terug  begin  verder
[p. 613]

Arno Breekveld
Gedichten

Tussen steen en hout
 
Is zij in mijn lijst van steen gevat
 
gelijk dag- en nachtstuk. Zij kan
 
open, zij kan dicht, piepend
 
in haar dwarse bossing. Om
 
haar borsten sluitend en
 
vlak tegen zich aan te werken
 
moet men ongeremd uitbekken en
 
dan pas schaven aan de stijl.
 
Ik ben om haar heen gehecht
 
als klampsteen.
 
 
 
Stappen wij heen door ons verband.
 
Durven wij de stofdorpel overlopen
 
om achter ons de lippen een aan
 
een te lassen eerst, het slobgat
 
vrij te plooien, de dop van de spatpen
 
halen, en lassen met de visbekken
 
eindelijk dan.
 
Menagering is diepte van de groef.
 
Toesteken is diepte van om en
 
in zijn, de breedte waarin de
 
dingen gelegen komen, waarin ik
 
drijfsteen, zij kops als een
 
schuifzwaluw.
[p. 614]
 
Jezus was een timmerman & zo
 
zijn er meer. Met steen en
 
hout kun je een ingang
 
op een rots bouwen. Hebben
 
wij overkeping? Zijn wij door
 
onszelf gegaan? Dan
 
hebben wij wat.
[p. 615]
De schijn van een struik
 
Hier is wortel of stronk en de struik komt zodanig
 
naar beneden neer, met drek besmeurd - dat maakt het
 
oranjebruin, omdat het geen zonlicht heeft.
 
Omdat daar het vuil nog niet aantoe gekomen is en
 
geen zon er brandend rood op verft is
 
de bovenkant groen -
 
 
 
De wijze waarop de stronk neerkomt en kleurt, de wijze
 
waarop de blik naar boven zingt, hoe men uitloopt.
terug  begin  verder