|
|
|
| |
| | | |
Maan achter lommerrijke Boomen
Die schotel opgedragen is,
Van tafelloofwerk diep teleur-
In zijpriëelen afgesloten
Geen blanke boezem vol juweel:
Kruimels bij 't vasten...
Aanzwellend, zich verliezend, raad ik
Schoon hij mijn spook'ge wacht bespiedt,
| | | |
Want vluchtig zwevend door het zwarte
Daar groeit een drogherinnering
Het, onderhands en opgeschort
En spotcamee, als markiezin
Wat tergend speels de gastheer geeft
Nog nachten hier, door hem gezien,
S. Vestdijk
|
|
|