[p. 631]

De Photographie

 
Die lange dames, op den rug gezien,
 
Getrouw uit modetijdschriften geknipt,
 
Zijn niet veranderd in een jaar of tien,
 
Door scherpe kamferballen aangestipt;
 
 
 
Ze wachten, stijf en grauw en nergens bloot, -
 
Terwijl mijn vrienden, nietig en bescheiden,
 
Tegelijk kind en knecht en echtgenoot,
 
Die ruggen zonder wenschen begeleiden;
 
 
 
Ze laten zich niet zien van alle kanten,
 
Eenzijdig zijn ze als de kuische maan,
 
Tegelijk moeder, vrouw en gouvernante,
 
Met slepen, die zij om hun arm heenslaan
 
 
 
Als een bevroren spook... Wat is hier vóor,
 
Wat áchter? Moet opzíj de ingang wezen? -
 
Mijn vrienden blijven staan zooals 't behoort:
 
Ze werden nooit geboren, ga ik vreezen....

S. Vestdijk