[p. 628]

De Opvolgster

 
Nog weet ik goed, hoe weinig achter 't dicht
 
Gordijn het winterlicht mij heeft gehinderd:
 
Wel heerschte rouw, en lange rouw in zicht,
 
Maar voor het eerst had ik jóu onverminderd,
 
Die als een wildzang uit haar lichaam steeg
 
Na nachten wakens, bloedwarm uit het leeg
 
En spierwit dichtgevouwen aangezicht.
 
 
 
Geloof mij, 'k heb haar wil genoeg geschonden
 
Door steeds haar dieper wil te doen, zoo dacht ik...
 
Ik trachtte met de dwaaste meisjesmonden
 
Haar mond te doen verbleeken, - en daar bracht ik
 
Al voor haar sterven jou in 't raad'loos huis
 
Ter leen'ging. Stond 't geschreven in mijn vuist
 
Dat ik een stervende nog moest verwonden?
 
 
 
Maar zij droeg alles, en haar smalle kist,
 
Daarom niet rossig-vlammender van hout
 
Geworden, dunner voor de geesten, mist
 
Niets van een zwaarte, waar men op vertrouwt.
 
En wij gaan spelen, schild'ren, verzen lezen!
 
En soms, als scherpe kruidwijn, samen vreezen,
 
Wanneer 't geweten zich een deur vergist...
[p. 629]
 
En, wand'lend door het eerste lentegroen
 
Om alles in te halen na 't berouw,
 
Denk ik nog steeds haar diepsten wil te doen,
 
Wij smalen goedig op een oude vrouw.
 
Maar zonderling, dat jij zoo snél wilt bloeien,
 
Zoo ademloos... Je kon, bij 't rennend stoeien
 
Wat minder gluren naar 't ommuurd plantsoen...
 
 
 
Je wilt nu vergelijken, gele brieven
 
Omwikkelen om ze niet te verslinden,
 
Portretten betrappen, jou ten gerieve
 
Mijn jeugd als roze strengen wol afwinden!
 
Nooit zijn we alleen, bij 't streelend nachtverdriet
 
Bezwijmt een and're stem: is zíj het niet
 
Die leeft in de omarming der gelieven? -
 
 
 
Hoe jij reeds krimpt, reeds moederlijker wordt,
 
En hoe een vaster vorm je bloei verdringt,
 
En hoe, omlijnd door 't zelfde keukenschort,
 
Jij nu haar oude, moede lied'ren zingt,
 
Hoe je haast nooit meer bloost, hoe je verlangen
 
Een dwarsweg inslaat, alsof alle lánge
 
Wegen door dien graftuin zijn ingekort...
[p. 630]
 
Je bent aansteek'lijk, kind, met je gevaren
 
Van dood en wederkomst; zoo weinig reden,
 
Dat ik al voor een ander huis ging sparen!
 
Of ben je met je furie toch tevreden?
 
Ik heb gezien waar je den bijbel opsloeg:
 
Bij Hagar's hoofdstuk, dat je aan ons opdroeg,
 
Aan ons, alsof wíj zoo hardvochtig waren! -
 
 
 
Het kan niet anders nu. Wij moeten scheiden.
 
Droomen zijn te luidruchtig, als men meent
 
Geen kwaad te doen alléen, wel met zijn beiden.
 
Ik moet gedoogen, dat slechts jij versteent
 
In wroeging,... en zoo keer ik tot mijn vage
 
Zelfverwijt, niet zoo moeielijk te dragen
 
Als de weerkaatsing van jouw vreemder lijden.
 
 
 
En 'k zie je gaan, als werd je weggedragen,
 
Voeten vooruit, - dezelfde smalle maat. -
 
Zal ik ooit volgen en den noodsprong wagen,
 
Die zich niet zeggen noch beschrijven laat?
 
Maar eerst wil 'k slápen op dit rijk gemis, -
 
Om later pas haar, die het sterkste is,
 
Als laatste gezellin ten droom te vragen.

S. Vestdijk