De spreuk van Horatius ‘Nonum prematur in annum’ is door deze uitgave verre overtroffen. Reeds meer dan dertig jaar geleden was Willem de Vreese met de voorbereiding van dit volksboek zoo ver gevorderd, dat de tekst en een deel der bijlagen gezet konden worden. Alleen het tweede hoofdstuk der bijlagen ontbrak nog en de herhaalde aansporingen van de Commissie voor de uitgave der Volksboeken bleven vruchteloos. In de nalatenschap van De Vreese bevond zich een map met alles wat op de uitgave van dit volksboek betrekking heeft; deze heeft zijn weduwe Mevr. J.M. De Vreese - v.d. Poll welwillend ter beschikking gesteld. Ik ben haar daarvoor zeer erkentelijk; het bleek mij mogelijk om op grond van het aanwezige materiaal dit boek te voltooien. In die map bevond zich van het ontbrekende tweede hoofdstuk een ruig bewerp dat uit den aard der zaak geheel berustte op de resultaten waartoe het onderzoek destijds gekomen was. Maar de wetenschap heeft op dit gebied niet stilgestaan. De uitgave van den Latijnschen tekst door Benary in 1914 wierp een nieuw licht op de voorgeschiedenis van den Nederlandschen tekst;
eenige onderzoekingen over de stof van den Dialogus zijn sindsdien verschenen. Het zal aan De Vreese, die door zooveel ander werk in beslag genomen werd, aan tijd en gelegenheid ontbroken hebben, het tweede hoofdstuk om te werken en aan te vullen. Ik meende dat het een eerbiedige hulde aan zijn nagedachtenis zou zijn, den draad weer op te nemen, waar hij dien had laten vallen en het volksboek van Salomon ende Marcolphus, waaraan hij vele jaren met zooveel liefde gewerkt had, in zijn geest af te werken.
Van den tekst waren reeds 32 bladzijden afgedrukt; verder heeft De Vreese nagelaten de laatste revisie van blz. 33 en 34 van den tekst en verder de bijlagen I en III. Dit alles heb ik ongewijzigd gelaten. Wat ik heb toegevoegd is dus allereerst bijlage II, waarin de geschiedenis van de stof kort verhaald is, en verder enkele aanvullende opmerkingen onder bijlage III, die na het verschijnen van den Latijnschen tekst noodzakelijk bleken te zijn.
Moge deze uitgave de herinnering verlevendigen aan den Nederlandschen filoloog Willem de Vreese, voor wiens uitgebreide kennis der Middeleeuwsche letterkunde en voor wiens haast spreekwoordelijke acribie wij de hoogste bewondering hebben.
Leiden, 11 Februari 1941
JAN DE VRIES