terug  begin  verder
[p. 616]

Maria van Daalen
De getijden van de eeuwige wijsheid

 
Voorafgaand aan het denken is aanwezigheid;
 
voordat de schedel zijn naam draagt groeit hij dicht.
 
 
 
Ik zie in de verte een wolk aankomen,
 
boven de grond een grijze draaiende kolom.
 
Alles wordt opgezogen: graszoden, net gelegd,
 
marmerblokken, brieven, verlepte bloemen.
 
Iemand vaart schreeuwend omhoog.
 
 
 
Waar vind ik je als je bent uitgesproken,
 
man die ik liefheb? Misschien tussen de wijnranken,
 
hard en geknot, op een te heldere dag in februari,
 
of op de bodem van lauw zeewater;
 
schaduw kruipt over de schelpen, dicht, open.
[p. 617]
 
Voorafgaand aan het lichaam is de adem
 
die de eerste cel vooruitblaast naar zijn deling.
 
 
 
Er loopt een straaltje bloed langs mijn bovenbenen;
 
het is de kleur rood van het genot.
 
Je veegt het uit met een vinger, je zegt
 
dat het zoet is en ik leg mijn hoofd opzij
 
om te zien hoe je gaat staan, hoe je gaat liggen.
 
 
 
Waarom kan ik niets maken van zand
 
dat geen leem bevat, dat niet nat is,
 
waarom zakt elke lijn die ik trek met mijn vinger
 
weg in zichzelf? Scherpe randen van zand
 
ritselen weg in zand, vullen ondieptes.
terug  begin  verder