Duidelijk is het die ruimere betekenis van de Franse roman geweest die onze Dietse bewerker heeft aangesproken. De historische implicaties - die hij blijkbaar niet kende - werden totaal verwaarloosd. De topografie van de Ferguut, in tegenstelling tot zijn Franse voorbeeld, is net als in de meeste Arturromans, bijna geheel willekeurig. Alles wat ‘couleur locale’ is, heeft onze dichter ofwel voorbijgezien als hij het niet begreep, ofwel aan zijn eigen gehoor aangepast. Kortom: speelt de Franse roman zich af op een twee-dimensioneel, literair-historisch vlak, de Middelnederlandse beweegt zich in de één-dimensionele wereld van de louter literaire feitelijkheid.
De verhaaltechnische mogelijkheden die hem door Guillaume werden geboden, heeft onze bewerker op zijn eigen wijze benut en dat met meer zin voor compositie dan zijn voorganger.
Een en ander moge blijken uit een zeer bondige analyse van de opeenvolgende episoden en uit een, hier ook summier te houden vergelijking met de Franse roman.1
1e episode: de vzn. 1-250. De voorafbeeldende prelude.
Deze beginepisode is duidelijk gekopieerd naar het begin van Chrétien's Erec et Enide. De situering te Caradigaen en de jacht op het witte hert lijken wel direct aan Chrétien's roman ontleend. Alleen, daar is het Artur die het hert doodt, hier Pertsevale. Deze modifikatie heeft haar goede grond: Pertsevale moet een voorafbeelding worden van Ferguut.
Als Guillaume Perceval op het toneel brengt, verwijst hij uitdrukkelijk naar het graalavontuur: qui tant pena pour le graal (vs. 1, 14). Onze Dietse bewerker doet dat niet. Guillaume's allusie laat hij onvertaald. Het is overigens zeer de vraag of hij een enigszins meer dan oppervlakkige kennis had van Perceval's graalavontuur1. Meteen blijft het onduidelijk of hij begrepen heeft dat Guillaume Perceval het succes op de jacht gunt omdat deze ook, destijds, een naïeveling uit het bos was. Uitgesloten is dit niet maar het lijkt erop - en bij het einde vande bewerking wordt die indruk wel bevestigd - dat onze Dietse dichter zijn Pertsevale gewoon zag als een van de belangrijkste ridders van de Tafelronde, terwijl hij toch zeer goed het homo silvaticus-verhaal kende. In één woord: Pertsevale is voor hem belangrijk om wat Guillaume over hem vertelt, niet om wat hij was voor Chrétien. De verhaalelementen van de jacht heeft hij nochtans uitstekend begrepen en zelfs consequenter uitgewerkt dan zijn voorganger.
De jacht op het witte hert heeft, dank zij een lange evolutie van het thema vanuit een antieke, een christelijke en een folkloristische kern, wel altijd een rijke maar ook ingewikkelde symbolische betekenis gehad2. De middeleeuwse toehoorders zagen deze jacht hoogstwaarschijnlijk wel als de uitbeelding van een roeping tot het hoogste wereldse geluk dank zij de liefde van een wondermooie vrouw. Het witte hert zelf is dan op de duur een van de vaste bewoners geworden van de Brits-Keltische ‘Andere Wereld’, die alleen voor de dappersten toegankelijk is en waar ouderdom of dood niet bestaan.
Een en ander is duidelijk een voorafbeelding van Ferguut's moeizame verovering van de liefde der wondermooie Galiene. Het witte hert van de pro-
loog wordt voor Ferguut een wit schild, de voorwaarde om Galiene te vinden en de garantie van onoverwinnelijkheid in het gevecht en van eeuwige jeugd (men zie vzn. 3.104-3.143).
Als beloning krijgt Perceval van de koning een gouden beker maar hij schenkt die weg aan Gauvain. Onze Dietse bewerker, anders dan Guillaume die deze mogelijkheid niet zag, zal bij het einde van het verhaal, Ferguut zijn paard aan Gawein laten schenken omdat hij in hem de betere ridder erkent. Ook hiermee wordt Pertsevale - en dit is dus niet het geval in de Franse roman - vanwege het wegschenken van de gouden beker, een voorafbeelding van Ferguut.
2e episode: de vzn. 251-1.148 Ferguut ridder.
De nacht brengt Artur met zijn gevolg in het woud door. De volgende ochtend rijden ze door naar Cardoel. In een dal komen ze langs het kasteel van Somilet (de Franse Soumilloit) wiens oudste zoon, Ferguut aan het ploegen is. De knaap kruipt van angst achter zijn ploeg weg. Als hij verneemt wie de ridders zijn, besluit hij hen achterna te gaan en ook ridder te worden. Met brutale en zelfs vulgaire spot wil zijn vader hem terug naar de akker jagen, maar zijn moeder, die wijst op haar adellijke afkomst, steunt hem in zijn voornemen. Op weg naar het hof wordt Ferguut door vier dieven overvallen. Twee jaagt hij er op de vlucht, de beide anderen houwt hij het hoofd af. Die bloedige trofeeën hangt hij aan zijn zadel. Zo rijdt hij Artur's hof binnen. Hij deelt de koning mee dat hij tot zijn gevolg wil behoren en hem met raad en daad bijstaan. Keye drijft de spot met hem en daagt hem uit om op de zwarte rots een sluier en een hoorn te gaan halen, al zal hij daartoe wel eerst de zwarte ridder moeten verslaan die totnogtoe niemand heeft kunnen overwinnen. Ferguut is woedend om Keye's spot en aanvaardt de uitdaging om te kunnen bewijzen dat hij wel degelijk een echte ridder is. Hij neemt afscheid van Artur en begeeft zich op weg naar de zwarte rots. De nacht brengt hij door bij de kamerling van de koning. Uit eerbied voor de wijsheid van die man verklaart Ferguut zich bereid de volgende morgen naar Artur's hof terug te keren en zich daar tot ridder te laten slaan, al is hij ervan overtuigd dat hij dan voor de tweede keer ridder zal worden, aangezien zijn vader hem, naar hij meent, reeds ridder maakte. De volgende ochtend aan het hof, stelt Gawein de koning voor dat Ferguut zijn geselle zou worden maar de knaap wijst dit voorstel van de hand. Hij wil tot elke prijs naar de zwarte rots. Op zijn verzoek krijgt hij dan van de koning ridders gewade. Van Gawein krijgt hij een paard, van Pertsevale een zwaard. De kamerling en Lanceloet gespen hem de sporen aan. Nu is hij ‘ridderlijker’ dan wie ook, behalve dan Gawein. Opnieuw neemt Ferguut afscheid van de koning, groet ook Gawein en gaat op tocht naar de zwarte rots.
Ook hier volgt onze Dietse dichter de gang van het Franse verhaal. De topografische indicaties zijn evenwel meestal veranderd. De ‘couleur locale’ is zo goed als verdwenen. Wel besteedt onze bewerker veel aandacht aan het type van de homo silvaticus. Ferguut is gehuld in dierenhuiden (vzn. 302-306), gewapend met een colve (vs. 332); hij is de naïeveling die denkt ridder te zijn als hij maar wapens draagt (vzn. 385-386)1 maar die overigens niets van ridderlijke wapens afweet en gelukkig is met wapine, die in dagedochte Hadden gelegen menich jaer (vzn. 436-437), zodat hij er bijna gelijk een Don Quijote bijloopt (vzn. 477-483), in één woord: een sot (vs. 484). Evenmin als de Perce-
val van Chrétien heeft hij oog voor de droefheid van zijn moeder (vzn. 500-501). Aan het hof wordt hij door de ridders op spottend gelach onthaald (vzn. 589-590)1 en door Keye bepaald voor de gek gehouden (vzn. 608-654). Ferguut is woedend (vs. 673) en besluit zich op Keye te wreken. Hierbij neemt hij een opdracht aan die in feite niets meer is dan een dwaze uitdaging, maar waarvan hij denkt dat het om een waarachtig ridderlijke taak gaat. Dat zal hem later opbreken.
Het is wel opvallend dat, al zegt de kamerling dat Artur Ferguut in de hals tot ridder zal slaen (vs. 902)2, dit nergens gebeurt als de koning hem in zijn gevolg opneemt. Dit negatieve feit moet wel betekenen dat een ceremonie met een dergelijke reële ‘Sitz im Leben’, zowel voor onze bewerker als voor Guillaume te belangrijk was om - al was het maar in de literatuur - ontluisterd te worden, wat kennelijk wel het geval zou zijn geweest in dit stadium van de roman. Fergus/Ferguut mag dan al de overgrootvader van Alain van Galloway zijn, op dit ogenblik in het verhaal is hij nog al te onbehouwen voor een plechtige ridderslag. Hij is nog te zeer de zoon van Somilet (vzn. 910-926) en te weinig die van zijn moeder.
Dat hij van de hoofs-ridderlijke wereld helemaal niets afweet, blijkt uit het feit dat hij weigert Gawein's geselle te worden (vzn. 1037-1047). Had hij dat aanvaard, dan was hij onmiddellijk een volwaardig ridder geweest, juist dank zij die ‘compagnonage’ die sociale gelijkheid impliceert3. Het voorstel van Gawein is intussen des te opvallender, omdat die reeds een geselle heeft, met name Ywein (vzn. 21-28)4, die dan ten gunste van Ferguut van zijn ‘compagnonage’ afstand had moeten doen5. Die eerste weigering van Ferguut wordt wat later gevolgd door een tweede, nl. aan het adres van Galiene. Toch spreekt ook het adellijke bloed van de moeder: de dochter van de kamerling bequam hij wel, zij kende geen Scoenre ridder in enech lant, Haddire hem gehouden naer (vzn. 786-789), en is hij eenmaal getooid met een echte wapenrusting, dan is hij die beste ridder ... Die noit quam in sconinx hof (vzn. 1088-1089).
Intussen wordt de verheerlijking van de ‘Gallowegians’ niet vergeten. M.D. Legge noteert6 dat de zonen van de historische Fergus de inwoners van Galloway hebben uitgemoord. Guillaume heeft dit feit gewijzigd in de uitroeiing van allerlei gespuis, zodat het land bewoonbaar gemaakt en de roem
van de familie vergroot werd; dit krijgt zijn literaire gestalte in het verhaal van de vier dieven1.
Een belangrijk detail tenslotte nog. Als Fergus aan het hof tot ridder wordt ‘gemaakt’, krijgt hij van Gauvain zijn helm. Ferguut echter krijgt van Gawein een paard. Onze bewerker heeft dus kennelijk reeds het einde van zijn verhaal op het oog, waarbij Ferguut zijn paard aan Gawein schenkt, wat zoals gezegd in de Franse roman niet gebeurt. Dat dit geschenk van Gawein en terug aan Gawein compositorische opzet is, blijkt uit het feit dat onze bewerker even later vergeet de Franse tekst te adapteren en met Guillaume vertelt, dat men Ferguut - dus nog eens - een groot ors bracht, al had hij liever dat sijn (vzn. 1089-1100).
3e episode: de vzn. 1. 149-2. 201. Ferguut en Galiene.
De tocht naar de zwarte rots loopt langs Ydel2, waar Ferguut's avonds gastvrij wordt ontvangen door de kasteelheer en zijn nicht Galiene. De jonkvrouw wordt hopeloos verliefd op hem en 's nachts gaat ze hem, na een dramatisch innerlijke tweestrijd, haar liefde bekennen. Ferguut stuurt haar vrij brutaal weg: voor de liefde heeft hij geen tijd, ander dinc, met name ene battaelgie heeft hij op het oog (vzn. 1496-1498), al heeft zijn gastheer hem al gezegd dat dit sotheit is (vs. 1320). Galiene, zwaar gekrenkt en wanhopig, verlaat de volgende ochtend, zonder dat iemand het weet, het kasteel. Ferguut trekt naar de zwarte rots. Met veel moeite beklimt hij ze en vindt dan de kapel waar de hoorn en de sluier zich bevinden. De ingang wordt bewaakt door een metalen automaat die Ferguut evenwel voor een echte dorper groet (vs. 1628) aanziet. Hij bekogelt hem eerst met stenen en slaat er nadien op los om dan beschaamd vast te stellen dat de man niet en left (vs. 1693). Hij maakt zich meester van de sluier en de hoorn waarop hij driemaal blaast. Er volgt een verwoed gevecht met de zwarte ridder. Ferguut overwint hem, maar liever dan hem te doden, zendt hij hem naar het hof van Artur, waar de overwonnene aan iedereen de groeten moet overbrengen, behalve aan Keye. Daar hij geen andere avonture meer ‘vindt’ (vs. 1966), keert hij maar terug naar Ydel. Daar heerst grote verslagenheid vanwege de verdwijning van Galiene. Ferguut begrijpt nu dat hij schuldig is en besluit onmiddellijk op zoek te gaan naar de jonkvrouw op wie hij nu onweerstaanbaar verliefd wordt. Hij wil niet rusten vooraleer hij haar gevonden heeft.
De commentaar bij de passage, waarin Galiene Ferguut van zijn paard wil helpen stijgen, is door onze bewerker veranderd, kennelijk met de bedoeling de inconsequentie van Guillaume omtrent nature te vermijden. De boven3 geciteerde Franse verzen worden omgedacht tot
De Dietse dichter beweert dus niet dat Ferguut van nature hoofs zou zijn. Inderdaad, als Galiene hem 's nachts haar liefde komt betuigen, stuurt hij haar
zeer onhoofs weg: vliet! (vs. 1484). De metafoor van de uitwisseling der harten begrijpt hij niet (vs. 1481), hij lacht Galiene gewoon uit (vs. 1495) en noemt haar liefde beuzelarij, waar hij geen tijd voor heeft (vzn. 1496-1497). Ook deze weigering om vast met de hoofse gemeenschap verbonden te worden, dit keer dank zij de liefde, illustreert hoe ver hij nog van het hoofse ridder-zijn af staat. Voor hem is ridder-zijn op de eerste plaats battaelgie leveren (vs. 1498).
De eerste stap in de richting van een bewustwording volgt dan uit die Don Quijoteske battaelgie tegen de metalen automaat. Overigens, evenals de literaire bewerking van de beklimming van de zwarte rots, ligt die van de bekogeling van de metalen dorper, heel dicht bij het groteske (vzn. 1601-1611 en 1674-1690). Als Ferguut merkt wat er eigenlijk aan de hand is, schaamt hij zich diep en hoopt vurig dat Artur nooit te weten komt wat voor een dwaas hij wel is (vzn. 1691-1697).
Nochtans wil hij tot iedere prijs bewijzen dat hij wel een ware ridder is en Keye's spot niet verdiende. Dat bewijs ligt vooralsnog in zijn dapperheid in het gevecht. Hij daagt de zwarte ridder uit en verslaat hem in een verschrikkelijke strijd. Hij is dus wel een betere ridder dan al diegenen die onder de handen van de zwarte het leven hebben gelaten.
Waarom keert Ferguut, nu de spot van Keye toch glansrijk gewroken is, niet zelf met hoorn en sluier naar het hof terug? Eenvoudig omdat ondanks alles de spot van de drossaard toch nog aan hem blijft kleven. Ook al is de uitlevering van de zwarte ridder in de handen van Artur opnieuw een illustratie van de geschiktheid der ‘Gallowegians’ voor een ‘politionele taakvervulling’,1 het was een bewijs van naïeve verwaandheid en boerse overmoed die uitdaging van Keye aan te nemen. Trouwens, was Gawein niet daarom juist al zo bezorgd (vzn. 1057-1061) en zei ook de heer van Ydel niet dat het sotheit was, die spot van Keye te willen wreken (vs. 1320)? Ferguut luisterde niet. Het blijkt dus dat Keye het bij het rechte eind had toen hij Ferguut dwaas genoeg achtte om het avontuur te bestaan. In het gevecht met de automaat begon Ferguut dat te beseffen. Hij gaat Keye wat beter doorzien. De zwarte ridder laat hij daarom iedereen aan het hof groeten, maar Keye niet.
Zijn zelfvertrouwen moet evenwel nog een ergere deuk krijgen. Als dat in het verhaal gebeurd is, begrijpen we nog beter waarom Guillaume zijn ‘held’ niet zelf naar het hof kon laten terugkeren. Ferguut gaat inzien dat hij eigenlijk niets anders is dan een dorper. Hij meende van nature uit ridder te zijn, maar nu Galiene door zijn schuld verdwenen is en nu de minne hem straft door hemzelf op Galiene te laten verliefd worden (vzn. 2046-2062), gelooft hij dat
In een tamelijk lange monoloog (vzn. 2075-2142) vertolkt Ferguut zijn bewust-
wording en meteen zijn pijn om het anders-worden. Zoals de dag tevoren bij de kamerling (vzn. 910-926) denkt hij ook nu terug aan zijn vader. Die gaf zijn leven lang niets om de minne. De zoon zou dat wel moeten doen? Inderdaad, het zal wel nodig zijn
De bewerker vindt trouwens dat die plotse ommekeer wel even moet worden verantwoord:
De blijdschap van de dag tevoren is nu al in sorgen omgeslagen (vzn. 2149-2150). Ferguut gaat een periode van liefdesverdwazing tegemoet. De Vikingerszoon wordt omgedacht tot een hoofse minnaar, de dappere wegbeveiliger moet, via de liefdesbeleving, een echte ridder worden. Dat is de weg die Guillaume voor hem heeft uitgestippeld.
4e episode: vzn. 2.202-2.792. Ferguut op zoek naar Galiene.
Peinsende ende in groten vare (vs. 2207) komt Ferguut in een foreest (vs. 2206). Even na middernacht bereikt hij een bosweide. Daar staat een tent waarin een hoverdich ridder (vs. 2215) met ene maget fiere (vs. 2305) de nacht doorbrengt. Een monsterachtige dwerg houdt de wacht, en deze slaat Ferguut's paard tegen de grond. Zelf slaat hij nu de dwerg neer. Er volgt een gevecht in de maanlichte nacht met de ridder. Ferguut overwint hem, schenkt hem echter grootmoedig genade en stuurt hem met zijn lief en de dwerg naar het hof. Dan rijdt hij doelloos verder en peinst altoes om ene sake (vs. 2495). 's Middags daarop ziet hij zich plots geconfronteerd met een roofridder die zijn paard opeist. Ook deze tegenstander wordt overwonnen maar mag blijven leven als hij zich bij Artur gevangen wil geven.
Van hieraf begint de Dietse bewerker zo langzamerhand en, naarmate het verhaal vordert meer en meer, zijn eigen weg te gaan. Het Franse werk heeft hij blijkbaar goed in het hoofd en nu gaat hij het op zijn eigen wijze navertellen: in de meeste episodes veel levendiger en veel vlotter.
In drie dagen heeft Ferguut niet gegeten. Dan rijdt hij recht in de armen van een bende dieven die op een plein uitvoerig zitten te schransen. In zijn ellende gaat Ferguut ongevraagd aan de tafel zitten en tast toe. Er volgt een verwoed gevecht met de vijftien boeven. Dertien onder hen bekopen het met hun leven. De twee overlevenden worden naar het hof gestuurd waar ze zich eveneens gevangen moeten geven en iedereen, behalve Keye, vanwege Ferguut groeten.
In de Franse roman wordt hierop verteld hoe Artur zijn baronnen samenroept, om er zich over te beraden hoe de zwarte ridder onschadelijk kan worden gemaakt. Opnieuw laat Keu zich spottend over Fergus uit wat een heltige discussie met Gauvain meebrengt. Op dat ogenblik komt de zwarte ridder aangereden. Vanwege de hoorn en de sluier meent Artur dat het Fergus is. Gauvain evenwel vreest dat het de zwarte ridder wel wezen zal.
In de plaats daarvan componeert onze Dietse dichter eigenhandig een dertigtal verzen bezinning over de liefde die Ferguut in een soort verdwazing gevangen houdt.
In de Arturepiek symboliseert het woud, als localisering van het gebeuren, vaak het teruggeworpen zijn van de ‘held’ op zichzelf, de zelfreflectie die uiteindelijk moet leiden tot het anders-worden. Dit gebeurt ook hier. Dit motief is evenwel - door Guillaume uiteraard - verdiept tot een ‘verdwazing in het woud’, waarvan de centrale figuur het slachtoffer wordt vanwege een schuldige houding t.a.v. de liefde of de vrouw. In de geest van een meer hoofse generatie inderdaad, kon de insania van de homo silvaticus zoals hij in de yeeste verschijnt, omgedacht worden tot een - overigens uit de mystieke literatuur ook wel bekende - insania amoris1.
In een eerste stadium van deze verdwazing (want later in de roman volgt een complete waanzin, cf. de 6e episode) tekent Guillaume Fergus duidelijk naar het voorbeeld van Chrétiens' Lancelot die, gevangen in een diepe troosteloosheid wegens Guenièvre, eveneens een levensgevaarlijke situatie blindweg tegemoet rijdt2. Van Fergus/Ferguut wordt precies hetzelfde gezegd als van Lancelot:
Intussen worden nochtans ook de ‘Gallowegians’ in de episode met de roofridder en die met de vijftien dieven, in de persoon van Ferguut geëerd als opruimers van het geboefte en wordt hun de verdienste toegeschreven verscheidene gebieden de rust te hebben geschonken, nodig voor de uitbouw van de handel en het veilig verkeer. In het land van de roofridder,
Als Ferguut hem heeft uitgeschakeld, kan de dichter zeggen:
Overigens bewijst Ferguut - tenminste voor zichzelf - in deze gevechten, dat hij een volwaardig ridder is. De twee overblijvende dieven moeten zich bij Artur gevangen geven, maar mogen Keye niet groeten. De dichter laat in verband hiermee Ferguut een tweevoudige commentaar geven. Hij zal Keye's quade tale wreken (vzn. 2747-2750): de overwonnenen brengen immers het bewijs dat hij een echte ridder is. Daarop volgt nog, als antwoord op het bezwaar van de dieven dat Artur ze zou kunnen hangen, braden of verdrinken, de verzekering van Ferguut:
en dat juist omdat ze door de voortreffelijke ridder die hij is, werden overwonnen en gestuurd. De koning zal blij en fier zijn om de heldendaden van Ferguut. Later blijkt inderdaad dat Artur zo reageert.1
Toch blijft hij de ridder die staphants uten sinne wordt als hij aan Galiene denkt (vs. 2766). In zijn eigenhandig gecomponeerde bezinning over de liefde (vzn. 2760-2784) legt onze Dietse dichter er de nadruk op, hoe diepgaand een mens door de liefde veranderd wordt2. Hij vindt dat trouwens jammerhede en vreest dat die duvel hier mede speelt (vs. 2768), maar ziet wel in dat de liefde een kracht is waartegen de mens niet is opgewassen. Of de liefde ook een goed kan zijn, laat hij hier in het midden. Voorlopig is Ferguut alleen maar door haar verdwaasd (vzn. 2785-2792).
5e episode: vzn. 2. 793-3. 017. Inmiddels aan het hof.
Allen die door Ferguut overwonnen zijn en naar het hof gestuurd, komen daar nu aan. Ze vertellen wat er gebeurd is en loven Ferguut die als ridder zijn gelijke niet heeft (vzn. 2823-2826), die de beste ridder is die ooit een paard besteeg (vzn. 2896-2897), zodat er in heel Denemarke (vs. 2924) geen zoals hij te vinden is, in één woord, het is zeker dat hi die beste es die leeft (vs. 2973) en Keye moet zich voor hem hoeden want hi seide hem groet onnere (vs. 2834) en leelichede (vs. 2903) dat hem mescomt (vs. 2929); het was ongevoech (vs. 2981). Zoals al aangekondigd, begenadigt Artur de gevangenen Omdat u hier sende Ferguut (vs. 2854).
Guillaume heeft dat motief van de begenadiging terwille van de voortreffelijkheid van de overwinnaar, ofwel niet gekend, ofwel opzettelijk niet te pas gebracht. In zijn roman raadpleegt Artur zijn neef Gauvain omtrent de straf die de zwarte ridder moet worden opgelegd. Besloten wordt de ridder te laten leven. Wat hebben de doden eraan als hij gedood wordt? Les mors as mors, les vis as vis! (vs. 96, 24). De hele passage van de verslagenen aan het hof is overigens in het Franse verhaal veel korter en vaak anders geconcipieerd.
Deze episode wordt afgesloten met een vijfentwintigtal verzen die evenmin in het Frans te vinden zijn. Guillaume vermeldt alleen dat Artur bedroefd is omdat Fergus niet aan het hof is. De Dietse verteller laat een groot aantal ridders erop uitgaan om Ferguut op te sporen. Als ze hem niet vinden keren ze verdrietig naar het hof terug.
6e episode: vzn. 3.018-3.606. Ferguut vindt het witte schild, de weg naar Galiene.
Twee jaar doolt hij in het woud rond in een complete verdwazing. Dan vindt hij een wonderbare fontein. Uit haar kracht wordt hij genezen. Een dwerg vertelt hem dat hij eerst het witte schud moet veroveren wil hij ooit Galiene terugvinden. Het schild is omhangen met mysterieuze
eigenschappen. Waar Ferguut het moet zoeken, wil de dwerg hem niet zeggen. Op een schip dat hem over een zeearm zal brengen, wordt hij door tien rovers overvallen. Op één na slaat hij ze alle dood. De overlevende stuurt hij naar het hof. Dank zij de inlichtingen van een herder, vindt hij na lang dolen het witte schild. Het wordt bewaakt door een reuzin en een serpent. In een vreselijk gevecht doodt hij beide. Als hij met het schild het bos inrijdt, botst hij daar op de reus. Opnieuw volgt een verschrikkelijk gevecht. Ferguut is overwinnaar maar zijn paard is gedood.
Na de beschouwingen over de liefde, waarmee de Dietse verteller de voorgaande episode afsloot, knoopt hij opnieuw aan bij het Franse verhaal. Hij volgt het, kent het uit het hoofd en vertelt daarom op zijn manier: vooral de gevechten worden sterk bekort1, een paar inconsequenties worden weggewerkt, naamloze figuren krijgen een naam2, kortom, het verhaal wordt veel levendiger. De topografische bijzonderheden en de ‘couleur locale’ zijn evenwel ook hier niet gerespecteerd.
De gestalte van Ferguut als homo silvaticus, verdwaasd uit liefdesnood, is niet zo scherp getekend als in het Frans. In de plaats van de boven3 vermelde verzen, lezen we hier alleen:
De beschrijving van de fontein is eveneens een zeer vrije navertelling van wat in de Franse roman daaromtrent gezegd wordt.
De passage waarin de dwerg over het witte schild spreekt, is door onze dichter omgewerkt. Guillaume was hier nl. niet erg consequent te werk gegaan. Al had de dwerg hem gezegd waar het witte schild te vinden was, toch bleef Fergus nadien doelloos ronddwalen op zoek ernaar. Logischer is onze Dietse verteller doordat bij hem de dwerg, zeer tot ongenoegen van Ferguut, weigert te zeggen waar het schild is.
Guillaume laat nu Fergus heel Lodien doortrekken en brengt hem ook op het Castiel as Puceles. Niemand weet evenwel te zeggen waar hij het schild kan vinden. Deze tocht is opnieuw, door middel van de localisering van het gebeuren, in wezen een huldiging van de ‘Gallowegians’ en de Schotten. Zo bv. de vermelding van Port la Roine (= Queensferry) vanwaar Fergus de zeearm oversteekt. Aan de overkant wordt hij door fortune verder geleid naar het kasteel Dunostre, waar het witte schild door de reuzin bewaakt wordt. Deze en andere namen moeten een luisterrijke klank hebben gehad in de geschiedenis van de Schotse familie.
Dat alles heeft onze Dietse bewerker niet geweten. Het Castiel as Puceles is uit zijn verhaal verdwenen en Port la Roine is bij hem gewoon enen aerm vander
zee (vs. 3179). Niet fortune leidt Ferguut naar het schild maar een herder1, die hem overigens alleen Vaert desen pat (vs. 3328) weet te zeggen, niet de naam van een kasteel.
In de Franse roman wordt Fergus door een koopman opnieuw overgevaren naar Port la Roine2. Daar verneemt hij van drie herders dat hij zich bevindt in het land genaamd Lodien, dat door Galiene geregeerd wordt. Haar kasteel, Roceborc, wordt belegerd. Fergus komt dan bij de Mont Dolerous waar hij op de reus botst.
Van een overvaart is in de bewerking geen sprake meer, ook niet van de herders of van de belegering van Galiene's kasteel. Ferguut rijdt twaalf dagen in het woud rond en komt dan bij een burcht waar hij met de reus moet vechten. Als hij ook in dit gevecht de overwinnaar is geworden, is de voorwaarde om Galiene te vinden, vervuld: alleen een dappere ridder kan dit aan. Hoofs is hij daarom evenwel nog niet. Dat is dan de reden waarom in de roman tussen de verovering van het schild en de ‘verovering’ van Galiene, nog een aantal avonturen voorkomen. Wil Ferguut Galiene vinden, dan zal hij eerst zichzelf moeten ‘vinden’.
7e episode: vzn. 3.607-4.890. Ferguut op zoek naar zichzelf.
Op het kasteel van de reus vindt Ferguut twee jonkvrouwen die daar worden gevangen gehouden. Hij temt het wilde paard van de reus en wordt aldus schadeloos gesteld voor het verlies van zijn eigen paard. Vier maanden3 verlopen daar eer hij opnieuw naar avonturen begint te verlangen. Dan vertellen de jonkvrouwen hem dat zeven mijlen daar vandaan Galiene in haar burcht, Rikenstene4 belegerd wordt door koning Galarant, die zich met geweld van haar land en haar persoon meester wil maken. Drie dagen na elkaar gaat Ferguut zich in de strijd mengen en telkens drijft hij de belegeraars terug. Hij maakt zich evenwel niet bekend en keert iedere avond terug naar het kasteel in het woud. Galiene en Galarant besluiten uiteindelijk dat een tweegevecht het pleit zal beslechten. Galiene's vertrouwelinge, Lunette, gaat naar Artur's hof om daar een ‘kampioen’ te vragen het tegen Galarant op te nemen. Alle ridders zijn echter uitgereden om Ferguut te zoeken. Op de terugweg ontmoet Lunette in het woud Ferguut zelf, die ze echter niet kent en die zich ook niet bekend maakt. Hij verneemt nu hoe de situatie eruit ziet en stuurt haar naar Galiene met de vage belofte, dat haar lief haar wel zal beschermen. De volgende dag verslaat hij Galarant definitief. Hij gebiedt hem van zijn bezittingen afstand te doen in de handen van Galiene en zich daarna gevangen te gaan geven bij koning Artur.
Ook hier blijkt hoe goed onze Dietse bewerker het Franse verhaal in het hoofd had, wat meteen verklaart waarom hij zich vrij weinig bekommert om de letterlijke Franse tekst.
Afwijkend van het Franse verhaal is wel, dat Ferguut niets afweet van de belegering van Galiene's burcht vóór dat de jonkvrouwen hem daarvan op de hoogte brengen. Fergus ziet, drie dagen na
het gevecht met de reus, vanuit een venster van het kasteel wat er bij Roceborc aan het gebeuren is en hij vertelt trouwens zelf aan de jonkvrouwen wat hij voordien van de drie herders vernomen had omtrent het lot van zijn amie. Anders dan in de Franse roman ook heeft het er in de bewerking alle schijn van, dat Ferguut Galiene als het ware vergeten heeft. Hij blijft in ieder geval zo maar vier maanden bij de jonkvrouwen. Fergus daarentegen denkt voortdurend aan Galiene. Hij durft zich evenwel aan haar niet bekend maken omdat hij meent dat ze nog altijd woedend op hem is.
Afwijkingen van minder belang zijn de volgende. Nadat Fergus de eerste keer de belegeraars heeft verdreven, stuurt hij als geschenk het paard van een gedode tegenstander naar Galiene, met de boodschap erbij, dat de ridder met het witte schild de strijd bestaat om haar liefde. Dat is in de bewerking weggevallen. In het Franse verhaal stelt Galarant's neef Galiene voor een ‘kampioen’ aan te duiden die tegen één of twee tegenstanders zou vechten. Galiene wordt daarop woedend en roept impulsief uit, dat over acht dagen één ridder van haar de strijd zal opnemen tegen twee van hen. Ook dat komt niet voor in onze bewerking.
Een belangrijk verschil is dan weer, dat in het Franse verhaal, Galiene, die geen ‘kampioen’ heeft kunnen vinden, op het punt staat zich van de toren van haar kasteel naar beneden te storten. Haar laatste woorden gelden Fergus, die ze hopeloos bemint. Op dat ogenblik komt de ridder met het witte schild uit het bos gereden. Die voorgenomen zelfmoord heeft onze bewerker niet behouden1.
In het Diets wordt niet zo uitdrukkelijk gezegd waarom Ferguut het niet waagt Galiene onder de ogen te komen. Het hele gebeuren is hier niet zo geïndividualiseerd als in het Frans. Het is veeleer exemplarisch gehouden. Daarentegen ligt in de bewerking het accent veel duidelijker op de noodzaak naar de hoofsheid toe te groeien. Op de typische wijze van het middeleeuwse vertellen, wordt die psychologische evolutie niet zichtbaar gemaakt in de figuur van Ferguut zelf, maar, bij wijze van contrast-van-hoe-het-niet-moet, uitgebeeld met behulp van het paard van de reus en vooral van Galarant. Die twee getuigen van onmate en overdaet. Het zijn twee ondeugden die ook Ferguut tekenden. Vooral Galarant kan daarom gezien worden als een afsplitsing van Ferguut zelf.
Als hij het wilde paard neergeslagen heeft, roept hij uit:
Wat later vertellen de jonkvrouwen dat Galarant Galiene's burcht belegert Om ene wonderlike dinc (vs. 3838) en wat wonderlic is en waarom, wordt nadien door Ferguut zelf uitdrukkelijk gezegd:
Inderdaad, Galarant is niet hovesch maar overdadich ende stout (vs. 4295), over-
dadich ende fier (vs. 4779) en Ferguut vraagt hem bij een van hun ontmoetingen:
Ferguut is dus gaan inzien dat hoofs-zijn (het ideaal van die aristocratische gemeenschap voor wie dit soort literatuur bestemd was), nog iets heel anders is dan met succes het zwaard te hanteren. Hij ziet ook in dat hij zelf, evenmin als Galarant, Galiene zal winnen met crachte, en dat is de reden waarom hij zich niet aan haar bekend maakt maar telkens terugkeert naar het kasteel in het woud, localisering van de zelfreflectie. Hij is van handelend mens nu bezinnend mens geworden.
Er is evenwel nog een andere reden waarom Ferguut zich niet bekend maakt. Het blijkt nl. dat hij zelf wel innerlijk veranderd is, maar dat de anderen dat niet weten. Vaak wordt hij nog bejegend zoals toen hij echt die naïeve knaap en die onbehouwen vechtjas was. Dat is voelbaar in bv. de scheldwoorden die Galarant en zijn neef hem toesnauwen:
Dit herinnert aan wat, bij het begin van het verhaal, een van de dieven hem toevoegde: her drieten sone (vs. 541). Ook als Galarant en zijn neef hem toeroepen:
is dat als het ware een late echo van de woorden van diezelfde dief:
Samenvattend: terwijl in het Franse werk de nadruk wordt gelegd op het feit dat Fergus Galiene niet onder de ogen durft komen omdat hij meent dat ze nog altijd woedend op hem is, heeft onze bewerker het volle licht laten vallen op Ferguut's eigen inzicht in de noodzaak van het hoofs worden en het aldus erkend worden door de anderen. M.a.w. in de bewerking zijn liefde en hoofsheid veel duidelijker met elkaar verbonden dan in het origineel, of, zoals al eerder gezegd: in de bewerking gaat het om principes, in het origineel meer om een geïndividualiseerd gebeuren, om de geschiedenis van juist die vrouw (en zoals al aangestipt, de Dietse Galiene is veel vlakker getekend dan de Franse) en die man. Bij een auteur uit de school van Chrétien de Troyes is dit allerminst verwonderlijk. Onze bewerker is, zoals verreweg de meeste van zijn collega's uit de 13e eeuw, nog niet zó modern.
8e episode: vzn. 4.891-4.978. Opnieuw aan het hof.
Daar komen nu de overgebleven rovers en Galarant aan. Guillaume heeft die rovers vergeten. Onze bewerker niet.
Het verhaalschema is hetzelfde als dat van de 5e episode: onderwerping van de verslagenen en vergiffenis van Artur wegens de voortreffelijkheid van Ferguut:Keye wordt gewaarschuwd voor Ferguut's woede.Vrient, ic wille gi u aisiertDore sridders wille, want u si vergeven... (vzn. 4924-4925)
9e episode: vzn. 4.979-5.589. Bekroning: Ferguut vindt de erkenning van zijn hoofs ridder-zijn en het geluk in de liefde.
Galiene, die gaat beseffen dat zij alleen haar rijk moeilijk kan besturen, gaat Artur vragen voor haar een echtgenoot te vinden. De koning zal een toernooi organiseren en de winnaar ervan zal haar hand krijgen. In het woud weet Ferguut niets van dat plan, maar van een dwerg verneemt hij het nieuws. Dadelijk trekt hij naar het hof. Eerst wreekt hij zich op Keye door hem van zijn paard te steken en in een gracht te gooien. De volgende dag overwint hij Pertsevale en daarna tot en met de elfde dag, telkens een van de Tafelronderidders. Op de twaalfde dag wil Gawein de eer van het hof redden. Ferguut weigert evenwel met hem de strijd aan te gaan, hij stijgt van zijn paard, biedt het Gawein aan en zegt dat hij hem ten dienste wil staan (vs. 5499). Als hij zijn helm afneemt, wordt hij herkend en tot overwinnaar van het toernooi uitgeroepen. Hij krijgt de hand van Galiene. Veertig dagen duurt het bruiloftsfeest aan Artur's hof. Daarna trekken Ferguut en Galiene naar Rikenstene enOok hier verloopt het verhaal enigszins anders dan in het Frans. Daar is het Gauvain die Artur aanraadt een toernooi te organiseren om Fergus erheen te lokken. Als Galiene daarvan hoort, trekt ze naar Artur's hof in de hoop dat de ridder met het witte schild er zal zijn, want die wil ze tot echtgenoot hebben. In tegenstelling tot Ferguut ook, weet de Franse Fergus wel van het toernooi. De dwerg is dan ook in het Frans niet te vinden. Nog een belangrijk detail is dat, anders dan in de bewerking, Fergus Perceval niet neersteekt maar alleen achteruit doet wijken. Tenslotte biedt Fergus Gauvain wel zijn dienst aan, maar niet zijn paard.Ferguut spien daer sine croneEnde hadde Galienen die sconeMet groter bliscap alsijn leven. (vzn. 5587-5589).
Wat daarna volgt is in de bewerking op een echt armtierige wijze afgehaspeld. Het origineel vertelt hier uitvoerig en kleurrijk.
Om twee redenen trekt Ferguut naar het toernooi. De eerste: Nu salic Keyen gemoeten! (vs. 5148) De tweede: hij gaat inzien dat hij dwaas gehandeld heeft door zich in Rikenstene niet aan Galiene bekend te maken. Hij vreest nu haar voorgoed te verliezen. Anders dan in het origineel, laat onze bewerker Ferguut beseffen dat hij zijn bedeesdheid of zijn lafheid moet overwinnen: Blode man quam noit te hoger sake (vs. 5158). Deze tweede reden werd door onze bewerker eigenhandig, maar ook wel ietwat onhandig verzonnen.
Hoe ook, de spot van Keye wreken en Galiene winnen zijn twee momenten die in elkaar grijpen. Ferguut verdient de spot van Keye niet, hij is een echte ridder geworden; hij verdient wel de liefde van Galiene want hij is, blijkens zijn deemoedigheid, zijn ‘mate’ (al wordt die in de tekst nooit woordelijk vermeld), ook hoofs geworden.
Dat Ferguut alle ridders van de Tafelronde overwint (behalve Gawein), is de afronding van het homo silvaticus-verhaal: de naïeveling uit het bos groeit
boven de anderen uit. Dat hij met Gawein niet kampen wil, bewijst dat hij niet meer die onbehouwen vechtjas van vroeger is. Hij heeft geleerd af te zien van battaelgie. Hij erkent en eert het ware ridder-zijn. Dat hij Gawein zijn paard aanbiedt is, zoals gezegd, bij de bewerker een zeer handig teruggrijpen naar de voorafbeeldende prelude (wat dus niet in het origineel gebeurt) en het was trouwens, zoals aangestipt (en eveneens anders dan bij Guillaume), ook voorbereid in de 2e episode.
Ferguut is werkelijk zo deemoedig geworden dat hij Gawein zijn diensten aanbiedt, terwijl die hem toch al had voorgesteld zijn geselle te worden. Hier wordt nu ook klaar waarom Guillaume, bij het begin van het verhaal Ywein koos als geselle van Gawein (vs. 22). In de Yvain ou le chevalier au lion van Chrétien de Troyes komt een gevecht voor tussen Gauvain en Yvain, die, in hun wapenrusting, elkaar niet herkennen.1 Het gevecht eindigt onbeslist en elk van de tegenstanders beweert overwonnen te zijn, zodat ze beide op hetzelfde niveau staan als echte gesellen. Met het oog op het einde van zijn roman en bij wijze van reminiscentie aan het werk van Chrétien, gaf Guillaume Yvain aan Gauvain tot geselle. De betekenis van Ferguut's weigering om met Gawein te vechten is derhalve: hij overtreft zelfs de hoofsheid van een Ywein in het nederig erkennen van de hoge waarde van de meest hoofse van alle ridders, Gawein.