|
|
|
| |
| | | |
Panopticum
Van
Hendrik de Vries, bezorgd dat de boekuitgave van
Uren met Dirk Coster niet gewetensvol
genoeg zou worden volbracht, ontvingen wij het hiervolgende ontwerp voor
toegevoegd voorwerk in oudvaderlandschen trant.
(Red.)
| |
Nagekomen opdrachten, te plakken in het nieuwste werk van
Du Perron

Dit 's
Eduard,
*) fiks hoofd van Forum's
dichtrenkroeg,
Die
Nijhoff in
De Gids een bange schrik aanjoeg,
Die als een pijlaar, van geen stormgeweld
bewogen
Zag met een fieren moed den Doolaard onder
d'oogen,
Die gansch de letterbent in opspraak heeft
gebracht,
Met wakk'ren Menno's hulp de Schoonheid
afgeslacht,
En thans, verzekerd van de bijval zijner
makkers,
De menschlijkheid ontmomt in
Coster en zijn rakkers.
‘Perron’ - van ‘perro’, hond, een Spaansch
vergrootwoord, -
Past kwalijk voor dees wolf- en
jakhalsbastaard,
Zoo strak als aan zijn ketting hij zich
doodsmoort,
En Bijtzucht schijnt, verzichtbaard en
vertastbaard;
Niet schuw, noch sluw, doch ruw; ja, 't wordt een
strafzaak;
Gij, meer zelfs dan uw medeforumheld
Menno ter Afbraak, zijt spuw-, blaas- en
blafkaak
Die heel 't geheim der Schoonheid schorum
scheldt.
| | | |
Wie vraagt, hoeveel door puren, zuren ijver
Geschiedt, of hoe de lucht is van een
pest-lijk,
Hij lees dees Urenschrijver-kurendrijver,
Banblikseme als Ter Braak, en dichte als
Vestdijk;
Volgt Menno's leus: De Schoonheid op de
mestbelt!
En leer hoe niets beklijft van ziel- noch
lijfschoon
Zoover 't een werk van hem en van de rest
geldt
Waar 't al verstijft in sleur van d'eendre
kijftoon.
Perron, ik zie: de regels kent gij slecht.
Vuurbanderillas krijgt geen stier die zoo goed
vecht.
Wel zijn de paarden die hij neemt natuurlijk
mager
En schonkig, maar ik blijf er bij: 't Is
liegen
Als men hem durf ontzegt.
Haast beter dan die bul uit Huxley's fokkerij
Heeft afgerekend met Antonius de ketterjager,
Liet hij Sint Jan onze
Engelman toch prachtig vliegen?
(Desverkiezend in te vullen.)
O Vries, wiens rake geest ons aller lever
kittelt,
Die Spaansch en vriezig beide, stier en paard
kapittelt,
En onbecosterd voortleeft: is het ònze schand,
Wanneer, bij al wat de Ernst verbraakt heeft
hierbeneden,
Tot voedsel onzer hoorns we als braak-held zien
aanbeden
Niets dan dit schonkig paard, in 't vette
Polderland?
Gij die een volksstam wordt, doch blijft een frissche
kwant,
De bloedgeur van uw coplas kon als melk
verzuren,
Klonk door Kastielje nog, als ging het eeuwig
duren,
Het krolsche kerkgezang van 't vadsig
Onverstand!
E.d.P.
| |
Fantast en Occultist
Er is geen literair genre aan te wijzen, dat zoozeer tot talentbederf
leidt, als het z.g. fantastische. Als zoo dikwijls zijn het ook hier vooral de
grensgebieden die ‘bederven’, - die de auteur van fantastische verhalen des te
eerder schijnt te moeten betreden, waar de objectivatie van zijn stof met
zuiver literaire middelen zooveel moeilijkheden meebrengt. Al deze
grensoverschrijdingen: naar occultisme, psychanalyse, criminalistiek,
pseudo-wetenschappelijke constructie, pornografie, e.t.q. worden duur betaald;
zij geven een poos houvast, waarborgen succes bij de menigte, maar eindigen in
verstarring en | | | | cliché. Deze auteurs raken gewoonlijk voor de
literatuur verloren. Men kan de verdiensten van zulk werk dan ook afmeten naar
het vermogen om tusschen al deze gevaren ‘zwevende’ te blijven: Poe. Maar
vergeet niet, dat Poe, als baanbreker (als we van Hoffmann afzien), als
verkenner juist van het geheele terrein, zooveel minder kans
liep door een van de speciale onderdeelen gegrepen en
gefixeerd te worden.
Het werk van den onlangs gestorven Gustav Meyrink vertoont alle
degeneratiekenmerken ten gevolge van de speciaal-occultistische inteelt. Vanaf
den beroemden Golem worden zijn romans al onleesbaarder voor
hen die niet, evenals hij, door de geijkte symboliek der geheime wetenschappen
gehanteerd zijn, voor niet-‘geloovigen’ dus, zooals Hanns Heinz Ewers (de
pornografische variant in dit gezelschap) in zijn latere producten alleen nog
maar te waardeeren valt bij een tijdelijke doch volledige vervanging van des
lezers hersenhemispheren door zijn testikels. Maar Meyrink is meer waard dan
Ewers. In sommige dagbladen heeft men kunnen lezen, dat hij toch in geen geval
met Poe (de baken in dit voor velen zoo nevelig gebied) vergeleken kan worden.
Deze vergelijking gaat echter van totaal verkeerde premissen uit, en is zeer
onrechtvaardig tegenover Meyrink. Deze lijkt in niets op Poe, en werd m.i. ook
niet door hem beïnvloed anders dan in den vorm eener vage notie, dat het in het
algemeen mogelijk is fantastische verhalen te schrijven. Men vergelijkt geen
klassicus met een ‘moderne’, niet de middelen der logica met die van een
droomtechniek. Bij Meyrink speelt het gebeuren zich in hoofdzaak binnen de
grenzen der psyche af, en waar dit niet het geval is staat toch de mensch in
het middelpunt, Poe daarentegen projecteert alles zooveel mogelijk in de
buitenwereld (vgl. The Fall of the House of Usher, M.S. found in a
bottle). Meyrink blijft, subjectief, verbonden met, opgenomen in de spheer
van het bovennatuurlijke. Poe demonstreert, objectief.
Misschien mogen we hier aan het fundamenteele verschil tusschen vertelling en
verhaal (van Wessem) herinneren, (Meyrink ‘verzorgt’ zijn stijl met duidelijke
raffinementen, derailleert ook wel eens daarbij), of aan dat tusschen
romantisch en klassiek, indien dit laatste onderscheid niet wegviel tegenover
de zoo overwegende romantiek van het gegeven.
In elk geval: in dit bepaalde, ‘romantische’ ondergenre zie ik niemand
die het nog van Meyrink gewonnen heeft. Men moet echter scherp schiften: niets
lezen van wat na den Golem verscheen, (deze roman is, op een
paar rommelige hoofdstukken na, ook nog wel genietbaar), en zich bepalen tot de
kortere stukken, vooral die uit Des Deutschen Spiessers
Wunderhorn. Chaotische verzameling! Indische simili-wijsheid naast
suggestieve droomverhalen, zoutelooze grappen naast ‘wetenschappelijke’
fantasieën, occulte symboliek naast zelfpersiflages en satyren, tegen burgers,
artsen, politie-beambten gericht, de machinaties van den geheimzinnigen Pers
Daraschekoh | | | | naast beroemde parodieën op de romans van Frensen. Het
beste hieruit is wellicht Die Pflanzen des Dr. Cinderella,
overtuigend en geperfectioneerd van griezeltechniek; en dan ook die kostelijke
satyrische dierensprookjes: Blamol, Der Löwe Aloys, Tschitrakarna,
das vornehme Kamel. Deze eigenschap trouwens: de ironie (die later Meyrink
zoo schromelijk in den steek zal laten!) geeft hem iets geheel eigens; bij Poe
ontbreekt ze vrijwel. Maar Poe, koel en hooghartig, had ze ook niet noodig als
zelfbescherming! Het blijft te betreuren, dat Meyrink deze speelsche ironie en
daarmee de distantie tegenover zijn eigen fantasieën niet bewaard heeft, en in
het occultisme is ondergegaan, als literator althans.
S. Vestdijk
| |
Noodkreet om Voorlichting
Op een afstand, helaas, want het leek mij een boeiende vertoning, heb ik
het debat gevolgd tussen
Menno ter Braak en
Victor E. van Vriesland, over
Schoonheidszin en Persoonlijkheid. Beide
sprekers deden, volgens het verslag, hun best; beiden kunnen denken, en hebben
zich met geest soms, met grappigheid op andere momenten, uitgedrukt, of altans
ernaar gestreefd dat zo goed mogelik te doen. Enige debaters uit het publiek
(van de Rotterdamse Kring) hebben zich daarna in de strijd geworpen; van de
heer Hana heb ik nu geleerd dat de evolutie thans de
collektiviteit aan de orde stelt - en natuurlik, ieder individueel denken,
dus ook uiting daarvan, wordt dan op slag waardeloos.
Maar mijn ‘helle Freude’ heb ik beleefd aan de tussenzang van de heer
Bieling. Deze immers verklaarde kort en bondig dat hij den avond
niet veel meer dan ‘grappenmakerij’ had gevonden en de kunst onwaardig. Hij
vreest dat het isolement van de letterkundigen een gevaar voor de kunst zelve
wordt. De keuze gaat tusschen optimisme en pessimisme en niet ‘quasi-boel’,
en (hij) vraagt of de dadaïsten dit niet veel aardiger gedaan
hebben. Spr. heeft een soort gecompliceerd denken moeten aanhooren, waarin hij
geen positieve waarde heeft gevonden. (Verslag N.R.
Crt.)
Zonder enige moeite en ondanks het banaliserend element van een
krantenverslag, heb ik hier de mannentaal der ware ernst onderkend En tot mijn
persoonlike instruktie, nodig ik deze spreker uit zijn ideën op papier te
zetten; ik wil alles ervoor doen om ze in Forum gedrukt te
krijgen (als het van mij alleen afhing, beloofde ik het). Ik snak ernaar van de
heer Bieling te vernemen: 1. Wàt geen ‘grappenmakerij’ en geen ‘quasi-boel’ is.
2. Waarin de ‘kunst zelve’ door het isolement der letterkundigen kan worden
geschaad en waaruit dit isolement precies is samengesteld, in tegenstelling dan
met het nietletterkundige. 3. Of men optimist dan wel pessimist moèt zijn; hoè;
en nooit meer het een òf het ander, of beurtelings het een èn het ander;
kortom, de volledige katechismus in deze kwestie van ongetwijfeld primair
belang. 4. Wanneer de dadaïsten leefden, wie en | | | | wat zij eigenlik
waren, waarom en hoe ze ‘het zoveel aardiger hebben gedaan’. 5. Of de positieve
waarden altijd berusten in het ongekompliceerde denken, d.i.: of het
gekompliceerde denken altijd de dood is van positieve waarden, dan wel of dit
alleen voor de heer B. zo uitvalt; of hij zelf in het bezit is van enige
positieve waarden en zo ja, hoe ze ongekompliceerd luiden.
Naar dit alles ben ik, door de enkele regelen die ik las zó benieuwd
geworden, dat ik met een pessimisties-individualistiese zenuwachtigheid
temidden van de optimisties-kollektieve waarheden voortleef en versmacht. Hoe
gauwer de heer Bieling mij dus uit de nood haalt, hoe dankbaarder ik hem zal
zijn. Het is mij in lang niet gegeven om zó duidelik het akcent te herkennen
van iemand die weer te spreken weet als ‘een die macht heeft’.
Maar het kan zijn dat ik in de heer Bieling, als individualisties
debater, te veel gehoord heb, en dat ik mijn vragen zou moeten richten tot
Kollektief-Nederland.
E.d.P.
| |
De Lof van Chanterou
Het spijt mij van harte dat ik van iemand die Chanterou goed kent
sombere berichten over zijn karakter moest ontvangen; want alleen oordeelende
naar wat ik wist van zijn bedrijf leek hij mij een achtenswaardig en
beminnelijk man. Maar buiten alle sympathie en antipathie om, behoort men
eerlijkheidshalve te erkennen dat Rafaël Dubois zich noemende en schrijvende
Chanterou, aan de schilderkunst van zijn tijd eenige eminente diensten bewezen
en aan de ware liefhebbers der schilderkunst eenige oogenblikken van hooge
vreugde bezorgd heeft. Aan zijn vernuftige werkzaamheid hebben wij het te
danken dat de gevarieerde zwendel, welke men met een onschuldig lijkende naam:
belangstelling-voor-moderne-kunst noemt, opvallend is geworden en in zijn
gansche omvang binnen het bereik van onze kritische drift werd gebracht.
Wat is er gebeurd?
Iets doodgewoons. De heer Chanterou heeft, met enthousiasme maar zonder
talent, eenige dozijnen Dufy's, Vlaminck's, Utrillo's vervaardigd. Dat wil
zeggen dat hij ongelooflijk slechte schilderijen maakte welke in de verte,
misschien, een heel klein beetje op de allerslechtste schilderijen van Dufy,
Vlaminck, Utrillo gelijken; maar die absoluut niets gemeen hebben met de goede,
volledige en representatieve werken van die schilders.
Chanterou's kladdoekjes, welke van huis uit niets moois, eigenaardigs,
bekoorlijks of amusants medebrachten en die geen halve roode cent aan kunst- of
handelswaarde vertegenwoordigden, voorzag de maker, om ze toch eenige
aantrekkelijkheid te verleenen, van de goed geïmiteerde handteekeningen van de
meesters voornoemd of eenige andere prettig aandoende signaturen. Dit nu kan
waarschijnlijk niet geheel door den beugel. Maar het is moeilijk om zonder gave
| | | | en zonder energie door de wereld te komen als de crisis
oppermachtig is en bovendien hunkeren deze medeburgers er naar om bedrogen te
worden. Onder de hunkerenden blonk een Brusselsch oogarts uit. Hij kocht
meesterwerken bij wagonladingen. Die Chanterou, zeide hij, is een weldoener der
kunstlievende menschheid; hij levert meesterwerken in alle formaten, van alle
makers en voor zachte - zeer zachte - prijsjes.
De fabriek werkt dag en nacht Dufy, Vlaminck, Utrillo; Utrillo,
Vlaminck, Dufy... Het geweten van Rafaël Dubois, zoo het ooit eenige
aanvechting tot spreken had, zwijgt nu als een mof: ‘iemand die zich in de
museumstukken wil zetten à 4.72 of 8.27 per eenheid, kan toch weten dat ze in
serie gemaakt moeten worden, want alleen door rationaliseering der
productiewijze kan men tot een zeer lage detailprijs komen’.
Het geweten van Rafaël Dubois verstaat de kunst van juist
redeneeren...
Maar ook aan de kunstdorst van oogartsen komt een einde. Toen hij het
oogenblik gekomen vond om de stock te liquideeren, zocht hij onder alle experts
ter wereld de domste en de verwaandste uit. Deze bleek zijn bedrijf te
Amsterdam uit te oefenen, was - getuige tallooze publicaties van zijn hand -
bijzonder uitgeslapen op het gebied van vervalschingen en jurist op de koop toe
te zijn.
De expert greep met handen en voeten de gelegenheid om zulk een
kostelijke collectie van moderne kunst onder den hamer te brengen aan. Hij liet
een catalogus drukken en verrijkte die met printverbeeldingen, welke geen zweem
van twijfel omtrent de waarde en de authenticiteit der aangeboden werken
overlieten. De klanten kregen het boekje thuis, niemand protesteerde. Men
stelde de rommel ten toon, honderde liefhebbers defileerden er langs, niemand
protesteerde. Men veilde. De uitgelezen kenners van Amsterdam haalden heerlijke
koopjes. Niemand protesteerde.
Er er zou tot op den huidigen dag nog steeds niemand geprotesteerd
hebben, indien niet een van die rare prikkelbare Fransche kunstenaars, bevangen
door een vervelend soort eigengereidheid, roet in het eten was gaan werpen. In
plaats van rustig, doof, blind en stom te blijven gelijk ieder verstandig en
wereldwijs schilder in zoo'n geval doet om geen paniek onder zijn clientèle te
verwekken, zette hij een groote mond op.
Toen begon het schandaal!
Het verdient in het algemeen aanbeveling om de schilderijen welke men
maakt niet of met de eigen naam te teekenen. En de heer Rafaël Dubois had
ongelijk toen hij het pseudoniem Dufy, Vlaminck of Utrillo koos. Maar dit
kleine vergrijp van een arme scharrelaar die in moeilijkheden zit, wordt iets
bekoorlijks en beminnelijks, een vergeeflijk wissewasje, naast de manieren van
een welgesteld oogarts die in moderne meesterwerken van ƒ3.29 speculeert, van
een expert | | | | die zoo dom is dat hij het verschil tusschen een leeg
sardineblikje en een Auburn Cord niet ziet, van een publiek dat de
weerzinwekkendste kladververij koopt alleen omdat die goedkoop is en een dure
naam draagt.
Als hier velen z.g. ‘schuld’ hebben, dan is er toch in die schulden een
hiërarchie.
De oprechte, wasch- en kleurechte zwendelaars zijn zij die zonder de
flauwste notie van welke vorm van schoonheid ook, zonder eenige liefde voor het
welgeslaagde werk van menschenhanden, z.g. schilderijen koopen om een náám; die
zich daarbij dan maecenas noemen en die, met de achtergedachte aan een gokkie,
zich een schijn van beschaving en ontwikkeling willen geven. Als ik een beetje
indringend aan kenners, experts en speculanten denk, dan voel ik toch een
groote en warme vriendschap voor Rafaël Dubois, ondanks de waarschuwingen van
onzen wederzijdschen vriend.
Gr.
| |
Chaos
Sedert eenigen tijd verschijnt in The Albatross Modern
Continental Library maandelijks een viertal werken (goede en slechte) uit
de engelsche litteratuur. De boekjes verschijnen in zes kleuren, om ze voor den
lezer reeds op grooten afstand herkenbaar te maken. Rood beteekent (ik citeer
in het duitsch omdat dat het beste klinkt): Kriminal- und
Abenteuergeschichten. Blauw: Liebesromane. Violet:
Biographien, historische Romane. Geel: Psychologische Romane, Essays (hiervan wenden de meeste lezers
zich al in de verte af). Oranje: Novellen und humoristische
Romance. Groen: Reiseerzählungen, Romane aus fremden
Ländern.
Ik heb mij afgevraagd, op welke menschensoort deze verdeeling eigenlijk
is afgestemd. Psychologie schijnt voor deze chaotische wezens een
afzonderlijk(geel) iets te zijn. Liefde staat daarvan blijkbaar geheel los;
ware liefde is blind, dus onpsychologisch(blauw). Novellen wekken kennelijk
zonder meer de bijgedachte aan grapjes op, want zij zijn met de grappen-romans
op oranje afgestemd. Misdadigers en avonturiers hebben hun eigen (ook van de
liefde) afgezonderde kleur, rood natuurlijk. Gesteld, een auteur schrijft een
psychologische novelle over een verliefden avonturier omstreeks 1650 met een
humoristisch accent, zich afspelend in Brazilië; dan is de heele Albatross-indeeling in de war. Er is dan een synthese, die boven
deze indeeling uitstijgt en die onder de chaotische klanten van de Library heillooze verwarring kan stichten; tenzij men er toe
besluit een Regenboog-Serie aan de bestaande toe te
voegen...
Maar in vollen ernst: is het wonder, dat er onder deze menschensoort
exemplaren voorkomen, die van het lezen gek worden? En dat zij allen volslagen kleurenblind zijn op het gebied van den
smaak?
M.t.B.
|
*)Vergeef mij, zoo 'k de naam naar 't
Nederduitsch verfomfaai; Dus brult nog Neerlands leeuw, schoon Frankrijks haan
triomf kraai.
|
|