|
|
|
| |
| | | |
Over de Dichteres Emily Dickinson
| |
I
Van de Amerikaansche dichtkunst ziet een buitenstaander vooral den
baard van Walt Whitman; onmiddellijk daarachter doemt het sombere masker op van
Edgar Allan Poe. Beiden kent hij, alsof het Europeanen waren, ja landgenooten;
van de Leaves of Grass meen ik zelfs een Hollandsche
vertaling gezien te hebben, terwijl de raaf reeds decennia geleden uit alle
declamatoren kraste, veelal in een toentertijd gangbaar, op poëzie gelijkend
Hollandsch taaleigen. - Slaat hij dan ter nadere kennismaking, in een onzer
openbare bibliotheken een Amerikaansch literatuurboek op van laat ons zeggen
1900, dan zal hij daaruit o.a. kunnen leeren, dat er naast andere ‘groote’
dichters (zooals een zekere Longfellow) ook vele ‘minor poets’ bestonden, en
toevallig leest hij dan misschien de beschermend-waardeerende woorden, aan een
vrouwelijke ‘minor poet’ gewijd: Emily Dickinson. En, tenzij hij op eigen
onderzoek uitgaat, zal hij niet vermoeden, hier met iets ongemeens te doen te
hebben, dat onverdiend door vorige generaties bij de groote hoop gegooid
werd.
Het is voor deze Emily Dickinson, dat ik hier aandacht vraag, al is
haar relatieve miskenning wellicht een hopeloos geval. Een volledige, flagrante
verwaarloozing immers springt op een bepaald moment in het oog; bij een
relatieve miskenning echter bestaan er reeds ‘waardeerende’ beoordeelingen, die
de figuur gesitueerd hebben en dus van de plicht ontslaan zelf te oordeelen en
de gangbare meening te herzien. Over Emily Dickinson is niets bepaald onjuists
geschreven, maar men heeft haar ook nauwelijks de plaats ingeruimd, die haar
toekomt: een plaats tusschen de groote origineelen der wereldliteratuur, die
voor ons nog van belang kunnen zijn. Wat zeggen modernere critici over haar?
Ongetwijfeld maakt zij in de bloemlezing van Untermeyer geen slechten indruk,
zegt Régis Michaud | | | | juiste dingen over haar kunst (hoewel hij haar
in één adem noemt met Moody, dien hij elders als Shelley-epigoon signaleert),
stipt Fischer, in het nieuwe Handbuch der
Literaturwissenschaft, haar ‘hohe Bedeutung’ voor de hedendaagsche
dichtkunst aan. Het ligt misschien aan het nivelleerend karakter van dergelijke
compacte gidsen, dat dit alles zoo weinig overtuigend klinkt; zou het niet de
moeite waard zijn na te gaan, hoeveel tweede-rangsfiguren in zulke
handleidingen al van ‘hoher Bedeutung’ voor onzen tijd zijn geweest?
Maar in elk geval wordt dan toch haar ‘moderniteit’ toegegeven: Emily
Dickinson, die van 1830 tot 1886 leefde en op haar 30e jaar kleine gedichten
begon te schrijven, pas na haar dood verzameld en uitgegeven, kan men
inderdaad, wanneer men haar werk van een (niet eens zeer dikke) tijdbolster
ontdoet, een ‘moderne’ avant la lettre noemen, ‘modern’ in den zin van wat ons
nog levend aandoet, zooals men de Nerval ‘modern’ noemt.
Wanneer men nu zoekt naar de oorzaken, welke haar bekendheid en haar
invloed op de ontwikkeling der eind-19e eeuwsche dichtkunst verhinderden en het
misverstand: ‘minor poet’ in de wereld brachten, vindt men in de eerste plaats
dit: dat Emily Dickinson's poëzie te laat gepubliceerd is (1890), om nog tegen
den invloed van Whitman en Poe op te kunnen. Omstreeks 1890, den tijd van een
tweede poëtische ‘renaissance’ in Amerika, begon de roem dezer twee, via
Frankrijk en Engeland, naar hun eigen land te weerkaatsen. Men ontdekte Whitman
en Poe, maar moest voor deze al te late waardeering als het ware boeten met een
geheel de belangstelling in beslag nemenden, vrij onselectieven stroom van
vooral Fransche aesthetica. Imagisten en anderen hielden zich bezig met het
synthetiseeren van Parnassus, symbolisme en vers-libre; bovendien moesten de
herleefden, Whitman en Poe, - de dynamicus en de staticus, maar ook de realist
en de phantast, de dithy-rambicus en de introspectieve pessimist, - wel als de
twee hemispheren van het poëtische Universum imponeeren, waarnaast geen derde
mogelijkheid plaats kon vinden. De | | | | belangstelling was overbezet
en voor Emily Dickinson bleef slechts een ‘succes d'estime’.
Toch moeten voor haar miskenning andere, diepere gronden aan te wijzen
zijn. Bestaat er niet een kunstenaarstype, dat in wezen reeds, dus geheel
afgezien van rang en waarde, voorbestemd is, betrekkelijk onbekend te blijven,
niet alleen tijdens het leven, maar nog zeer lang daarna? Bij ons zou wellicht
de
Herman Gorter van de School der Poëzie
er toe gerekend moeten worden, indien deze wonderbaarlijke gedichten ten
aanzien van den ‘roem’ niet van de
Mei meegeprofiteerd hadden. Van de
Fransche dichters noem ik Léon-Paul Fargue. Wat vereenigt de vertegenwoordigers
van dit type? Met alle restrictie, bij het rangschikken van concrete figuren
naar algemeene criteria geboden, mogen we zeggen: een zekere ontoegankelijkheid
en hardheid, meestal reeds in de factuur bespeurbaar, een moeilijk
definiëerbaar ascetisme, een weerbarstigheid, die zich het duidelijkst
manifesteert in een totaal gemis aan aanpassing aan den publieken smaak. Dit
negatief kenmerk wordt echter in ruime mate vergoed door de argeloosheid en
oorspronkelijkheid, waarmee zij telkens weer het hoogste of essentiëelste in
hun kunst benaderen. Men zou van vergeestelijking of verinnerlijking kunnen
spreken, indien de beteekenis dezer woorden niet zoo vaag en ethisch-verwrongen
was.
Laat ons hierna voor het contrasteerende type nogmaals Poe en Whitman
beschouwen. Hoe moet men verklaren, dat beiden niet zeer lang na hun dood op
hun juiste en volledige waarde geschat zijn? Zou die verklaring niet
gedeeltelijk gezocht moeten worden in een zekere perfectie van dat, waarop óok
de massa bij het uitreiken harer brevetten het eerst let, n.l. van de
uiterlijke, direct waarneembare qualiteiten? Er ligt in beiden iets, dat,
hoezeer ook verschillend en in verschillende mate, op onze middelmatige
instincten speelt; tenslotte is de doorsnee-schooljongen gevoelig voor een
gedicht als The Raven, zooals de gemiddelde democratische
idealist voor de peroraties van Whitman. - | | | |
Het direct-waarneembare van een gedicht is zijn klank, - waarmee ik in
dit verband niet wil zeggen, dat alléén de klank, zelfs in zijn uitgebreidste
beteekenis, de bedoelde gedichten ‘beroemd’ heeft gemaakt, maar wel, dat hij
als de meest tastbare exponent van algemeen erkende ‘goede’ poëzie kan gelden.
Geheele richtingen in de aesthetische kritiek gaan van den klank uit en keeren
er toe terug, de klank is het gemakkelijkst aanvaardbaar en analyseerbaar, - en
hoezeer men ook als theoretisch postulaat aan de z.g. eenheid van klank, beeld
en gedachte moge vasthouden, in de practijk blijkt daar gewoonlijk zoo weinig
van, dat een volmaakt klankgedicht (waarvan de klank schoon, of opvallend, of
alleen maar traditioneel is) met nietszeggenden inhoud eerder als poëzie
aanvaard wordt dan de sterkste poëtische impuls die niet tot een treffend
klankgeheel gevormd werd.
We kunnen dus van het klanktype spreken. Dit zou dan
weer onder te verdeelen zijn, b.v. in het muzikale en het verbale type, al naar
het vers in hoofdzaak als woordmuziek of als gesproken woord opgevat wordt. Als
grensgebieden treden dan op: de muziek zelf resp. het proza, of beter: de
gesproken rede, de oratie. Voorbeelden: Verlaine en bij ons Engelman voor het
muzikale, - voor het verbale: Corbière, en du Perron. Poe behoort tot het
muzikale type, Whitman zoo sterk tot het verbale, dat hij het grensgebied, het
proza, half betreden heeft. Het laatste is echter niet noodig om iemand tot
vertegenwoordiger van dit type te maken (het Gebed bij de harde
dood b.v. volgt consequent zijn prosodisch schema); evenmin is noodig, dat
het muzikale vers steeds ‘zangerig’, zoetvloeiend klinkt: in de muziek ligt
bovendien een mathematisch element, dat zich eveneens in het muzikale vers,
soms gepaard met groote ‘hardheid’, kan manifesteeren (een goed voorbeeld
hiervan zijn sommige verzen van Hendrik de Vries). -
Door hun klankqualiteiten vooral zijn Poe en Whitman tot de
onomstootelijke figuren geworden, die wij in hen zien, Poe door zijn
narcotische welluidendheid, zijn ma- | | | | thematische doorwrochtheid,
Whitman door zijn breidelloozen ‘auctiestijl’, zijn profetisch over prairiën en
steden loeiende stem. Het is wel zonder meer duidelijk, dat dit groote en
ontzaglijke kunst moet zijn, omdat het toch op zijn minst groot en ontzaglijk
klinkt. En het spreekt wel vanzelf, dat een bescheidener,
vooral in klankopzicht onopvallender poëzie als die van Emily Dickinson
tusschen deze twee tot die van een ‘minor poet’ moest verschrompelen; niet
alleen door de historische constellatie: meer nog door verschillen in
klankvolume werd haar lot beslist. Zij werd overzongen door Poe, overschreeuwd
door Whitman. Vergelijken is steeds hachelijk, ongetwijfeld; in laatste
instantie blijven deze drie auteurs onvergelijkbare grootheden, en in een
rustige, platonische spheer zou het bekrompen zijn, ten koste van den een de
ander te prijzen. Doch zoodra het evenwicht door den consensus gentium dezer
wereld zoo verstoord is geworden als in dit geval, wanneer men Poe o.a. of
zelfs hoofdzakelijk bewondert om zijn ‘muziek’, Whitman om zijn vitalen
woordenrijkdom, en Emily Dickinson meent te mogen beschoolmeesteren om
rijm-on-toereikendheden of kortheid van adem, dan is het billijk den nadruk te
leggen op wat haar als vertegenwoordigster van een geheel andere soort poëzie, van een geheel ander type, haar bijzondere waarde verleent.
Het type, waartoe zij behoort, schrijft poëzie, die niet in de eerste
plaats door klankschoonheden opvalt, en die door haar grootere eenvoud en
onopgesmuktheid voorbeschikt is om in het verborgen te bloeien. De poëtische
impuls, die zich in het vaak hoogdravender klankgedicht tot grijpbaren vorm
realiseert, blijft hier naakt en onbeschermd: klank, techniek, syntactische
differentiatie, in één woord: het lichaam van het vers, ontbreken natuurlijk niet, maar zij spelen een ondergeschikte
rol: het accent valt op de oorspronkelijke visie en conceptie, die steeds op
ingehoudener of zelfs inderdaad onbeduidender wijze uitgewerkt worden dan bij
het tegentype. Noem het het intentioneele type. Men kan
zeggen, dat hier het gehalte of de inhoud overweegt boven den vorm, maar moet
dan vermijden deze | | | | twee begrippen in een al te starre
tegenstelling tot elkaar te brengen, vooral wanneer we het laatste niet
uitsluitend als ‘prosodische vorm’ opvatten. De poëtische intentie, in de
beteekenis die ik er hier aan hecht, gaat reeds geheel zwanger van de
vormgeving in niet geringere mate dan zij reeds den geheelen ‘inhoud’ in zich
draagt. Zoo ooit, dan blijkt hier, dat vorm en inhoud hoogstens te
onderscheiden, maar niet te scheiden zijn, en dit om de eenvoudige reden, dat,
zoodra men den inhoud van den vorm scheidt en er als iets afzonderlijks over
spreekt, deze inhoud tot iets anders wordt, een anderen
‘vorm’ aanneemt, getransponeerd wordt naar een ander objectiveeringsgebied dan
poëzie (aphorisme, prozaparaphrase, betoog etc.), dus niet meer dezelfde
‘inhoud’ van dát bepaalde vers is gebleven. De ‘vormloosheid’ van een gedicht
(we zien natuurlijk af van het simpel geval, dat het gedicht als zoodanig, en
dus óok zijn vorm, waardeloos is!) mag men dan ook pas bepalen door zijn vorm
te vergelijken met de vormen van andere gedichten, maar niet door vorm en
inhoud van het gedicht zelf tegen elkaar af te wegen. Eerst bij vergelijking
met het muzikale type blijkt de relatieve ‘vormloosheid’ van het intentioneele
type, prosodisch in de eerste plaats, maar ook syntactisch, atmospherisch, ja,
tenslotte reflecteert deze schamelheid weer tot diep in den ‘inhoud’ zelf. Is
ons echter een licht opgegaan, hebben we ons eenmaal van de belangrijkheid van
dien ‘inhoud’ (gehalte, ‘zin’) overtuigd, hebben we ons bovendien afgewend, het
intentioneele gedicht met een totaal incommensurabel genre te vergelijken, dan
zal misschien, door een merkwaardige suggestie, de inhoud weer op den vorm
terugkaatsen, deze zal ons meer gaan boeien, en we zullen ontvankelijk blijken
óok voor klankschoonheden, die we in het begin niet aanwezig dachten.
Maar inderdaad: bij eerste kennismaking schijnt het, alsof Emily
Dickinson reeds al te ver die grenzen overschreden heeft, waarop nog van een
harmonisch evenwicht tusschen essentie en vorm, inhoud en inkleeding, intentie
en verwerkelijking gesproken kan worden. Er is mij geen poë- | | | | zie
bekend, die zoo weinig lijkt, en zooveel is. Natuurlijk is dit een nadeel, een gebrek als men wil. Maar
dit toch eigenlijk alleen voor hen, die zich op het contrasteerende type, het
klank- en vormgedicht, blind gestaard hebben! Vergeet men een oogenblik die
gesanctionneerde poëtische waarden, en geeft men zich aan de gedichtjes van
Emily Dickinson zonder vooroordeel over, dan komt men wellicht tot de
ontdekking, dat hier eveneens een intentie gerealiseerd werd, maar op dusdanige
wijze, dat bijna de intentie zelve tot de verwerkelijking
wordt, een verwerkelijking dus, die men als het ware in de vlucht moet
opvangen. Althans liggen bedoeling en realisatie, potentie en actualisatie, zoo
dicht mogelijk bij elkaar, hetgeen eenerzijds het levend-spontane karakter
dezer kunst waarborgt, anderzijds echter meer medewerking van de zijde van den
lezer vereischt. In Emily Dickinson's kunst bezitten we geen volmaakt (of
beter: volledig) uitgekristalliseerde kunstwerken, maar het is alsof we een
kunstenaar bij het levende uitkristalliseeringsproces zelf bespieden; we
betreden niet een museum, maar een atelier; we kijken niet door een
verrekijker-op-een-uitzichttoren naar magnifique, rustig golvende landschappen,
maar door een microscoop, waaronder cellen bezig zijn zich te
deelen, stoffen bezig zijn zich mikrochemisch te verbinden en
van kleur om te slaan.
| |
II
Van een kunst, die haar doel met een minimum aan objectieve middelen
bereikt, zijn de ‘intentioneele’ gedichten van Emily Dickinson een
onovertrefbaar specimen. In dit opzicht vooral is zij modern. Ontdoet men de
moderne poëzie van alle bijkomstigheden, van alle gewilde stijlgrilligheid, van
‘ismen’ en uitwassen, dan houdt men inderdaad een streven over naar
onmiddellijkheid, naar het tegelijk intensieve en spontane, maar ook naar
inperking tot het essentiëele, naar verscherpende concentratie, naar laconische
zakelijkheid zelfs bij de weelderigste phantasie, naar het raccourci, het
weglaten van niet-noodzakelijke tus- | | | | schenschakels in associatie en
metaphoor. Men zou van een primitiviteit kunnen spreken, die tegelijkertijd het
hoogste raffinement is: een herwonnen eenvoud, die alle
mogelijkheden tot complicatie in zich omvat, omdat hij alle complicaties achter
zich heeft gelaten. Bij Emily Dickinson reeds - en in dit opzicht alleen is zij
al veel moderner dan Poe of Whitman! - het meesterschap in het uitputten van
een onderwerp door twee, drie regels; reeds bij haar die allereenvoudigste
taalvormen, schijnbaar op de grens van pretentieloos gestamel staande, maar
toch door gehalte, plastiek, toon, trefvermogen ontegenzeggelijk kunst. Dit
streven naar beknoptheid valt het meest op in de compositie, in het hanteeren
van den ‘kleinen’ vorm. Deze vorm heeft tenslotte ook het gelijkmatig peil van
haar toch vrij omvangrijk oeuvre mogelijk gemaakt. Het is interessant
daartegenover de verhoudingen bij sommige ‘klankdichters’ te stellen: Poe, die
zoo opvallend weinig van zijn volmaakte gedichten schreef, en b.v. E.A.
Robinson, wiens talrijke pronkstukken een handleiding voor de gevariëerdste
prosodie zouden kunnen vervangen, maar die meerendeels zoo morsdood zijn, dat
men het fascineerende gedicht Luke Havergal zorgvuldig moet
uitgraven uit al de pompeusheid, die hem zijn roem verzekerd heeft. -
Maar, afgezien van stijl en verstechniek, blijkt haar ‘moderniteit’ wel
het overtuigendst uit de ongedwongenheid waarmee zelfs de diepste onderwerpen
behandeld worden. Soms liggen aan deze gedichtjes zielsprocessen ten grondslag
(b.v. philosophische bespiegelingen), die gewoonlijk het meest aan verstarring
en rationalisatie blootstaan, maar die hier niettemin spelenderwijs en toch met
zeldzame helderheid en indringingsvermogen aanschouwelijk gemaakt zijn. Het
kenmerkende dezer bezielde, scherp-plastische, maar tegelijk diepzinnige kunst
is dan ook, dat de schrijfster voor elk onderwerp open staat, misschien omdat
ze tenslotte in diepste wezen voor elk onderwerp indifferent blijft, niet in
haar objectiveeringen vastloopt, tegenover alles haar levende onbevangenheid
bewaart. Gebieden, die geheel tot den ideëelen bovenbouw van | | | | het
menschelijk denken behooren: religie, metaphysica, psychologie, entameert zij
in dezelfde kleine gedichtjes, op denzelfden toon, als de eenvoudigste
natuurlyriek. Zij laat alles gelden, verdringt niet het bewustzijn, zooals b.v.
de surrealisten, bij wie trouwens de ratio, die zij willen vermijden, als
vogelverschrikker juist aanwezig is. De surrealist blijft krampachtig onder den
drempel tusschen bewust en onbewust, de rationalist, de objectivist, er boven,
beiden zijn star, dood, ‘onmodern’. Emily Dickinson geeft zich onbekommerd over
aan de levende beweging van het psychische, niets acht zij te laag of te hoog
om aanleiding te worden voor haar poëzie. Deze gedichtjes bevatten in kiem
alles, omdat ze den psychischen stroom zoo dicht mogelijk bij
zijn oorsprong, vóor alle vertakking of kanalisatie, opgevangen schijnen te
hebben. Een vers van Emily Dickinson zou, terwijl het toch steeds
onverwisselbaar tot één genre behoort, evengoed kunnen uitgroeien tot breede
lyriek, epigram, allegorie, didactische poëzie, orakelspreuk, wijsgeerige
verhandeling, aphoristische levensles, puriteinsche kanselrede, als tot
psychologisch portret, uitgesponnen natuurbeschrijving, impressionistische
schets, korte novelle, arabesk, groteske, satire, of tot een
psychophysiologische theorie. Geen van deze begrippen past als ‘etiket’ op haar
kunst, maar alle zijn steeds als mogelijkheden bij haar
verondersteld, zij resonneeren mee, en door middel van deze resonnantie
overspant ze dan ook tenslotte den geheelen omvang van het menschenleven: naast
grootste beknoptheid de grootste universaliteit, geen extensieve universaliteit
zooals bij Whitman, maar de suggestieve universaliteit van een mikrokosmos, van
een monade.
Men heeft haar gedichtjes wel met etsen vergeleken, vooral ook doelend
op hun opvallende plastiek. Beter kunnen we denken aan zich vormende
kristallen, die op de meest onverwachte momenten gefixeerd zijn; soms ontbreken
vlakken of zijn weer opgelost; daar doemt een hoek op, als op grooten afstand
in verkorting gezien; hier doorschijnt plotseling een lichtglans en kaatst
tegelijk terug; een geheele architectuur (niet berekend en gebouwd als zoo
| | | | vaak bij Poe), groeit verrassend snel onder onze oogen op, als
een natuurproduct.
Om deze zuiverheid te bereiken heeft zij wel van verschillende
omstandigheden hulp gehad. Ik denk hierbij terloops aan het Engelsche idioom,
dat zich voor haar stijl als voor geen ander leende. Zij sublimeert het
Engelsche laconisme, zooals weidscher Engelsche dichters de cant sublimeerden. Maar dan vooral aan haar onopzettelijkheid!
Vele van deze gedichtjes werden alleen maar voor de aardigheid aan kennissen
gestuurd; als kunstenares heeft zij zich steeds gewantrouwd; zij schreef
hoofdzakelijk voor zichzelf, haar innerlijke wereld was haar blijkbaar meer dan
een alliteratie of een enjambement; misschien wist ze hier niets van en moest
het haar verteld worden. Onweerstaanbaar moet men bij haar poëzie soms aan de
middeleeuwen denken: half handwerk, half religie, en zonder één bewust
‘kunstprobleem’. -
Uit de kenmerken van haar techniek, stijl, toon doe ik enkele grepen. De
uiterlijke vorm van haar gedichten zal voldoende uit de citaten blijken. Hier
wijs ik alleen op het veelvuldig voorkomende assoneerende en acconsoneerende
rijm, dat geheel in harmonie is met het totaalkarakter der poëzie, den
schroomvalligen stijl, den pasteltoon. Er is natuurlijk geen sprake van, dat we
deze halfrijmen als geraffineerd stijlmiddel (zooals b.v. bij Jammes of Herman
van den Bergh) mogen beschouwen; eerder als rijm in statu nascendi, als een
allereerst tasten naar het rijm zooals bij de oude Provençalen. Bij Emily
Dickinson schijnt het gebruik ervan bovendien een ongewild middel te zijn om
het geluid te dempen: haast nooit klinken deze rijmen ‘mooi’, zij houden dus
van het declameeren terug.
Soms vervalt zij in een zoo overgeconcentreerd-sibyllijnschen toon, is
de syntaxis dusdanig op het kleinste bestek samengedrongen, elliptisch
verwrongen, zelf stuntelig, dat men de beteekenis niet of pas na lang nadenken
vindt. Doch dit blijkt uitzondering: meestal wordt de kerngedachte op logische
(bij haar fantasie dubbel opmerkelijk) en daarbij plastische wijze tot
uitdrukking gebracht. Daar- | | | | bij maakt zij in het bijzonder gebruik
van het stijlmiddel der verzwijging, van het opstellen van zijlichten, van
toespelingen, die de belangrijkste elementen slechts suggereeren. Maar in
andere gedichten weer gaat zij recht op den man af. In enkele haastige lijnen
is het gedicht voltooid; achteraf kan men het overpeinzen, er veel bij
bedenken, maar men moet toch toegeven, dat het wezenlijke gezegd is, en dat,
ook bij schijnbare onsamenhangendheid der grilligste invallen, een dieper
coördineerend verband duidelijk is geworden.
De toon: schuw, linksch en stijf soms, ook vaak boeiend en levendig van
rhythme, dan weer hard en rauw, soms ineens, diep-orgelend, in onverwachte
klankschoonheden uitmondend, ecstatisch uitzingend, zoodat een laatste woord
nog lang schijnt door te klinken. Maar steeds, bij alle variatie, achteloos en
laconisch: onder dit alles overheerschende, zeer persoonlijke kenmerk moet men
doordringen om met haar kunst in contact te komen. Beelden en vergelijkingen, -
verschuiving, verdichting, wijziging in proportie, - flitsen even op, zijn weer
voorbij, vanzelfsprekend en onopvallend in hun ascetische rankheid. Mist men
die beelden, leest men er overheen, dan vindt men dit alles misschien alleen
maar ‘aardig’, onhandig en wat onbeduidend. Want de plastiek
is bij haar de ingang tot gedachten en gevoelssfeer, pas door zich op de
plastiek in te stellen, wordt men gewaar, welke kostbaarheden in haar poëzie
verborgen zijn. Merkwaardig is dan ook, dat ze zelfs in haar
philosophisch-bespiegelende gedichten aanschouwelijk blijft, zich haast nooit
aan dat hybridisme: berijmd betoog bezondigt. Een abstracte gedachte wordt ook
niet opzettelijk door een passend geval aanschouwelijk geïllustreerd, maar met
de bijbehoorende woorden onmiddellijk, zonder omwegen weergegeven. Maar zelfs
in de meest ‘abstracte’ gedichtjes, geconcentreerd als zinspreuken, blijven
aanschouwelijke elementen aanwezig, organisch ingeweven, soms door éen enkel
woord aangestipt, die het geheel tot een concreet beleven maken. Haar kunst kan
evengoed uiterst concreet als uiterst abstract genoemd worden, al naar men
| | | | zijn standpunt kiest: zij is een zoo ver mogelijk doorgevoerde
concretiseering van het abstracte. Dit verschijnsel vindt men in die mate
misschien alleen bij William Blake, die als voorlooper van Emily Dickinson
genoemd moet worden. Doch het is zeer goed mogelijk, dat zij hem niet gekend
heeft. - Keats, dien zij zeker kende, schijnt wel spoorloos aan haar voorbij te
zijn gegaan.
| |
III
Ziehier een voorbeeld van haar plastiek:
Give the one in red cravat
If I shouldn't thank you,
Deze ‘granite lip’ is, terecht, binnen zekere grenzen beroemd geworden.
Untermeyer geeft het gedichtje in zijn bloemlezing, met 5 of 6 andere, en ik
vond het besproken in een Duitsch boek over Amerikaansche literatuur (waarin
ook nog wel toegegeven wordt, dat Emily Dickinson ‘prägnanter im Ausdruck’ is
dan... Annette Droste-Hülshoff!)
Wat is het weergalooze van dit slot? Die Duitsche auteur scheen me
voornamelijk door den klank ervan getroffen te zijn, en inderdaad, door het
kortglippende ‘lip’, rijmende op het langere en helderder ‘sleep’, dit tegelijk
recapituleerend en afkappend, wordt een geslaagde klankondersteuning van het
totaaleffect bereikt. In dit verband zou men ook kunnen letten op de grauwe
assonnanties ‘come-one-crumb’, met in hun midden de even oplevende toets van
het ‘red’; op het half-allitereerende | | | | ‘trying’ en ‘granite’, dat,
bijgestaan door de verlangzaming van ‘try-ing’, een moeilijk-sprekende, schorre
stem schijnt te suggereeren, die pas in de l van ‘lip’ verstilt, verkoelt, en,
haast onhoorbaar, nog even doortrilt. - Maar zoo ooit, dan is het zeker
tegenover een dergelijk gedicht een averechtsche methode, den klank voor het
wezenlijke te houden en in het centrum der analyse te plaatsen! Ik wil niet
beweren, dat dergelijke speculaties geen zin hebben, maar ze behooren achteraan
te komen, zoolang er niet van een min of meer bewust op klankschoonheid
gerichten ‘kunstwil’ sprake is. Evenmin wil ik beweren, dat dit gedichtje als
klankstukje niets te beteekenen heeft; maar men leze deze stijve trocheeën eens
hardop, met emphasis, en vergelijke dan met Shelley, Poe, Rossetti: de
granieten lip valt als een baksteen. Er trilt in dit gedichtje een ‘innerlijke’
muzikaliteit van een bescheiden en toch wel eigen soort, een gefluister, een
vluchtige zangerigheid. Dit zou evenwel nooit tot ons bewustzijn komen, als we
niet eerst door de plastiek en de daardoor opgewekte atmospheer geboeid waren,
en dan, secundair, op klankschoonheden gingen letten, die tenslotte in elke
verzameling woorden wel eens voorkomen, tot van Dale's dictionnaire toe, tegen
welker alliteraties de meest prachtlievende dichter het moet afleggen. Ja, men
kan ten opzichte van ‘intentioneele’ verzen als die van Emily Dickinson op de
spits gedreven klankbespiegelingen gevoelen als zoo weinig ter zake doende, dat
men ze haast op éen lijn zou willen stellen met choreographische beschouwingen
over de sierlijke, ‘symbolische’ beweging der strijkstokken bij de, toch
noodzakelijke, en dus óok tot het ‘wezen’ behoorende uitvoering van een
kwartet. -
Men moet een verklaring voor de trefzekerheid van dit en dergelijke
beelden in een geheel andere richting zoeken: in hun onverwachtheid
(contrastassociatie) en in hun geladenheid, de concentratie van hun inhoud. De
‘granite lip’ dankt deze trefzekerheid b.v. aan de tegenstelling tot het
roodborstje, dat de elegie éen oogenblik naar de idylle verschuift, aan de
hopeloos-bittere onvoorziene bevesti- | | | | ging van den dood, dien men,
door dien idyllischen inslag, reeds half vergeten was; aan de samenkoppeling
van de ‘hardste’ stof met een traditioneel ‘zacht’ lichaamsdeel; aan de
geïsoleerdheid van dit lichaamsdeel, waardoor, naast petrificatie, ook nog
ontbinding gesuggereerd wordt; aan de veronderstelling, dat de granieten lip,
als de zuilen van Memnon zou kunnen trillen en spreken; tenslotte aan de
afwezigheid van elke rationeele verklaring van dit anatomisch unicum. Ik moet
bekennen, dat de associatie naar een graf- of standbeeld, of naar een
verhardheid van ziel, die toch nog een gedachte aan dat éene roodborstje
doorlaat, voor mij pas in de tweede plaats in aanmerking komen. Maar het lijdt
geen twijfel, dat in een dergelijke richting een allegorisch-georiënteerd
dichter-van-volmaakte-verzen het beeld zou uitwerken. Zou het er veel bij
winnen? -
Zelfs bij larmoyante gegevens (doode vogeltjes, een gestorven kind, een
muis door een kat overvallen) vervalt zij niet in een sentimenteelen toon,
blijft zij bedwongen, schijnbaar koel, hier en daar mild-ironisch, steeds
geestig. Voor sappigen humor is zij te scherp en te kort; ook hierin behoort ze
bij onzen tijd. In dit gemis aan humor schijnt zij bovendien echt vrouwelijk,
ook misschien in de neiging tot den beknopten vorm, maar niet in haar
aesthetisch omvormingsvermogen, waardoor zij onmiddellijk, bijna instinctief,
van de natuurlijke aandoening vermag te abstraheeren, deze in een nieuw logisch
verband brengt en haar toch niet verliest, in de zuiverheid dus van haar
poëtische intentie; en evenmin in haar onafhankelijkheid tegenover
overgeleverde waarden.
Als voorbeeld van haar zakelijkheid bij het behandelen van
‘sentimenteele’ onderwerpen wijs ik nog op het gedicht
*), dat haar terugkeer beschrijft naar een vroeger door haar
bewoond huis. Zij durft niet binnengaan, gluurt bedeesd door de ramen. Maar
geen gevoelige overpeinzingen of jeugdherinneringen! De tweestrijd speelt zich
af | | | | tusschen haarzelf en de deur, en deze laatste verkrijgt een
spookachtige individualiteit, nog versterkt door een wederkeerige aanpassing
van de hoofdpersoon, die tot voorwerp verstijft naar gelang het voorwerp zich
vermenschelijkt:
That I could fear a door.
Wel verwijt zij zich haar lafheid, maar neemt dan toch haar vingers van
die deur af, zoo voorzichtig of ze van glas waren, en als een dief vlucht zij
hijgend weg. Na afloop behoudt men de herinnering aan een mislukte inbraak
eerder dan aan een aandoenlijk geval.
In een tragischer spheer brengt ons het gedicht over het vergaan van een
scheepje, weergegeven nu eens met bewust nagestreefde, merkwaardige
klankeffecten voor het slingeren, stampen en schuimen. Het vergaan zelf wordt
niet beschreven, slechts vaag aangeduid. Maar dan het sublieme slot, waar de
ontroering door de kernachtige zeggingswijze, de breede metaphoor, geheel in
evenwicht gehouden is:
The ocean's heart too smooth, too blue,
Een der hoogtepunten is het stoïcijnsch, in korte, schichtige zinnetjes
uitgebracht verslag van een inbraak, een werkelijke inbraak dit keer, midden in
den nacht, en waarbij het geheele meubilair, tot de bril van de grootmoeder
toe, meespeelt. Reeds het huisje wordt medeplichtig: het is een van die
huisjes, die van alle gemakken voor inbrekers voorzien zijn, eenzaam, niet aan
den weg gelegen, met uitnoodigend lage vensters. Zelfs de muizen zullen niet
blaffen, de klok kan de mond gestopt worden. Maar alles zien de twee dieven
bewegen en verspringen; de vloermat knipoogt, maar dat zou even goed een
zenuwachtige ster | | | | kunnen zijn; de maan laat zich van de trap
afglijden om te zien wie er is! Het slot is niet minder dan verbluffen: de twee
oude menschen, pas bestolen, komen 's morgens argeloos beneden, nadat de dieven
zich temidden van de spottende echo's der kraaiende hanen verwijderd hebben, en
- ‘think that the sunrise left the door ajar’. Een wijde, landelijke
ochtendrust wordt na al het lichtschuwe gedoe zoo sterk voelbaar gemaakt, dat
dit slot, schijnbaar enkel grotesk, haast tot een vreemd soort tranen zou
kunnen ontroeren, waarvan men niet wist, of ze geen ingehouden lachen waren.
Het is weldoend, deze heerlijke droogheid, deze ‘Realphantastik’ die nergens
komiekerig wordt (en Emily Dickinson heeft dit gedicht, toch wel een van haar
meesterstukjes, zelfs niet getracht in een of anderen vorm te herhalen!) te
vergelijken met de althans technisch verwante stijlmiddelen van sommige
expressionisten. Ik herinner me b.v. een gedicht van Iwan Goll over een
kindermoordenares, waarin eveneens voorwerpen, zelfstandig en haast bezield,
tot de ‘atmospheer’ bijdragen, maar hoe onplastisch en brijig, vergeleken
hierbij.
| |
IV
Een belangrijk deel van Emily Dickinson's plastisch talent wordt in
beslag genomen door haar natuurgedichten. Van natuur-lyriek
kan men, enkele uitzonderingen daargelaten, minder goed spreken. Zoowel de
ingehouden, vaak droge toon als de op den voorgrond tredende plastiek laten dit
etiket niet toe. Trouwens, in de geheele moderne dichtkunst heeft de oude
klassificatie: lyriek, epiek, etc. veel van haar beteekenis verloren. Als
voorbeeld noem ik Rilke, d.w.z. den Rilke van de beste Neue
Gedichte. Deze gedichten, tenslotte toch voortgekomen uit een
oorspronkelijk lyrische instelling, kunnen hoogstens nog schijnlyriek genoemd
worden: het ‘zingen’ is geheel aangepast aan de plastiek, en de egocentriciteit
maakte voor een zelfvermomming plaats, waarachter de gevoelens zich verstopt
hebben, als het ware in een ‘achter-onder- | | | | hoek van het heelal’,
zooals Marsman eens over Hendrik de Vries schreef. Typeerend voor dergelijke
gedichten is b.v. de hoofdpersoon zoo bekend te veronderstellen, dat men een
gedicht met ‘hij’ of ‘zij’ begint met de vanzelfsprekendheid, waarmee een
zuiver ‘lyrisch’ dichter den eersten naamval gebruikt; ook op deze wijze
blijkt, dat we hier te doen hebben met een originaire ‘lyriek’, die zich onder
de ‘epiek’ geschoven heeft. Hoewel dit kenmerk bij Emily Dickinson ontbreekt,
zou toch vooral bij vergelijking met haar tijdgenooten blijken, dat ook op haar
de term ‘pseudo-lyriek’ min of meer van toepassing is.
Als allereerste natuurgedicht geef ik het volgende, door een meer
uitstroomenden toon en ook door de rijkere klankvorming nog wel tot de ‘lyriek’
te rekenen, maar tevens merkwaardig voorbeeld van de bovenbedoelde
zelfvermomming:
Ah, Teneriffe! Retreating Mountain!
Purple of Ages pause for you,
Sunset reviews her Sapphire Regiment,
Day drops you her red Adieu!
Still, clad in your mail of ices,
Thigh of granite and thew of steel -
Heedless, alike, of pomp or parting,
Ah, Teneriffe! I'm kneeling still.
Het bijzondere ervan is alweer voornamelijk in den laatsten regel
gelegen: die toonloos uitstervende epiloog van drie woorden verbeeldt haast nog
expressiever de ‘retreating mountain’ in den zonsondergang en het daardoor
opgewekte gevoel van aanbidding, ja van prosternatie, dan welke woordenrijke
ontboezeming ook. Dat de dichteres zich zelf het geheele gedicht door geknield
heeft gezien, wordt slechts zeer terloops aangeduid door ‘I'm kneeling
still’. Zij verzwijgt dit bijna, zij verzwijgt zichzelf,
pracht, praal en pathos komen geheel aan den berg ten goede. Ik denk hierbij
aan middeleeuwsche altaarstukken, laat ons | | | | zeggen in
Grünewaldstijl, waarop, terzijde, zeer verkleind, de figuur van den stichter
geknield zou liggen. -
Als zuiver zintuigelijk beeldende natuurpoëzie geeft zij een vrij groot
aantal speelsche gedichtjes, gedeeltelijk wat langer en minder geconcentreerd
dan gewoonlijk, waarin de phantasie den vrijen loop gelaten wordt. Zij
vertegenwoordigen niet het hoogste wat zij te geven heeft, maar als inleiding
tot haar idioom en haar visie zijn ze uitermate geschikt. Hier is er een
van:
I taste a liquor never brewed,
From tankards scooped in pearl;
Not all the vats upon the Rhine
Reeling, through endless summerdays,
From inns of molten blue.
When landlords turn the drunken bee
Out of the foxglove's door,
When butterflies renounce their drams,
I shall but drink the more!
Till seraphs swing their snowy hats,
And saints to windows run,
To see the little tippler
De groteske metaphoren adapteeren zich hier geheel aan den zorgeloozen,
renommistischen roes; ‘de kleine zuiplap, die tegen de zon leunt’, is niet een
ongemotiveerde expressionistische, hinderlijk-kosmische truc, maar een
natuurlijke climax in de al expansiever beeldformaties. Hoeveel van
Apollinaire's zonderlinge mythologieën ligt er reeds in deze capricieuze, zich
in het relletje mengende serafijnen en heiligen! | | | |
Nauwelijks minder treffend is dat bezoek aan het strand, eindigend met
een grootsche achtervolging door de zee, die zich pas bij de stad terugtrekt,
na een buiging en een ‘mighty look at me’. Zoo'n slot heft ook den eenigszins
badineerenden toon dadelijk op tot in de spheer van het demonische.
Van haar beeldend vermogen geef ik nog de volgende voorbeelden, die uit
het geheel te isoleeren waren: een wervelwind ziet zij als handen, die zich
uit het stof vormen, en den weg weggooien, - bosschen
galoppeeren in den orkaan tot zij er bij neervallen, - torenklokken,
opgezwollen door de lucht, springen op zilveren voeten rond, - als een luipaard
springt de zonsondergang tegen den hemel op, en legt zich dan aan den voet van
den horizon neer om te sterven, - de sneeuw maakt een effen gelaat van bergen
en velden: ‘unbroken forehead from the east unto the east again’, - het moet
zijn, zoo zegt zij, dat de loeiende wind uit golvende oceanen bestaat: ‘there
is a maritime conviction in the atmosphere’.
Dergelijke kleurige phantasmagorieën naar aanleiding van toestanden en
gebeurtenissen in de natuur vormen te zamen haast een plastiek in reincultuur,
een kort begrip van vele mogelijkheden in die richting. Vergeefs echter zal men
in deze gedichtjes een ‘idee’ zoeken, een dieperen zin dan die tenslotte reeds
in de natuur zelve aanwezig is. Het zijn arabesken, die alleen om de vreugde
van het zien gemaakt schijnen te zijn, sierlijk en stoutmoedig tegelijk,
spontaan gegroeid, niet bedacht, de ‘vergelijkingen’ zijn volmaakt
vanzelfsprekende identificaties: die zonsondergang is een
luipaard, die bosschen galoppeeren inderdaad en doen niet alleen maar alsof.
-
Pas het veelzeggendst en het persoonlijkst wordt Emily Dickinson,
wanneer het descriptieve, hoe sterk ook op zichzelf, ondergeschikt is aan een
uit te beelden idee. De natuurobjecten treden daarbij slechts zelden als een
geijkt attribuut op, haast altijd blijven zij origineel en scherp gezien, zoo
scherp soms, dat men evengoed de verhouding omdraaien kan, en de idee de
dienende rol toekennen. Bo- | | | | vendien: als men een serie van haar
gedichten opstelt, waarin het gehalte aan ‘philosophie’ geleidelijk toeneemt,
bemerkt men niets van een gelijktijdig aanzwellen van den toon tot grootere
verhevenheid ten koste van de plastiek. Van Rossetti wordt verteld, hoe hij
eens op het slagveld van Waterloo een aantal passende en hooggestemde gedichten
had willen maken, maar daarin door de opdringerigheid der talrijke en
plebeïsche gidsen verhinderd werd. Het resultaat was slechs dat éene sonnet,
zoo spontaan en geestig, dat het ons meer dan verzoent met het verlies van de
vele, die in de pen gebleven zijn! Bij Emily Dickinson nu schijnt het, alsof
eveneens gidsen, van een andere orde dan, haar voortdurend omgaven teneinde
haar voor hoogdravendheid te behoeden! Het is of zij geen verschil kent
tusschen de objecten der natuur en de objecten van den geest. -
To make a prairie it takes a clover
Dit volmaakte versje vervangt een verhandeling over het Kantianisme. En
toch, hoe licht blijft de toets, ondanks de uiterste condensatie der factuur,
hoe logisch verantwoord de compositie. De alleenstaande regel ‘and revery’
wordt voorbereid door het peinzende herhalen (met een pikante wijziging) van
‘one clover and a bee’, en lost na deze herhaling, - die tegelijk den gang van
het vers vertraagt, zoodoende op den epiloog voorbereidend, en den eenigszins
naïef-didactischen toon van het begin verwischt, - het reeds zoo summaire
weidebeeld geheel in droom op. In die epiloog wordt dan de gedachte, dat de
menschelijke geest alléen voldoende is om de objecten der buitenwereld te
scheppen, - een zwaar-philosophische | | | | gedachte, niet waar? - enkel
op geestige wijze gesuggereerd, met een onmiskenbaar accent van zelfspot: men
wordt als het ware om die gedachte heengeleid, omdat er een zonderlinge
voorwaarde aan het ‘absolute idealisme’ is verbonden: er moeten toevallig
weinig bijen aanwezig zijn!
S. Vestdijk
(Slot volgt)
|
*)De verzamelde gedichten dragen geen titels,
maar zijn, genummerd, ondergebracht in vijf afdeelingen: Life,
Nature, Love, Time and Eternity, en The Single
Hound.
|
|