|
|
|
| |
| | | | | |
Sancta Simplicitas
Naar men in de dagbladen leest, hebben dr.
P.N. van Eyck en prof. dr.
P. Geyl tegen den armen prof.
Colenbrander een beschuldiging ingebracht van plagiaat;
prof. C. zou een artikel over den jubileerenden Zwijger klakkeloos van Pirenne
en
Fruin hebben gestolen. Het slachtoffer heeft dit trouwens
bereids toegegeven: Ik heb gemeend, dat de afhankelijkheid van
Pirenne voor ieder deskundige volkomen duidelijk zou zijn; ook zonder dat ik
hem telkens opnieuw noemde heeft elk historicus moeten weten dat ik Pirenne in
de eerste plaats volgde. (N.R. Ct. van 17 Jan. jl.).
Wij voor ons staan in dit geval volkomen aan de zijde van prof.
Colenbrander. Ieder deskundige in de wetenschap, en ook iedere leek
langzamerhand, behoort te weten, dat 90 pCt. van de wetenschappelijke
leveranties geregeld van fatsoenlijke diefstallen aan elkaar wordt gelijmd; in
enkele gevallen noemt men den naam van den bestolene, in 95 pCt. van de
gevallen niet. (In de middeleeuwen was trouwens plagiaat gangbaar en
geoorloofd; m.a.w., men toonde menschenkennis tegenover de ontelbare ‘weters’,
die zoo graag met feiten willen pronken en men trachtte den diefstal niet als
uitzonderingsgeval voor te stellen). Nu is de ongelukkige Colenbrander door
toedoen van twee concurrenten (en nog wel bij een jubileum, dat alles verontschuldigt op dit gebied) uitgekreten als een
misdadiger, omdat hij een gelegenheidsopstel, samengesteld uit de eigendommen
van Pirenne en Fruin, met zijn eigen naam heeft voorzien. Welk een waanzin!
Heeft men soms naïevelijk van prof. C. een origineel werk verwacht? Waarom
vraagt men niet liever, wie er bij deze diefstal schade heeft gehad? Het zou
dan blijken, dat niemand is geschaad, integendeel: Willem de Zwijger is 400
jaar geleden geboren en dus dood, De Gids bracht een
gezaghebbend artikel, de uitgever kon daardoor voor dit nummer een oranje kaft
geven, het publiek vindt alles al lang erg geleerd en imposant. Dus... maar
neen; vol gewicht plagen de heeren Geyl en Van Eyck Colenbrander met plagiaat,
alsof zooiets bij hooge uitzondering voorkwam. Wij willen niet onaardig zijn
door te verwijzen naar prof. Geyl's Geschiedenis van de
Nederlandsche Stam of de verdienstelijke dissertatie van dr. M. ter Braak,
in welke werken de diefstal trouwens veel diplomatieker wordt bedreven, doch
liever volstaan met deze poging tot volledig eerherstel van den Leidschen
hoogleeraar. Balthasar Gerards heeft den Prins veel meer kwaad gedaan.
M.t.B.
| |
Moscou gaat droomen
De N.R.C. van Zaterdag 14 Januari 1933 (Avondblad B 1)
bevat een verslag van een lezing ‘Literatuur in
Sowjet-Rusland’, gehouden | | | | door den schrijver
J. Last voor de Amsterdamsche Kunstenaarssociëteit ‘De
Kring’. Hoewel deze sociëteit éen der walgelijkste verblijven ter wereld is,
waar de lamlendigheid van drie kwart der huidige hollandsche kunstenaars zich
op de meest afdoende manier demonstreert en encanailleert met het meest
vaat-doeksche half- en schijn-intellect van de burgerlijksten onder de burgers,
de z.g.n. beschaafden (‘vrij-gevochtenen, quasi-bohémiens,
vrienden-der-kunst’), waar lamzakken van heeren vastgeplakt tegen lamzakken van
dames (de woorden mannen en vrouwen bewaar ik voor ander gezelschap)
rondschuifelen in den waan dat dat dansen is, waar dichters hun uren
verlummelen met meiden die te stom zijn om één woord mee te wisselen en te laf
om de baan op te gaan, was deze omgeving van valschheid, verleugende
schijn-cultuur en hysterische aanstellerij, dit stinkende roddelmilieu waar ook
vrienden van mij zich niet ontzien te verschijnen, de ware omgeving voor Last
om zijn lezing te houden. Hij kan er zeker van zijn dat hij weerklank gevonden
heeft in de vurige harten van zijn hoorders en dat zij gloeiend van hartstocht
voor zijn idee en geloof het lokaal zullen hebben verlaten. Aangenomen althans
dat hij bezielend gesproken heeft, wat ik onmiddellijk aanneem.
De heer
Goudsmit sprak onlangs in een openbare vergadering met
arbeiders over zijn boek Ter Bruiloft; de heer Last sprak
voor de besloten vergadering van ‘De Kring’ over Sowjet-literatuur. Men
betwijfelt het nut van beide causerieën. Van de tweede omdat iedereen die ‘De
Kring’ kent, weet dat het er werkelijk niets toe doet wat dat
tuig van welke literatuur, ideologie of revolutie ter wereld zou denken of
vinden. Buitendien weet men dat van te voren: zij heeft haar pro's en haar
contra's, alsof zij recht had op éen pro of éen contra, alsof zij voor éen pro
of contra ter wereld haar hand in het vuur steken zou. Wat is dan de zin dier
vertooning? Waarom spreekt Last voor ‘De Kring’? Omdat Moscou contact zoekt met
de bloem van hollandsch intellect en vrijt met de bougeoisie? Omdat hij,
weggeloopen bourgeois en intellectueel, het in zijn hart toch nog mooi vindt om
daár te spreken en misschien te worden gewaardeerd? Het is onzinnig,
karakterloos, walgelijk.
De bespreking door Goudsmit van zijn roman Ter
Bruiloft voor arbeiders is, in omgekeerde richting, een zelfde
verschijnsel. Eenzelfde verschijnsel als het principe van Links
Richten, dat de arbeiders literatuur wil gaan schenken en hen náder
brengen tot de literatuur. Is er een burgerlijker vertooning denkbaar behalve
het schouwspel van Last voor ‘De Kring’? Wat heeft Moscou aan de imbecielen van
het Gartmanplantsoen, wat heeft een arbeider aan een burgerlijk boek als
Ter Bruiloft? Waarom moeten de arbeiders schrijven? Ik zou, als ik arbeider was, den heer Goudsmit en de
redactie van Links Richten hebben gezegd dat ik mij niet liet
gebruiken als klankbord voor hun ‘kunstenaars’-ijdelheid, dat de arbeiders
allereerst behoefte hadden | | | | aan materieele verbetering, niet aan
boeken of ‘zelf-expressie’. Dat zou buitendien marxistisch gedacht zijn en voor
zoover de arbeiders niet bij brood alleen willen leven, kan men hen,
revolutionair-bezielend en revolutionair-opbouwend beschouwd, andere menschen
en boeken voorzetten dan Last, Goudsmit, Marianne en
Ter Bruiloft. Maar moet ik dat hier
zeggen?! -
De verrassing in het verslag van Last's lezing is deze: ‘Het zijn lang
niet altijd de modernste schrijvers die bij het volk in hoogste eere staan.
Merkwaardig is b.v. de groote voorliefde voor een zoo romantische en
sentimenteele figuur als Poesjkin. Ehrenburg mocht nog het waardelooze principe
van de “nieuwe zakelijkheid” verdedigen, - evenals het architectencongres heeft
thans ook het laatste plenum der Russische schrijvers dat verworpen
omdat het den moed tot den droom miste en de sociale
romantiek miskende’. (Ik cursiveer. M.)
De opportunisten, die Cement vereerden als dé roman
van het heden, van hun levende realiteit, erkennen ook met déze wending de
ontoereikendheid van hun eigen ideologie en systeem. Maar toen wij die bestreden lag het aan onze ingekankerde burgerlijkheid,
die niet wist wat het heden, en vooral het russische heden, behoefde en
eischte. Na een vijfjarenplan dat den mensch hielp vermoorden om zijn lijk met
traktoren naar het kerkhof te kunnen sleepen, na een aanpassingspolitiek, die
gevend en nemend, zich voortdurend verder bewoog van het oorspronkelijk ideaal,
krijgt de mensch plotseling recht op ‘droomen’ en alsof dat nog niet
‘burgerlijk’ genoeg was, wordt Goethe, de Opper-Burger, op een volksfeest
herdacht en is van het voor die gelegenheid zoo juist verschenen eerste deel
van zijn opnieuw vertaalde werken eveneens reeds geen exemplaar meer te
krijgen.
Ik had altijd nog hoop dat ik eens voor een hollandsche communistische
rechtbank-zou staan, die eischen zou dat ik mijn werk zou herroepen. Maar ook
die illusie verbleekt. Stalin beveelt dat wij ‘droomen’ en de millioenen
‘droomen’ de ‘droomen’ van Goethe, dien slaaf van zijn Hertog en Minister van
Weimar, en in de ‘krotten’ van Moscou neuriën vuurroode moeders het wiegelied
‘Penthesileia’ voor zuigeling-stootbrigadiers.
Er was eens een russische revolutie, er leeft ergens
bij Stamboel een geweldige kerel, een man van het Groote Formaat. Maar hij
blijft verbannen en Moscou gaat droomen.
H. Marsman
| |
De Tyranny verdrijven?
In het December-nummer van
Den Gulden Winckel opent
J. Greshoff een nogal heftig trommelvuur op wat hij noemt de
‘tyrannie van den boekhandel’. Er staat in dit opstel veel, waar ik het
hartelijk | | | | mee eens ben; en toch ben ik overtuigd, dat het geen
doel treft. Om andere redenen overigens, dan de boekhandelaars wellicht meenen;
ik wil geenszins ontkennen, dat hun ‘tyrannie’ bestaat, dat elke voorliefde
voor romans als de meest gangbare waar stupide is en een aanfluiting van het
beroep van boekverkooper in een denkbeeldig Utopia; maar het is mij ten
eenenmale onbegrijpelijk, waarom Greshoff zoo boos wordt op de arme wezens, die
gedwongen zijn een zoo dwaze ‘waar’ aan den man te brengen. Meer dan Greshoff
zie ik hier voor alles het publiek als de dikke, logge
oorzaak van de ‘misstanden’ (het woord klinkt wat kras, want kan men anders
verwachten?), de boekhandelaren als secundaire symptomen; het publiek laat zich
niet revolutionneeren door een idealistischen boekanier, die probeert
short-stories inplaats van romans te verkoopen, zooals Gr. meent. En gesteld
eens, dàt het iemand lukte, wat zou het dan nóg bewijzen! Dat de leuze ‘kort en
gevarieerd’ het winnen kan van de leuze ‘lang en dik’! Een triomf dus der
stupiditeit op de korte baan over de stupiditeit van de Marathonloop!
Laatst heeft een achterneefje van Rudolf Steiner, de heer Henri Zagwijn,
een lezing gehouden over de ‘nieuwe paedagogiek’, waarin hij o.a. zei, dat deze
moest streven naar een innerlijke synthese van den Griekschen
‘gymnast’, den Romeinschen ‘rhetor’ en den Renaissancistischen ‘doctor’.
Ik permitteer mij te meenen, dat een paedagoog, strevend naar deze innerlijke
synthese, een ongeneeslijken krankzinnige zou opkweeken, of misschien wel een
kruising van een circusacrobaat, een zwetser en een bebrilden
bibliothekenhabitué, juist nog geschikt voor het Dornachsche Goetheanum, maar in geen geval bruikbaar voor de maatschappij.
Waar Gr. nu den boekhandelaar wil opvoeden tot een innerlijke synthese van
roman, short-story, essay en poëzie, daar geloof ik, dat hij zich aan dezelfde
fout schuldig maakt als de heer Zagwijn: hij stelt de vooze theorie boven de
levende practijk en ziet voorbij, dat een publiek met vier kleine vooroordeelen
nog niet méér inzicht heeft dan een publiek met één zwaarlijvig vooroordeel.
Wat kan het mij in laatste instantie schelen, of de kindertjes van den heer
Zagwijn (zijn leerlingen, wel te verstaan) bij drommen gymnastisch-rhetorische
doctorenzielen krijgen in plaats van, zooals vroeger, gewoon hun diploma met
hun gezonde of ongezonde verstand; wat gaat het mij aan, of het publiek zich
met romans dan wel met verhaaltjes bezig houdt, of het zich in het groot of in
het klein laat ‘tyranniseeren’, d.w.z. in mooi nederlandsch voorlichten?
Wie zich laat ‘voorlichten’, vraagt om tyrannie: dat
is mijn meeningsverschil met Greshoff. Voor de rest applaudiseer ik bij zijn
initiatief.
M.t.B.
|
|
|