terug  begin  verder
[p. 538]

Over tijdschriften

De Zingende Zaag

4de jaargang, nr. 18, april 1993

Het mooiste wat je een tijdschrift kan toewensen, is dat de lezers het bijhouden als een boek. Het publiceren van goede stukken kan daartoe bijdragen, maar een creatieve en wonderlijk originele lay-out zoals die van De Zingende Zang is misschien nog de beste garantie. De vorige aflevering zat in een sigarenkistje met elf kunstbijdragen, want ‘een sigarenkistje is een bewaarmiddel bij uitstek’. DZZ 18 is door vormgever Thomas Widdershoven voor de helft dwars doorgezaagd, en de mogelijkheden die dat biedt voor het combineren van tekst- en beeldfragmenten en het kwadrateren van betekenissen zijn naar hartelust gebruikt. In het doorgezaagde gedeelte ben je eerst al een tijdje bezig met de randschriften over de trek en het paren van palingen: wetenschappelijke tekst met een poëtische bijklank. Het leukste aan het ‘lezen’ is dat je daar heel lang niet aan toe komt: het is een tijdschrift om in te bladeren, om mee te draaien, te spelen. Dat wil niet zeggen dat de tekstbijdragen niet de moeite zijn. Het is wel opvallend dat de (paling)gedichten en het proza niet zo experimenteel en visueel zijn als de lay-out laat verwachten. Eén uitzondering: de ‘tekstening’ van Leo Vroman. In ieder geval, alleen al vanwege de creatieve, mooie, multipele betekenissen genererende lay-out is dit tijdschrift alle aandacht waard. Hier zijn designers met een luxueuze smaak aan het werk geweest, hier bestaat een volmaakte symbiose tussen vormgevers en tekstredactie.

De Brakke Hond

10de jaargang, nr. 38, juni 1993

De Brakke Hond wordt, zoals bekend, ook door een tekstredactie en een afzonderlijke beeldredactie geproduceerd, maar daar houdt elke vergelijking met DZZ dan ook op. DBH gaat niet buiten de grenzen van de conventionele lay-out, wordt enkel ‘verlucht’ door de grafici. Het Zomernummer bevat wel weer een aantal goede teksten. Het ‘Cadavre Repris’ (een kettinggedicht) is een mooi voorbeeld van een oud - surrealistisch - procédé met een goed resultaat. Drie redactieleden en vier gastdichters kregen enkel de laatste regel van de vorige dichter, wat de betekenissen in alle richtingen doet uitdeinen, alhoewel de fragmenten soms opvallend goed aaneensluiten. En dat ondanks de verschrikkelijk onpoëtische eindzin van het fragment van Lut Teck (‘waar is het station?’) die het project wel eens grondig had kunnen saboteren.

Bart de Man (verzamelnaam voor een ‘collectief specialisten en modernisten

[p. 539]

in beeldende kunst en literatuur’) klinkt voor het eerst sinds lang nog eens overtuigend, met vlijmscherpe kritiek, goed gedoseerde platheid en trillende woede. De veroordeelde is Joost ‘Draaikont’ Zwagerman. Elke zichzelf respecterende recensent gaat tegenwoordig wel eens in de clinch met Zwagerman, zo lijkt het. Je hoeft het trouwens niet volledig eens te zijn met De Man (ik heb bijvoorbeeld mijn bedenkingen bij het beoordelen van een auteur op basis van zijn politiek engagement) om geamuseerd én bewogen te worden door zijn beweringen.

Een ander vlammend betoog in deze DBH is Kas Deprez' ‘Elk zijn deel: zij de taal, wij de vlag’ over de verschillen tussen Nederland en Vlaanderen in de benadering van de Nederlandse taal. Het essay - een voorpublikatie uit Cahier 1 van Antwerpen 93 - is kritisch, deskundig, en bovendien perfect ingepast in de vlotte DBH-huisstijl. Vlamingen moeten ophouden zich te gedragen als de ‘paracommando's van het Nederlands’: de strijd van het flamingantisme is nu wel gestreden, stelt Deprez. Het is een goed essay, maar het is minder geschikt als inleiding voor de erop volgende teksten die op een speelse manier beschrijven welk woord of uitdrukking uit het Nederlands als beschermd monument bewaard moet blijven. Op aanraden van onder andere Pol Hoste, Benno Barnard, Johan Anthierens en Patrick Conrad zal die eer de beurt vallen aan de woorden ‘godverdomme’, vloeken in het algemeen, ‘anarchie’ en ‘apekool’. Leuk, maar toch wat voorspelbaar en vrijblijvend.

Tmesis

2de jaargang, nr. 3, 1993

Een meer originele aanpak van de verschillen tussen Vlaanderen en Nederland wordt geboden in het mini-thema Brussel-Amsterdam in Tmesis 3, met bijdragen van Stefan Hertmans, Ger Groot en Ortwin de Graef. Hertmans benadert de kwestie op een autobiografische manier (‘Steden leer je pas kennen wanneer je er van iemand houdt’). Het voordeel van die persoonlijke aanpak is evident: verschillen worden geapprecieerd, stereotypering wordt verworpen. Ortwin de Graef, die voor de gelegenheid fragmenten vertaalt uit ‘Du caractère des Belges’, drijft de stereoriepen dan weer op de spits, niet zonder echter voor de nodige dubbele bodems te zorgen.

Nog een opvallende bijdrage in deze Tmesis is het essay over de ‘gemiste ontmoeting’ van Borges en Gombrowicz van Peter Venmans, die een aantal nogal minuscule biografische elementen van de beide auteurs aangrijpt om de verschillen in hun benadering van het literaire en het werkelijke te beschrijven.

Ik hou wel van recensenten die op een goed onderbouwde manier geen spaander heel laten van wat ze bespreken: Dirk de Schutter doet dat hier vakkundig met Gebroken orde: De vergeten toekomst van de filosofie van Leo Apostel. Dergelijke recensies hebben overigens een zekere commerciële waarde: je koopt het besproken boek om eens goed te lachen.

[p. 540]

De Biels

3de jaargang, nr. 1, mei 1993.

Het Arnhemse tijdschrift de Biels heeft zo zijn sympathieke kantjes. Zo is er de droge mededeling in het colofon ‘de Biels verschijnt onregelmatig’; ook is het tijdschrift sober maar mooi vormgegeven. Bovendien is het leuk dat het wordt beheerd en geredigeerd door slechts één man, Marc Kregting, zonder daarom enkel bijdragen van hem te bevatten (in dit nummer slechts één). Het blad slaagt er overigens in vrij bekende namen aan te trekken, zoals bijvoorbeeld Lucas Hüsgen.

Toch ben ik niet helemaal gewonnen voor dit tijdschrift. Het is spijtig dat men in de Biels wel op de hoogte lijkt van wat er zoal gaande is in het literaire en/of kunstkritdsche discours, maar dat er een beetje achterop wordt gehinkt. Bij het proza, maar vooral bij de essay-erende bijdragen heb je het onprettige gevoel alles elders al eens eerder en beter te hebben gelezen. Neem nu ‘Het bedrog van de verrekijker’, het essay van Marc Kregting. Dit had, zo lijkt het toch, een soort van deconstructieve kijk moeten worden op Louis de Funès in zijn gendarme-films - op zich een origineel idee. De tegenstelling tussen het hoge discours en het nogal stompzinnige onderwerp had in humor moeten resulteren, maar het werkt niet. Kregting slaagt er niet in voldoende ironisch-wetenschappelijke afstand te nemen van zijn onderwerp en doet niet veel meer dan de gendarme-films navertellen. En dat is nog minder leuk dan de films zelf. Precies dezelfde onhandigheid keldert het korte essay van Jack van der Weide over Joost Zwagerman en videoclips. Bladen als Optima en Yang slagen er dikwijls wél in om populaire onderwerpen op een intelligente manier te ‘deconstrueren’. Het probleem waar de Biels mee worstelt is veel willen maar niet kunnen: je kan nu eenmaal niet Yang zijn als je niet slim genoeg bent.

Yang

29ste jaargang, nr. 2, juni 1993

‘Zijn uw netvliezen bekomen?’: de Yang-redactie geeft ruiterlijk toe dat de nieuwe lay-out van het vorige nummer wat teveel van het goede was. In deze nieuwe Yang valt dat allemaal in de plooi, en ook de bijdragen zijn van een hoog niveau. Er is het dossier over ‘Imaginaire Werelden’ van Cyrano de Bergerac over Zuid-Afrika tot virtual reality. Intelligent en vlot geschreven, met als toppers een bijdrage over schilderkunst, en een stuk over Georges Perec.

Het knappe aan het essay over schilderkunst (van Steven Jacobs) is dat het zich niet in de eerste plaats bezighoudt met hyperrealisten met hun schilderijen-a]s-foto's, maar zich juist richt op die kunstenaars die de illusie van schilderkunst als venster doorbreken (soms letterlijk, zoals in Le soir qui tombe van Magritte).

Georges Perec is een oude bekende voor Yang-lezers en een gedroomd auteur voor postmoderne themanummers: zijn ‘poëzie van de asbak’ was al de uitschieter van het dossier Afval /

[p. 541]

Lijstjes / Verzamelingen in het oktobernummer van vorig jaar. Deze keer bespreekt Peter Venmans een aantal andere interessante aspecten van Perecs werk, zoals zijn droombeschrijvingen (waarvan er twee vertaald worden door Rokus Hofstede), zijn ‘autobiografische’ W of de jeugdherinnering en zijn impressionistisch aandoende project De plekken (waarin hij minutieus beschrijft wat er in twaalf jaar gebeurt met twaalf plekken in Parijs). Boeiend zijn ook Perecs Oulipo-taalspelletjes (Oulipo staat voor Ouvroir de littérature potentielle). Spelen en puzzelen met letters en taal: bij Drs. P. en (in mindere mate) bij Battus wil het wel eens ontaarden in onnozele kinderspelletjes, bij Perec is het een manier om te reflecteren over taal, op het niveau van Julio Cortázar en Italo Calvino op hun wildste momenten.

Dan rest mij nog één raadsel: waarom dat Eco-interview op de cover en in dit nummer? Zo'n alledaagse overwegingen herkauwende gesprek is zeker niet de sterkste bijdrage van deze aflevering. Als dat de blikvanger is, gaat de facelift van Yang niet de kant op die de rest van het nummer doet vermoeden.

De Nieuwe Maand

36ste jaargang, nr. 4-5, april-mei 1993

Dit dubbelnummer van De Nieuwe Maand is gewijd aan Daniël Robberechts. Vrienden kijken een jaar na zijn zelfmoord terug op Robberechts' schrijverschap en zijn vriendschap. De aflevering opent met een goede situering: een nooit gepubliceerd ‘Humo sprak met’-interview (indertijd afgenomen door Herman de Coninck). Ongepubliceerd: het loopt als een cynische rode draad door Robberechts' carrière. Deze DNM is hopelijk een aanzet tot een postume uitgave van zijn werk. De kwestie is in ieder geval terug in de openbaarheid geraakt, en dat op een hele goede manier. Mensen die gevraagd worden om over een overleden vriend te schrijven willen wel eens meer over zichzelf vertellen dan over het eigenlijke onderwerp, hier is dat niet het geval. De bijdragen zijn dikwijls ontroerend, maar soms ook grappig - dat moet kunnen. Bevreemdend maar knap is Pol Hostes ‘Dansje op het lijk van een vriend’. Verder zijn er interessante bijdragen van onder andere Walter van den Broede, Leo Pleysier, Paul Claes en Marc Reynebeau. En tenslotte komt ook Robberechts zelf aan het woord, met zijn laatste, ongepubliceerde ‘Geschiedenis(sen)’.

Varia

Rossinant (2de jg., nr. 3, mei 1993) is ‘een tijdschrift voor woord- en beeldkunsten’. Dit lentenummer is een themanummer over Lege plekken, Blinde vlekken, de drang tot invullen (van, onder andere, leemten in onze kennis) en ook de meer aangename kanten van het lege: ‘Het laat ons in het ongewisse en biedt de verbeelding vrij spel’. Er is onder andere een lichtelijk absurde tekst over de blinde fotograaf Eugen Bavcar, een essay over onvoltooide en daardoor inspirerende gedichten van J.H. Leopold. De ‘beeldende’ bijdragen van Marleen van Elsberg en van Bossmann vind ik minder geslaagd.

[p. 542]

De tijdschriften die hier doorgaans besproken worden houden zich bezig met nieuwe literatuur, het zijn vindplaatsen van jong talent. Sommige bladen zijn op iets heel anders toegespitst. De Kantieke Schoolmeester (2de jg., nr. 3, april 1993) is een tijdschrift voor de ‘Boonstudie’ van het L.P. Boon-genootschap. Dit 327 pagina's dikke halfjaarlijkse tijdschrift is deze keer voor de helft gewijd aan de film Daens. De film heeft Boon weer in de actualiteit gebracht, en daar kan het genootschap maar wel bij varen. Anderzijds brengt de film vanzelfsprekend reacties teweeg bij Boon-deskundigen: lovende, maar ook kritische, onder andere over de ‘warrige chronologie’ van de film. Heel wat antieker is de literatuur waar het vijf jaar oude tijdschrift Tiecelijn zich mee bezighoudt. Van dit blad voor de Reynaerdofiel - een neologisme van de redactie - verscheen een paar maand geleden (29 mei 1993) de bloemlezing Reynaert bloemleest Tiecelijn. Alle aspecten van de Reynaert-benadering van het tijdschrift komen aan bod: wetenschappelijk en vulgariserend, ernstig en ‘luimig’, literair en anekdotisch.

Parmentier (4de jg., nr. 3, lente 1993) wordt bijna volledig gevuld met bijdragen van en over de in 1991 overleden Johnny ‘the Selfkicker’ van Doorn. Ook hier een combinatie van een interview (met Wim Noordhoek), werk van de overleden auteur, reacties van bevriende schrijvers (soms wat kritisch), en een aantal foto's. Wie Van Doorn niet als literair talent apprecieert, kan nog altijd handig gebruik maken van zijn voorheen ongepubliceerde handgeschreven recept voor preipureesoep.

 

Jan Bosteels

terug  begin  verder