Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw. Jaargang 1986


auteur: [tijdschrift] Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw


bron: Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw. Jaargang 1986. APA - Holland Universiteits Pers, Amsterdam & Maarssen 1986


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 1]

[Nr. 69/70]

Lexicografische vernieuwing in de vroege achttiende eeuw

I

De gebruikelijke periodisering van de geschiedenis van de Nederlandse lexicografie behandelt het tijdvak na Kiliaen en voor het ontluiken van de belangstelling voor een uitsluitend op de eigen taal gericht woordenboek, als één geheel: zowel bij De Tollenaere (1977), bij Geeraerts & Janssens (1982) en bij Van Sterkenburg (1984) wordt de lexicografie in de 17de en de 18de eeuw als één periode voorgesteld. Daartegen pleit dat het begin van de 18de eeuw een opbloei van de woordenboekarbeid laat zien die als een reële kentering in de lexicografische geschiedenis moet worden beschouwd. Ook waar de vooruitgang door Van Hoogstraten, Marin, Halma en hun tijdgenoten geboekt, met enige nadruk naar voren wordt gebracht (zoals in De Vooys (1934), aan wie de eer toekomt als eerste de aandacht te hebben gevestigd op de vroeg-18deeeuwse lexicografie), blijft het perspectief in hoofdzaak beperkt tot de kwantitatieve uitbreiding die de woordenboeken dan ondergaan, terwijl er juist ook op het kwalitatieve vlak van de bewerkingswijze belangrijke vernieuwingen te vermelden zijn.

In aansluiting bij de ervaring die ik als WNT-redacteur met de betrokken werken heb opgedaan, wordt in dit artikel een poging ondernomen de gemeenschappelijke kentrekken te schetsen van de belangrijkste woordenboeken uit de eerste twintig jaren van de 18de eeuw, woordenboeken die in herdruk of als model voor anderen het uitzicht van de 18de-eeuwse lexicografie hebben bepaald tot aan het verschijnen van Weilands eentalig-Nederlandse, historische woordenboek (1799-1811). De beknoptheid van de hier gegeven beschrijving moge de aanzet zijn voor een grondiger studie van de periode in kwestie: aan de oproep van De Vooys tot zo'n diepgaand onderzoek is immers tot nu toe geen gevolg gegeven, en ook dit artikel is slechts een zeer partiële en bescheiden stap in die richting.

[p. 2]

II

Om welke woordenboeken gaat het in feite? De werken waarin de innovaties het duidelijkst en het eerst te merken zijn, zijn het Nieuw Woordboek der Nederlantsche en Latijnsche Tale van Samuel Hannot en David van Hoogstraten (1704), het Woordenboek der Nederduytsche en Fransche Taalen van François Halma (1710), en het Compleet Fransch en Nederduytsch Woordenboek van Pierre Marin (1717). Omdat we hier vooral geïnteresseerd zijn in de ontwikkelingen in de beschrijving van het Nederlands, zijn hier uitsluitend werken genoemd waarin het Nederlands de brontaal is; het is immers in die werken dat een op zich staande beschrijving van de Nederlandse woorden te zoeken valt. De genoemde werken (behalve Hannot-van Hoogstraten) hebben echter ook een begeleidend deel waarin het Nederlands de doeltaal is: bij Halma verscheen dat in 1708 en bij Marin in 1710. Op de anekdotische achtergronden van de werken in kwestie (en vooral op de twist tussen Marin en Halma, die laatstgenoemde in zijn voorwoord tot een wrange schimptirade tegen de ander inspireert) zullen we niet ingaan. Wel moeten we wijzen op werken die ofwel de vernieuwing voorafschaduwen, ofwel ze ondergaan onder invloed van de genoemde werken. Bij de eerste groep hoort het Nieuw Nederduits en Frans Woordenboek van Marin uit 1701, zelf reeds een uitbreiding van zijn Dictionnaire portatif Hollandais et Français uit 1696. Marins werk uit 1701 heeft (blijkens Osselton 1973) nogal wat invloed uitgeoefend op het Nederlands-Engelse deel van Willem Sewels Groot Woordenboek der Nederduytsche en Engelsche Taalen uit 1708, dat op die manier ook reeds in zekere mate de vernieuwende kenmerken te zien geeft. Los van Marin (1701) tot stand gekomen is daarnaast Den nieuwen ende grooten Woorden-Boéck der Nederlandtsche ende Fransche Taele, zonder auteursnaam in 1707 verschenen bij Judocus de Grieck in Brussel; ook in dit werk zijn de innovaties in beperkte mate aan te wijzen. Omgekeerd zijn er ook werken die de innovaties ten volle vertonen en die aantoonbaar de invloed hebben ondergaan van de eerst genoemde woordenboeken. Dat is, nog in de hier belichte eerste twee decennia van de eeuw, het geval voor het Groot Nederduitsch en Italiaans Woordenboek van Moses Giron (1710), waarvan het Nederlands in het Nederlands/Italiaanse deel overduidelijk teruggaat op Hannot-van Hoogstraten, en voor het Koninglyk Neder-Hoog-Duitsch en Hoog-Neder-Duitsch Dictionnaire van Matthias Kramer (1719), die het werk van Halma ‘op de voet volgt’ (De Vooys 1943: 40). Hiermee is dan het sein gegeven voor de verdere verspreiding van de methodologische vernieuwingen over de 18de-eeuwse lexicografie, al verloopt dat proces niet t.a.v. alle talen even snel: zo is b.v. bij de woordenboeken Nederlands/Engels de verdere doordringing van de ver-

[p. 3]

nieuwingen (en m.n. de invloed van Marin 1710-1717) pas goed te merken in de door Egbert Buys in 1766 bewerkte vijfde editie van Sewel (zie daarover Osselton 1973).

III.

De drie belangrijkste gemeenschappelijke kenmerken van de vermelde werken lijken mij te zijn: de kwantitatieve uitbreiding t.o.v. de 17deeeuwse lexicografie, het streven naar een nauwkeuriger betekenisbeschrijving, en de systematische aandacht voor de gebruikskenmerken der woorden. In het volgende wordt ieder van deze punten toegelicht.

 

1. De kwantitatieve uitbreiding laat zich in het algemeen goed omschrijven als de overgang van woordenboeken op zakformaat naar naslagwerken op handwoordenboekenformaat. Ik vermeld hier slechts enkele getallen ter illustratie: het Nederlands/Franse deel van de vierde druk van Van den Endes Schatkamer der Nederduitse en Franse talen uit 1695 (één van de grootste 17de-eeuwse woordenboeken) omvat circa 760 kolommen, terwijl het Nederlands/Franse deel van Marin (1717) er zowat 2000 heeft. Deze cijfers zeggen bovendien nog niet alles over de kwantitatieve verhoudingen, want iedere kolom uit Marin bevat zowat het dubbele aan informatie van een kolom uit Van den Ende. Bij de Latijnse woordenboeken is de situatie vergelijkbaar: het Dictionarium belgicolatinum van Van Winschooten (1684) bevat ongeveer 500 kolommen, terwijl Hannot-van Hoogstraten er zowat 2000 heeft, maar dan wel met twee tot drie keer zoveel informatie per kolom.

Interessanter dan deze exemplarische cijfers is de vraag naar de inhoudelijke verdeling van de nieuwe informatie. Opvallend is dan dat deze meestal niet, of slechts in geringe mate, te danken is aan een toename in het aantal trefwoorden: ik schat (op basis van een steekproef bij de letters B en D) dat het aantal lemmata bij Van den Ende (1695) en Marin (1717) van dezelfde grootteorde is, terwijl Hannot-van Hoogstraten een nomenclatuur heeft die maximaal de helft groter is dan die van Van Winschooten, wat proportioneel niet overeenstemt met de totale toename bij Hannot-van Hoogstraten. De toename ligt dan ook meer bij de informatie die bij ieder trefwoord afzonderlijk vermeld wordt dan bij het aantal trefwoorden als zodanig. Een goed inzicht in de reële vernieuwingen die de achttiende eeuw brengt, krijgen we dan ook door naar de inhoud van de afzonderlijke trefwoorden te kijken. Dat doen we in de volgende punten.

[p. 4]

2. De grotere precisie van de 18de-eeuwse woordenboeken bestaat erin dat de verschillende vertalingen die een Nederlands woord kan krijgen, semantisch onderscheiden worden. We illustreren dat aan de hand van een exemplarisch lemma uit Marin (1717).

bed, bedde, bedt. n. Slaapplaats, bedstee, ledikant &c. Lit, lieu où l'on chouche. m. Na bed gaan, zig te bedde begeeven. Se mettre au lit, se coucher. Bed, word veeltyds voor de veerezak of 't matras daar men op rust genomen. Een veere bed. Un lit de plume. Een zagt bed. Un lit molet. Een stroo bed. Une paillase. Het bed afhaalen. Tirer le lit. Het bed schudden. Remuer le lit. Het bed verlugten. Mettre le lit à l'air. Het bed opmaaken. Faire le lit. Het Bruilofts-Bed, Egtebed, de bruilofskoets. Le lit Nuptial. Pronkbed, staatsiebed, praalbed. Lit de parade. Rustbed. Lit de repos. Een rolbed, slaapbank. Une roulette, couchette. Eerlyk is het huwelyk onder alle, en het onbevlekte bed. schr: spr: Le mariage est honorable entre tous, & la couche fans foûillure. Kinderen van het eerste BED, voorkinderen, kinderen van 't eerste huwelyk. Des enfans du premier lit, provenus d'un premier mariage est honorable entre tous, & la couche sans soûillure. De arme man leit plat te bed. Le pauvre homme garde le lit, est retenu au lit par maladie. Dat's wyn, dat's tabak van het egte bed, van den regten aart. Voila du vin, du tabac de la bonne espece, voila du vin à une oreille, voila d'excellent tabac. Na bed, na bed: uitjouwing. Retirez vous canaille; allez vous coucher canaille; tirez vous le nerf, coyons, poltrons!
bed. Afgeperkte spatie in een tuin, daar iets gezaayd en met zorg aangekweekt word. Couche, planche. f. Carreau de jardin. m. Een spergie bed, een meloen bed. Une couche, une planche d'asperges, de melons.

Een ouder en beknopter woordenboek zal bed al licht de vertalingen lit en couche meegeven, maar verzuimen aan te geven in welke gevallen bed met het ene of met het andere woord wordt vertaald. De middelen die voor het opheffen van die onzorgvuldigheid in de 18de-eeuwse woordenboeken worden aangewend zijn in essentie tot enkele klassen terug te brengen.

In de eerste plaats worden er definities van de betrokken betekenissen gebruikt: bed in de definitie ‘slaapplaats’ wordt als een andere betekenis geïdentificeerd in vergelijking met de definitie ‘afgeperkte spatie in een tuin’ (een onderscheid dat bij Marin versterkt wordt door de verdeling van beide gebruikswijzen over twee lemmata). Die definities kunnen ook de vorm aannemen van een volledige zin (‘Bed wordt veeltyds voor de veere zak of 't matras daar men op rust genomen’), en af en toe wordt ook bij de vertalingen een identificerende definitie opgenomen

[p. 5]

(‘lieu où l'on couche’). Meestal zijn de definities echter in het Nederlands gesteld, en dat is in de geschiedenis van de Nederlandse lexicografie een moeilijk te onderschatten stap: het systematisch opnemen van Nederlandstalige analytische definities of synoniemendefinities in vertaalwoordenboeken is een eerste stap naar het ontstaan van eentalige woordenboeken van het Nederlands. (Die laatste komen a.h.w. tot stand door van woordenboeken als dat van Marin de semantische specificaties te behouden en de vertalingen weg te laten.)

In de tweede plaats wordt de semantische precisering verkregen door het woord te plaatsen in een syntagmatische context die disambiguerend werkt. Dat kan een voorbeeldzin zijn, maar ook een simpele samenstelling. Een illustratie van het eerste is de zin Kinderen van het eerste bed: uit die zin blijkt dat de gewone, materiële betekenis van bed niet van toepassing kan zijn, en de daarop volgende omschrijving van de betekenis van de uitdrukking als geheel maakt duidelijk dat bed hier symbolisch staat voor het huwelijk. In onze hedendaagse woordenboeken zou bed in dit geval een definitie krijgen als: ‘huwelijksbed, en vandaar symbolisch: huwelijk’; bij Marin wordt die toepassing daarentegen geïdentificeerd door het woord te plaatsen in een context die verduidelijkt welke betekenis bedoeld is. De letterlijke, materiële betekenis ‘huwelijksbed’ (ook nu nog bekend in uitdrukkingen als scheiding van tafel en bed en iemands bed schenden) wordt geïdentificeerd door de samenstellingen bruiloftsbed en egtebed, voorbeelden van de tweede contextuele manier van disambigueren.

Naast definiëring en contextualisering kunnen we het vermelden van extensionele voorbeelden als derde vorm van semantische precisering aanwijzen. De toepassing ‘huwelijk’ valt niet meer onder de toepassing ‘slaapplaats’, maar de eveneens door Marin vermelde toepassing ‘praalbed’ doet dat nog wel; in zulke gevallen denkt men tegenwoordig (afgezien van zog. ‘pregnante’ betekenissen) niet aan een andere betekenis van bed, maar aan een soort van bed. In de terminologie van de moderne semantiek kan men zeggen: ‘praalbed’ wijst op een deelverzameling van de extensie van bed/‘slaapplaats’, maar is niet zelf een aparte intensionele betekenis van bed. Feit is nu dat de toename van semantische specificaties in de 18de-eeuwse lexicografie vaak betrekking heeft op ‘subsoorten’ uit de extensie van een zaak, zonder dat er van een intensioneel betekenisverschil sprake is. Dat blijkt b.v. heel duidelijk bij de volgende onderdelen van het lemma band bij Hannot-van Hoogstraten: ‘Een band waarmede men een muts onder de mantel vast maakte: Spira’, ‘Een band met een lus: Laqueus’, ‘Een soort van een band, waar mede d'Ouden haar hair vast bonden: Capital’. Zulke specificaties zijn voor de semantische structuur van het Nederlandse woord band in wezen irrelevant; ze komen in dit geval waarschijnlijk uitsluitend in het

[p. 6]

woordenboek terecht omdat het Latijn voor de betreffende betekenissen aparte woorden heeft. (Hannot-van Hoogstraten is dan a.h.w. een ‘omkeerwoordenboek’ van een Latijns/Nederlands woordenboek.) Die uitleg geldt echter niet voor gevallen als pronkbed, rustbed en rolbed bij het eerste bed-lemma uit Marin, of spergiebed en meloenbed bij het tweede: daar blijkt dat het vermelden van typische of bijzondere leden, of subsoorten uit de extensie van een woord, in de 18de-eeuwse woordenboeken als een autonome vorm van semantische beschrijving wordt beoefend.

 

3. Naast de aandacht voor de betekenisbeschrijving kent de vroeg-18de-eeuwse lexicografie een grote aandacht (en dit voor het eerst in de geschiedenis van de Nederlandse lexicografie) voor de gebruikswaarde der woorden. Die aandacht richt zich in hoofdzaak op twee aspecten van het taalgebruik.

Ten eerste: de syntagmatische gebruiksmogelijkheden der woorden. Het groot aantal voorbeelden in het lemma bed verduidelijkt in welke woordcombinaties, in welke uitdrukkingen, het trefwoord kan voorkomen. Daar zijn typische vrije verbindingen bij zoals een zacht bed, maar vooral ook vaste verbindingen, i.e. verbindingen die op de een of andere manier conventioneel zijn. Dat kunnen dan zelf weer collocaties zijn zoals het bed houden of het bed opmaken, of spreekwoorden en zegswijzen zoals na bed en dat's wyn, dat's tabak van het egte bed. Telkens gaat het daarbij om voorbeelden die laten zien hoe bed in syntagmatisch verband (d.w.z. in woordcombinaties) gebruikt kan worden; de aandacht gaat hierbij naar frequent voorkomende verbindingen (ook wanneer die semantisch of formeel geen bijzondere specificaties vertonen), én vooral naar verbindingen waarvan de kenmerken door hun conventionele aard niet helemaal voorspelbaar zijn (naar idiomen dus).

Ten tweede: het stilistische register van woorden en uitdrukkingen. De stilistische waarde van een woord heeft een grote invloed op zijn praktische gebruiksmogelijkheden; het is één van de belangrijkste ontwikkelingen in de vroeg-18de-eeuwse lexicografie, dat getracht wordt rekenschap af te leggen van de stilistische variatie en de gebruikswaardeverschillen in een taal. Sewel en Halma doen dat met typografische labels als sterretjes en kruisjes, maar Marin en Kramer wijzen zulke experimenten uitdrukkelijk af t.v.v. meer gewone omschrijvingen. Bij Marin vinden we b.v. een vrij uitgebreid systeem van stilistische afkortingen, waarvan er hier enkele volgen: boert.spr. voor ‘boertige spreekwyze’, fig. voor ‘figuurlijk’, geksch. voor ‘gekscheering’, gem.spr. voor ‘gemeenzame spreekwyze’, schr.spr. voor ‘schriftuurlyke spreekwyze’, en spreekw. voor ‘spreekwoord’. In Hannot-van Hoogstraten wordt het gebruik van labels als gebruiksindicatoren het verst doorgetrokken, zij

[p. 7]

het m.b.t. de Latijnse vertalingen en niet m.b.t. het Nederlands: aangegeven wordt bij welke auteurs men een bepaalde uitdrukking of een Latijns woord kan vinden. Zo leren we dat gratiam praesentem refero (als vertaling van ik bedank u op staande voet) bij Cicero voorkomt, of dat baal (in de betekenis ‘pak’) vertaald kan worden met fascis, voorkomend bij Vergilius en Petronius, of met sarcina, aangetroffen bij Plautus. Geen algemene stijlregisters worden hier genoemd (zoals bij Marin), maar individuele literaire stijlen; zo'n gebruik van referenties gaat de richting uit van het gebruik van citaten (i.p.v. ‘zelfverzonnen’ voorbeelden) als illustratie van het woordgebruik.

IV.

Van de drie hierboven genoemde factoren zijn de laatste twee zonder enige twijfel de significantste, omdat het daar gaat om kwalitatieve i.p.v. kwantitatieve wijzigingen. Dat er van een reële methodologische vooruitgang sprake is, blijkt ook wanneer we niet (zoals in de opsomming van daarnet) de nadruk leggen op de nieuwe inhoudelijke functies van het woordenboek die de aandacht krijgen, maar op de lexicografische middelen waarmee die functies vervuld worden. Opvallend is dan vooral het systematisch gebruik van voorbeelden (en, daarbij aansluitend, referenties in de Latijnse woordenboeken). Die veralgemeende invoering van voorbeelden kan verschillende doelstellingen dienen.

In de eerste plaats geeft het bewijskracht aan de vermelde betekenisdefinities c.q. vertalingen. Dit is het duidelijkst in het geval van de Latijnse woordenboeken, die het überhaupt opnemen van een woord of een uitdrukking kunnen verantwoorden door te wijzen op de aanwezigheid van dat lexicale element of die frase bij met name genoemde schrijvers. Referenties naar schrijvers of geïdentificeerde citaten zijn bij Marin, Halma en de anderen niet te vinden, maar het lijkt niet al te gewaagd te veronderstellen dat de vermelding van voorbeelden ook hier (mede) een verantwoordingsfunctie dient: de vermelding van zekere betekenisomschrijving is gerechtvaardigd en voor de gebruiker acceptabel wanneeer die betekenis blijkt te figureren in staande uitdrukkingen of veel voorkomende woordverbindingen.

In de tweede plaats dienen (zoals al eerder opgemerkt) de voorbeelden ter aanvulling op de betekenisomschrijvingen als indicatoren van de precieze semantische waarde van een woord. Anders dan met de bewijsvoerende functie is dit een aspect van de zaak dat een expliciete vermelding krijgt in het voorwoord van enkele van de betrokken werken. We citeren Marin, die de klemtoon legt op ‘le soin que j'ay pris de fournir autant d'exemples qu'il en falloit pour marquer au plus juste les diffe-

[p. 8]

rentes acceptions des Verbes & des Noms’. Hij geeft o.m. de volgende illustratie: ‘Quand le mot François se peut rendre de plus d'une maniere en Hollandois, comme Aigle qui signifie Arend & Adelaar, je donne des exemples où entrent le premier de ces deux differents mots avant que de passer à l'employ du second qui ne se dit qu'au figuré’. Het voorbeeld is geformuleerd met het oog op het Frans/Nederlandse deel van het woordenboek, maar het principe is natuurlijk algemeen geldig.

In de derde plaats (ook dit is al ter sprake gekomen) zijn voorbeelden nuttig om het gebruik van de woorden te verduidelijken, d.w.z. om naast de primaire semantische informatie ook gegevens te verstrekken over de syntagmatische en de stilistische kenmerken van de woorden: voorbeelden wijzen op de woordcombinaties waarin ze kunnen optreden en de typische of conventionele uitdrukkingen waarin ze effectief voorkomen. Dit punt krijgt de meeste aandacht wanneer in de voorwoorden de opname van voorbeelden e.d. ter sprake komt. Kramer schrijft: ‘Het is allen, der lexicaalsche Dingen Verstandigen bekent, dat in een rechtschapen Woorden-boek, de Spreekwyzen, dat is, 't eigentlyke Gebruik, en de rechte Toe-passing van elk Hoofd-woord, zo te zeggen, ‘er de Ziel van; en dat, zonder de zelve, een ledig Woorden-register, niet dan een leef-loos Lichaam is’. Van Hoogstraten is minder verheven, maar specifieker in zijn uitlatingen. Het vermelden van de Latijnse auteurs bij wie een woord voorkomt geeft nuttige gebruiksinformatie aan wie het woordenboek raadpleegt: men zal bij voorkeur termen gebruiken die te vinden zijn bij schrijvers uit het gouden, Augustiaanse tijdperk van de Latijnse literatuur, terwijl neolatijnse uitdrukkingen slechts bij gebrek aan beter gehanteerd zullen worden. Marin van zijn kant verzet zich enigszins tegen de normatieve standpunten van de Latijnse woordenboeken, aanmerkend dat het voor een levende taal geen pas geeft alleen de spreekwijzen uit het verleden tot norm te verheffen: het ampel opnemen van voorbeelden strekt er juist toe de recente ontwikkelingen in het levende taalgebruik zo adequaat mogelijk te beschrijven. Zo schrijft hij: ‘De Fransche Taal de verandering dagelyks onderworpen, en in deze laatste jaaren zoo merkelyk beschaafd zynde, was het ten hoogsten noodzaakelyk, in 't Nederduytsch de jongste veranderingen daarin voorgevallen door onbekrompte voorbeelden kennelyker te maaken, dan tot noch toe... door iemand gedaan was’.

V.

Opgemerkt zij dat het bovenstaande overzicht alleen de bedoeling heeft de voornaamste, methodologisch meest belangwekkende aspecten van de vroeg-18de-eeuwse vernieuwingsgolf aan te geven. Aan de veralge-

[p. 9]

mening van de genusaanduiding bij de zelfstandige naamwoorden, of aan de verschillende houdingen t.a.v. de door de Dictionnaire van de Franse Académie toegepaste ‘regroupement’ (waarbij een morfologischetymologische ordening van de trefwoorden de klassieke alfabetische gedeeltelijk vervangt), heb ik b.v. geen aandacht geschonken, omdat het daarbij gaat om factoren die minder dan de hierboven genoemde, de unieke stap vooruit representeren die de Nederlandse lexicografie bij de aanvang van de 18de eeuw neemt. Evenmin mag het voorgaande de indruk wekken dat de hierboven behandelde factoren volstrekt ontbreken in de oudere lexicografie. Zeer frequente vaste verbindingen als het bed maken vindt men inderdaad wél in een aantal van die woordenboeken (niet in het minst bij Kiliaen), terwijl b.v. de Epitheta van Smyters (1620) zelfs geheel gewijd is aan de opsomming van de meest gebruikelijke attributieve adjectieven die verbonden kunnen worden met de zelfstandige naamwoorden van het Nederlands. Het systematisch aangeven van dergelijke collocaties als integraal onderdeel van de gewone, niet-gespecialiseerde woordenboeken gebeurt echter pas in de 18de eeuw, zoals ook pas dan de opname van voorbeelden uit de incidentele sfeer treedt en in haar volle functionele mogelijkheden benut wordt.

VI.

Stelt men vervolgens de vraag naar de verklaring van de waargenomen ontwikkeling, dan zijn er op z'n minst twee verschillende vragen te onderscheiden: waarom komt het in de vroege 18de eeuw überhaupt tot een verhoogde lexicografische activiteit, en waarom gaat die in de richting die we hierboven geschetst hebben? Eén motief ligt zonder meer voor de hand: er is altijd behoefte aan betere (of beter aan de tijd aangepaste) woordenboeken, en natuurlijk zal die ontwikkeling de kant kunnen opgaan van een nauwkeuriger beschrijving van betekenissen en gebruikskenmerken. Het is in het onderhavige geval zelfs mogelijk enige concrete invulling aan dit primaire motief te geven. Er is al eerder op gewezen (Osselton 1983: 82) dat het ontstaan van nieuwe Frans/Nederlandse woordenboeken iets te maken kan hebben met de toevloed van Franse immigranten na de herroeping van het Edict van Nantes (Marin is b.v. zelf van Franse afkomst). Zo'n materiële factor als de aanwezigheid van een nieuwe markt roept natuurlijk ook vragen op. Het is b.v. wel aannemelijk dat er in het 18de-eeuwse onderwijs behoefte was aan degelijke Latijnse woordenboeken, maar is het aantoonbaar dat die behoefte bij het begin van de eeuw stijgt? En was het publiek voor een Italiaans woordenboek zo groot dat een lijvig werk als dat van Giron gerealiseerd kon worden? Dat is voer voor een grondiger onderzoek dan

[p. 10]

in het kader van dit artikel uitgevoerd kan worden, terwijl bovendien de vraag naar de economische achtergrond van de lexicografische ontwikkelingen ons niet mag doen vergeten dat er nog een vraag van een heel andere orde overblijft: waarom heeft de vernieuwing precies de trekken die ze heeft?

De belangrijkste factor (zo lijkt mij althans) is van een in onze ogen vrij triviale aard: de Nederlandse lexicografie wordt beter omdat er betere buitenlandse voorbeelden voorhanden zijn waaraan men concrete gegevens of methodologische richtlijnen kan ontlenen. Vooral voor de lexicografie van het Frans is dat erg belangrijk, omdat de laatste 20 jaar van de 17de eeuw in Frankrijk invloedrijke werken als de woordenboeken van Richelet (1680) en Furetière (1690) en de eerste Dictionnaire de l'Académie (1694) oplevert. De 18de-eeuwse lexicografen houden overigens weinig verborgen van hun schatplichtigheid aan buitenlandse lexica: waar hun moderne vakgenoten (die niet minder graag gebruik maken van bestaande lexicografische bronnen) hun gebrek aan originaliteit al vlug met de mantel der liefde zullen bedekken uit vrees voor beschuldigingen van plagiaat, komen de 18de-eeuwers over het algemeen openlijk voor de dag met de door hun geraadpleegde werken. Meer zelfs: het gebruik van gezaghebbende bronnen wordt als aantrekkingspunt van het eigen werk in de verf gezet. Niet met schroom, maar met wervende trots wordt in Marin, in Den nieuwen ende grooten Woorden-Boeck uit 1707, en in Halma gemeld dat het voorliggende werk gebaseerd is op de woordenboeken van Richelet, Furetière en/of de Académie. Het zijn vooral de laatste twee die genoemd worden door Halma en Marin, en dat lijkt niet helemaal toevallig te zijn: waar het Furetière en de Dictionnaire de l'Académie zijn die de Franse lexicografie een belangrijke stap vooruit brengen, hebben we precies ook bij Marin en Halma de belangrijkste vooruitgang in de Nederlands/Franse lexicografie gesignaleerd.

Als deze buitenlandse invloed werkelijk zo belangrijk is als we vermoeden, dan moet ook de aard van de vernieuwingen in de Nederlandse lexicografie overeenstemmen met wat Richelet, Furetière en de Académie in Frankrijk realiseren. Ook dat lijkt te worden bevestigd: Matoré (1968) en Rey (1983) wijzen er in hun overzichten van de ontwikkeling van de Franse lexicografie op dat in de Dictionnaire de l'Académie en vooral in Furetière de aandacht voor de sociale variatie in het taalgebruik een opvallende rol krijgt toebedeeld. Bij de Académie is dat het geval door de expliciet normatieve intenties van het woordenboek, maar bij Furetière gaat het om een zuiver descriptieve registratie van gebruiksverschillen. Met name bij Furetière hoort daar dan een uitvoerige beschrijving van de gebruiksmogelijkheden van de woorden bij. Rey (1983: 15) zegt daarover: ‘Conscient de cette pluralité (nl. van “la va-

[p. 11]

riété des usages”), que l'Académie tente de résoudre hiérarchiquement, Furetière doit se faire quelque peu sociologue du langage. On a remarqué à juste titre chez lui les caractérisations d'usages, sinon de types de discours’. Ook het gebruik van voorbeelden (waarvan men de ontstaansen ontwikkelingsgeschiedenis binnen de Franse lexicografie kan nalezen bij Quemada 1968: hfst. V) vindt men, voor het eerst systematisch en op grote schaal toegepast, terug in genoemde werken. Bij Richelet nemen die de vorm aan van citaten uit gecanoniseerde contemporaine schrijvers (een werkwijze die in de lexicografie van de moderne talen werd geïntroduceerd in 1612 door het Italiaanse woordenboek van de Accademia della Crusca), maar bij Furetière en de Académie zijn het niet van een vindplaats voorziene voorbeelden uit het gewone taalgebruik. De woordenboeken afficheren zichzelf ook wel met de systematische opname van illustratief materiaal; dat is althans het geval in het voorwoord bij Furetière, waar gewezen wordt op de zorg die eraan besteed is ‘de donner du relief aux définitions par des exemples, par des applications, par des traits d'Histoire...’. Er zijn m.a.w. aanwijzingen (en dat wil niet in de laatste plaats zeggen: aanzetten voor verder onderzoek) dat de aandacht voor gebruikscondities en gebruikswaardeverschillen, én het systematische gebruik van voorbeelden in woordenboeken als Marin en Halma teruggaat op een voorafgaande vernieuwing in de eentalige lexicografie van het Frans. (I.v.m. de verspreiding van de Franse werken is het daarbij van belang op te merken dat zowel Richelet als Furetière in Nederland zijn gepubliceerd.)

Via de eerder beschreven afhankelijkheidsrelaties kon deze vernieuwing zich dan verspreiden over de vertaalwoordenboeken naar en uit andere talen dan het Frans. Die woordenboeken hebben anderzijds ook hun eigen modellen. Men kan b.v. bij Osselton (1973) nagaan op welke Engelse woordenboeken Sewel zich in de opeenvolgende drukken van zijn werk gebaseerd heeft, al lijken deze voorbeelden van minder belang voor de methodologische vernieuwing waar het ons hier om gaat. Dat laatste is waarschijnlijk wel het geval voor het woordenboek van de Accademia della Crusca uit Firenze, waarop Giron zich beroept en dat we daarnet reeds vermeldden i.v.m. het gebruik van citaten. Overigens komt het nieuwe materiaal in de vroeg-18de-eeuwse woordenboeken niet uitsluitend uit de lexicografische arbeid van anderen. Dat pogingen om een eigen materiaalverzameling aan te leggen ook bijdragen tot de vooruitgang blijkt o.a. uit het feit dat Kramer naar eigen zeggen de werken van Cats geëxcerpeerd heeft, terwijl Marin vermeldt dat een groot gedeelte van de informatie die hij opneemt betrekking heeft op de vertaalproblemen die hij in zijn praktijk als leraar Frans bij zijn leerlingen kon waarnemen. Een eigen materiaalverzameling ligt ook aan de basis van Hannot-van Hoogstraten (in feite bewerkte David van Hoogstraten

[p. 12]

het door Samuel Hannot verzamelde materiaal), al komt ook hier het methodologische model van elders: de opname van citaten uit en referenties naar klassieke auteurs was al eerder vertoond, b.v. reeds in het Latijns/Franse woordenboek van Robert Estienne (1539). Ook in het Latijns/Nederlandse woordenboek van Samuel Pitiscus uit 1704 (waarvan De Vooys (1934) weet te melden dat het door zijn grote belezenheid internationale vermaardheid verwierf, en waaraan ook Van Hoogstraten in zijn voorrede lovende woorden wijdt) wordt deze aanpak gevolgd. Kortom, de methodologische modellen voor de vernieuwing lijken van elders te komen, al wordt voor de toepassing van die modellen op het Nederlands natuurlijk wel origineel materiaal verzameld.

Daarmee is echter nog niet het hele verhaal verteld. Het is immers opvallend dat het begin van de 18de eeuw niet alleen op lexicografisch vlak, maar ook op het vlak van de Nederlandse grammatica een intense taalkundige activiteit laat zien. Knol (1977) wijst er m.b. op dat in de eerste drie decennia van de 18de eeuw de voornaamste taalkundige studies uit die eeuw zijn ontstaan. (Bij de daarvoor verantwoordelijke taalkundigen vinden we trouwens de lexicografen Sewel en Van Hoogstraten terug.) De vraag naar de motivering van de lexicografische opbloei verschuift zo voor een deel naar de vraag m.b.t. de algemene toename van de taalkundige bedrijvigheid in het begin van de 18de eeuw. De grond daarvan is vooralsnog moeilijk te bepalen. Mogen we aannemen dat de Republiek zich tegen het einde van de 17de eeuw zodanig geconsolideerd heeft dat de behoefte ontstaat aan een explicietere codificatie van de gemeenschappelijke, supraregionale landstaal, symbool van de eigen onafhankelijkheid en macht? Of is de neiging tot het opstellen van duidelijke linguïstische voorschriften juist het symptoom van een verval, waarbij de vrije dynamiek van de 17de eeuw overgaat in de strakkere maatschappelijke ordening van de 18de-eeuwse regentenstaat? Feit is in ieder geval dat de vraag naar de norm van goed taalgebruik in de vroeg-18de-eeuwse grammatica's een rol van belang speelt (al beantwoordt de een die vraag strenger dan de ander). Ook de lexicografische belangstelling voor syntagmatische gebruiksmogelijkheden en stilistische verschillen in gebruikswaarde kan bij die preoccupatie aansluiten: een serieuze linguïstische codificatie veronderstelt een lexicale beschrijving die verder gaat dan het puur semantische aspect, al was het alleen maar om een goed inzicht te verkrijgen in de mogelijkheden waartussen men bij het stellen van normen kan kiezen. Behalve met de daarstraks genoemde internationale factoren zullen we bij de verklaring van de vroeg-18de-eeuwse opbloei van de lexicografie dus ook rekening moeten houden met het taalspecifieke gegeven dat de eerste decennia van de 18de eeuw in het algemeen gekenmerkt worden door een toename van de taalkundige activiteit in Nederland.

[p. 13]

VII.

Dit overzicht kan niet worden afgesloten zonder het beknopte en schetsmatige karakter ervan te beklemtonen. Waar we enerzijds moeten vaststellen dat het begin van de 18de eeuw - ook in andere opzichten een taalkundig uitermate actieve periode - lexicografisch een opbloei laat zien die belangrijke methodologische vernieuwingen met zich mee brengt, moeten we anderzijds betreuren dat een globale methodologische geschiedenis van de Nederlandse lexicografie (van het gehalte van Quemada 1968), én een grondige studie van de hier gepresenteerde periode (vergelijkbaar met het werk van Claes (o.a. 1970) over Kiliaen en de 16de-eeuwse lexicografie) nog ten enenmale ontbreken. De macrostructurele opbouw van de in de besproken werken behandelde woordenschat, de microstructurele bewerkingswijze die ze toepassen, hun verspreiding en de ontvangst door het publiek, de invloeden die ze hebben ondergaan of die ze hebben uitgeoefend: het zijn slechts enkele van de punten die voor gedetailleerd onderzoek in aanmerking komen en waarvan de nadere bestudering verfijningen of correcties zal kunnen aanbrengen op het hier in grove trekken geschetste beeld. Dat onderzoek zal overigens niet alleen onze kennis van de 18de-eeuwse lexicografie ten goede komen. In de inleiding tot de 10de druk van Van Dale stelt Kruyskamp immers dat de woordenboeken van Marin en Halma, via het woordenboek dat Van Moock in 1843-1846 publiceerde, ‘te beschouwen zijn als de directe voorvaderen van Van Dale’: dat is dan een reden te meer om 1700 als de aanvang van een nieuwe periode in de lexicografische geschiedenis van het Nederlands te zien.

 

Dirk Geeraerts

Bibliografie

Bibliografische gegevens over de in de tekst genoemde Nederlandse woordenboeken zijn te vinden in Claes (1983).

F. Claes, De bronnen van drie woordenboeken uit de drukkerij van Plantijn (Tongeren, 1970).
F. Claes, A bibliography of Netherlandic dictionaries (München, 1983).
D. Geeraerts & G. Janssens, Wegwijs in woordenboeken. Een kritisch overzicht van de lexicografie van het Nederlands (Assen, 1981).
J. Knol, ‘De Nederlandse taalkunde in de 18de eeuw’ in: D.M. Bakker & G. Dibbets, red., Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde (Den Bosch, 1977).
G. Matoré, Histoire des dictionnaires français (Paris, 1968).
N.E. Osselton, The dumb linguists (Leiden/London, 1973).
B. Quemada, Les dictionnaires du français moderne (Paris, 1968).
[p. 14]
A. Rey, ‘La lexicographie française: retrospective et perspectives’ in: Le dictionnaire (= Lexique 2) (Lille, 1983).
P.G.J. van Sterkenburg, Van woordenlijst tot woordenboek (Leiden, 1984).
F. de Tollenaere, ‘De lexicografie in de zeventiende en de achttiende eeuw’ in: D.M. Bakker & G. Dibbets, red., Geschiedenis van de Nederlandse taalkunde (Den Bosch, 1977).
C.G.N. de Vooys, ‘Iets over oude woordenboeken’, De Nieuwe Taalgids 28 (1934), 263-272.
C.G.N. de Vooys, ‘Matthias Kramer als grammaticus en lexicograaf’, De Nieuwe Taalgids 37 (1943) 33-41.

Summary
Lexicographical innovation in the early 18th century

The first two decades of the 18th century were a period of fundamental methodological innovation that shaped the outlook of the 18th century lexicography of the Dutch language. As such, the 18th century deserves to be considered a separate period in the history of Dutch lexicography, following the period of Kiliaen and his followers, and preceding the 19th century advent of unilingual dictionaries. Next to the increase in size, the major innovations are, first, the growth of semantic precision, achieved by various means; second, the systematic use of illustrative examples; third, the interest in usage data (in particular, stylistic value and collocational possibilities). There are two factors behind the innovative character of the early 18th century. In the first place, it is an aspect of a more general renewal of the linguistic activity in The Netherlands. In the second place, the innovations appear to be taken over from international models, in particular from the French dictionaries of Richelet, Furetière and the Académie.