|
|
|
| |
| | | | | |
De tee van ludwig
Gelukkig dat in deze tijden, waar iedereen klaagt, af en toe nog
belangrijke dingen gebeuren in de literatuur: Emil Ludwig heeft in gesprekken
een portret gegeven van Mussolini
*), en mevrouw
C. Kuiper-de Jongh geeft in de
Nwe Rotterd. Crt., na bij hem op de tee
te zijn geweest, een portret van Emil Ludwig. Of liever: van Ludwig, want, zegt
mevr. Kuiper al dadelik: als ik aan mijn vrienden vertel dat ik
thee dronk bij Ludwig, dan begrijpen ze mij direkt. Het zou dan ook
ondankbaar zijn mevr. Kuiper niet te begrijpen: van alle gezelligschrijvende
Hollandse vrouwen (en hoevele hebben wij er niet?) is zij misschien wel de
allergezelligste. Ik zou haar schets hier in zijn geheel overnemen, als ik niet
vreesde daardoor in botsing te komen met de Nwe Rotterd. Crt.
De wijze alleen waarop zij vertelt hoe zij het ‘ver weggeborgen’ huis van de
‘meester’ op het laatste nippertje nog ontdekt (ik zet het woord ‘meester’
tussen aanhalingstekens omdat zij zelf dat doet); hoe zij met de ‘bruingelokte
vrouw’ van Ludwig, die zelf ‘Ludwig’ zegt en het ‘voorzetsel’ Emil weglaat, in
de tuin gaat, is een prozagedichtje waard. Haast jammer om in den
tuin te gaan, verzucht mevr. Kuiper dan; in een huis valt
meer van een mensch te herkennen, in een zuidelijken tuin overwoekert moeder
Natuur menschenhanden en verstopt ze.
Intussen, Ludwig komt maar niet; hij wordt voorafgegaan door een Duits
professor, wat de sfeer voor mevr. Ludwig en mevr. Kuiper opklaart, want, zoals
de laatste weer alleraardigst zegt: wij vrouwen hebben neiging om
het oneens te zijn, wij wekken elkaars tegenspraak en het is goed dat Ludwig
niet te lang op zich laat wachten. Mevr. Kuiper behoort blijkbaar ook tot
de vele intellektuele vrouwen, die zich liever met mannelike intelligenties
meten. Maar Ludwig komt dan tenslotte nog: hij komt wat gebogen,
alsof het hem moeite kost zijn lange slappe lijf rechtop te houden, uit de
struiken te voorschijn... Hij heeft twee honden bij zich, maar
zijn gezicht staat wat afwezig, merkt mevr. Kuiper, en zij
denkt dan ook: Hoe krijg ik zijn aandacht te pakken, ik gewoon
sterveling? Maar gelukkig neemt Ludwig haar mee naar zijn werkkamer, die
er keurig opgeruimd uitziet: het bureau is leeg, het laatste werk
is af, het manuscript ligt netjes onder des schrijvers linkerhand (die
hier natuurlik niet meer door moeder Natuur overwoekerd of verstopt kon zijn),
in de bibliotheek zit de Berlijnsche uitgever (die juist op
bezoek was) en leest.
Een vraag aan mevr. Kuiper: wàt las die Berlijnse uitgever?
| | | | Immers: het manuskript lag onder Ludwig's linkerhand, en blijkens
wat wij verder horen, bevatte de kamer niets dan Ludwig's eigen boeken, zij het
dan in alle vertalingen. Men kan niet veronderstellen dat die uitgever één werk
van de ‘meester’ ongelezen had gelaten; oefende hij zich dan in een vreemde
taal, herlas hij misschien Lincoln in het Bulgaars? - Maar
mevr. Kuiper let alleen nog maar op Ludwig's ‘ongeanimeerde gezicht’; dan,
opeens, zegt zij tot hem: - Ik heb in de Züricher Zeitung gelezen
dat uw boek ‘Gespräche mit Mussolini’ op dezen volksleider een heel ander licht
werpt, dan dat wat men van zijn biographen gewend is. - Waarop Ludwig,
zonder in het minst de verwondering van mevr. Kuiper te wekken, antwoord: -
Stond dat in de Züricher? Dat heb ik er niet in laten zetten.
- En: wakker was hij, warm werd hij, er kwam teekening in zijn
gezicht.
Het lijkt mij moeilik deze enkele trekken van de grote auteur die
(Emil) Ludwig is nog te overtreffen: die biblioteek met niets dan eigen boeken
(want hij heeft geen tijd meer tot lezen); dat wakker schrikken bij een zin uit
een bespreking die hij niet zelf in de krant had laten zetten, het is eigenlik
al meer dan kompleet. Mevr. Kuiper echter weet zich als portrettiste te
overtreffen; zij brengt Ludwig op zijn omgang met Mussolini en door hem subtiel
te vragen of hij die gesprekken soms had gestenografeerd, ontlokt zij hem de
bekentenis: - Nee, dat niet; ik had me uitvoerig geprepareerd; het
gesprek werd door mij gevoerd; ...wanneer onze bijeenkomst afgeloopen was,
rende ik naar huis om alles precies op te teekenen. - Het kan niet
beeldender en er zou misschien meer op gevolgd zijn - maar ach, mevr. Kuiper
‘waagt te bekennen’ dat zij ‘politiek niet heel sterk staat’ en wil het gesprek
dan wat onvoorzichtig overbrengen op de gravure van een geharnast man die tegen
de wand staat. En de grote auteur draait dan direkt de gravure om: wie dàt is,
zegt hij mevr. Kuiper met; dat is zijn volgend werk! Hoe hij zich bedreigd moet
hebben gevoeld, kan men alleen vermoeden, door de haast waarmee hij met haar
teruggaat naar de tee in de tuin.
Daar staat zijn schoonmoeder nu ook al: het voorbeeld van
een oude Engelsche dame, witte panama en rimpelige handen, vernemen wij;
de bruingelokte mevrouw Ludwig was dus een Engelse. Tussen vrouw en
schoonmoeder, mevr. Kuiper en de Duitse professor, de Berlijnse uitgever en dan
nog een Italiaanse dito, die juist foto's had meegebracht van Mussolini,
raakte Ludwig op den achtergrond: hoofdzakelijk verdiepte hij zich
in zijn foto's, vertelde een extra bijzonderheid van de belangrijkste kiek,
Mussolini en hij, ieder aan een kant van de schrijftafel. (Er staat helaas
niet bij wat Ter Braak misschien graag had geweten: of Mussolini hem daarop
grosz an ziet.) En eenmaal op de achtergrond geraakt, krijgt
Ludwig weer een vaag en zelfs jong uiterlik, zodat mevr. Kuiper eens kijkt
naar de
| | | |
rozen die overal In volle
trossen afhangen, en ook over het meer tot in Italië's blauwe
rust en dan sterk het gevoel (krijgt) alsof
hier het leven wel een eeuwige jeugd moet zijn.
Als zij heengaat, wordt haar gevraagd of zij nog eens terugkomt; zij
is wel geen dupe van deze invitatie, die grote mannen aan gewone stervelingen
doen in de hoop dat men hen niet verkeerd zal begrijpen, maar zij vindt het
een prettige gastvrije gewoonte. Het is haar finishing touch
aan het beeld van Ludwig, en werkelik, wij zien hem nu ook ten voeten uit. En
deze man draagt Napoleons en Goethes in zich, met hier en daar nog een Lincoln
en een Jezus! Hij is een van die wonderen die de wereld niet uit zijn, en op
zijn manier nog een bescheiden wonder ook. Ik geloof niet dat ik nog iets meer
van hem zou willen weten sinds mevrouw
Kuiper bij hem tee dronk, of het zou moeten zijn hoe die
tee smaakte en of in de kopjes geen portretten te zien waren van de grote
modellen die door zijn rechterhand werden gebaard.
E.d.P.
| |
Rembrandtvereering in rok
Het was te voorzien, dat er naar aanleiding van de
Rembrandttentoonstelling een reeks zware superlatieven zou worden gelanceerd.
Dat is nu eenmaal onze specialiteit: superlatieven zwanger van een zekere niet
geheel valsche ontroering, die bovendien door het element van
niet-geheel-valschheid zich onderscheiden van de volkomen gladde en formeele
oratorische wendingen van fransche redenaars bij zulke gelegenheden. Een rede
van Herriot bij een monument is gephraseerd; een verslag van ds.
C.E. Hooykaas, die de Rembrandttentoonstelling volgens zijn
eigen zeggen ‘gebeukt’ heeft verlaten, verraadt nog iets anders dan phrase,
verraadt een gevoel, dat zich onder de lunch na afloop geweldig heeft laten
rijzen, om pas daarna in een phrase voor altijd ter ruste te gaan. Ons volk
beheerscht de phrase niet, zooals het fransche; het lijdt
eraan....
Het is werkelijk jammer van een zoo sympathieke, overzichtelijke
tentoonstelling als de aan Rembrandt gewijde, dat men hier niet met bescheiden
qualificaties tevreden wil zijn. De collectie schilderijen bv. gaf allerminst
een volledig beeld van het superieure in Rembrandt; een feit trouwens, dat door
kosten, moeilijkheden van transport en andere zakelijke factoren ruimschoots
verklaard en door niemand betreurd wordt. Maar waarom dan overal de
voorstelling gegeven, alsof Rembrandt doek voor doek de bezoekers neerslaat,
bedwelmt, krankzinnig maakt, geweld aandoet? Waarom de schilderkunst weer met
alle geweld tot een dronkemansfestijn gepromoveerd? Waarom geen genoegen
genomen met het reëele pleizier (ik gebruik met opzet dit
woord), dat het bezichtigen van een goede selectie | | | | schilderijen
en een rijker voorraad etsen aan den gemiddelden Nederlander inderdaad in vele
gevallen verschaft? Het schijnt niet te mogen, het schijnt bij een
jubileum-Rembrandt nog meer verboden te zijn dan op normale werkdagen voor de
Nachtwacht. Men moet geweldiger zijn dan men is, men moet
paniek en orgasmen beleefd hebben voor Hendrickje, die zich uit de bedstee
buigt, in plaats van rustig te constateeren, dat Rembrandt aanmerkelijk minder
verscheurd was, dan
Gerard Bruning het wil doen voorkomen, en gelukkig ook
aanmerkelijk minder klassiek-saai dan Theun de Vries' genrestukjes
suggereeren.
Een oprechte dame, die nog niet scheen te weten, hoe men hier over
Rembrandt praten moet, vertrouwde mij toe, dat zij de tentoonstelling mooi had
gevonden, omdat ‘alles zoo goed was afgewerkt’; maar zij achtte het een
bezwaar, ‘dat het te veel in één kleur was’ en voorts, ‘dat je het na twintig
van die etsjes toch wel wist’. Het is, meen ik, niet bekend, hoe de heer André
Citroën, die officieel met vrouw en kind de schilderijen is langs gewandeld,
over dit onderwerp denkt; maar ik vermoed, dat hij (officieus natuurlijk) met
deze dame weinig van opinie zal hebben verschild. En wie, die niet
godganschelijk bedorven is door het kunstjournalisten-jargon, heeft niet
iets uit zijn opinie weggewerkt, voor hij met gepaste
minachting neerzag op dit onschuldige oordeel van deze onschuldige dame? Laten
wij in 's hemelsnaam, zelfs tegenover een genie van reputatie als Rembrandt,
een greintje eerlijkheid trachten te bewaren, en niet, als minister Terpstra op
de Spinoza-herdenking, in rok verschijnen zonder dat de overledene daarop ook
maar in het minst prijs zou hebben gesteld; want het avondtoilet op de fuif van
het doode genie is sedert onheuglijke tijden een hypocriet begrafenistoilet
geweest.
M.t.B.
| |
De maker van de ijzeren toren
Voor de reisontmoeting die ik hier vertellen ga, voegt mij een bizondere
toon. Ik bevond mij kortgeleden in een idyllies stadje van
Italiaans-Zwitserland; een uur voor ik het per spoortrein weer zou verlaten,
liet ik mij rondrijden in een open rijtuig; plotseling, vlak bij het station
gekomen, hield de koetsier, die ik per uur had gehuurd, zijn paarden in en wees
mij op de open deur van wat men noemt ‘een eenvoudige woning’. Na hem eerst
niet te hebben begrepen, drong tot mij door dat achter die deur iets te
bezichtigen viel; ik stapte dus uit en werd onmiddellik binnengehaald door een
man van omstreeks vijftig jaar, met een edel gelaat en ietwat militaire
snorren, grijzend maar nog krachtig en slank, die smid bleek te zijn en een
konstruktie van ijzer in zijn kamer had opgetrokken. Deze konstruktie stelde
voor: een klokketoren, en een paar bronzen klok- | | | | ken ontbraken er
niet in. Men kon ze zelfs luiden; alles was geheel overeenkomstig een andere,
bestaande klokketoren. Het was zoiets als een monument, dat die man daar in
zijn kamer had opgericht; voor wie precies zou mij later eerst blijken.
Ik moest eromheen lopen, in de toren kijken, het mechanisme bewonderen,
mijn wijsvinger laten dansen over de toetsen, waarvan elk van een stichtelike
leuze was voorzien; bij herhaling liet ik het stemmetje klinken dat zong:
Ik verafschuw de zonden. Onderwijl stroomde het kommentaar
van de maker over mij heen: vier-en-een-half jaar had hij, opgesloten in zijn
werkplaats, aan deze ijzerkonstruktie gearbeid; vier-en-een-half jaar tevoren
had hij doorgebracht met het uitdenken en bestuderen ervan. Dat maakte tesamen
negen jaar. ‘Willen is kunnen’, onderbrak hij zichzelf om de zoveel woorden,
en: ‘Ik heb dit voorbeeld willen geven aan de Jeugd’. Vele symbolen van waar
patriotisme bleken in de toren aangebracht: de bevrijders en bestuurders van
het kanton en Willem Tell, het wapen van de stad en, onderaan, wel het
duidelikst zichtbaar, een portret van de maker zelf, met opgestroopte mouwen en
voorschoot achter zijn aambeeld, de hamer rustend, maar omklemd door een
patriottiese vuist, alles bijeengenomen eigenlik sprekend gelijkend op
Strindberg.
Het spreekt vanzelf dat ik alles bewonderde. Toen hij vernam dat ik
Hollander was, sprak hij mij beurtelings toe in het Frans, Duits en Italiaans:
‘Ik ben vroeg van school gegaan, zei hij, maar heb mij dit alles zelf geleerd,
willen is kunnen, vier-en-een-half jaar heb ik opgesloten gezeten om dit werk
te volbrengen.’ Toen er geen plekje meer was dat ik niet bewonderd had, tot de
foto's van een Tell-opvoering aan de wand toe, bedankte ik hem en wilde gaan.
Maar hij had niet met mij afgerekend; ik kreeg een brochure mee, een
beschrijving van de toren, wederom door hemzelf geleverd, zoals mij bleek uit
de ondertekening: De schrijver, dubbele punt, en dan eerst
zijn naam. (Het lijkt mij een uitstekende manier, die geen verwarring toelaat,
ook voor tijdschriftartikelen.) In een hoek, waarheen hij mij noodde, lag een
open cahier; hierin vroeg hij mij mijn naam te willen
schrijven, liefst met enige woorden over het geziene. Ik schreef, zonder
aarzelen, en met een paar uitroeptekens die mij volstrekt onmisbaar leken:
Hoezeer verrukt ons de aanblik van dit Monument, dat de schoonste
gevoelens van Deugd en Volharding moet schenken aan de Jeugd.
Maar op het ogenblik van te ondertekenen, weifelde mijn potlood. Ik
voelde opeens, scherp en onverbiddelik, dat mijn naam, mijn eigen naam, te
weinig eer zou bijzetten aan die woorden niet alleen, maar aan heel deze
nederige, en toch zo nobel-patriottiese sfeer. Op gevaar af van voor een valse
handtekening te worden vervolgd, besloot ik, die woorden te sieren met de naam
van een der glories | | | | van mijn vaderland, van een
dier tijdgenoten, die ook in Holland onverbrekelik met de begrippen van eer en
deugd verbonden zijn. Ik meende een oogenblik dat de naam van Prof.
Casimir wel het beste zou voldoen, maar mijn liefde voor de
bizondere tak van de literatuur hield mij hiervan terug; dan, op het punt reeds
van het goede voornemen af te zien, flitste door mij heen het enig-mogelike, de
enige man van mijn leeftijd ook, die mij waardig genoeg leek om nu reeds een zo
ernstige zin te dragen. Ik tekende:
Anthonie Donker.
Toen ik de beschrijving van de toren later opende las ik op de eerste
bladzij dat de maker zich hiertoe geïnspireerd had gevoeld door de betogen van
zijn vereerde medeburger de Bondspresident; enige bladzijden verder, dat hij al
zijn wonden zich voelde helen in het onvergetelike ogenblik waarop deze
medeburger zijn drempel (tot bezichtiging van de toren) overschreed. Het is
niet iedereen gegeven nog een patriot te ontmoeten van zulk een karakter, en
die zich uitdrukt in zulk een stijl. Maar toen ik reeds in de deur stond om
tenslotte toch te gaan, bezorgde hij mij een laatste verrassing; hij vouwde een
krant open die niets minder bleek te zijn dan een Residentiebode van drie jaar terug. Daarin stond een artikel over
zijn toren, daarin stond de toren zelf afgebeeld, daarop wijzend sprak hij, met
een even sterk als onnavolgbaar akcent: ‘Dat ben ik!’ Ik begreep voor wie het
monument was opgericht, ondanks de deugd, het vaderland, de jeugd, de poëzie
der klokken en de bondspresident. En het ijzeren zelfportret leek mij
ontroerender dan bijv. ‘het grootste kunstwerk van alle eeuwen dat Socialisme
heet’, om te spreken met de heer Jef Last. Men kan in Willem Tell zijn ideaal
vinden zo goed als in Nietzsche, en de trein die mij uit het stadje wegvoerde
zong mij niets dan de onuitroeibare ijdelheid van de kunstenaar. Doch wààr
zullen wij de deugd terugvinden die ons veroorlooft onze zelfkultus te doen
samengaan met een zo charmante metode-Cook?
E.d.P.
|
*)Men zie het stuk van
Ter Braak in het vorige nummer.
|
|