|
|
|
| |
| | | |
De Opvolgster
Nog weet ik goed, hoe weinig achter 't dicht
Gordijn het winterlicht mij heeft gehinderd:
Wel heerschte rouw, en lange rouw in zicht,
Maar voor het eerst had ik jóu onverminderd,
Die als een wildzang uit haar lichaam steeg
Na nachten wakens, bloedwarm uit het leeg
En spierwit dichtgevouwen aangezicht.
Geloof mij, 'k heb haar wil genoeg geschonden
Door steeds haar dieper wil te doen, zoo dacht
ik...
Ik trachtte met de dwaaste meisjesmonden
Haar mond te doen verbleeken, - en daar bracht
ik
Al voor haar sterven jou in 't raad'loos huis
Ter leen'ging. Stond 't geschreven in mijn
vuist
Dat ik een stervende nog moest verwonden?
Maar zij droeg alles, en haar smalle kist,
Daarom niet rossig-vlammender van hout
Geworden, dunner voor de geesten, mist
Niets van een zwaarte, waar men op vertrouwt.
En wij gaan spelen, schild'ren, verzen lezen!
En soms, als scherpe kruidwijn, samen vreezen,
Wanneer 't geweten zich een deur vergist...
| | | |
En, wand'lend door het eerste lentegroen
Om alles in te halen na 't berouw,
Denk ik nog steeds haar diepsten wil te doen,
Wij smalen goedig op een oude vrouw.
Maar zonderling, dat jij zoo snél wilt
bloeien,
Zoo ademloos... Je kon, bij 't rennend stoeien
Wat minder gluren naar 't ommuurd plantsoen...
Je wilt nu vergelijken, gele brieven
Omwikkelen om ze niet te verslinden,
Portretten betrappen, jou ten gerieve
Mijn jeugd als roze strengen wol afwinden!
Nooit zijn we alleen, bij 't streelend
nachtverdriet
Bezwijmt een and're stem: is zíj het niet
Die leeft in de omarming der gelieven? -
Hoe jij reeds krimpt, reeds moederlijker
wordt,
En hoe een vaster vorm je bloei verdringt,
En hoe, omlijnd door 't zelfde keukenschort,
Jij nu haar oude, moede lied'ren zingt,
Hoe je haast nooit meer bloost, hoe je
verlangen
Een dwarsweg inslaat, alsof alle lánge
Wegen door dien graftuin zijn ingekort...
| | | |
Je bent aansteek'lijk, kind, met je gevaren
Van dood en wederkomst; zoo weinig reden,
Dat ik al voor een ander huis ging sparen!
Of ben je met je furie toch tevreden?
Ik heb gezien waar je den bijbel opsloeg:
Bij Hagar's hoofdstuk, dat je aan ons opdroeg,
Aan ons, alsof wíj zoo hardvochtig waren! -
Het kan niet anders nu. Wij moeten scheiden.
Droomen zijn te luidruchtig, als men meent
Geen kwaad te doen alléen, wel met zijn
beiden.
Ik moet gedoogen, dat slechts jij versteent
In wroeging,... en zoo keer ik tot mijn vage
Zelfverwijt, niet zoo moeielijk te dragen
Als de weerkaatsing van jouw vreemder lijden.
En 'k zie je gaan, als werd je weggedragen,
Voeten vooruit, - dezelfde smalle maat. -
Zal ik ooit volgen en den noodsprong wagen,
Die zich niet zeggen noch beschrijven laat?
Maar eerst wil 'k slápen op dit rijk gemis, -
Om later pas haar, die het sterkste is,
Als laatste gezellin ten droom te vragen.
S. Vestdijk
|
|
|