|
|
|
| |
| | | |
Antoine A.R. de Kom
Een winter op de Wilde Kust
I
Ik zal wel overwinteren in 't winderige
goudland dat mijn tropen logen en betreed
weer stranden vol vergane palmen die ik nóg
hoor razen op de Wilde Kust waar 's nachts
het zand kon lichten. En koorts vrat koud
als ik verstenend proefde zout en zweet,
en dan, ooit zwart, steeds bleker
taalde naar 's lands wet: een slavenmacht
aan woorden broeide en die vluchtte door
mijn droomslaap levend weg wat schaduw
achterlatend indigo in 't flauwe maanlicht
dat me almaar doet verdwalen nu passaten
dode palmen praten laten langs het strand waar ik
bij spiegelende lucht de Kust mij onderworpen dacht.
| | | |
II
Dromen waren het waarin ik woelend Wilde
Kust vergat. En nu, ontwaakt in ban van blauwe duiven,
proef ik hete specerijen uit het dor bacoveblad.
Ik kijk weer opgezette vogels aan, speel zat voor zot,
hun Kust heeft mij bezeten sinds de blauwe duiven
groene gaaien toch caciques uit Cayenne leken,
aan het brakke water waagden hun vergulde veren,
gaaf als 't onvindbaar goud in mijn verjaarde droom.
En dromen waren het waarin ik maaide naar de wolken
die muskieten dansten door mijn dag, kaf dat verwoei
toen wind bekoelde. O ja, ik wist alweer
een uitweg, dit gedicht, de droom en het ontwaken
dankzij jeuk; met houten hoofd op muffe peluw hoorde ik
gekwetter & geklok: de stank van schimmel was mijn zweet.
| | | |
III
Ontslaap tot grijze Afrikaan, een schim die streng
zijn voorhoofd wast en water sprenkelt langs de kreek
over 't schilderachtig strand. Ontwaak en schrijf als hij
met lege handen in wit zand de resten van perfect sonnet.
Hij zag maar even en hij was alweer niet meer dan jij,
ontwaakt zijn dood voorbij en werkend aan het krot bizarre
strofenbouw, in molm van schoonste vormen ooit gevat.
En wies het water van de kreek, je bouwval dreef.
Een kreek was zwart en koel. Je bouwval stuurloos vlot.
De oever, eerst wit zand, is nu bedekt door modder
van het meer waarin rot dode bomen brandend pieken
wijl jij zotte nazaat spelevaren gaat en in 't Ibo
onheil over almaar rimpellozer water spelt, dat dampt
tot stoom, zo valt dood hout als regen grijze as.
|
|
|