De Achttiende Eeuw. Jaargang 2003


auteur: [tijdschrift] Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw


bron: Documentatieblad werkgroep Achttiende eeuw. Jaargang 2003. Uitgeverij Verloren, Hilversum 2003


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 135]

Gijsbert Rutten
Vondels ‘volkomen voorbeeldt’
Transmissie van Vondelianisme in de achttiende eeuw: een didactisch program1

Gijsbert Rutten (1977) studeerde Nederlands en filosofie in Nijmegen en is nu als junioronderzoeker verbonden aan de afdeling Nederlands aldaar. Hij werkt aan een cultuurhistorisch proefschrift over de zeventiendeen achttiende-eeuwse taalkunde. Eerder publiceerde hij onder meer de artikelen ‘Moonen en Verwer, en de oorspronkelijke woordvorm’ in Meesterwerk 24/25 (2003) en ‘Verwer, Van Hoogstraten en het verleden. De politieke betekenis van twee achttiende-eeuwse taalgeschiedenissen’ in Bon jours Neef, ghoeden dagh Cozyn! Opstellen voor Geert Dibbets (Münster 2003).
Zonder twijfel is de invloed der Vondel-bewonderaars en daarmee dus die van Vondel, in de 18de eeuw groot en algemeen geweest.2

Het begin van de Nederlandse literatuurgeschiedschrijving en van de vorming van een canon daarin is met recht gesitueerd in de tweede helft van de zeventiende eeuw en verbonden met Geeraardt Brandt (1626-1685) en Joannes Vollenhove (1631-1708).3 Brandt en Vollenhove bezorgden uitgaven van de werken van Hooft en Vondel. Brandt schreef er ook biografieën bij, waarin hij Vondel en Hooft aan de komende generaties van dichters ten voorbeeld stelde; de biografieën zijn dus sterk idealiserend.4 Het dichterschap en het taalgebruik van de beschrevene zijn normgevend en leerzaam; hij geldt zowel in letterkundig als in taalkundig opzicht als exemplum. Vondel is een ‘volkomen voorbeeldt’, beschreven ‘tot een spoore voor alle aankoomelingen, die van hunnen geest tot de dichtkunst gedreven, geen beter Leidtsman kan voorkoomen, dien ze te volgen hebben’.5 Ook honderd jaar later, in de tweede helft van de

[p. 136]

achttiende eeuw, blijken de schrijvers van het voorgaande centennium - en vooral Vondel - als normstellend te fungeren, zowel in literair-theoretische geschriften,6 als in de eerste literatuurgeschiedenissen,7 als in taalkundige publicaties.8

Kortom, in de tweede helft van de zeventiende eeuw golden zowel in letterkundig als in taalkundig opzicht de zeventiende-eeuwse auteurs, en onder hen met name Vondel, als normgevend. Dat is in de tweede helft van de achttiende eeuw ook zo. Wat is er in de tussentijd gebeurd? Was de poging van Brandt en Vollenhove om Vondel e.a. te canoniseren een eerste, misschien niet eens succesvolle, en was de achttiende-eeuwse poging een tweede? Of is er op enigerlei wijze sprake van een overdracht van normativiteit en is er dus continuïteit te ontwaren vanaf Brandt en Vollenhove tot diep in de achttiende eeuw? Heeft er een ‘transmissie van Vondelianisme’9 plaatsgevonden?

Inderdaad is er in de eerste helft van de achttiende eeuw, ingeklemd tussen de beide hierboven besproken tijdvakken en fenomenen, een groep auteurs die een taalkundig, letterkundig en retoricaal ‘Vondelianisme’ propageerde en die de transmissie van vooral Vondels normativiteit van Brandt en Vollenhove naar de latere achttiende eeuw waarborgde10 - de inspanningen van ‘anti-Vondelianen’ als Jan Vos, Andries Pels en Nil Volentibus Arduum, Jean

[p. 137]



illustratie

Blz. 24 uit David van Hoogstraten, Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden (Amsterdam 1700). In hoofdletters zien we steeds een zelfstandig naamwoord, gevolgd door een kleine letter in cursief die het geslacht aangeeft (v. voor ‘vrouwelijk’, m. voor ‘mannelijk’, o. voor ‘onzijdig’); ten slotte een citaat uit een tekst van Vondel en/of Hooft als bewijsplaats. Foto: Pierre Venbrux, Universiteitsbibliotheek Nijmegen.


Le Clerc en Justus van Effen ten spijt.11 Aan die groep Vondelvereerders en hun transmissie van Vondelianisme is dit artikel gewijd.

Behalve Brandt en Vollenhove reken ik tot de groep Vondelianen Petrus Francius (1645-1704), die in 1699 aan een vertaling van Gregorius van Nazianze een voor de taal- en letterkunde belangwekkende voorrede deed voorafgaan;12 David van Hoogstraten (1658-1724), die in 1700 Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden uitgaf (1710/112, 17233, 17863 6)13 en van wie in 1725 postuum Beginselen of kort begrip der rederykkunst verscheen; Jacobus Nylöe

[p. 138]

(1670-1714), die vanaf 1703 enkele malen een Aanleiding tot de Nederduitsche taal publiceerde (17072, 17113, 17798);14 Arnold Moonen (1644-1711), wiens Nederduitsche spraekkunst in 1706 voor het eerst en na 1751 nog voor de vijfde keer verscheen;15 Willem Sewel (1653-1720), die in 1708 een eveneens succesvolle grammatica uitgaf (17564); en ten slotte Balthazar Huydecoper, die in zijn Proeve van Taal- en Dichtkunde; in Vrijmoedige Aanmerkingen op Vondels Vertaalde Herscheppingen van Ovidius (1730) taal- en letterkundige inzichten onwikkelde in een kritiek van Vondel, echter niet omdat Vondel zo'n gemakkelijk slachtoffer was, maar integendeel omdat hij het beste voorbeeld van navolgenswaardig taalgebruik leverde.16

Twee beperkingen: er is niet alleen sprake geweest van Vondelianisme. Ook andere literaire modes hebben bestaan. Justus van Effen is in dezen een goed voorbeeld; en de Poëtenoorlog, waarin onder anderen Van Hoogstraten zich engageerde, draaide deels om de status van Vondel.17 Ik denk alleen dat het Vondelianisme dominant was, in de zeventiende eeuw al en in de achttiende nog steeds. Daarnaast, de hier opgevoerde Vondelianen zijn niet de enige auteurs die Vondels normativiteit uitgedragen hebben.18 Ze behoren vanuit een perspectief dat taal- en letterkunde wil verbinden wel onmiskenbaar tot de belangrijkste.

In wat volgt worden eerst de canoniserende activiteiten van de Vondelianen onder de loep genomen en gerelateerd aan het begrip imitatio; wanneer een herziening van dat begrip nodig blijkt, stel ik voor van transmissie te spreken. Vervolgens beschrijf ik de activiteiten van de Vondelianen als een didactisch program: de transmissie van de norm vindt steeds plaats naar een volgende generatie; bovendien blijkt er een patroon te ontdekken in de publicaties van de Vondelianen. Ten slotte wordt een casus behandeld om te illustreren hoe op minder opvallende wijze de transmissie van de Vondeliaanse normativiteit gestalte kon krijgen. Door het hele artikel heen is de eenheid van taal- en letterkunde een motief. Ik probeer aan te tonen dat een scheiding van het taalkundig en het letterkundig vertoog met betrekking tot de vroegmoderne tijd anachronistisch is.

Canonvorming en imitatio

De continuïteit in Vondelverering en de transmissie van Vondelianisme komen op het eerste gezicht het best tot uitdrukking in canonvorming. De theoretische fundering van die canonvorming kunnen we situeren in de leer van de imitatio: als nabootsing van voorgangers verlangd is, moet duidelijk zijn welke voorgangers het waard zijn nagebootst te worden. In deze paragraaf wil ik eerst stilstaan bij de praktijk van de canonisering: waar had deze nu eigenlijk plaats? De vraag is des te prangender, doordat de zeventiende- en achttiende-eeuwse literatuurgeschiedenissen op een hand te tellen zijn.19 Vervolgens moet ook het begrip imitatio nader onderzocht worden.

[p. 139]

Canonvorming in schrijversbiografieën

Indien de canonvorming niet zozeer plaats had in literatuurgeschiedenissen, ligt het voor de hand de aanwijzingen van Schenkeveld-van der Dussen te volgen en te speuren naar andersoortige, maar niet minder canoniserende teksten. In aansluiting bij Geeraerdt Brandts levensbeschrijvingen van Hooft en Vondel publiceerde David van Hoogstraten (1658-1724) in het tweede decennium van de achttiende eeuw - bij wijze van inleiding bij uitgaven van gedichten - levensbeschrijvingen van Joan van Broekhuizen (1649-1707), Joachim Oudaen (1628-1692), Joannes Antonides van der Goes (1647-1684) en Heymen Dullaert (1636-1684).20 Deze levensbeschrijvingen en poëzieuitgaven zijn op zichzelf te beschouwen als canoniserende daden; de bewonderenswaardige auteurs worden vereerd met een biografie, waarin hun bewonderenswaardigheid nog eens goed wordt aangezet, en opdat het lezend publiek goed weet wie die goede auteurs zijn. Bovendien rijst uit de tekst van de biografieën steeds het beeld op dat Vondel en Hooft de grote schrijvers zijn, op de voet gevolgd door hun bewonderaars, de erkende Vondel-epigonen Brandt en Vollenhove, Brandts zonen Kasper (1653-1696), Geraert jr. (1657-1683) en Joannes (1660-1708), Arnold Moonen, Laurens Baak (1629-1702) en, last but not least, de auteur in kwestie. Het is in dit type schrijversbiografie, geïnstigeerd door Brandt met betrekking tot Vondel en Hooft en voortgezet door Van Hoogstraten met betrekking tot navolgers van Vondel en Hooft, dat canonvorming plaats heeft.21

Bij Van Hoogstraten heeft Vondel nog net een streepje voor op Hooft en dat ‘standpunt van Van Hoogstraten is hoogst invloedrijk geweest’.22 Van Hoogstraten formuleerde dat standpunt al in 1700 in zijn Aenmerkingen over de geslachten der zelfstandige naemwoorden, in een taalkundige tekst dus. Hij stelt daarin dat Vondel ‘zyn getuigenis by my van eenig meerder gewicht’ is.23 Dit nu brengt ons op een andere invalshoek. Literatuurgeschiedenissen en poëzieuitgaven met schrijversbiografieën liggen namelijk wel voor de hand in de studie van canonvorming. Het blijkt echter dat taalkundige teksten uit de periode (eind zeventiende, begin achttiende eeuw) zich ook veelvuldig op dat terrein begeven. Van Hoogstratens standpunt dat Vondel nog net boven Hooft gaat, ontmoeten we ook in een in 1699 gepubliceerde, deels taalkundige tekst van Petrus Francius; hij lijkt daarin te suggereren dat Hooft wat gekunstelder, wat minder natuurlijk dan Vondel is.24 De grammaticus Arnold Moonen schreef: ‘ik, den Heer van den Vondel houdende voor den zinlyksten en naeukeurigsten onder de overleedene Nederduitsche schryvers, (anderen en zelfs den Drossaert Hooft, die als een arent in de wolken zweeft, niet te na gesprooken), hebbe hem waerdigst geoordeelt, dat men het wel en sierlyk schryven in onze moederspraeke met zyne achtbaerheit sterke’.25 Het literaire oordeel dat Vondel meer nog dan Hooft de te imiteren autoriteit is, zien we dus geprefigureerd in de vooral taalkundige teksten van Francius, Van Hoogstraten en Moonen;26

[p. 140]

het lijkt daarom verstandig taalkundige teksten te onderzoeken op canoniserende functies. Vanwege de belangrijkste positie van Vondel spreek ik van Vondelianisme, zonder daarbij, zoveel zal inmiddels duidelijk zijn, andere auteurs zoals Hooft per definitie uit te sluiten.

Canonvorming in taalkundige teksten

Vondel verrees in de taalkundige teksten van Francius, Van Hoogstraten en Moonen als de te imiteren auteur. Dat oordeel was niet van eng-literaire aard, maar betrof evenzeer de taalkundige kant van zijn taalgebruik; anders gezegd: niet alleen Vondels letterkundige taalbeheersing, ook zijn gepraktizeerde kennis van de grammatica gold als voor-beeldig. Letterkundige en taalkundige oordelen lagen in elkaars verlengde.

In taalkundige teksten van rond 1700, waarin grammatici normen zoeken voor het gebruik van de Nederlandse taal, komt steeds Vondel naar voren als de norm bij uitstek; zijn navolgers zijn de exempla van de tweede garnituur. Zo verschijnt er in taalkundige werken een vaste reeks auteurs die de lezer als taal- en letterkundig voorbeeld wordt voorgehouden, een canon dus. De taalkundige kwaliteit van de auteurs is mede gebaseerd op hun literaire kwaliteiten, en tegelijk participeren de taalkundige werken in het letterkundig discours door een canon uit te dragen.

De canonvorming in deze taalkundige werken voltrekt zich trapsgewijs. Steeds voegt een volgende werk een of enkele auteurs aan de bestaande canon toe. Nadat Brandt en Vollenhove de canonisering van Vondel en Hooft geïnstigeerd hadden, zijn volgens Francius in 1699 de goede schrijvers eveneens eerst en vooral Hooft en Vondel, daarna Brandt (m.n. om zijn Historie der reformatie, vanaf 1671), Vollenhove en Moonen (m.n. om hun preken) en Brandts zonen Kasper, Geraert jr. en Joannes;27 Francius pleegt dus een uitbreiding ten opzichte van de eerste canon door de ‘canoniseerders’ van toen, Brandt en Vollenhove, erbij te nemen, alsmede enkele andere Vondel-epigonen. Het beeld dat Van Hoogstraten in 1700 schetst in de voorrede tot zijn Aenmerkingen is vergelijkbaar: normatief zijn ook bij hem ten eerste de ‘beste schryveren’ Hooft en Vondel en de navolgers van Vondel: Brandt, diens zonen, Antonides, en onder de nog levenden Vollenhove, Moonen en Laurens Baak.28 De lijst komt overeen met Francius, zij het dat Antonides en Baak zijn toegevoegd. Nylöe sluit daar in zijn grammatica van 1703 bij aan: hij geeft Van Hoogstratens lijstje en voegt op zijn beurt Francius toe,29 die overigens ook bij Van Hoogstraten prominent aanwezig is.

Zowel in zijn literair-historische schrijversbiografieën als in zijn taalkundige werk blijkt Van Hoogstraten een canon van Vondel en Vondelepigonen te hebben gecreëerd. Hij is daarmee zonder twijfel een van de belangrijkste ‘canoniseerders’ van de achttiende eeuw, en misschien nog wel het meest vanwege het taalkundige werk: zijn rap uitdijende geslachtslijst van zelfstandige naamwoorden kende zes drukken in de achttiende eeuw (17001, 17836), waarvan de laatste twee door Adriaan Kluit werden bezorgd.30

[p. 141]

Imitatio?

De theoretische fundering van de beschreven canonvorming kunnen we, zoals gezegd, situeren in de leer van de imitatio. Toch is een verklaring met een eenvoudig beroep op deze bekende term niet bevredigend. Zo fungeert het begrip imitatio voornamelijk in de literaire theorie,31 maar boven heb ik juist willen aantonen dat de verwevenheid van letterkunde en taalkunde het moeilijk maakt de beide disciplines te onderscheiden. Een volgend voorbeeld kan dit specificeren: in de Aenmerkingen onderneemt Van Hoogstraten ook pogingen sommige schrijvers uit de canon te weren, of, zo men wil, een canon van slechte en juist niet na te volgen auteurs op te stellen. Het gaat met name om de geschriften van Jan Vos en het toneelstuk Andromaché (1678) van Nil Volentibus Arduum. De kritiek die Van Hoogstraten op deze publicaties ontwikkelt, is in moderne zin niet literair van aard: hij voert de werken namelijk op als toonbeelden van ongrammaticale taal. Een taalkundig oordeel is dus toereikend om letterkundige werken te desavoueren. Maar ook als Van Hoogstratens kritiek niet literair van aard is in de moderne zin, is zij blijkbaar wel ter zake. Een uit moderne tradities voortgekomen scheiding van taal- en letterkunde kan met betrekking tot de vroegmoderne tijd dus anachronistisch blijken. En dan bedoel ik niet dat er tussen taalkunde en letterkunde sprake was van kruisbestuiving, zoals nog steeds wel, maar dat het begrip letterkunde per se geïnterpreteerd moet worden als ook omvattend wat wij nu taalkunde zouden noemen, als letteren dus, literae.

Belangrijker nog dan de vaststelling dat taalkunde en letterkunde niet geabstraheerd moeten worden behandeld, is de constatering dat imitatio als verklarend principe op zichzelf niets verklaart. Een invulling, een concretisering is nodig, een uitleg over de toepassing van het begrip in de taal- en letterkundige praktijk. Maar reflectie op het imitatio-begrip leidt al gauw tot een inventarisatie van mogelijke (vaak literair-theoretische) standpunten, terwijl we juist behoefte hebben aan een begrip dat als noemer kan fungeren voor de concrete situatie van de telkens opnieuw geformuleerde en bevestigde normativiteit van Vondel en de Vondelianen. Anders: het is de vraag in hoeverre een contemporain technisch begrip (imitatio) als analytische term de historicus hier van dienst kan zijn.

Cruciaal is echter het volgende. Imitatio suggereert een statische relatie van twee termen: er is de te imiteren, gevestigde auteur en er is de imiterende, vaak beginnende auteur. Deze situatie is weinig verhelderend, want - als we bij de canonvorming blijven - voor wie fungeert de canon als canon? En zijn dat dezelfde personen als de ‘canoniseerders’? Het antwoord op die vraag is negatief, oftewel: er zijn niet twee, maar drie termen die in een dynamische relatie staan: ten eerste de te imiteren auteur(s); ten tweede zij die bepalen, meestal in geschrifte, dat deze de te imiteren auteurs zijn, de canoniseerders dus; ten derde zij die deze auteurs moeten imiteren, de canoniseerders dus, maar bovenal hun lezers. In concreto: de normativiteit van Vondel wordt uitgedragen door Brandt en Vollenhove, en hun lezers, bijvoorbeeld Moonen en Van Hoogstraten, leren dat ze Vondel als exemplum dienen te gebruiken. Vervolgens: Moonen en Van Hoogstraten dragen de normativiteit van Vondel (en Brandt en Vollenhove) uit en hun lezers leren dat ze de Vondelianen als exempla moeten hanteren. Er is dus een dynamische relatie, waarin de normativiteit van Vondel, zijn imitatieve waarde zogezegd, telkens opnieuw

[p. 142]

wordt geproduceerd en overgedragen op een volgende generatie. Kortom: er is sprake van een transmissie van Vondelianisme. Imitatio van Vondel en Vondelianen is de schrijfstrategie die steeds wordt overgedragen; imitatio heeft dus een beperktere reikwijdte dan transmissie. Een ander voordeel van transmissie boven imitatio zien we in de volgende paragraaf.

Transmissie en didactiek

Bij een interpretatie van de vroegmoderne letteren in termen van de transmissie van (Vondels) normativiteit in plaats van met een beroep op de literaire theorie van de imitatio, wordt ook recht gedaan aan een opvallend element in taalkundige werken, een element dat telkens terugkeert en daarom niet genegeerd kan worden: het didactische element. Transmissie is geschikter dan imitatio om de didactische praktijk van de letteren te beschrijven.

Didactiek

Boven zagen we dat in de taalkundige werken van ‘de Vondelvereerders der 18de eeuw’32 aan canonvorming werd gedaan. Zij presenteerden de canon ten overstaan van een publiek, waarop zij de normativiteit van de gecanoniseerde, te imiteren auteurs overdroegen. Deze transmissie had dus het karakter van instructie: de lezer wordt geacht de normativiteit van de gecanoniseerde auteurs over te nemen, wat neerkomt op hen navolgen, imiteren. Kortom: de transmissie van Vondelianisme, deze overdrachtssituatie, kunnen we beschrijven als een didactische praktijk.

Didactiek ligt besloten in het concept van transmissie. Deze inherente aanwezigheid kunnen we verhelderen wanneer we ons afvragen wat bijvoorbeeld Nylöe nu eigenlijk wilde met zijn bonte en, in relatie tot de aandacht die hij de traditionele grammaticale onderwerpen schenkt, ook omvangrijke verzameling ‘sierlyke spreekwyzen en fraaie manieren van uitdrukkingen’, die hij grotendeels aan Hooft, Vondel ‘en andere voorname Nederduitsche Schryvers’33 ontleende; die ‘andere’ blijken vooral Vollenhove, Francius en Joannes Brandt te zijn. Nylöe's Aenleiding is wel gekenmerkt als een schrijfwijzer34 en ook Nylöe zelf geeft antwoord op de vraag: ‘Om nu te leren wat goet en zuiver Duitsch is, moet men de beste Schrijvers lezen die in het Nederlantsch geschreven hebben en boven anderen hier in uitmunten, gelijk Hooft, Vondel, Vollenhove, Monen, de Branden, en wie zich verder tot den opbouw en volmaking onzer tale bevlijtigt hebben’.35 Het leren van de taal - in eerste instantie een taalkundige doelstelling - loopt via studie van de beste, literaire auteurs. In zijn boekje presenteert Nylöe deze auteurs: in de traditionele grammaticale onderwerpen van spelling en woordleer baseert hij zich op Vondels taal, maar bovenal biedt hij heel veel citaten. Hij reikt de lezer een recept aan: dit zijn de grammaticaregels en zo worden ze het best toegepast in het taalgebruik: hij onderwijst de lezer de (Vondeliaanse) norm, die deze in zijn imitatieve praktijk moet aanhouden.

Duidelijk treffen we het didactische element ook aan bij Van Hoogstraten. Hij wil met zijn lijst van substantieven ‘toonen, hoe deze woorden gebruikt zyn by de twee beste schryvers onzer eewe’,36 bij Vondel en Hooft dus. Hij doet dat niet uit nieuwsgierigheid, of belangen-

[p. 143]

loos. Net als Francius en Moonen motiveert hij zijn taal- en letterkundige arbeid uit een klacht over de staat van de letteren, i.c. over het gebrek aan kennis van het genus bij de hedendaagse schrijvers.37 Zijn Aenmerkingen constitueren dus een interventie gericht op het herstel van de kennis van het genus; zijn Aenmerkingen, met andere woorden, onderwijzen de taalkundige norm, die is gebaseerd op het taalgebruik van Vondel en Hooft. Om deze didactische doelstelling kracht bij te zetten, wendt Van Hoogstraten zich herhaaldelijk tot de jeugd: ‘voor u, ô edelmoedige Jeugt, heb ik deze proeve enkel opgestelt’.38

De teksten van Francius, Moonen en Huydecoper zouden we op vergelijkbare wijze kunnen ontleden. Zo spreekt Francius bijvoorbeeld de hoop uit dat er ‘wakkere jongelingen’, ‘jongeren opstaan’ tegen het ‘verval’;39 zijn eigen werk dicht hij een bemiddelende functie toe: het is geschreven ‘ten nutte der jongeren’, hen ‘ten voorschrifte’, ‘ten voorbeelde’, en dient als ‘model’ voor de ‘welsprekendheidt’.40 De Vondelianen streefden ernaar de Vondeliaanse wijze van schrijven over te dragen op hun lezerspubiek, op de ‘leergierige Leezer’,41 opdat hij Vondel en de Vondelianen imiteert en aldus de Vondeliaanse wijze van schrijven bewaard blijft. De werken van de vroeg-achttiende-eeuwse Vondelianen zijn functioneel binnen een normatieve, didactische praktijk die erop gericht is toekomstige schrijvers en sprekers te tonen en te onderwijzen wat de taal- en letterkundige normen zijn voor goed taalgebruik.

Onderwerpen

Nu ik al enkele malen heb gesproken over het werk van de vroeg-achttiende-eeuwse Vondelianen, wordt het tijd hun publicaties wat nader te beschouwen. Mijn aandacht gaat vooral uit naar de onderwerpen die zij aan de orde stellen, vervolgens naar het didactisch program dat daar in schuilt.

Francius haakte in zijn voorrede aan bij de hete hangijzers die Vollenhove al in zijn leerdicht ‘Aan de Nederduitsche schryvers’ ter sprake had gebracht.42 Substantiëler is echter Francius' bijdrage op het terrein van de spelling: hij verdedigt krachtig de spelling van Vondel en Hooft.43 Daarnaast raadt hij aan ‘het taalgebruik van “de goede Schryvers onzer taale” als voorbeeld en norm te nemen’.44 Ook de Gregoriusvertaling zelf fungeert als voorbeeldige tekst: Francius demonstreert hoe de imitatio van de goede auteurs in de praktijk kan worden gebracht.

Nadere kennis op het terrein van de grammatica etaleren Nylöe en vooral Van Hoogstraten, Moonen en Sewel. Een van Vollenhoves hete hangijzers, het naamwoordelijk geslacht,

[p. 144]

maakte Van Hoogstraten tot onderwerp van een streng Vondeliaanse studie. De genustheorie die Van Hoogstraten daarin hanteert, sluit naadloos aan bij Francius' advies de goede schrijvers te volgen - dat is namelijk precies wat Van Hoogstraten doet. Zijn woordenlijst is tot stand gekomen na lezing van de werken van Vondel en Hooft. Daaruit heeft hij substantieven gepuurd, bekeken welk geslacht Vondel en Hooft eraan toekenden, ze gealfabetiseerd, het geslacht erbij vermeld, en dat alles gestaafd met behulp van het bewuste citaat. Ook in Moonens grammatica zet Vondel de toon. In de voorrede geeft hij aan inzake het grammaticaal geslacht sterk te leunen op Van Hoogstratens Aenmerkingen, ‘meest en best door de voorbeelden van den Heere Joost van den Vondel gesterkt en bevestigt’.45 Het syntaxisgedeelte is ook in hoge mate gebaseerd op Vondels taal: ongeveer driekwart van de voorbeeldzinnen is daaraan ontleend.46 En ook in de spelling was Vondel normgevend.47 Sewels grammatica, nog te weinig bestudeerd, leunt in ieder geval deels op Vondel en de andere Vondelianen.48

Terwijl dus door Francius, Van Hoogstraten, Moonen en Sewel in een Vondeliaanse grammatica was voorzien, voegden Nylöe en Van Hoogstraten daar nog een stilistica en een retorica aan toe. De beknopte grammaticale informatie is bij Nylöe ingebed in een stilistica, die als een raamvertelling fungeert waarbinnen de taalkunde in engere zin zijn plaats heeft: hij begint zijn Aanleiding met ‘Regels rakende den stijl der Nederduitsche tale’49 en eindigt vanaf de tweede druk met de al genoemde citatenverzameling uit voornamelijk Hooft, Vondel en Vondelianen als Vollenhove.50 Het aandeel van de stilistiek bedraagt gemeten naar het aantal bladzijden 30% in 1703 en ruim 40% in 1707 en 1711. Van Hoogstratens Beginselen of kort begrip der rederykkunst51 geldt als de eerste retorica in het Nederlands taalgebied waarin zinnen ontleend aan Nederlandse auteurs dienst doen als illustratie bij de uitleg van de retorische begrippen.52 Van Hoogstraten volgt dezelfde procedure als in zijn Aenmerkingen: het voorbeeld van gerespecteerde auteurs stelt de norm voor het taalgebruik en dient nagevolgd te worden, meer nog dan in regels vervatte taalnormen.53 De auteur zegt in de voorrede dat hij ‘ruime plaets [heeft] gegeven vooral aan den Fenix der Dichteren Joannes Antonides van der Goes’.54 Die bewering is zeker juist, maar gaat wel voorbij aan het feit dat nog veel meer citaten aan Vondel zijn ontleend: 132 tegenover 64 aan Antonides.55

[p. 145]

Een didactisch program

Als we dit corpus overzien, blijken de publicaties van deze groep Vondelianen alle terreinen van de letteren te dekken: grammatica, stilistica en retorica. Wat kan een vroegmodern auteur zich nog meer wensen? Een complete, Vondeliaanse leergang ligt voor hem klaar. Dit is het didactisch program dat de Vondelianen aan het begin van de achttiende eeuw ontwierpen om de normativiteit van Vondel in literis te consolideren; het is het antwoord van de vroege achttiende eeuw op de eerste canoniserende activiteiten van Brandt en Vollenhove in de latere zeventiende eeuw.

Ik bedoel met didactisch program niet dat deze groep auteurs willens en wetens, bewust, in onderling overleg werkte aan een leerprogramma ter onderwijzing van de beginnelingen. Ik bedoel wel dat een discursieve analyse van de taal- en letterkundige werken in hun didactische modus moet leiden tot de conclusie van een didactisch program op het terrein van de letteren, niet omdat de auteurs programmeurs of programmamakers zijn,56 maar omdat een intertekstuele studie van vroegmoderne werken het programmatische van de discursieve praktijk onthult. Anders: de taalkundige werken, niet op zichzelf beschouwd in hun spatiotemporele verspreiding maar als intertekst, verschijnen in een coherente, taal- en letterkundige orde, waaraan de individuele taalleerder onderworpen is. Of vanuit die taalleerder: op zoek naar richtlijnen voor literaire productie,57 ziet hij zich geconfronteerd met een serie teksten die hem de Vondeliaanse wetten voorschrijven. Wie het taal- en letterkundige veld overziet, niet biografisch-psychologistisch, maar als cultureel systeem, ziet de samenhang van een didactisch program.

Nu heb ik nog niets gezegd over de Vondeliaan Huydecoper. Deze sneed al de genoemde onderwerpen aan, maar belangrijker nog is hij in zijn ideologische functie. Huydecoper voorziet in een herinnering. Hij was zoals bekend niet kritiekloos ten aanzien van Vondel,58 maar in plaats van een aantasting van diens status, is Huydecopers Proeve een bevestiging van de autoriteit van de dichter. Hij koos Vondel tot zijn onderwerp om te laten zien dat zelfs deze grote auteur niet vrij was van taal- en letterkundige feilen. Zo kon hij het belang van de letterenstudie demonstreren, want ‘Eene fout, ontdekt in het gedrag eens doorluchtigen Persoons, heeft dieper indruk op ons gemoed, dan honderd die ons in den gemeenen hoop worden aangeweezen’.59 Huydecopers Proeve is niet te beschouwen als een afrekening met Vondel, maar stelde diens gezag in de achttiende eeuw juist veilig, net als dat van Huydecoper zelf overigens.60 Huydecoper, de taal- en letterkundige thema's samenballend, herinnert eraan dat de realisering van Vondeliaanse, didactische handleidingen niet genoeg is en dat er telkens aan de transmissie van Vondelianisme gewerkt moet blijven worden. En hoe men dat kan doen, demonstreert hij in zijn Proeve: door een even kritische als bewonderende studie van Vondel.

Ook de ‘trapsgewijze’ canonvorming komt hiermee in een ander perspectief te staan. Het gaat er niet alleen om zoveel mogelijk goede schrijvers op te noemen. Een opsomming van

[p. 146]

meerdere voorbeeldige auteurs illustreert de mogelijkheid van taalbeschaving en progressie: Vondelimitatoren als Brandt, Vollenhove en Moonen die in een adem met hun grote voorbeeld genoemd worden, belichamen de waarde van een gedegen studie en imitatio van Vondelianisme. Hun geschriften tonen dat Vondelianisme niet aan Vondel is voorbehouden en impliceren daarmee een didactische aansporing.

Netwerken

De these van een transmissie van Vondelianisme in een didactisch program, kan ten slotte verduidelijkt worden als we ons buigen over de vraag wie daar nu eigenlijk in betrokken waren. De discursieve samenhang zien we dan gespiegeld in netwerken van namen.

Het is bekend dat Brandt en Vollenhove met elkaar en bovendien met Vondel in contact stonden.61 Vollenhove was een correspondent van Francius, Van Hoogstraten, Moonen, Joannes Brandt, François Halma, Nylöe (die overigens ook familie was van Vollenhove62). Onderling stonden deze personen ook weer met elkaar in contact.63 Soms getuigt een passage in een gepubliceerde tekst daarvan, zoals de opening van Van Hoogstratens Aenmerkingen.64 Soms ook biedt niet gepubliceerde correspondentie de gegevens.65 Er loopt dus een rechtstreekse lijn van Vondel naar Vollenhove en vandaar waaiert ze als het ware uiteen over het Amsterdamse gezelschap en de ‘oosterlingen’ Moonen (predikant te Deventer) en Nylöe (predikant te Assen); overigens was Vollenhove afkomstig uit het Overijsselse Vollenhove en ook predikant in Vledder en Zwolle geweest. Van Hoogstraten, conrector van de Latijnse school in Amsterdam, was docent van onder anderen Matthijs Brouërius van Nidek, Peter Poeraet en Balthazar Huydecoper.66 Van Nidek (1677-1743) was de editeur van Alle de rym-oeffeningen van Jeremias de Decker (Amsterdam 1726). Zoals Brandt, Vollenhove en Van Hoogstraten voor hem, voorzag hij de uitgave van een levensbeschrijving van de auteur. Poeraet (ca. 1683-na 1736) was de auteur van De spelling van A. Moonen in eenen brief verdedigt (Den Haag 1708). In ieder geval enkele van Van Hoogstratens leerlingen gingen op de door hem en zijn correspondenten ingeslagen weg verder.

Ook vanuit Brandt is er een divergerende lijn naar de achttiende eeuw. In Rotterdam leefde Frans de Haes (verm. 1658-1690), een jeugdvriend van Van Hoogstraten.67 Deze Frans de Haes was familie dan wel bijna familie van Joachim Oudaen, omdat de tweede vrouw van Frans' vader een zus was van Oudaen; het is alleen niet duidelijk aan welk huwelijk Frans is ontsproten.68 In ‘Het leven van Joachim Oudaan’, gevoegd achter diens poëzie, vertelt Van Hoogstraten hoe Oudaen op latere leeftijd in drie opzichten, namelijk als mens, als taalkundige en als kenner van de Oudheid, een leermeester werd voor Frans de Haes, diens zoon Joan (1685-1723), Pieter Rabus (1660-1702), David zelf (1658-1724) en Adriaen Verwer (ca. 1655-

[p. 147]

1717).69 Verwer is de auteur van onder meer een Latijnstalige grammatica van het Nederlands: Linguae Belgicae idea grammatica, poetica, rhetorica (Amsterdam 1707). Rabus is de oprichter en redacteur van het eerste Nederlandstalige geleerdentijdschrift, de Boekzaal van Europe, dat vanaf 1692 verscheen. Hij toont zich daarin een vurig voorstander van het Nederlands als cultuurtaal, een purist en een bewonderaar van Vondel en Hooft.70

Frans de Haes trouwde Cornelia Brandt (1663-1738), dochter van Geeraerdt sr.71 en dus een zuster van Kasper, Geraert jr. en Joannes. Zij kregen een zoon, de genoemde Joan de Haes (1685-1723). Ook Joan raakte bevriend met Van Hoogstraten; hij hielp hem zelfs bij de totstandkoming van de tweede druk van de Aenmerkingen.72 Joans dichtwerk, met name de grote bijbelse gedichten Judas de Verrader (Rotterdam 1714) en Jonas de Boetgezant (Delft 1723) staan in de Vondeltraditie.73 Postuum verscheen nog van de hand van Joan de Haes Het Leven van Geeraert Brant (Den Haag 1740). Deze levensbeschrijving van zijn grootvader werd uitgegeven door het genootschap Natura et Arte, waarvan Joans zoon Frans de Haes, vernoemd naar zijn grootvader, de spil was. Deze Frans de Haes (1708-1761) was een van de representanten van de interesse in Vondel uit de tweede helft van de achttiende eeuw.74

Vanuit Brandt en Vollenhove, directe kennissen van Vondel, lopen er divergerende lijnen naar en tot diep in de achttiende eeuw. Volgende generaties (eerst Van Hoogstraten, Moonen etc., dan Joan en Frans de Haes, Van Nidek, Poeraet etc.) sluiten zich aan bij vorige, niet omdat zij zelf bedachten dat Vondels werk de norm moet zijn, maar omdat Vondels normativiteit op hen was overgedragen door die eerdere navolgers, omdat er dus sprake was van transmissie van Vondelianisme.

Casus: het grammaticaal geslacht

Het didactisch program van de transmissie van Vondelianisme kwam op het eerste gezicht het best tot uitdrukking in de canonvorming. Er zijn echter minder manifeste wegen, sluipwegen, via welke de normativiteit van Vondel tot diep in de achttiende gewaarborgd werd. Om deze bloot te leggen, kunnen we ons wenden tot de details van de taalkundige studie. In deze paragraaf wil ik aan de casus van het grammaticaal geslacht die minder manifeste transmissie verduidelijken; ik bespreek de genustheorie in twee spraakkunsten, van Kornelis Elzevier en (misschien) John Holtrop.

Elzevier

Elzevier vangt in zijn Nederduitsche spraekkonst de bespreking van het genus aan met bewoordingen die rechtstreeks ontleend lijken aan Moonen:

[p. 148]

Alle Zelfstandige Naemwoorden worden verdeelt in hunne geslachten, en elk geslacht is een aenwyzing, die ons toont van wat geslacht en stam elk Zelfstandig Naemwoord is (Elzevier, Nederduitsche spraekkonst, 76)
Het Geslacht der Naemwoorden is eene Aenwyzing, die ons toont, van wat Stamme en Geslachte elk Naemwoort zy (Moonen, Nederduitsche spraekkunst, 58).

De gelijkenis is treffend. Na deze eerste definitie volgt de introductie van de drie genera mannelijk, vrouwelijk en onzijdig. En dan vervolgt Elzevier - en vergelijk weer Moonen:

Om nu te weten welke Zelfstandige Naemwoorden van het mannelyk, vrouwelyk, of onzydig geslacht zyn, zoo moet men die toetsen aen den Eigenaer, of tweeden Naemval [genitivus, GR], des eenvoudigen getals van het geslachtwoord (Elzevier, Nederduitsche spraekkonst, 77).
Om nu te weeten, wat Naemwoorden Manlyk, of Vroulyk, of Onzydigh van Geslachte zyn, let men, wat merkteken de Teeler of Aenklaeger [genitivus resp. accusativus, GR] (die hier voornaemelyk geldt) in hunne Buiginge hebben (Moonen, Nederduitsche spraekkunst, 59).

Wederom is er gelijkenis.75 De term geslachtwoord is bovendien een neologisme van Moonen, die het muntte in navolging van zijn Duitse voorbeeld Justus-Georg Schottelius (1612-1676).76

Deze bespreking van het genus komt voor in het etymologia-deel van Elzeviers spraakkunst, i.e. het deel gewijd aan de woordsoortenleer. Daarin treffen we nog enkele passages met opvallende overeenkomsten aan, bijvoorbeeld bij de introductie van de woordsoorten77 en bij de definitie van het voor het genus zo belangrijke lidwoord, dat vanwege die importantie geslachtwoord is gedoopt.78 Dat Elzevier op Moonen teruggreep, kan geen twijfel lijden.79

Elzevier baseerde zich niet alleen op Moonen, maar ook op Van Hoogstraten; al moet daar-

[p. 149]

bij opgemerkt worden dat een beroep op Moonens geslachttheorie een indirect beroep op Van Hoogstraten betekent gezien Moonens afhankelijkheid in dezen van Van Hoogstraten.80 Na de nogal bondige bespreking van genus, numerus en declinatio,81 gaat Elzevier over tot paradigmata. Hij kondigt aan van de drie declinaties die het Nederlands zijns inziens kent, steeds een voorbeeld te geven, waarbij hij zich beperkt tot mannelijke zelfstandige naamwoorden. Na elke voorbeeldverbuiging somt hij (mannelijke) zelfstandige naamwoorden op die aan dezelfde declinatie onderworpen zijn, ‘en wy zullen geene Zelfstandige Naemwoorden van dat geslacht gebruiken, dan die de Heer Hoogstraten in zyne geslachtlyst heeft geplaetst’.82 Drie voorbeeldverbuigingen volgen en een waslijst substantieven, kennelijk ontleend aan Van Hoogstratens Aenmerkingen - een werk dat Elzevier aanbeveelt aan ‘De Leergierigen, die dat werk noodzakelyk moeten hebben’.83 Via Van Hoogstraten komen deze substantieven uit het werk van Vondel en Hooft.

We zien in het geval van Elzevier dus hoe hij voortbouwt op Moonen en Van Hoogstraten, die op hun beurt rechtstreeks aansluiting hadden gezocht bij Vondel. In de taalkundige praktijk zijn op die manier de Vondeliaanse taalnormen stilletjes (in vergelijking met de veel manifestere canonvorming althans) overgedragen en productief gemaakt tot diep in de achttiende eeuw.

Holtrop

Hetzelfde zien we in De Nederduitsche taalkunde gemaklijk gemaakt, misschien van de hand van John Holtrop.84 De auteur vangt zijn bespreking van het genus aan met de opmerking dat de lidwoorden niet voldoen als genusindicatoren, bijvoorbeeld het zogenaamd mannelijke ‘een’ kan ook voorkomen bij vrouwelijke woorden, hoewel ‘eene’ dan de juiste(re) vorm zou zijn.85 De auteur plaatst deze opmerking onder verwijzing naar Nylöe.86 Inderdaad is de bepaling van het grammaticaal geslacht op basis van de adnominale woorden, speciaal de lidwoorden (die vermoedelijk daarom ook geslachtwoorden konden gaan heten), de dominante methode in de geschiedenis van de Nederlandse grammatica.87 Maar Holtrop signaleert een probleem met deze benadering en stelt: ‘beter is het dan bekwaame naamlijsten als die van Hoogstra-

[p. 150]

ten door Kluit, Sewel en anderen vlijtig te gebruiken’.88 Hij bedoelt de vijfde editie van Van Hoogstratens geslachtslijst, die in 1759 door Adriaen Kluit was bezorgd, misschien ook al de zesde druk van 1783; daarnaast de geslachtslijst die Sewel in de tweede druk van zijn spraakkunst opnam wegens het tekortschieten van de genusregels.89 Een volgende referentie volgt snel, wanneer Holtrop Moonens waarneming citeert dat er formele genusregels zijn, dat wil zeggen regels die het naamwoordelijk geslacht vaststellen op grond van de vorm van het woord; Holtrop ziet er weinig in deze op te sommen en verwijst de lezer naar Moonen.90 Ook op de volgende bladzijden verwijst de auteur nog verschillende malen naar Van Hoogstraten/Kluit, Moonen en Sewel.91

De vroeg-achttiende-eeuwse Vondelianen zijn niet alleen in zulke openlijke verwijzingen aanwezig in Holtrop. Ook uit een studie van de algemene, op de betekenis gebaseerde genusregels blijkt zijn, aldaar niet expliciet gemaakte, afhankelijkheid van Moonen en Sewel. Hierbij moet opgemerkt worden dat Sewel in dezen zeer leunt op Moonen.92 Bij zowel Moonen als Sewel als Holtrop beginnen de regels voor het mannelijk met de aanduiding van naamwoorden voor mannelijke personen, bijvoorbeeld ‘God’, ‘duivel’, ‘broeder’, ‘koning’, ‘dief’, ‘gek’.93 Zo'n begin is volkomen traditioneel. Ze vervolgen:

De zeven Dagen der weeke, Zondagh, Maendagh, en de andere met hunne byzonder Deelen, den Morgenstont, ... (Moonen, Nederduitsche spraekkunst, 60)
De dag en deszelfs afleydingen en byzondere deelen, als Zondag, (...) Mórgenstond, ... (Sewel, Nederduytsche spraakkonst (17122) 94)
De dagen der weeke en alle derzelver bijzondere deelen ... (Holtrop, De Nederduitsche taalkunde, 170).
De volgende regel van Holtrop betreft de namen ‘van veele viervoetige Dieren, van veele Vogelen, Visschen, Boomen, en Rivieren’.94 Moonens volgende regel geldt ‘De meeste Viervoetige Dieren (...) en Vogels (...) en Visschen (...) en Boomen’, en de dan volgende regel betreft ‘de grootste en vermaertste Stroomen des Aerdryks’; bij Sewel idem dito: eerst ‘Veele Viervoetige dieren, Vogels, Visschen, en Boomen’, daarna ‘De naamen van veele Rivieren’.95 Als we dan naar de voorbeelden kijken, leest Holtrop als een compilatie van Moonen en Sewel:

[p. 151]

Moonen, Nederduitsche spraekkunst, 60. Sewel, Nederduytsche spraakkonst (17122), 94-95. Holtrop, De Nederduitsche taalkunde, 170.
viervoetige dieren olifant, leeu, beer, stier, var, bul, hengst, bever, otter, ezel, eenhoren, neushoren, krokodil, vos, wolf, haes, hont os, varre, olifant, ótter, krokodil, eenhoorn, vos, hond, haas, hengst, stier, ezel, leeuw, beer os, olifant, eenhoorn, stier, hond, bever
vogels arent, adelaer, havik, gier, sperwer, nachtegael, uil, nachtuil arend, struys, havik, ooijevaar, faizant, fenix, leeuwrik, raven, valk, uyl, nachtegaal, haan, paauw. arend, struis, havik, ojevaar, nachtegaal, uil
vissen walvisch, potvisch, kreeft, steur, zalm, snoek, ael, baers, braessem aal, paling, kabbeljauw, steur, zalm, snoek, baers, dólfyn, walvisch braassem, kreeft, steur, zalm, snoek, dolfijn
bomen pyn, eik, els, esch, hazelaer, appelaer, roozelaer appelboom, beuke, eyke, essche, linde, hazelaar, rozelaar pijn, eik, els, hazelaar, linde, roozelaar
rivieren Donau, Ryn, Teems, Taeg, Tyber, Wyssel, Arar, Tiger, Eufraet, Eridaen of Po, Hebrus, Ganges, Deemer, Amstel, Belt, Eurotas, Alfeus, Nifates, Tanager, Timavus, Mella, Nyl Tyber, Teems, Ryn, Nyl, Donau, Amstel Tijber, Teems, Rhijn, Donau, Amstel, Uijl (sic, = Nijl)

Bij de vogels en de rivieren kan Holtrop met een beroep op Sewel hebben volstaan, bij de overige categorieën, het meest duidelijk bij de bomen, zal ook Moonen een bron zijn geweest. Hetzelfde beeld biedt de rest van Holtrops genusregels: rechtstreekse ontlening aan Moonen en Sewel.

Transmissie van Vondelianisme in de taalkundige praktijk

Bij Elzevier en Holtrop zien we de transmissie van Vondelianisme in de praktijk gestalte krijgen. De genustheorieën van deze grammatici leunen in hoge mate op het werk van Moonen, Van Hoogstraten en Sewel; ook Nylöe's naam is gevallen. Sewels genusregels zijn goeddeels gebaseerd op die van Moonen. Moonen baseerde zich op zijn beurt op Van Hoogstraten. En Van Hoogstraten componeerde zijn geslachtslijst van substantieven uit de werken van Vondel en Hooft. Zo is het taalgebruik van de grote zeventiende-eeuwse dichters in de grammatica van de tweede helft van de achttiende eeuw actief, niet zozeer dankzij rechtstreekse, actieve ontlening als wel bemiddeld door de Vondel-adepten uit de eerste helft van de achttiende eeuw. Daarnaast zien we ook hier weer de nauwe samenhang van taalkunde en letterkunde.

De invloed van de Vondel-epigonen reikte overigens tot buiten hun eigen kring. Een in taalkundig opzicht wellicht onverdachte figuur als Lambert ten Kate (1674-1731), toch eerder bekend om zijn etymologische onderzoekingen dan om zijn aanhaken bij zekere auteursautoriteiten, brak zijn bespreking van genusregels af onder verwijzing naar onder anderen Moonen en Van Hoogstraten: de eerste zou de regels genoegzaam beschreven hebben, de tweede zich de aan regels onttrekkende substantieven geïnventariseerd.96 Omdat het taal-

[p. 152]

kundig gezag van Ten Kate niet gering was (en is) - ‘den doorzichtigen en vernuftigen heere Lambert ten Kate, wiens gezigt verder is doorgedrongen dan dat van iemant der genen, die of by onze of by onzer voorouderen tyden, zich bemoeit hebben met der vaderlantsche sprake eenig licht by te zetten’, aldus Van Hoogstraten97 -, zal zijn verwijzing naar de Vondelianen het Vondelianisme in later tijden beslist ten goede zijn gekomen.

Slot

In dit artikel heb ik proberen aan te geven hoe de transmissie van de zeventiende-eeuwse, met name Vondeliaanse taalnormen gestalte kreeg in de achttiende eeuw door toedoen van een groep auteurs aan het begin van die eeuw: de Vondelianen. Transmissie lijkt me beter dan imitatio uit te drukken waar het om gaat: een overdracht van Vondels normativiteit, waar men zich al imiterend rekenschap van moet geven. In Vondels normativiteit zijn taal- en letterkunde verenigd; een scheiding van beide terreinen is problematisch. Op verschillende manieren kan de transmissie plaatshebben: openlijk in de context van canonvorming, heimelijker in de bespreking van grammaticale kwesties. Steeds dient de transmissie een didactisch doel. De Vondeliaanse publicaties als een intertekstueel systeem overziend, lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat we van een didactisch program kunnen spreken. Wie de geschriften van Brandt, Vollenhove, Francius, Van Hoogstraten, Nylöe, Moonen, Sewel, Huydecoper naast elkaar legt, heeft een Vondeliaanse matrijs voorhanden, waarin hij alleen nog maar zijn imitatieve metaal hoeft te gieten.