verandering, overgang van een toestand in een andere. Gemakkelijk toegankelijk zijn die bewegingsgedichten niet, omdat de dichteres tijdens het schrijven trachtte te ontkomen aan de gewone taal met zijn verbruikte beelden en woorden, zijn sjablonen en clichés.
In al haar verdere gedichten levert Katarina Frostenson datzelfde soort gevecht. Zij zoekt steeds naar de essentie - de ‘reine’ taal zoals ze het zelf noemt - en ondervindt telkens weer dat die niet te vinden is. Tijdens het dichten dringt de ‘gewone’ taal zich op en neemt het werk van de dichteres over. Zo wordt elk gedicht paradoxaal ook de getuigenis van een dichterlijke nederlaag.
In haar pogingen om toch tot de essentie van de taal door te dringen, ‘schilt’ Katarina Frostenson de bestaande taal tot op het bot. In ‘Stränderna’ (1989), één lang gedicht, maakt ze dat gevecht tot het thema. Het gedicht handelt op het eerste gezicht over een dichter-ik dat langs het strand wandelt en de natuur bekijkt. Maar dan blijkt er een parallel te bestaan tussen de vervuiling van de natuur en die van de taal. De onderliggende gedachte is dat de dichteres een taal wil bemachtigen die nog ongebruikt en onbesmet is. Maar dat blijkt een onmogelijk project te zijn.
Concreet lost Katarina Frostenson haar probleem op met een soort onvolledigheidsesthetiek. Ze is in haar gedichten karig met woorden, laat haar zinnen stokken en gebruikt fragmentarische beelden. Op die manier laat ze het taaldrama zinderen op lege en halflege plaatsen. Het resultaat is een ascetische poëzie van een grote intensiteit.

Katarina Frostenson
Foto: Jan Peter
Uit: Den Andra, 1982.
Uit: Den Andra, 1982.
Uit: I det gula, 1985.
Uit: I det gula, 1985.
Uit: Samtalet, 1987.
Uit: Samtalet, 1987.
Uit: Samtalet, 1987.
Uit: Samtalet, 1987.