|
|
|
| |
| | | | | |
Antwerpen 93
Panamarenko maakte de doos.
Het project heet ‘Nouvelle Synthèse d'Anvers’.
De belangrijkste elementen zijn een videofilm, een cd en een gazetje.
‘Voyage à Paris’ is een 52 minuten durend beeldessay over een reis naar Parijs naar een scenario van Rudi Laermans en gerealiseerd door Jef Cornelis. Een tocht door Parijs, de bakermat van ‘het moderne leven’, met brieven over de lichtstad van onder andere Apollinaire, Baudelaire, Benjamin, Buysse, Miller en Rilke.
Een man duwt rolluiken op. VINS FINS DESSERTS. De stoep wordt schoongeveegd. Mensen kijken watertandend door de vitrine. Geconfijt fruit, versnaperingen, juwelen uit chocolade. Verleiding.
Wezenloos kijkende poppen. Rood ondergoed op plastic huid. Adembenemende mannequins showen adembenemende kleren. In stilte lopen ze over de catwalk en dan vangt gehijg aan, gekuch. We belanden in een winkeltje met curiosa. ‘Bonjour madame.’ ‘Bonjour monsieur.’ Foto's waarop blote mensen acrobatisch met zichzelf of met elkaar in de weer zijn. Lichamen worden doorbladerd. De immense leeszaal in de bibliotheek waar het prachtige gedicht ‘Voyage à Paris’ voorgelezen wordt: ‘AH! la charmante chose/ Quitter un pays morose/ Pour Paris/Paris joli/Qu'un jour/Dut créer l'Amour/Ah la charmante chose/Quitter un pays morose/Pour Paris.
De camera lijkt wel op de schouders van de cameraman vastgeschroefd. De camera flaneert.
De camera bezoekt marktjes. Stapels fruit, gelakte krabben en overal mensen, mensen, mensen. Mensen die betasten. Mensen die ruiken. En vooral mensen die kijken. En bekeken worden. Als prullaria. Opgedirkt. In passages (Walter B.!), op terrasjes, banken... Voyeur en exhibitionist duiken letterlijk overal op, evenals luxe, wellust en begeerte. (Twee vrouwenhanden draperen gouden halssnoeren over een buste en strelen vluchtig de schouders.)
(Oude schilderijen. De afgebeelde mannen - karikatuurtjes van geilheid - converseren met de afgebeelde vrouwen. Schuine dialogen. Baltsgedrag. Een fontein spuit op.)
De blinkende ogen van begerige vrouwen aan de andere kant van de vitrine (en het bijzonder grappige briefje van Cyriel Buysse over die gemagnetiseerde vrouwen).
Een vitrine laat niet alleen toe naar binnen te kijken; de stad wordt erin weerspiegeld en wat meer is, ook de persoon die voor de vitrine staat, ziet zichzelf erin weerkaatst. (De alomtegenwoordige spiegels zijn, volgens de begeleidende tekst, trouwens verantwoordelijk voor de beroemde schoonheid van de Parisiennes.) Parijs als flonkerende spiegelbol.
Op het eind van de video bekijken we enkele hoeren met roodgeverfde lippen. Dan zien we vleeskwartieren aan de haak. Terwijl een psychedelische tekst
| | | |
van Henry Miller wordt voorgelezen (‘Waarom dansen de skeletten zo extatisch?’), wisselen hoeren en koeiekoppen, lappen vlees, beenderen, een hilarisch pornofilmpje met sleutelgat en geëxciteerde kijkster elkaar af. Dan glijdt de camera over het befaamde ‘Déjeuner sur l'herbe’ en wordt de toeschouwer op zijn beurt door de naakte madame bekeken. Betrapt.
De stad als hoer die ons met haar wenkende vingertje roept, die wil worden geconsumeerd en ons tegelijkertijd verslindt.
Heel leuk is het vervreemdende effect dat uitgaat van de voorgelezen teksten die meestal in kinderlijk enthousiaste termen het moderne leven in de stad becommentariëren. Flaptekst: ‘De bewust ingebouwde kloof tussen teksten uit het verleden en beelden van het heden wijzen op de utopische dimensie die de consumptiemaatschappij aanvankelijk nog bezat.’
De naakte poppen in de vitrines: de kleren van de keizer. De enige reactie van de overvoede twintigste-eeuwer is blasé: een cynische en tegelijk minzame glimlach. We hebben alles al gehad.
Een ander hebbedingetje uit de Antwerpse doos is de geluidsplattegrond van Antwerpen. Een stapeltje steekkaarten die ons doen geloven dat er een systeem zit achter deze waanzin.
Wat van het glanzende schijfje af spat is een geluidscollage van stadsrumoer: havengeluiden, hoogovens, verkeer... Kortom: een schat aan lawaaifragmenten voor de sampler in ons. Minimale industriële muziek. Spasmen. Gilletjes. Oprispingen van de stad.
Niet aan te raden voor de zenuwzieken onder ons. Herhaalde beluistering kan leiden tot epileptische aanvallen (een hypothetische opmerking).
Tevens handig als vogelverschrikker (een empirische opmerking!).
Tenslotte is er ook nog een drietalige (Frans, Engels, Nederlands) gazet met teksten over Antwerpen, waarbij vooral het schitterende ‘Antwerpse Partita’ (Wim Meewis), ‘Un palimpseste Anversoise’ (Guy Vaes) en in mindere mate ‘Jongeman met de anjer’ (Karen Blixen) opvallen.
Voor de rest veel anekdotes: een nostalgische ode aan 't Stad van Ivo Michiels (‘Bloot zijn!’), een wat onbenullige liefdesverklaring en tegelijkertijd een oproep tot tolerantie van Maja Panajotova, een interessant In Memoriamgedicht voor Hugues Pernath (‘Een rust over Vlaanderen’) van Nathaniel Tarn, enkele typische teksten van wijlen Georges Adé, eentje van Leo Pleysier en enkele foto's van Filip Tas (met superieur commentaar van Guy Vaes).
Peter Verhelst
| |
Van Neanderthalers, Germaanse Blondjes en Penguïns
Claus en Ausonius: er staat wat er niet staat
‘Ik ben geen Neanderthaler die uit een boom komt gevallen, zonder enige kennis,’ zegt reus Claus als hij zijn gebruik van oud cultuurgoed motiveert. Wat zijn eruditie omvat en hoe hij ze gebruikt, is door Paul Claes met grote kennis van zaken en verbluffende trefzekerheid blootgelegd in De mot zit in de mythe (1984). Je kunt die hoogstens wat volumineuzer maken door er nog iets nieuws aan toe te voegen...
In zijn derde grote hoofdstuk, ‘Claus en de antieke literatuur’, behandelt Claes
| | | |
Claus' ‘antieke vertalingen en bewerkingen’. De epigrammen uit de Griekse Anthologie, Seneca's Thyestes, Oedipus en Phaedra, en Euripides' Orestes: ze hebben alle gemeen dat Claus nooit vertrekt van de Griekse of Latijnse tekst, maar zich in hoge mate baseert op tussenvertalingen. En, voeg ik daar als bibliograaf van Nederlandse vertalingen aan toe: op de titelpagina's staat elke keer de vermelding ‘naar...’ of komt het woord ‘bewerking’ voor. Dat wordt bevestigd door de ‘bewerking’ die Claus na het jaar van De Mot (1984) nog publiceerde (Sophocles' Oedipus in Colonus [1986]), en in een stuk dat Claes niet besprak, Lysistrata van Aristophanes (1982). Overigens heeft schrijver Claus exegeet Claes nog in Het verdriet van België (1983) een tussenvertaling, teksten die soms niet makkelijk op te sporen zijn, cadeau gedaan: ‘Hij overhandigde een geel stukgelezen slap boek. Louis rook eraan in de gang. Muf. Lijm. De soutane van de Kei met een vleugje scheerzeep? Nee. Muffig, rokerig. “L'Anthologie Grecque”, Editions Garnier Frères, Paris.’ Dit weetje heeft de handelsversie van De mot nog gehaald.
Alle Claus-‘vertalingen’ van de antieken zijn dus ‘naar oude dichters’ of worden ‘bewerkingen’ genoemd. Allemaal? Nee, één stukje niet: in Elsevier en Knack publiceerde Claus vertalingen van de vierde-eeuwse Latijnse dichter Ausonius. Na een veldtocht tegen de Alemannen had Ausonius bij zijn buit een Germaanse schone gekregen, en in een cyclusje van zes bewaarde gedichten kan hij veertig verzen lang niet over haar zwijgen. In Claus' vertalingen vind je geen spoor van de vermelde aanduidingen ‘naar...’ of ‘bewerking’, dit is Ausonius door Claus. Heeft de grote man plotseling Latijn geleerd? Dan kreeg het gild van antieke vertalers er zonder twijfel een meester bij... Nieuwsgierig leest de classicus het eerste gedichtje en het begin van het tweede, eerst in het Latijn, zoals dat hoort, en dan in Claus' versie:
I
Ut voluisti, Paule, cunctos Bissulae versus habes,
lusimus quos in Suebae gratiam virgunculae,
otium magis foventes quam studentes gloriae.
Tu molestus flagitator lege molesta carmina.
tibi quod intristi, exedendum est. Sic vetus verbum iubet:
‘Compedes, quas ipse fecit, ipsus ut gestet faber.’
II
Carminis inculti tenuem lecture libellum pone supercilium.
Seria contractis expende poemata rugis: nos Thymelen sequimur...
I
Paul, zoals je vroeg, stuur ik je de regels
over die Zwabische meid, Bissula.
Ik beken, ik schreef ze eerder
om de tijd te doden dan voor mijn glorie.
Je werkt op mijn zenuwen met je vervelend gevraag,
hier is het liedje, lees het zoals het er staat.
Wat je bent begonnen te eten, dat moet op.
En zoals de slaaf zijn spreekwoord zegt:
‘De smid heeft boeien gesmeed? Laat mij ze dragen.’
II
Nu moet je je wenkbrauwen niet optrekken
voor dit boekje met slordige verzen.
| | | |
Frons je voorhoofd en hoor mijn hoekig lied.
En hij fronst bij het slot van het eerste gedicht en de eerste verzen van het tweede, ondanks (of op?) Ausonius' verzoek, zijn wenkbrauwen. Want in het Latijn staat er toch zoiets als (hier volgt de tweede Nederlandse vertaling aller tijden. Overigens met dank aan mijn voorganger):
I
Omdat je het mij vroeg: hier zijn mijn Bissula-gedichtjes,
ik flanste ze bijeen ter ere van mijn Zwabisch meisje
om aangenaam de tijd te doden, meer dan voor mijn glorie.
Je bleef maar drammen; wel, mijn verzen hebben ook die toon.
Je schafte zelf de pot, eet hem maar leeg.
Dat de smid de boeien draagt, die hij zelf heeft klaargemaakt.
II
U die dit bundeltje met kladverzen zult lezen straks,
frons uw wenkbrauw liever niet.
Serieuze poëzie proeft men met rimpels in zijn blik,
dit lijkt eerder op een klucht.
Ach, iedereen dommelt wel eens in, weet hij van vroeger. Maar bij het vierde gedichtje was de slap wel erg diep:
IV
Delicium, blanditiae, ludus, amor, voluptas,
barbara, sed quae Latias vincis alumna pupas,
Bissula, nomen tenerae rusticulum puellae,
horridulum non solitis sed domino venustum.
Aardig, charmant, vol liefde, zelfs als vreemdelinge
heeft mijn dochter alle Latijnen veroverd.
Bissula, schattige meid met je boerse naam,
nooit zal je bang moeten zijn voor de woede van je meester.
Er staat ongeveer (let onder meer op Ausonius' slotvers):
Mijn lieve lust, mijn schat vol speelse charmes,
je bent wel vreemd maar wint het moeiteloos
van de Latijnse meiden uit de streek hier.
Bissula! De naam is boers, het meisje broos,
't klinkt ruw voor wie het niet gewoon is,
voor mij vloeit het als zoete honing.
En de classicus denkt aan Claes' gronden tussenteksten, en hij speelt even detectivetje. Maar de voor de hand liggende sporen, tweetalige tekstedities (Loeb, Budé, Garnier), lopen bijster. Die kunnen niet verantwoordelijk zijn voor de vele afwijkingen. Een dik boek levert een nieuw spoor op: R.P.H. Green publiceerde in 1991 een editie met commentaar van Ausonius' oeuvre, en hij schrijft bij zijn commentaar op de gedichtjes voor Bissula: ‘There is a free translation in H. Isbell's The Last Poets of Imperial Rome’. De classicus herinnert zich de tijd toen hij een bloemlezing Latijnse poëzie samenstelde en met dat doel voorgangers-bloemlezingen in groten getale kocht. Was die Isbell met zijn Penguin-boek The last poets of imperial Rome (1971, herdruk 1982) daar niet een van? Zijn huisbibliotheekje geeft
| | | |
hem gelijk, en hij leest op pagina's 47 en 48:
I
Paul, as you've requested, I send the lines
done for that Swabian lass, Bissula.
I must confess that they were written down
more to kill my time than seek my glory.
You've worn me out with your tiresome demands;
you must read the dreary songs as they stand.
What you've begun to eat, you shall finish.
As that saying of the slave would have it:
let the blacksmith wear the shackles he makes.
II
Now don't raise your eyebrow because you hold
a little book of rough and unkempt verse.
Weigh these hefty songs with your brow wrinkled...
IV
Pleasant, charming and loving; though foreign,
my daughter has conquered all the Latins.
Bissula, gentle girl with rustic name,
you need never fear your master's anger.
Een vertaling maak je dus nooit alleen. En hoewel Claus in dit geval wel zwaar onderuit gaat, kan u ervan op aan dat de meeste vertalers tussenvertalingen gebruiken, voor, tijdens of na hun arbeid (zoals bloemlezers ook wel eens bij hun voorgangers snuffelen...). Ze doen het dan meestal minder stuntelig, of moet ik zeggen meer tersluiks. Het is sinds de negentiende eeuw niet meer bon ton hier nog voor uit te komen. Er vallen voor de vertaalonderzoeker dus nog onthullende en soms compromitterende ontdekkingen te doen... De heerlijke naïviteit van vertaler A.L. Barbaz die in 1801 bij zijn Lucanus-vertaling schrijft dat hij van een Franse vertaling gebruik maakte omdat de Franse vertaler Lucanus ‘niet weinig luister [had] bygezet, hem véél verkortende, en somtyds eens wat opsierende, naarmate hy zulks dienstig gevonden heeft’, is nu ondenkbaar. Maar dit is vertaalhistorie, en dus een ander, nog te schrijven verhaal: het verhaal van de Nederlandse vertalingen.
Vindplaatsen:
Het corpus delicti: The last poets of imperial Rome. Translated with introductions, notes and glossary by Harold Isbell (The Penguin Classics), s.l., 19822, p. 47-48. - Eerste druk: 1971. Eerste publikatie van de Bissula-vertalingen: 1965.
Claus' vertalingen van Isbell: Claus (Hugo), Bissula, in: Elsevier, 43 (1987), 31, p. 63, en in: Knack, 18 (1988), 9, p. 140.
De tweede Nederlandse vertaling in: Op de snaren van Apollo. Acht eeuwen Latijnse poëzie, samengesteld en ingeleid door Patrick de Rynck, Baarn, Ambo, 1993, p. 345-346.
Patrick de Rynck
| |
Over venusmandjes en videoclips
Cioran, Oscar Wilde, Jan Fabre, Jean Genet, Francis Bacon, Bataille, Peter Greenaway, Michael Nyman, John Cale, Nick Cave, Thierry de Cordier, Mapplethorpe, Cavani, David Lynch.
| | | |
Als vliegjes hangen ze in het web van een kruisspin. Die maakt dat web van vangdraden in de vorm van een wiel. De webdraden zijn, naargelang van hun functie, van verschillend materiaal. De kruisspin maakt eerst de spaken en dan de vangspiraal. Die is van een speciaal soort spinrag, waarop lijmstof is vastgezet. Als de lijmstof na een paar dagen is opgedroogd, bijt de spin de spiraal stuk, eet die op en maakt een nieuwe vangdraad. De prooien worden door gif gedood en helemaal ingesponnen. Een van die prooien kan de mannetjesspin zijn, die zich na de copulatie zeer snel van het veel grotere wijfje verwijdert om aan haar vraatzucht te ontkomen. Zo ongeveer gaat de dichter Peter Verhelst met zijn literair materiaal om in zijn prozadebuut Vloeibaar harnas.
Waarom is Verhelst als een kruisspin? Er is natuurlijk de wulpse en toch lichte manier waarop hij met zijn slachtoffers omspringt. Een engel des doods. Sadisme en mystiek in elkaar verweven. Het denken aan Sint-Sebastiaan met die wat zieke, theatrale geest van hem. De cultus van het mooie, met pijlen doorzeefde lichaam, erotische zuigmondjes rond elke pijl - de pijl zoeft als een zoen op het lichaam af -, de combinatie van ondraaglijk lijden en ondraaglijk genot, de hemelwaartse blik en het neersijpelende bloed, seksuele prikkels en geslachtloosheid. Citaat: ‘Dat “ik” dat hangt in een web van pijn en genot.’ En de ultieme paradox: dat verminking iets toevoegt, dat je moet weghalen om bij te krijgen. Het verlangen naar castratie, met alleen maar een glad vel daar onderaan. Het verlangen ook naar vleugels uit de schouderbladen.
Spinnen spon gesponnen. Nog een obsessie van Peter Verhelst is het Venusmandje, een soort glasspons, waarvan het skelet zichtbaar is zoals bij gesponnen glas. Soms nestelen zich jonge kreeftjes in het beschermende fijnmazige mandje. Nadien worden de kreeftjes te groot om door de mazen heen te kunnen glippen; nog later worden de lege skeletjes van het mannelijk en vrouwelijk kreeftje teruggevonden. Dan zijn de Venusmandjes zelf er beter aan toe. Ze hebben geen geslachtsorganen. De uitgestoten zaden en eitjes vinden elkaar ergens ver weg in de stroming. Al wat zo'n kokervormig Venusmandje moet doen is zacht wuivend tegen de bodem van de zee gevlijd liggen.
De tweeling liefde/dood beheerst een andere obsessie van Verhelst: Salome. Het dansen en vervoeren, en een hoofd als beloning. Is de vrouw van de hoofdpersoon, een zekere WW, ook een verpopping van Salome? Ze is in elk geval een sfinx, object van wrede lustdromen, zo uit een schilderij van Khnopff weggewandeld, met een aanlokkelijke slagader die beeft als een vlinder, of is het een vliegje in een nerveus trillend web? WW staat vaak voor de spiegel, ziet hoe ze tweeling wordt, kijkt naar de verdubbeling van de getatoeëerde doodshoofdvlinder onder haar navel, trekt ten slotte de pruik van haar hoofd en legt die op een bord. Salome.
Bladzijden zou ik zo door kunnen gaan met de opsomming van kleine obsessies, even wild en barok als de videoclips van MTV, die overigens in de roman vaak geluidloos en wit staat te trillen. Een kort lijstje: het harnas, de eunuch, de oester, de amaryllis, aids, gal en schimmel, de aronskelk, God, formol, nazi's, de camera, het heelal, leer, het zweepje, de castraatstem. En natuurlijk het pentagram, symbool voor de paradox. Zo'n pentagram is een vijfpuntige ster, gevormd door de vijf diagonalen van een
| | | |
regelmatige vijfhoek. Men kan een pentagram op verschillende manieren ‘lezen’: er zit vijf keer A in, hij is mannelijk en vrouwelijk tegelijk, symbool voor engelen, het hoogste en de afgrond verenigd, de gulden snede heeft ermee te maken, je kunt er planeten aan ophangen, hij is het insigne van de middeleeuwse bouwmeesters, het herkenningsteken van de school van Pythagoras, volmaaktheid en eeuwigheid beide, de zelfstreling van het narcistische ik. En nog veel meer. Maar ook veel minder. Want de A is hier niet alleen Alfa, begin, maar ook Aids, einde. Als de kruisspin toesnelt langs de zelfgeweven draden, als ze zichzelf strelend voortbeweegt.
Zo'n kruisspin maakt telkens weer een nieuwe vangdraad. En ze kruipt razendsnel naar haar prooi. Terwijl ze onbeweeglijk in het midden van haar web hangt, beweegt alles aan haar, in uiterste alertheid. Zo ook deze roman, zo ook Vloeibaar harnas. Peter Verhelst maakt telkens nieuwe Venusmandjes waar je als lezer in gevangen raakt, betoverd door de ragfijne compositie, maar toch een gevangenis, blijkt later. Er zit niets anders op dan van de ene gevangenis naar de andere te zwemmen, overigens een mooie metafoor voor het bestaan. Ook de traagheid, de quasi stilstand van de roman is bedrieglijk. In feite worden honderden beelden razendsnel langs je heen gevoerd; je kan ze niet meer afzonderlijk waarnemen, waardoor ze trager lijken te gaan of stil te staan. Kortom: de stroboscopische techniek van heel wat videoclips. De lezer wordt bestookt met beelden, zoals de hoofdpersoon met gedaanten, zodat hij onmogelijk nog kan aannemen dat hij het lichaam bewoont dat hij zo graag aait en striemt. Tot het harnas begint te vloeien.
Hugo Bousset
|
|
|