Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 138


auteur: [tijdschrift] Dietsche Warande en Belfort


bron: Dietsche Warande en Belfort. Jaargang 138. Uitgeverij Peeters, Leuven 1993


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

 i.s.m. 

 i.s.m.  logo funder

[p. 756]

Antoine A.R. de Kom
Een winter op de Wilde Kust

I
 
Ik zal wel overwinteren in 't winderige
 
goudland dat mijn tropen logen en betreed
 
weer stranden vol vergane palmen die ik nóg
 
hoor razen op de Wilde Kust waar 's nachts
 
 
 
het zand kon lichten. En koorts vrat koud
 
als ik verstenend proefde zout en zweet,
 
en dan, ooit zwart, steeds bleker
 
taalde naar 's lands wet: een slavenmacht
 
 
 
aan woorden broeide en die vluchtte door
 
mijn droomslaap levend weg wat schaduw
 
achterlatend indigo in 't flauwe maanlicht
 
 
 
dat me almaar doet verdwalen nu passaten
 
dode palmen praten laten langs het strand waar ik
 
bij spiegelende lucht de Kust mij onderworpen dacht.
[p. 757]
II
 
Dromen waren het waarin ik woelend Wilde
 
Kust vergat. En nu, ontwaakt in ban van blauwe duiven,
 
proef ik hete specerijen uit het dor bacoveblad.
 
Ik kijk weer opgezette vogels aan, speel zat voor zot,
 
 
 
hun Kust heeft mij bezeten sinds de blauwe duiven
 
groene gaaien toch caciques uit Cayenne leken,
 
aan het brakke water waagden hun vergulde veren,
 
gaaf als 't onvindbaar goud in mijn verjaarde droom.
 
 
 
En dromen waren het waarin ik maaide naar de wolken
 
die muskieten dansten door mijn dag, kaf dat verwoei
 
toen wind bekoelde. O ja, ik wist alweer
 
 
 
een uitweg, dit gedicht, de droom en het ontwaken
 
dankzij jeuk; met houten hoofd op muffe peluw hoorde ik
 
gekwetter & geklok: de stank van schimmel was mijn zweet.
[p. 758]
III
 
Ontslaap tot grijze Afrikaan, een schim die streng
 
zijn voorhoofd wast en water sprenkelt langs de kreek
 
over 't schilderachtig strand. Ontwaak en schrijf als hij
 
met lege handen in wit zand de resten van perfect sonnet.
 
 
 
Hij zag maar even en hij was alweer niet meer dan jij,
 
ontwaakt zijn dood voorbij en werkend aan het krot bizarre
 
strofenbouw, in molm van schoonste vormen ooit gevat.
 
En wies het water van de kreek, je bouwval dreef.
 
 
 
Een kreek was zwart en koel. Je bouwval stuurloos vlot.
 
De oever, eerst wit zand, is nu bedekt door modder
 
van het meer waarin rot dode bomen brandend pieken
 
 
 
wijl jij zotte nazaat spelevaren gaat en in 't Ibo
 
onheil over almaar rimpellozer water spelt, dat dampt
 
tot stoom, zo valt dood hout als regen grijze as.