terug  begin  verder

[p. 82]

De stervende Avonturier

 
Speel met den melkweg, speel, als 't u, o Dood, behaagt,
 
boven dit koele water en nog koeler winden, -
 
ik heb u vóór ik sterf dit avontuur gevraagd,
 
nu zult gij mij, ster in den melkweg, lijdzaam vinden.
 
 
 
Ik zal verspringen naar uw niet te peilen lust,
 
of nooit meer roeren in Gods eeuwige figuren.
 
Ik, ster die splijt of morgen valt?... De zelfde rust
 
van een vervulden droom glanst over al mijn uren.
 
 
 
Lang was mijn leven als uw schim en schimpte ik: Foert!
 
bereid om mensch en God met walg te blasfemeeren.
 
- Twee oogen zien mij aan, een mond heeft mij beroerd,
 
één vonk en dit dor hart moest in een brand verkeeren.
 
 
 
Sindsdien ben ik mijn nachten niet meer dof alleen:
 
er fonkelen rond mij zoo vele en heldre vuren,
 
dat ik ze vlammen zie door donkre tranen heen
 
en niet kan klagen om geluk, dat niet mag duren.
 
 
 
De melkweg is mijn weg, de hemel is mijn veld,
 
laat dan, o arme Dood, uw spel mijn oogen dooven,
 
mijn dagen zijn misschien, zooals uw winst, geteld:
 
gij kunt me alleen nog van wat stof en asch berooven.
 
 
 
Wat nood, dat ge over mij het laatste woord zult spreken.
 
'k Leef nog mijn avontuur, de rest ga dan teloor.
 
'k Gloei na van al mijn ijs, kristal dat gij kunt breken.
 
Breek mij dan, Dood, mij ster, en melkweg, straal maar door.

P.

terug  begin  verder