|
|
|
| |
| | | | | |
Waarheen gaan wij?
1)
Bij het laatste geschrift van onze auteur: een brochure van 30
pagina's, maar een balans van tien jaren kulturele werkzaamheid, keren wij
terug tot het programma van
De Stem, dat wij in het Verzameld
Proza I voorbijgingen. De heer
Coster is herhaaldelik aangevallen om zijn eties kleurtje,
hetgeen
Anthonie Donker (geheel ingepalmd door zijn liefde toch
voor heel het Leven!) aanleiding werd te schrijven: de ethiek
speelt in Costers werk geen rol, is er zelfs aan tegengesteld. Dit laatste
is een grappig staaltje van verkeerde verdediging. Men mag er verbouwereerd
over staan dat de man van de Charitas nog zoveel bewondering kan koesteren voor
Hamsun, Ljeskov en Duranty, voor Stendhal zelfs, die hij af en toe verkeerd te
pas brengt; men mag hem geloven wanneer hij nadrukkelik verklaart dat zijn
tijdschrift zich niet op speciaal aesthetisch, en zeker nog minder
op speciaal ethisch standpunt wenscht te stellen, - men heeft niet zover
te gaan dat men hem zelfs tégen de etika laat zijn. Anthonie Donker, die zo
goed leest, heeft in het Stem-programma nog gelezen:
Integendeel: alle litteraire verschijnselen die deze
benamingen (eticisme en estetisme) nog verdienen, beschouwen
wij als ontaardingen en eenzijdigheden, waartegenover slechts een verdedigende
houding mogelijk is. Maar hij kon toch weten, en weet immers ook, dat men
het met de pathetische superlatieven van de heer Coster niet
zo nauw moet nemen, en dat de heer Coster ‘ontaardingen’ zegt, waar een ander
zou spreken van ‘vervelende dingen’. Het z.g. ‘ethicisme’ en
‘aesthetisme’, vervolgt het programma, zijn voor ons twee
uitingen van eenzelfde tekort: tekort aan leven en aan ernst des levens. Het
maakt zooveel niet uit of de mensch speelt, met de religie
dan wel met de schoonheid, waar toch de ontaarding niet in de vormen, maar in
het spel zelve schuilt. Het is duidelik | | | | dat voor deze
tijdschriftleider ieder spel uiteraard uit den boze was; hoe zoiets op te nemen
in het programma voor een ernstige gemeente? Maar als Anthonie Donker verder
gekeken had, dan had hij op de volgende bladzij kunnen lezen: En
toch moeten wij het feit onder oogen zien, dat geen grooter geestelijk leven
mogelijk zal zijn in Nederland, wanneer niet beide stroomingen zich vereenigen
en zich niet tot een hooger eenheid weten om te vormen. Altijd was dit zoo!
Alle groote geestelijke openbaringen van het verleden waren terzelfdertijd èn
schoon èn religieus, en het was eerst aan deze eenheid dat zij hun
onsterfelijke grootheid ontleenden.
De heer Coster dus is niet alleen niet tegen het etiese, maar zelfs
niet tegen het religieuze. Het was weer zijn macchiavellisme dat hem in het
begin die twee stromingen deed verwerpen als ontaard en eenzijdig; innig
vermengd werden zij het programma van De
Stem, want wat had de heer Coster anders ook moeten uitrichten met zijn
eeuwig klaarstaande Liefde? Er is één konklusie te trekken uit het nieuwe
toertje, als men het au sérieux wil nemen; deze tijdschriftleider, die noch een
eenzijdig etikus, noch een dito esteet wil zijn, is dan alleen door het nauwste
twee-in-een volledig te dekken: hij is een estetetikus,
d.w.z. als etikus een schrikwekkend esteet, en als esteet een vervaarlik
etikus. En daarbij vooral on-speels, ernst-vol, pateties; het laatste zelfs
zozeer, dat indien men hem gehéél onder een etiket zou willen samenvatten, door
de praktijk van zijn optreden met de teorie te verbinden, men hem een
patestetetikus zou moeten noemen; met de nodige h's
geschreven een zeer imposant woord, voorwaar: een pathaesthetethicus, iets wat zich na enige oefening even goed
laat uitspreken als het Franse prestidigitateur.
Altijd hebben de mensen daarnaar gestreefd, verklaart het Stem-programma, naar het etiese en estetiese tegelijk.
Eerst in de 19e eeuw heeft zich deze natuurlijke orde gewijzigd.
Toen miste de mensch de kracht, geheel te leven. - Allerdroevigst klinkt
dat. Geen ogenblik wordt de | | | | nieuwe orde als misschien even
‘natuurlik’ bekeken, en de 19e eeuwse mens is in één handomdraaien geoordeeld:
hij miste de kracht gehéél te leven! tegen zijn ‘dwaling’ werd dus De Stem opgericht - De godsdienstzoekende mensch die
zich vergenoegt, zijn religieuze gevoelens te laten wringen in oude
theologische schema's,... de schoonheidzoekende mensch daartegenover die als
eenige geestelijke beweging niets wenscht dan afbeelding, verhouding en
welluidendheid,... als dézen alleen het van De Stem
zouden moeten hebben, of erger, De Stem het van dezen alleen!
men kan er zeker van zijn, dat het tijdschrift nooit had gebloeid. De juiste
verhouding tussen godsdienst- en schoonheidszin zal ook nu nog onder de
Stem-getrouwen sterk variëren, 50% van elk zal het wel niet
zijn. Maar dit zijn weer van die dingen, die men hopen mag maar niet eisen, zou
de heer Coster ons voorhouden, en misschien is zelfs 5% van elk streven, altans
op het ogenblik waarop men zich abonneert, genoeg. Mits er maar niet gespeeld
wordt! Liever 5% ernstige godsdiensten-schoonheidszin, dan 100% speelse. Ook
het spelen van kinderen is dikwels gevaarlik: zij ontdekken al spelend soms
allerlei dingen in de donkerste hoeken en gaten. Als men dus èn religieus èn
schoon leeft, leeft men volledig, verzekert dit programma, mits alle gekheid op
een stokje wordt gelaten. Weg met Nietzsche, die de mensen wilde leren lachen.
Weg met de 18e eeuw, die de 19e voorafging en haar ‘dwaling’ voorbereidde: de
kritiek der religie, de materialistiese geest van de encyklopedisten. Weg, de
19e eeuw heeft Hegel voortgebracht, en Holland heeft Bolland gehad nog vóór
Dirk Coster. Maar een filosoof was de heer Coster ook weer nooit, evenmin als
een werkelik kunstenaar, evenmin als een politikus. Het Stem-mengseltje verwerpt alles integraal, om van alles een beetje
terug te nemen; verkreeg men uit een bloemlezing der godsdiensten ook niet de
teosofie?
En het enige kriterium - bij de oprichting reeds - was de klank, de
klank van het oprechte, van het leven, van de opstand desnoods, zoo slechts die opstand zichzelf
| | | |
rechtvaardigt door den aangrijpenden ernst van zijn klank, en zich
niet verraadt als litterair of ethisch spel. - Wij kunnen niet anders beloven
dan aandachtig te luisteren of die klank aanwezig is. Want den modernen mensch
zijn alle ideeën en levenshoudingen van tevoren zoozeer bekend, dat het nog
slechts de klank dier ideeën is en deze alleen, die hun waarachtigheid kenbaar
maakt voor het oor. - Zo ontstaan de héél serieuze leiders, waar enkele
mensen, die zich het lachen niet geheel laten afnemen, nog eens serieus, en
zelfs bedroefd, om kunnen lachen; maar de gemeente heeft bij de oprichting
reeds geweten, dat hier zo héél serieus zou worden geleid en opgeklonken. En
ja, als men zich aan die klank van het leven alleen zou
kunnen verzadigen, een ieder had zich door de stem van de heer Coster (en de
twede stem van de heer Havelaar) eindeloos laten voldreunen, om iedere zin voor
verhoudingen te verliezen, om iedere vlakheid en botheid zelfs te vergeten. -
Den grooten naam van Dostojevsky schreven wij daarom met diepen
eerbied boven dit tijdschrift, staat nog in het programma, dus werd de
arme Messias toch geütiliseerd - maar: in één opzicht kan
Dostojevsky de twintigste eeuw niet meer ten voorbeeld zijn: in de tijdelijke
vergissing van zijn reactionarisme. En een verwijt ons tevoren gemaakt, moeten
wij ten slotte kier afweren: ‘De Stem’ zal zich niet onverschillig toonen voor maatschappelijke problemen. Wij meenen dat
het voorgaande dit reeds bewijst. Want geen leven kan krachtig zijn, geen kunst
kan zuiver zijn, geen religiositeit kan verzoenend werken, wanneer niet ‘de
dorst naar rechtvaardigheid’, naar aardsche rechtvaardigheid, erin ligt
besloten.
Ziedaar het Stem-programma. De politiek terzijde
latend, maar in ‘de dorst naar aardse rechtvaardigheid’ niettemin een
revolutionair ideaal, dat van de rationalistiese, realistiese revolutionair
(die met de kristelike niet gemeen heeft dat hij voor een proces op deze wereld
verloren, in appèl kan gaan bij een hogere wereld) verenigend met de
religiositeit van wie-het-ook-zij, mits met een aangrijpende ernst van klank
behebt. Een zo ruim en sonoor program- | | | | ma verliest het tegen de
dogmatici nooit. De patestetetiese geest kon zich inderdaad niet onverschillig
tonen voor maatschappelike problemen, hoezeer ieder maatschappelik probleem de
patestetetiese geest ook naar de lommerd wensen mag.
Van maatschappelike problemen loopt dus de brochure Waarheen gaan wij? over, zonder dat het één ogenblik helder voor
ons wordt, zonder dat wij - zó ‘universeel’ wordt hier weer de Costerlike
geest! - iets begrijpen, dan dat sommige waarden, door de heer Coster bemind,
verloren gaan, en dat wij ook maatschappelik door de ergste rampen, vooral een
nieuwe oorlog, worden bedreigd. Met de kunst houdt deze terugblik op tien jaren
Stem-aktiviteit zich niet veel meer op; het stuk is
opgedragen aan de cineast Pabst, die een oorlogsfilm maakte tegen de
verschrikkingen van de oorlog. Na de oorlog immers, toen de
menschheid hijgde naar geluk, en in die oogenblikken van ontspanning de dwaze
moed had één oogenblik aan dit geluk te durven gelooven, is De Stem ontstaan; Rathenau en Eleonora Duse worden met hijgende
sympatie herdacht - en nu? Rathenau werd doodgeschoten, Duse stierf,
huiverend en verkleumd door het onbegrip der wereld, in de hardste
en koudste fabrieksstad van Amerika; het leven is beestachtig wreed
geworden en men bereidt zich voor op een nieuwe oorlog. In het essay
De Wedloop was dit alles de heer
Coster reeds te machtig; en men kan moeilik zeggen dat een
nieuwe oorlog niet afgrijselik zou zijn - maar welke remmende kracht hebben
vaag-universele terugblikken als deze op het wereldgebeuren? dat is wel de
bangste vraag die onder het luisteren in ons oprijst.
Het moderne leven schijnt overigens iets ongelooflik bacchanties voor
deze essayist te hebben: - Nooit, in geen periode der geschiedenis
misschien, waren de vrouwen, gestaald door sport en wind en zon, gekleed in
gewaden die nauwelijks iets anders meer doen, dan de bloei der lenige lichamen
te accentueeren, schooner dan nu, nooit mis- | | | |
schien waren de mannen sterker en roekeloozer. - Een
beschrijving, lijkt mij eigenlik, om van te likkebaarden; en als men bedenkt
dat wij als kleine jongens naar de riddertijd terugverlangden! Maar, aan de
andere kant zijn er nu toch ook wel erg veel machines en automobielen: -
Nooit, in geen enkele periode der geschiedenis raasde een zoo
woedende stroom van leven door de boulevards der métropolen, - men heeft
eenvoudig om zes uur 's avonds maar in Parijs op de Place de l'Opéra te gaan
staan, om tastbaar de tot waanzin stijgende razernij van dit leven voor oogen
te hebben, - nooit dus heeft het leven machtiger en brallender getriomfeerd,
dan na dit even weergalooze sterven. - Inderdaad, het ruikt op de
boulevards tegenwoordig alleronaangenaamst naar benzine; en soms weet men
helemaal niet meer wanneer men nog over kan steken.
Maar, geeft de heer Coster toe: Het leven heeft
getriomfeerd, alleen in eenigszins anderen zin, dan de besten, de meest
gegriefden van 10 jaar terug (men voelt op slag dat de heer Coster
daaronder behoorde) zich voorstelden, het heeft niet geestelijk
getriomfeerd, er heeft zich geen warmte en menschelijke vriendelijkheid
ontwikkeld, het heeft dierlijk getriomfeerd, prachtig dierlijk, koud en kort,
stralend van buiten, schamel en dof van binnen, Een groot vergeten is begonnen,
een groote verdooving, een groote verloochening en verachting van alle waarden,
waaraan de menschheid tot nog toe geloofde en die haar tot nog toe altijd min
of meer, tot zelfs in deze laatste catastrophe toe, hebben geleid. Het dreigde
reeds in de 19de eeuw,... het miste de moed zich te handhaven tegenover de
majesteit van 20 eeuwen Christendom, enz.- Die twintig
eeuwen vooral komen in dit betoog voortdurend terug, als waren zij één
gave periode geweest van hemelse zaligheden. Het is toch ook wel erg jammer,
als men van een zo oud gebouw de afbraak moet meemaken. Ook de heer Bernanos
zei dat, aan het eind van zijn laatste boek: uit Amerika en Rusland, van alle
zijden dringen de krachten op, die van de wereld - en laat dan ons vooral ‘het
onder- | | | | gaand Europa’ niet vergeten! - een oord zonder God willen
maken. Maar wat hier, in dit betoog, veel pijnliker nog kwelt
dan de wanhoop van de heer Bernanos dat hij ééns zonder God zal moeten leven,
is de misrekening van De Stem, het nu tienjarige tijdschrift,
waarvan wij zoëven het programma bestudeerden. - En dus: Twee
vragen doen zich hier open, zegt de heer Coster: waartoe kan
dit alles leiden, en ten tweede: hoe is dit alles zoo gekomen, hoe konden zij
die 10 jaar geleden op een herbloei hoopten van het gansche leven, zich zoo
misrekenen in het karakter van dien bloei?
Het eerste antwoord is al héél erg somber: het kan zijn:
naar een ongehoorde zelfmoord. Maar het is tenminste mannentaal; al volgen
er dus weer twee grote bladzijden op van daverende kommentaar, dit willen wij even vasthouden. - Maar dan die
àndere vraag: hoe is dit alles zoo gekomen? herinnert de heer
Coster zichzelf; en ja: alle oorzaken aan te
roeren ... zou een boek vereischen of minstens tien middagen. Laten we
onze rampen tot het uiterst-nodige beperken. Eén van de ergste dingen heet:
het verraad der jeugd. Wij, de jeugd, hebben De
Stem en de heer Coster verraden. Maar de opmarsch der
Hitleriaansche cohorten is er ook nog; een jeugd oneindig vechtlustiger
dan de onze ooit was, zelfs gedurende die àndere oorlog. Deze
jeugd heeft zich niets te herinneren en niets te vergeten, zegt de heer
Coster, die zich erop beroemen kan dat zijn studies door het kanon in de verte
werden begeleid: en binnen eenige jaren was, dank zij de
zorgelooze vergetelheid van een jeugd in heel Europa, het ideaal van strijd en
meestal nationale zelfzucht alom en volkomen hersteld. - Men zoekt een
ogenblik wat hij daarmee te maken heeft, maar herinnert zich
het Stem-programma inzake de ‘maatschappelike problemen’.
Rusland en Italië zijn gekomen, als de nieuwe wetgevers, voor 't
eerst na Christus als de wetgevers der triomfante dierlijkheid; en de
jeugd, de jeugd heeft verraden! Vreselik toornt de heer Coster tegen de jeugd,
die gewelddadig is, lasterziek ook, verleugend, wreed, alles wat men zich
| | | | in deze lijn in de Costerlike woordkeus denken kan. -
Want het probleem van de jeugd is een eigenaardig probleem. Men
moet het zonder eenige sentimentaliteit bezien. De jeugd heeft geestdrift, maar
deze geestdrift heeft het karakter der onbestemde en bestembare
vitaliteit.
En indien dit nu eenmaal zo is, wie zal er iets aan verhelpen? De oude
heren, die aan het Stem-diner zich op dit betoog zaten voor
te bereiden, of kans zagen het met de meer materiële spijzen mee te verteren,
zeker niet. Maar onder de chemisten, die het nu zover gebracht hebben dat
zij de toekomstige oorlog zullen winnen, is misschien iemand
die deze onbestemde vitaliteit tot een steêvaste seniliteit zou weten om te
werken, met niet meer dan een paar tabletten. Men zou een prijsvraag voor het
middel kunnen uitschrijven: het lot van de wereld hangt er misschien van af.
‘Liever een levende grijsaard dan een dode jongeling’, zij de strijdkreet. Maar
de heer Coster is zelf reeds bezig, met niets minder dan chemiese middelen, om
tot reddende waarheden te geraken. Als wij hem maar lang genoeg volgen. Hier is
het praatje voor de ouden van dagen, die het met een scheut van pijn en een
superieure glimlach toch in zich opnamen. - De jeugd kortom maakte
zich eenvoudig breed in de ruimte die men haar liet. Ze zag dat er feitelijk
niets tegen was, de eeuwenoude rangorde om te keeren, dat meerdere diepgang van
ervaring niet erkend behoefde te worden, doch evengoed als een zekere
minderwaardigheid kon gelden, een soort onschuldige melaatschheid, die men ten
hoogste met een welwillend schouderklopje vergaf. Konklusie: En zoo kon het gebeuren, dat thans dit Europa ons aandoet - ons
ouderen en wijzeren, met 20 eeuwen kristendom in het lijf! - voor
minstens één derde als een speelplaats voor booze en wreede kinderen.
Kon een zo wereldwijs man de kinderen in de steek laten? Ook als zijn
goed hart hem hier verried, het Stem-programma wil het
anders. De heer Coster ziet goddank nog een andere soort jeugd, een soort,
minder plichtverge- | | | | ten: Ik wijs op bewegingen als de
V.C.S.B., op de Soc. Democratische arbeidersjeugd, die zeer in tegenstelling
tot de communistische, de cultuur niet verwerpt maar gierig haar essenties zich
eigen tracht te maken, en ik spreek van zoo reëele dingen, dat op het oogenblik
in sommige studenten-corpora een felle strijd wordt gevoerd tusschen beide
soorten van jeugd: zij die het leven een taak noemen en zij die het een
voornamelijk aesthetisch te doorleven spel noemen. - Wij vrezen dat het
felle van die strijd een wel zeer dichterlike overdrijving is, maar men voelt
zich toch getroost dat er nog zoveel ernstvolle gemoederen worden aangetroffen
ook onder Nederlanders die tien jaar geleden, bij de oprichting van
De Stem, nog in een kuitbroekje rondliepen. Maar zij waren
toen waarschijnlik al padvinder of bewandelden in andere clubs even rechte
paden.
Wat die àndere jeugd betreft, de weinig sympatieke: Zij
heeft verraden, maar zij heeft allereerst zichzelf verraden. Als zij dan
de heer Coster eerst na zichzelf verraden heeft, had hij
misschien alleen nog maar het recht zijn vervaarlik orgaan te dempen? Wel neen,
want hij is, de nobele man, ook voor hèn bezig; hij vervolgt: zij
heeft haar diepere voorgevoelens verraden. En deze laten zich niet verraden en
verdringen, eenvoudig omdat zij evenzeer deel uitmaken van het menschelijke
organisme als de spijsvertering en de geslachtsfunctie. - Voelt men de
Redding alweer duidelik aansluipen? - Er komt een tijd, dat het
vermoeden zich niet meer verdringen laat, dat woorden meer kunnen beteekenen
dan klanken die men tot leuzen rijgt om schuimbekkend te herhalen - er zijn
geen catastrophen noodig om dat te leeren, het gewone leven zorgt daar wel
voor, het leert ons gauw genoeg de woorden gemis, berusting en
ondergang spellen, letter voor letter en altijd opnieuw, eindeloos
opnieuw. Dan zal ook deze jeugd, die zich vrij wilde maken van het verleden en
zijn sentimentaliteiten, den ontzachlijken zin van deze sentimentaliteiten
opgaan, en zij zullen op hun beurt zien dat deze sentimentaliteiten de eenige
weg terug zijn ten leven. | | | | - Wij geloven het graag en vangen
het hele betoog van de heer Coster in deze hoogklassieke formule der senielen:
‘Hoezeer was vroeger alles beter, en de jeugd vindt ons sentimenteel, maar zij
zal éven sentimenteel worden’.
Intussen, het voegt een oudere ook, af en toe jong met het jonge
volkje te zijn en vrolik te getuigen: ‘Ik was ook eens een ongehoorzaam kind!’
De heer Coster verzekert: Het zou een groot misverstand zijn,
wanneer uit het voorgaande zou worden geconcludeerd, dat wij het
thans-gewordene even roekeloos zouden willen verwerpen, als velen en vele
jongeren het pas-voltooide verleden verwerpen. Integendeel! (En
verheerlikt opklaterend:) Wij willen dezen tijd niet missen, met
zijn prachtige bloei omwaaid van de winden der ruimte. Wij willen niet meer
terug naar de stoomtrammen, de lange haren, de equipages, de pluchen kamers en
de subtiele stemmingen, wij zijn er volkomen aan ontgroeid. - De jeugd wil
misschien bèst een beetje terug, maar deze pedagoog voelt zich nu ‘modern’ als
toen hij voor het eerst zat in een automobiel: het nieuwe leven heeft toch vele
gemakken. Het fraaie beeld van de kleine geringe asschepoetster die de ziel is,
en die alleen de boze machten remmen en temmen kan, mag
echter niet worden vergeten en de twintig eeuwen doen ook
weer een dansje. Het is niet veel wat wij bereikten! zegt de
heer Coster dan demoedig; maar reeds voor dat weinige hebben wij
tweeduizend jaar noodig gehad. Dit wij is kenmerkend, en
ja, men ontsnapt er niet aan: er zijn 2000 jaren kristendom nodig geweest vóór
de Russiese revolutie kon uitbreken, maar ook vóór mevrouw X. een mantel van
chinchilla kon kopen en ermee toeren in haar Chrysler-six, maar ook vóór
De Stem kon worden opgericht. - Wij hebben nog
minstens tweeduizend jaren noodig, vervolgt de heer Coster zijn
gedachteloop, om dit weten eenigszins tot practijk om te
zetten. En dan, met een van die verbluffende lapidaire grapjes, die deze
ernstige geest zich soms veroorlooft: Het lijkt mij niet goed, dit
werk ontijdig te verstoren. | | | |
De spreker valt zichzelf in de rede. Waarvoor dit grote betoog, en
hebben de Stem-herdenkers hem wel allen begrepen? Hij legt
uit: Ik had eigenlijk gedacht hier over ‘de Stem’ en de literatuur
te spreken. Maar ik meen dat een soort van innerlijke weerzin, om een oratio
pro domo te houden, mij daarvan afgehouden heeft. Toch houdt dit alles een
ondergrondsch verband met ‘de Stem’ en de literatuur in 't algemeen, en ik zou
zelfs kunnen zeggen, dat ik ten slotte hier veel van mijn ervaringen verteld
heb, alleen maar geabstraheerd van een bepaald tijdschrift en bepaalde
persoonlijkheden. - Met een klein beetje inspanning kunnen wij misschien
ook deze symboliek doorgronden. De Stem zal vereenzelvigd
moeten worden met ‘het ondergaande Europa’, en de heer Coster zal men moeten
herkennen in Rathenau of Duse, of in beiden.
De eigen logika van het betoog echter wreekt zich. Als hij tot de
Nederlandse literatuur en De Stem terug moet keren, blijft de
heer Coster vastplakken aan de universele kauwgom die hij zo kwistig om zich
heen heeft verspreid: hij vertelt nu dwaasheden, nog senieler troosteloos dan
al het vorige, omdat de literatuur - immers spiegel van het leven - het door
hem gegeven tijdsbeeld nu weerspiegelen moèt: In den hoogsten zin
van dit woord is er geen literatuur meer ontstaan, nergens in dit Europa voor
zoover wij kunnen zien... (Men lette wel: er staat niet ‘Nederland’; wij
zouden daardoor nog slechts in oude polemieken terugvallen, er staat ‘Europa’.)
Waar wij rondzien, zien wij slechts verzwakte herhalingen van de
kunst der vorige perioden, en deze omsponnen door de impotentie-verwekkende
theorieën en de doelbewuste reclame die het eenige absoluut eigen merk van
dezen tijd is. - Er is veel waars in de laatste opmerking; maar wij hebben
de heer Coster, in de voorrede tot zijn bloemlezing Nieuwe
Geluiden en elders, zó veel meer enthousiast over de kunst van na de
oorlog gezien, dat wij de moedeloosheid van zijn konstatering ditmaal met een
vriendelik schouderophalen zullen beantwoorden. Wanneer hij wat minder vaag
bedroefd zal zijn en namen noemt, zullen wij het misschien op een | | | |
akkoordje kunen gooien. Bijv. wanneer hij vertelt dat: Zelfs de
vertelwijze-in-concreta, de novellistiek der zakelijke aanduiding, vindt men in
totnogtoe onbenaderde volmaaktheid in de Erzählungen van Heinrich von Kleist en
de Italiaansche novellen van Stendhal terug. Men kan hem dan in het oor
fluisteren dat deze Italiaanse novellen van Stendhal zo ‘volmaakt’ niet zijn,
dat zij, in ‘volmaaktheid’ juist, nooit de novellen benaderen die hen tot model
strekten, die van Mérimée; en hem aanraden tenminste één goede novellenbundel
uit deze tijd te lezen (Brief Candles van Huxley bijv.)
alvorens een nauweliks herlevende kunst met het allerbeste van gelukkiger
tijden aan te randen. Maar misschien heeft hij gelijk: misschien is de jeugd
van deze tijd niet in de eerste plaats een generatie van schrijvers. Misschien
hebben de schijvers überhaupt afgedaan en zal de literatuur van de toekomst
eerst weer radikaal een levende literatuur nà de wereldrevolutie zijn. Men komt
tot de vreselikste waarheden, wanneer men, in het kader van de Stem-herdenking, ‘universeel’ denken gaat. Waarom ook zijn wij,
literatoren, zo beperkt, dat wij niet eens behoorlik meer kunnen antwoorden
wanneer een geest als deze alles gaat overzweven? Eén ding is zeker: men zal
zich nooit zoveel geweld kunnen aadoen, dat uit een wezenlik klein man een
groot man, uit een steriele geest een magazijn van meesterwerken ontstaat.
Zo werd ook de geschiedenis van
De Stem, erkent de heer
Coster zelf, niet onverdeeld vroolijk.
De heer Havelaar en hij hoopten iets ertoe te kunnen bijdragen,
dat de oude waarden van Europa, door den oorlog schijnbaar vertreden, weer tot
nieuwen, en dan voor 't eerst onbetogen glans zouden komen. Zij gingen
hierbij, naar het schijnt, uit van een Platonische
ontdekking, en door ijverig te wijzen naar de kunst van
Tolstoy, van Dostojevsky, in Holland van
Henr. Roland Holst, ging het een tijdlang goed, en
toen daarna ook nog
Kleine Inez en Van Schagens
hymnen in De Stem werden gepubliceerd, scheen hun
geloof zich te zullen rechtvaardigen. Maar weldra kwam het tijdschrift in een
lastig parket, immers het grote verraad | | | | begon van alle kanten,
en: in dit alom verraad, vertelt de heer Coster, wilden wij niet mee verraden. Hetgeen weer volkomen duidelik
wordt door de volgende zin: In deze botsing der fanatiek geworden
eenzijdigheden wilden wij geen partij kiezen, omdat deelnemen en partijkiezen
toch altijd een vrijwillige zelfverblinding beteekent tegenover een deel der
menschheid. Zo bleven zij esteteten en patesteteten naast elkaar, d.w.z.
vlees noch vis, maar hierin onwankelbaar trouw aan zichzelf; en in deze ontkenning van twintig eeuwen cultuur (Nero? Borgia?
Aretino? Sade?) hebben zij de waarde dier twintig eeuwen cultuur
hardnekkig volgehouden.
Dit, vertelt de heer Coster verder, en
men kan het 't reactionaire gedeelte van onze taak noemen, heeft ons niet
altijd vreugde bereid. Het heeft ons beurtelings de verachting en de
vijandigheid van alle groepen en partijen bezorgd. De socialisten verweten ons
het bleeke studeerkamerintellect, de katholieken de laffe houdingloosheid, de
aestheten met waarlijk onvermoeibare hoon de ethiek, voor de besliste ethici
zelf waren wij ten slotte onbetrouwbare aestheten, voor de communisten
tersluiksche bevorderaars der reactie. - Het verwijt van de humbug der
veel te grote woorden ontbreekt, maar de rest viel inderdaad te voorzien, en
misschien had de heer Coster beter gedaan met zich toch maar stoutmoedig voor
kunstenaar-alleen uit te geven, vooral omdat hij toch als zodanig nog het meest
au sérieux wordt genomen. Helaas, de man die ons daarnet vertelde dat hij zo
trouw was in het niet-kiezen, bekent na een laatste kronkeling, dat hij dan
toch maar gekozen heeft, en dit gedeelte van zijn betoog is zozeer onthullend
dat ik er deze uren, in zijn geschriften doorgebracht, mee besluiten wil:
Eén tegenspraak blijft voortdurend boven deze regelen
zweven. Zoo wij onze onmacht bekennen om te kiezen, zoo wij het quantum
zielskracht erkennen dat in elke overtuiging kan schuilen, waarom kiezen wij
metterdaad dan toch, gelijk uit het begin van deze bladzijden volkomen
duidelijk blijkt. Waarom kiezen wij vóor de ethiek en
| | | |
tegen de aestheten, hoewel de diepe verlokking en bedwelming van
het aesthetismte ons bekend zijn en zeker eigener dan die der ethici. Het
antwoord is betrekkelijk eenvoudig: wij kiezen voor geen overtuigingen in den
meer dagelijkschen zin van dit woord. Maar wel gaan wij staan aan de zijde van
hen, die ondanks alles, en ondanks de eigengerechtigheden waarmede zij hun
streven soms ontsieren, het leven niet verloren willen laten gaan, die het
‘morgen’ niet vergeten willen. Want het gaatin onzen tijd
allang niet meer om kunstwerken. Het gaat om het behoud der wereld, het
behoud van wat wij gewonnen hebben, het gaat om het behoud van kinderen,
vrouwen en dieren die niet weten zouden waarom zij moeten lijden. Een dronken,
gedachtelooze waanzin wil hen werpen in nieuwe kolken van leed, - opdat zij er
zoo schoon mogelijk in vergaan zullen (alleen het zal opnieuw niet schoon
blijken!) - en deze waanzin heeft zelfs velen der besten van onze cultuur
aangegrepen. Wij doen niet mee, al begrijpen wij de motieven dier waanzin. Wij
doen niet mee, want gesteld dat men weten zou, dat dit leven niet waard is
geleefd te worden, en dat het beste van alle dingen de dood zou zijn, zou dit
nog geen reden zijn om dat der onschuldigen te offeren die het met argelooze
graagte leven. En daarom kiezen wij in laatste instantie toch.
Hier heeft men de alarmist en de aansteller voor het laatst, ten
voeten uit, bang en blufferig tegelijk en eindeloos ridikuul, ware hij iets
minder zielig. Wat hij hierna nog mag rapporteren over publikaties in
De Stem, behoeft niemand meer te interesseren. Dit is de man,
die eerst als estetetikus geen partij kiest, en tenslotte als patestetetikus
toch partij kiest, omdat het allang niet meer om kunstwerken
gaat, maar om het behoud der wereld! Men moet wel een zeer
schaamteloze praatmajoor zijn (men houde mij dit woord ten goede, het enige wat
geheel op de situatie past), om een dergelijk ‘maatschappelik probleem’ met het
eigen ‘partijkiezen’ te konfronteren, wanneer men vooruit weet dat men geen
antimilitaristiese aktie zal on- | | | | dernemen, geen stap zal doen
waarbij de eigen huid bedreigd wordt, - altans niet voordat iedere huid bedreigd zal zijn, - maar in hoeveel aangenamer
opgewondenheid: die der kletsika alleen, nog wat voort zal gaan vaag-universeel
te waarschuwen en te paraderen. Ziehier de laatste ernst van
deze ‘humanist’, die zijn afzijdigheid voor delikate wijsheid verkoopt, om dan
te bedenken dat een beetje mannelike moed ook lang niet slecht staat, en het
onderneemt zijn alarmistenlafheid tot het vereiste artikel om te brallen.
Met het Stem-programma naast dit Waarheen gaan wij? valt het ons tenslotte gemakkelik al zijn
draaierijtjes te doorklieven en voor hem zelf uit te maken wat hij, kultureel
beschouwd, is. Een filosoof? allerminst; een socioloog? alleen bij Stem-herdenkingen; een politikus? welneen: ofschoon hij in het
diepst van zijn hart zich soms met Rathenau moet vergelijken, hij weet ook wel
zeker dat hij nooit door eenige jonge
theoretici, in een blijkbaar prakties ogenblik, zal worden neergeschoten.
Als zodanig viel hij alleen nog maar onder het woord van Trotsky: ‘Ga naar de
plaats die u toekomt, de prullemand der geschiedenis!’ - Wat is en blijft hij
tenslotte? - een literator. Men kan hem desnoods een ‘kunstenaar’ noemen,
ofschoon dit woord, via de schoonheidszin, door hem meer en meer verward werd
met het woord ‘esteet’. In zoverre als ieder kunstenaar een
schoonheidzoeker is en een esteet, maatschappelik gesproken dus, en zonder op
de onderscheidingen binnen de kunst, tussen vitalisme en
estetiek en wat er nog meer te vinden is, in te gaan, - is deze man een
‘kunstenaar’, ofschoon ik het woord ‘literator’, als het enige werkelik-juiste,
prefereer. En als zodanig: zelfs in zijn vak van literator,
is hij onweerlegbaar een etikus. Uit zijn eigen uitspraken blijkt het reeds
zozeer, dat de tegenspraak van
Anthonie Donker als vriendelike onzin vervliegt; hij is,
wanneer hij de neus ophaalt voor de etiketjes die ik zoëven voor hem
samenstelde, ten enemale een literair, en zelfs een verliteratuurd, etikus; en
wat ik bij een andere gelegenheid zijn ‘eties waterhoofd’ noemde, wordt
| | | | de mensen misschien duidelik, die deze studie met mij
doormaakten.
Wat de dreiging van een nieuwe oorlog betreft en dat die er is - wie
zal het tegenspreken? en dat zij verschrikkelik is - men zou tot de ergste
abruti's moeten behoren om er anders over te denken. Maar zij is dan zó
verschrikkelik, dat zij een verliteratuurde preek erover zonder voorbehoud tot
een paskwil maakt. Hier zijn maar twee houdingen konsekwent en menswaardig:
ertegen ageren met alle praktiese middelen die de huidige maatschappij
veroorlooft en die men haar afdwingen kan, of zich overgeven aan het gevoel
door Rupert Brooke uitgedrukt in het sonnet Safety, dat men
het rustgevoel der vooruit-verlorenen noemen kan, of de wijsheid der uiterste
angst:
War knows no power. Safe shall be my going,
Secretly armed against all death's endeavour;
Safe though all safety's lost; safe where men
fall;
And if these poor limbs die, safest of all.
| |
Konklusie
Mijn eigenlik rapport is geëindigd. Wat men mij nu ook verwijten mag,
niet dat ik aan de heer Coster niet de nodige aandacht heb besteed. En hij was
deze aandacht waard: zo hij al geen groot, en zelfs geen belangrijk schrijver
is, hij vertegenwoordigt enige eigenschappen in monumentale proporties. Om aan
te geven hoe weinig ik hem als persoon zag, heb ik hem eens
een ‘monument voor etiese weekdieren’ genoemd. Maar deze formule, hoeveel goeds
zij ook bevat, volstaat niet meer; na de 160 bladzijden manuskript die ik nu
over hem opstapelde, rest mij nog, een samenvatting te geven van de
schrijver al hebben wij hem voortdurend zien optreden.
Zieledokter in de Marginalia, vulgarisator in het
Dostojevsky-essay, alarmist in De wedloop, prediker van de
Charitas en naverteller in Proza I, al deze dingen tegelijk
in Proza II, vulgarisator in zijn twee bloemlezingen,
zieledokter weer in het Schetsboek, en alarmist in
Waarheen gaan wij? zagen | | | | wij hem feitelik reeds
ten voeten uit. Is deze schrijver belangrijk, die zoveel en zo weinig tegelijk
kon zijn? zelfs voor zijn gemeente dan toch voornamelik als tijdschrift-leider
- en zoiets is moordend.
Maar ook zijn stijl, zeggen sommigen, is belangrijk;
daarom reeds is Coster een belangrijk auteur. Ik spreek dit tegen, omdat deze
stijl geheel in overeenstemming is met de rest en - zo hij al uit het karakter
van de heer Coster kan worden verklaard - niettemin berekend is op effekt bij
een gemeente. Het wezen van deze pronkstijl is Hollands burgerlik. De bedoeling
is onmiskenbaar en voortdurend: geweldig te zijn voor een zeker publiek. De
twee trouwens gaan samen, of de heer Coster zou hebben gedacht aan hen, bij wie
deze toon allerminst een illuzie wekt, hij zou zich voor dézen hebben
geschaamd, en beproefd zich in te tomen. Maar zijn ingeboren burgerlikheid
speelde hem parten; en de ‘grote rol’, welke zijn publiek hem direkt toekende,
legde beslag op hem. Er is een Coster-vervalsing door De
Stem, maar evenmin moeten wij vergeten dat er eerst een Coster was die
deze Stem oprichtte; er is een wisselwerking tussen de mens
en de tijdschriftleider, al werd de laatste, naar buiten vooral, meer en meer
despoot over de eerste.
Men heeft gesproken van een sterke onderstroom in 's heren Coster's
stijl; ook zij, die toegeven dat het gedreun op zichzelf al te vaak verfoeilik
werd of belachelik, noemen hem als stylist, om deze onderstroom, toch wel
sterk. Misschien is dit voornamelik een kwestie van smaak: er zijn mensen die
het gedreun op de koop toe nemen, en mensen die niets meer op de koop toe
nemen, bij een dergelijk gedreun. Maar in ieder geval lijkt deze mysterieuze
onderstroom mij als verdediging ontoereikend: de heer Coster is ijverig, ik heb
het vele malen gezegd, hij is ook taai, en hij heeft een respektabele adem.
Maar hij is typies een schrijver die de dupe wordt van eigen grote woorden, die
door de eigen muziek wordt versuft en zich zozeer op zijn woorden laat
afdrijven, dat hij de zin keer op keer uitstelt, soms geheel vergeet, soms als
overbodig gaat be- | | | | schouwen. Voor een kritikus vooral is dit wel
het ergste. De heer
Coster woekert met de middelen die hij heeft, maar zij zijn
gering, omdat juist voor iemand zonder scheppend talent, scherpzinnigheid en
subtiliteit eerste vereisten zijn; hij heeft van beide een treurig klein
beetje. Zijn liefde, of zijn metode van aanhoudend stijgende
intellectueele verwondering is een instinktief of doelbewust verbergen van
een serieus tekort; een pogen om door de zwelling op te heffen wat in wezen
nooit stijgt boven een middelmatige voorlichters-intelligentie. Het wordt een
‘as-tu vu mon tempérament’? als systeem nageleefd; de stylist Coster maakt van
zichzelf een kelder waarin het gewoonste geluid weerklinkt als een alarmklok.
Misschien heb ik een te gevoelig oor voor een zo volgehouden lawaai; zoals
Cobière zei: Dans mes dégoûts surtout, j'ai des goûts
élégants.
Daarbij is het duidelik dat ook deze schijngeweldigheid de grootste
diensten bewijst aan 's heren Coster's enig reëel talent, dat van vulgarisator:
terwijl Dostojevsky tot symbool wordt omgedreund, wordt hij teruggebracht tot
het niveau van de leestrommel; de abonné's van De Stem moeten
Dostojevsky lezen inplaats van Sorrell en Zoon, zoals zij
Prutske moeten lezen inplaats van mevrouw Hille-Gaerthé, maar
een wezenlik verschil bestaat niet. Het is, met een grotere literaire
bedrevenheid, dezelfde kritiek van recensent X: ‘dit boek is het werk van een
groot en edel mens, iedereen zal verlangen het te lezen, voor òns altans werd
het een openbaring!’ Het grootste psychologiese inzicht van de heer Coster is
dat hij in Holland een achterhoek erkende van Europa. En zijn grootste
zelfkennis, dat hij zich geroepen voelde de Grote Leider in deze achterhoek te
zijn.
Zo begon hij dus direkt met de literatuur ontzaglik au sérieux te nemen,
en te streven naar een eties ideaal: God was verouderd, hij adopteerde de
Liefde. Van het eerste moment af, was de rol kompleet. Het is immers deze
liefde: voor de Mensheid en voor de Kunst, die de debutantkunstenaar gewicht
bijzet, zodra hij slechts met de nodige | | | | wijding - de extatiese
blik en de trillende tong - enige ‘grote’ begrippen heeft nagebauwd: hoe
almenseliker, symbolieser en universeler, hoe beter. In de versluierende
heiligheid van deze sfeer konden immers ook de mindere leden der Soefi-orde
gemakkelik kommuniëren, tussen de foto van de Katedraal, die daar hangt als de
Syntese van alle Grote Kunst, en het meest uitgeteerde portret van Dostojevsky,
als de geslagen hond alias het meest ‘menselike’ symbool van alle Liefderijke
Literatuur. Voor wie in deze sfeer de zaligheid bereiken, staat alles hier op
zijn plaats. Een enkel raam geeft uitzicht op de snode wereld.
Als ik één ding in de heer Coster ging bewonderen, het zou dus zijn dat
hij, mèt zijn angst voor het leven, zijn geringe intelligentie en zijn gering
talent, jarenlang dit spel wist vol te houden en in vrijwel
heel Nederland voor een kundig en sterk leider door te gaan. Maar het is aan de
andere kant alleen maar logies dat dergelijke geesten veroordeeld zijn tot de
bijval der velen; de heer Coster had bovendien in Holland de omstandigheden
mee, en zelfs de afwezigheid van serieuze rivalen - de al te platte Casimir
werkte in lagere regionen en de oneindig knappere Van Eyck was zó dodelik
vervelend dat men hem op zijn woord moet hebben geloofd - maar toch: zijn
eerzucht en tijdschriftleiders-dekorum waren altijd gespannen veren in deze
man.
Een betere toekomst is hem waarschijnlik ontzegd. Hij is, als ik mij
niet vergis, in de veertig, en zal zijn leiderschap tot het einde toe moeten
volhouden; hij heeft voor zover ik weet, nooit scheppend werk gepubliceerd, en
het voorbeeld van Dostojevsky kan hem beletten op dit gebied één stap te doen;
misschien weet hij ook (in de stralende oogenblikken van zijn
hoogere herinnering) dat hij, als hij véél meer talent bezat dan nu het
geval is, op zijn best een Hollandse Duhamel zou kunnen worden, en zijn
belezenheid in Dostojevsky doet hem wellicht, alle konfraterlike hoogachting
ten spijt, de neus weer optrekken voor Salavin. Hij zal zich
dus wel vastklampen aan het etise- | | | | rend essay, en herhalen dat hij
een proza-schrijver is en geen kritikus. En het grootste deel
van ‘intellektueel Holland’ zal voortgaan zijn nauwgezet gedaver te slikken als
opperste ontroering. Eén ding slechts lijkt mij voor hem te betreuren: dat hij
voor een literaire verdienste, die altijd aantastbaar blijft, de volle maat
derft van zijn publiek leiderschap.
Indien hij zijn roeping volkomen leerde erkennen en eenvoudig probeerde
te zijn, inplaats van diepzinnig in de hoge c, zou zijn sukses nog beduidend
groter kunnen worden. Zij die zich met zijn ideën voeden, zouden er meer nog
aan hebben in een ‘gewonere’ stijl, en misschien vergist hij zich in één graad:
om de ersatz van een groot auteur te zijn voor een vaag-intellektueel publiek,
doet hij afstand van de mogelikheid om de generaal Booth te zijn van ontelbare
anderen. Slechter dan een behoorlik journalist behoeft de heer Coster niet te
schrijven, als hij het niet volstrekt wil. Maar met of zonder deze roeping zie
ik hem als een verschijnsel, de belichaming, van enkele specifiek-Hollandse
eigenschappen, die ik verfoei en niet anders dan verfoeien kan, maar die er
zijn, en er wel altijd zùllen zijn. Hem als schrijver apart te bestrijden zou
niet zoveel bladzijden hebben vereist, hij is belangrijk als de
‘representatieve figuur’ waarin men een specifiek-Hollands boerenbedrog
demonstreert. Iemand die mij spreekt van een Costerlike ‘kern’ of
‘wereldbeschouwing’ neemt aan dat de heer Coster op zichzelf beschouwd iets zou
zijn, waarmee hij blijk zou geven mij geheel te hebben
misverstaan. Wat ik met deze studie meen te hebben bewezen, voor wie hiervoor
ook maar énig gevoel hebben, is juist de afwezigheid van zulk een ‘kern’, en de
banaliteit van een ‘wereldbeschouwing’, of liever van een ‘boodschap’ als deze,
betreffende de grote kunstenaar, denker, enz. Het werk van de
heer
Coster of dat van de verbijsterende prulschrijver die onder
de naam
Querido aan onze literaire heuvel aan het buitelen kon gaan,
het is één soort humbug, en één verblinding van de kritiek, en om nogmaals de
weldenkende Donker te citeren, die bij kleinere symptomen | | | | nog
onrustig worden kan: Er is misschien geen andere literatuur,
waarin zóóiets mogelijk is.
Niet òmdat de heer Coster een esteet, een etikus, een humanist heten wil
of mag, is zijn werk minderwaardig; een dergelijke logika kon voeren tot
vreemde konsekwenties. Het ware zelfs te dwaas iemand aan te vallen op zijn
etiket, wanneer hijzelf en zijn vrienden zich daarvoor niet schaamden; en men
herinnert zich zonder veel moeite dat op dit terrein een Montaigne en een
Erasmus konden bestaan. Maar zelfs niet omdat hij niet op deze voorgangers
lijkt, is de heer Coster voor mij onherroepelik
degeen-diedavert-voor-zijn-avondklas. Neen, na alles wat ik citeerde, rest mij
alleen zijn volledig proza als laatste argument. Of liever: op dit punt
gekomen, vraag ik nog slechts om de argumenten die men gebruiken zou in een
streek, waar Kokadorus vereerd zou worden als een filosoof.
E. du Perron
|
1)Door de overdaad van Costerlik materiaal, heb
ik mij verplicht gezien het hoofdstuk over Schetsboek tot de
boekuitgave van deze studie uit te stellen.
|
|