|
|
|
| |
| | | |
Tuinen bij Wind en Weer
I
Droefenis van kleine velden
Waarin niets meer overhelde
Naar 't rood van pioenen...
Verwarde tuinen verdwaald,
Hij heeft bij de takken gedraald
Toen in de sneeuw gestaan
In dien tusschentijd was er een bang
Toen met 't zachtste kraken
De geest vreesachtig door 't laken
| | | |
Dat neerziet na 't kloppen
Voor hunk'rende vingertoppen?
De vrouw was weer verdwenen,
Twee muurlantarens schenen
Een zonsondergang na te apen.
Droefenis van kleine velden
Waarin dít slechts overhelde
Naar 't rood van pioenen...
II
Regens op rijke stadskwartieren,
Op parken, tuinen, en een zinken dak,
Overstemden de populieren
Vanaf dat de wind opstak.
Zij ruischen op vierkante perken, -
Of rond, of in den vorm van een ruit, -
Een toevloed van waterwerken
Naar grond, nog vochtig van de spuit.
| | | |
En een nieuw spruitend watergewas
Heeft in den ondiepen vijver
Snel zich tot bloeien beijverd, -
Wordt weer doorzichtig als glas. -
Regens op roze meisjeshanden,
De palmen omhoog gekeerd,
Roze, met dien verstande,
Dat het hemelgrijs domineert,
Vroolijk, met dié beperking,
Dat de verveling grooter is.
(Papa neemt een hartversterking:
Toch klinkt het als kletterend harken
Teederzacht als grootmoeder's varken
Regens op handen, die komen wenken
Als uit een zelfde balgewaad,
En er geen aandacht aan schenken,
Dat er maar éen beminde staat,
| | | |
Want allen worden vriendinnen
In den regen, die allen verblindt
Voor verschil; zij zullen binnen
Een nieuw spel bedenken als kind:
Wié is hij, een koning, een dichter?...
Als zij zien, dat er niet méer staan,
Gaan zij, wel wat verlichter,
Naar de natte tennisbaan. -
In een overtollig verblijf,
Met een afstand van éenen tot zessen
Voor een ruischend tijdverdrijf,
Voor een zang'rige treuzelarij
Die alles moet begeleiden,
Waarin zij niet meer kunnen scheiden
Verweg, voor en achter, dichtbij,...
Waarin ál het geluid wordt beslecht: -
O, dat de verveling maar niet komt, -
Van den wagen die in de garage bromt
Tot den vogel die ‘Lorre’ zegt.
S. Vestdijk
|
|
|