i.s.m.
[p. 611]
Anneke Brassinga
Gedichten
Tegenlicht
Zoals we daar stonden met de rug naar het licht
dat aanstormen bleef uit de richting waarin wij
al te lang hadden gekeken - waren wij letsel
van schaduw, zwart en compact, en hielden elkaar
in dat stortbad staande, hovaardig en tijdelijk
verstild. Maar binnen de schemerheldere oase,
nachtzijde aan onze voet, kwamen scherpe stenen
reeds als razenden naar levenslicht gerezen
uit het zand van onbegaan gebleven voorland:
kinderen van altijd weer doorstane liefdesdood.
[p. 612]
Pensée, niet van Pascal
Prei, sterren, zonde, viooltjes of moord:
zonder bewondering buigen zich dieren
over de bron. Allen de eenhoorn ziet zichzelve
glashelder, hij dorst niet bij monde,
de kalveren zijner lippen zijn geschonden.
Waar is hun schepper die ooit begon
zich te verwijderen, de handen gebonden?
Soms vinden twee die nergens hem vonden
elkaar, ze knopen zich niet op maar ineen
tot zwevend getouw met eenhoorn en maagd,
gedempte put voor het kalf dat verdronk.