|
|
|
| |
| | | |
Hoofdstukken over Ulysses
| |
I
Synthetische bereiding van James
Joyce
Nu economische en andere specialisten niet eens een oorzaak voor
onzen ‘ondergang’ kunnen aanwijzen, zoekt men, in zijn binnenkamer, naar een
simpel en ongecompliceerd antwoord. Een gemeenplaats desnoods, - of zelfs bij
voorkeur, en dan met hetzelfde banale en godvergeten accent dat de
werkelijkheid van zich geeft, waarop zij betrokken is: die werkelijkheid van
een niet ineenstortende, maar laf en verraderlijk uit de wereld wegsluipende
cultuur, niet ten ondergang gedoemd door emotioneerende factoren als invallen
van horden barbaren, sexueele remloosheid, religieus verval (of door de
waanidee zelve van dien ondergang),... maar door de woorden.
Inderdaad, ons idool is niet de mammon, of de machine, of het
minderwaardigheidscomplex, of de medische specialité, doch enkel en alleen het
woord, dat op alle straat-hoeken vereerd wordt,
internationaal veelgodendom, waarbij vergeleken het syncretisme van den
laat-Romeinschen tijd nog smaakvol aandoet. Woorden aan alle huizen, winkels,
ramen. Woorden geblazen aan den hemel, bevestigd boven gevels, in het water
weerkaatst. Ochtendbladen als brochures, zondagsbladen als boekdeelen. Men
drukt alles, men leest alles, - in een tempo, geheel door de techniek bepaald
en derhalve niet meer te verwerken door een organisch levende materie, - men
formuleert alles, men wéet dus alles. Met hun veelzijdige dressuur leggen
inrichtingen van middelbaar en z.g. hooger onderwijs in de begrensde hersenpan
een zinnelooze woordinstallatie aan, die niemand der slachtoffers ooit meer
geheel kwijtraakt, ondanks spuiing op examens. Woordplethora! Woordvervetting!
Necrophiel paren zich in de openbare bibliotheken de nog levende woorden aan
reeds lang gestorvene. En als de wereld dan gebársten is van de woorden,
sluipen | | | | door de naden nog die koddige afkortingen, waarbij N.V.
en A.N.W.B. maar kinderspel zijn. Verwonderlijk mag het heeten, inderdaad, dat
de woordmensch nog niet het licht zag, als generatio
spontanea onder dezen ongehoorden verbalen aandrang, een gezwollen spraak- en
leescentrum vertoonend, waarin niettemin geen plaats is voor iets anders dan
phrases en stoplappen, een gerafelde tong, en een strottenhoofd van gewapend
beton.
Een boetpredicatie? Neen, een sombere realiteit, waarvan men zich
doorgaans te weinig rekenschap geeft. Om de kloof te beseffen, die ons scheidt
van, in dit opzicht althans, ontwijfelbaar gelukkiger tijden, herinnert ons de
historicus aan een verleden, waarin uitsluitend gelezen werd wat men
eigenhandig had opgeschreven. Zijn onze hersenen er sindsdien zooveel op
vooruitgegaan? Welk een enorm verlies dan aan gevoel, wil, list, wijsheid, aan
het beeldende zien, het zien van de dingen achter de woorden,
aan het spontane, autonome denken, dat zich van de woorden
enkel bedient als een uiterst voorzichtig te hanteeren middel! Meening en
overtuiging, voorliefde en afkeer, zij wellen niet meer op, doch worden in het
gunstigste geval gefiltreerd, in alle andere gevallen gemaakt
door het ontzielde en ontzielende woord, dat, eerst nog onhandig tastend
symbool der werkelijkheid, toen plaatsvervanger, toen usurpator, reeds volledig
het mechanisch karakter en den herhalingsdwang is gaan vertoonen van
iedere handeling die geen zin meer heeft. Dat drie kwart van
allen die er op aan komen ‘neurotisch’ zijn, werd minstens voorbereid door de
noodlottige werking van een woordenspringvloed, die die andere functies niet
meer ‘aan het woord’ liet komen, en het is zeker geen toeval, dat de
populairste geneeswijze dezer stoornissen in hoofdzaak, homoeopatisch, berust
op... woordspel. De eerste keer, dat onze aandacht zich niet meer bij deze éene
krantenkolom vermag te bepalen en ontglipt naar de naastbijgelegen, mag dan
slechts de waarde hebben van een ‘symptoom’, doch verwaarloos niet de ‘causale’
factor van de duizenden daaraan voorafgaande keeren, toen onze aan- | | | | dacht onnatuurlijk gespannen was op iets dat we eigenlijk niet
wilden lezen, waar we niemand om gevraagd hadden. En staat
een reclamepagina in een dagblad niet voor iedereen gelijk met een psychisch
trauma, zelfs al wordt zij niet eens gelezen, maar alleen ‘für möglich
gehalten’, met dienzelfden oogopslag, die Rilke's heilige in Malte
Laurids Brigge aan wulpsche vizioenen uitleverde?... Doch beter
middeleeuwsche hysterie dan moderne schizophrenie, beter het als levende
totaliteit geproduceerde beeld dan het verschraalde en van
zijn voedingsbodem afgesplitste woord!
Daar echter het leven zich maar tot zekere hoogte dwingen laat,
treden afweerverschijnselen op bij de door dit woordenapparaat bezwaarden, de
mensch tracht zich instinctief te beveiligen in de klankenwereld, die hem
omringt. Moet hij ‘schizophreen’ worden, zich afsluiten in woordmagie, in een
‘eigen’ taal: hulpelooze poging om het vreemde element uit te stooten? Er zijn
andere wegen, en minder radicaal. Men vlucht in sport, politiek, techniek. Wie
zich aan politieke leuzen verkoopt, belooft zich althans een schijn van handeling áchter die leuzen; terwijl de homo
technicus, het woord door de formule vervangend, tenminste een terrein
betreedt, verwanter aan de werkelijkheid, - al is het ook geen levende
werkelijkheid meer, en nauwelijks een ‘geestelijke’, - dan de verbale roofbouw
van hen die den geest in pacht meenden te hebben. Voor de simpelen-van-geest
luidt het recept: terug-schreeuwen, - brullen, - balken; - en tenslotte bestaat
voor de niet-simpelen nog de mogelijkheid, de woorden onschadelijk te maken
door ze vast te leggen, als een lastigen hond aan de ketting, d.w.z. te
schrijven.
Iedere tijd heeft zijn bijpassende auteurs. Het is lang niet
ondenkbaar, dat Goethe, een eeuw later geboren, niets geschreven had - en als
hij het al had gedaan, onherstelbaar op Gerhart Hauptmann was gaan lijken...
Remmend, aanmoedigend, aanvullend, selecteert de tijdgeest de talenten, - en in
een tijd, die zich aan de ‘flatus vocis’ | | | | versjacherd heeft,
grijpen andersoortige individuen naar de pen dan in evenwichtiger perioden. Een
top-zware cultuur noodigt nu eenmaal onweerstaanbaar uit om met den hamer te
philosofeeren: polemisten treden op, hekelaars, individuen met scherper
intelligentie, meedoogenloozer doorzicht, agressiever ironie, en vooral met een
zelfhaat, die hen in staat stelt tot op het laatste fragment
te verbrijzelen wat ze aanvankelijk liefdevol in zich opgenomen hadden. De
gevoelsmensch, de dichter, de romanticus, wier geestelijke bestaansvoorwaarden
op passiviteit en ontvankelijkheid berusten, raken op den achtergrond, ook in
het afzonderlijke individu. Men heeft dan het besef, dat op deze gebieden alles
gezegd is. In werkelijkheid evenwel berust deze houding geheel op de afweer
tegen een actueele geestelijke of als niet-meer-geestelijk te aanvaarden
omgeving, en niet op het entameeren van iets nieuws, dat nu toevallig zijn
beurt gekregen heeft.
Houden we de lijn dezer beschouwingswijze vast, aanvaarden we dus
als mogelijkheid de auteursfiguur, die uitsluitend schrijft als protest tegen
zijn eigen middelen, - die hij eens heeft liefgehad, en nog lief heeft met een
deel van zijn wezen, - tegen hun barbaarsche, massale onhandelbaarheid en
schadelijkheid, dan zijn we ook voldoende voorbereid om hem te begeleiden op
zijn tocht door Dublin, of elke andere groote stad, waar hij geleefd heeft. Mét
hem zoeken we de gevaarlijke plaatsen op, de plaatsen waar het zinnelooze woord
wordt gehuldigd. Terloops geven we er ons rekenschap van, dat een Dublin van
1904 essentieel weinig verschilt van een
Rotterdam van 1933, al moest tóen de geniale
eenling, in scholen, bibliotheken, winkels, kroegen, klinieken, bordeelen,
dagbladbureaux, begrafenisvolgkoetsen, voor het eerst ontdekken wat nú iedereen
weet en aan den lijve voelt. Mét hem, mét de twee figuren, waarin hij zich
gesplitst heeft, zwerven we door de metropool; we zien en hooren alles, we
kennen iedereen, we volgen en groeten iedereen. Het is een stad wellicht,
waarmee we nog een appeltje te schillen hebben, zooals Gustav Meyrink met
Praag, waarin | | | | hij, als ‘G.M.’, zijn initialen liet uitbreken,
zichtbaar in vogelvlucht, - onze bedoelingen zijn allerminst vriendelijk. Maar
wat ook van deze menschen en hun naargeestige kleinzieligheid onthuld wordt,
het woord alleen is hoofdpersoon. Het gaat enkel om het
eindelooze proces dat wij het woord aandoen, al schijnen ook de goede lieden
gelijk te krijgen, wien verluid werd, dat in onzen zich op éen dag afspelenden
roman dan ook alles moet staan wat er op dien dag gebeurde. Er gebeurt
niets in Dublin. Ieder gebeuren, iedere wezenlijke handeling,
alle gedachten, gevoelens, sensaties, iedere zichtbaarheid, ieder zintuig is
onteigend ten behoeve van het woord. Weliswaar zijn de lettercombinaties, die
op een gebeuren betrokken zouden kunnen zijn, alle
paradeerend aanwezig; voor het naïeve bewustzijn ontrolt zich het breede epos
van eindeloos converseerende Ieren van ieder slag en type, van ‘echte’
Dubliners, vaak onder hun authentieken naam optredend zelfs: zoozeer is hier de
schijn bewaard eener kroniek. Maar dan, als ieders aandacht gespannen is op die
werkelijkheid búiten het woord (die voor ons allang niet meer bestaat, zoomin
als voor een laat-middel-eeuwschen nominalist, die wijsgeerig anticipeerde wat
ons onmiddellijke ervaring werd), als iedereen gedwee bezig is aan een wat
zonderlingen, ‘psychologischen’ roman, - dan begint het eigenlijke werk! De
lezer is in slaap gesust, niemand zal ons betichten. Onmerkbaar eerst, pas na
vijf, zes hoofdstukken, doch geleidelijk aan duidelijker en onthutsender,
geschieden kleine ontsporingen. Invallen springen naar voren, die niet meer in
het kader van den geverbaliseerden bewustzijnsstroom van Mr. Bloom of Mr.
Dedalus te verklaren zijn: ongewone opschriften, woordspelingen,
klanknabootsingen. Een honderd bladzijden verder zijn we al aan verdraaiingen
toe, onafgemaakte zinnen, landerig uitgekauwde alliteraties, brokstukken uit
een later volgend geheel gelicht en saamgeflanst tot ‘woordmuziek’. Maar nog
steeds - en tot het bittere einde! - valt er een handeling te ontraadselen. Er
volgt een ‘simultanisme’, dat meer dan iets anders aan de reeds genoemde twee
| | | | krantenkolommen doet denken, waartusschen het vermoeide oog heen
en weer springt. Rijmpjes, anagrammen, neologismen, koeterwaalsch, ‘slang’,
kindertaal, journalisten-argot, verbijsterende woordconglomeraten
1), die vaak een halve pagina vullen. Een
infernaal taalbederf tast alles aan wat ooit door de menschheid is gedacht,
gevoeld, geloofd, bespiegeld. Engelsche titulatuur wordt ad absurdum gevoerd.
Eigennamen moeten het ontgelden: ‘Bloom’ verminken we tot ‘Blowhom’ (genitief:
‘Blowhose’!); van andere namen vervangen we de beginletters, wanneer een
alliteratie of een ‘symbolisch’ sous-entendu daartoe aanleiding geeft; ‘Sindbad
the Sailor’ zeilt zelfs door het geheele alphabet. Als in een gedicht treden de
woorden in nieuwe relaties tot elkaar. De vijandelijke gelederen zijn uit hun
verband geslagen: wij formeeren ze opnieuw! Wijdere groepeeringen worden dan
zichtbaar, structuren die niets meer met den gang van het verhaal te maken
hebben en er toch op een of andere wijze parallel mee loopen, parodistisch, of
‘symbolisch’ al weer. We copieeren literaire stijlen, tot de meest archaïsche
toe; we lasschen een tooneelstuk in, gevolgd door een
vraag-en-antwoordtechniek: lugubere synthese van catechismus, wetenschap,
bureaucratie... En tenslotte, als bekroning, als alles overzwevend phantoom,
openbaart zich die lasterlijke coördinatie, eerder beklemmend nog dan
vermakelijk, met het Eerwaardige Epos, waaraan onze roman zijn titel ontleent:
Ulysses! Ook Homerus schreef, ook hij gaf zich aan dit
duivelsche vermaak over: legt hem vast! Aan de ketting met
Homerus-uit-de-bibliotheken, want Dublin kent hem! Geen paraphrasen, maar
listige analogieën slechts, waarvan niemand minder dan Valéry Larbaud de
ontdekker moest zijn, - en natuurlijk een andere volgorde om de goêgemeente te
misleiden. Wie zal Odysseus spelen? De kleine Jood Leopold Bloom, reclameagent!
Voor de Sirenen springen twee barmeiden in de | | | | bres. Mrs. Marion
Bloom, Penelope de kuische, hoereert met gansch Dublin, schoenpoetsers
inbegrepen. Circe is een bordeelmoeder, Nausikaa een flapper, Nestor een frik,
de god Aeolus een hoofdredacteur, en het ‘hol der winden’ een dagbladbureau, -
zoodat we weer op ons punt van uitgang teruggekeerd zijn: bij de kranten, bij
de woorden, die ten tijde van Homerus nog winden waren, - en
het ook nu nog zijn, welbeschouwd...
Op zooveel verschillende wijzen is het boek Ulysses van James Joyce te benaderen, het vertoont een dusdanige
onuitputtelijkheid aan motieven, dat de zoo juist beproefde afleiding van de
conceptie ervan natuurlijk een volmaakt willekeurige is. Het kwam mij op een
bepaald oogenblik nuttig voor dezen roman, ter inleiding, te beschouwen als éen
enorm woordspel van duidelijk agressieve strekking, welke agressiviteit zich
niet uitsluitend in dat woordspel uitleeft, maar er ook op
gericht is. Hiermee is niet gezegd, dat Joyce geen andere
bedoeling gehad kan hebben, aanvankelijk. Maar laat het waar wezen, dat hij,
bewust, enkel een ironisch-epische beschrijving van zijn Dublin geven wilde,
met behulp van een toentertijd nieuwe psychologische techniek (den ‘monologue
intérieur’) en talrijke andere stijlprocédé's, - die techniek, die procédé's
hebben dan toch, als zelfstandige krachten, zijn fantastisch verbaal vernuft
zoozeer aangewakkerd, tot zelfvernietiging toe, dat de opvatting, als zou deze
satyre - ook dit is Ulysses, álle categorieën zijn op dit
monstrum van toepassing - niet op de kleine en groote burgerlui uit Dublin zijn
gericht, doch op de woorden, die zij hem nalieten, minstens
te verdedigen schijnt
1).
| | | |
| |
II
Logos en Verbum
Het zonderlinge tweemanschap, Stephen Dedalus en Leopold Bloom,
waarvan de laatste ons bijna zonder onderbreking door Dublin begeleidt, is, in
deze symbolisch doorwerkte sfeer, voor de uiteenloopendste interpretaties
vatbaar; hun tegenstelling, hoe flagrant ook, valt telkens weer anders te
formuleeren. Omdat Joyce deze levende (en zeer intens levende!) figuren niet
met elkaar in eigenlijk conflict brengt, plaatsen zich, bij het bepalen hunner
verhouding, zulke formules vanzelf op den voorgrond. Geen andere uitwisseling
wordt hun toegestaan dan wat vage voorgevoelens, een gesprek vol banaliteiten
en, op éen plaats, een kortdurende mystieke communicatie, hun zelve niet of
nauwelijks bewust. Hier en daar heeft het zelfs den schijn, alsof van abstracte
begripsantithesen uit op de twee hoofdfiguren teruggewerkt is, al werd dit dan
ook zorgvuldig geretoucheerd en nergens aangedikt door bespiegeling of
explicatie. Zij vertegenwoordigen o.a. den opstandigen individualist en den
geresigneerden massamensch, dichter en burger, idealist en materialist, naar
binnen en naar buiten gericht karaktertype, en zooveel meer, - maar in het
bijzonder: ‘zoon en vader’. Voor deze laatste, min of meer populair geworden
exegese loopen overigens door het geheele boek de gegevens, als roode draden,
waaraan elke commentaar wel vastknoopen moet.
In driedubbelen zin is de jonge, berooide student Stephen Dedalus
‘ouderloos’: zijn moeder stierf; zijn vader, een verloopen grapjas met resten
van beschaving, ontwijkt hij; hij werd afvallig. Gehanteerd door de herinnering
aan de overledene, die hem verweet niet bij haar sterfbed te hebben willen
knielen, voor een armoedig tehuis op de vlucht, nog steeds verward door de
discipline der Jezuïeten, kunnen we hem ons gemakkelijk voorstellen als op zoek
naar een geestelijken ‘vader’. Dat hij zichzelf herhaaldelijk als Hamlet ziet
en een ‘Shakespearetheorie’ huldigt, die voornamelijk schijnt te berusten op
een ver- | | | | wisseling van vader en zoon, voltooit een beeld, waarvan
de contour reeds gegeven is met de Odyssee-symboliek, die Telemachus van hem
maakt. In den loop van den dag komt hij dan in contact met Bloom, den
‘zoonloozen’ vader, evenals hij drieledig geobsedeerd, en op bijna
overeenkomstige wijze: door zijn gestorven zoontje, door Blazes Boylan, den
minnaar van zijn vrouw, en, vager, door het pariaschap van Jood. Voeg hierbij
een sexueele prikkelbaarheid, die men nog steeds wel als het ‘verlangen naar
een zoon’ kan idealiseeren, en bij een Jood mogelijk met eenig recht, dan
sluiten zich ook hier de gegevens symbolisch samen.
Ongetwijfeld is deze symmetrie, - dat Bloom zich heeft laten doopen is
b.v. weer een nauwkeurige omkeering van Stephen's situatie! - dit bijna
constructief in elkaar passen der hoofdpersonen van belang voor een nader
begrip van het geheele werk. De symboliek, die zich, hoe beter men het leert
kennen, al meer en meer vertakt en vervezelt, krijgt men dan in zekeren zin op
den koop toe, en in ruime mate! Er is in Ulysses haast, ik
kan het niet anders zeggen, zooiets als een uitverkoop van
symboliek
1), en men
betreurt het ternauwernood, dat de psych-analyse op Joyce blijkbaar een minder
diepen indruk gemaakt heeft dan op Lawrence, anders waren Oedipus en
| | | | de castratie ons zeker niet onthouden... Hoe dit zij, mij is het
beeld van den Joyce-Don Quichote, verbeten vechtend tegen de windmolens der
woorden, liever dan dat van den esoterischen uitdrager der
symbolen en allegorieën van alle tijden, godsdiensten, geheimleeren,
wetenschappen, en wat niet al, - en ik veroorloof me daarom, voor Stephen en
Bloom éen exclusief symbool te stellen waarmee volstaan kan worden voor een
nadere kennismaking: dat van Logos en Verbum, of van het bezielde, zinvolle woord tegenover het
onbezielde, zinnelooze.
De reclame-agent Leopold Bloom dan, de eigenlijke held van den roman,
leeft in de woorden als een visch in het water, en op hetzelfde ‘lage niveau’;
niet voor niets laat Joyce hem zijn dag nuttig besteden met het opsnorren van
advertenties: hij leeft ook van de woorden. Door de ontelbare
woorden, die door zijn geest dwarrelen, wordt zijn gezonde alledaagschheid
nauwelijks verontrust, zij vormen zijn natuurlijk milieu. Met al de verbale
versatiliteit van den Jood (hierin overigens aan den Ier verwant) levert de
figuur Bloom een niet geringe bijdrage tot de rijmpjes, stoplappen,
woordverhaspelingen, die niet ten laste komen van Joyce zelf. Zijn ‘monologue
intérieur’ kenmerkt zich voornamelijk door onafgemaakte zinnen. In het
vraag-en-antwoordhoofdstuk wordt ons meegedeeld welke anagrammen hij reeds als
jongen op zijn eigen naam maakte. Terloops zij opgemerkt, dat hiervan maar één
op de vijf bepaald ‘grappig’ is (Old Ollebo, M.P.) en dit is
karakteristiek voor het geheele boek
1): Joyce's vernuft is caustisch, satyrisch, en vooral:
onvermoeid werkzaam, echte humor daarentegen ontbreekt veelal
in dit koud, cerebraal vuurwerk, dat alleen niet vervelend wordt door tempo en
gevariëerdheid. Wie Ulysses ‘langsam, aber mit Hingabe’
leest, zooals van den dichter Carl Hauptmann bericht wordt, zal zich maar al te
vaak | | | | vervelen. Maar Bloom verveelt zich niet, op dezen dag! De
wereld interesseert hem. Niets wijst hij af; ieder détail trekt zijn aandacht.
Hoewel als Jood op den zelfkant levend, is hij meer thuis in Dublin dan de 100%
Ieren; hij is volmaakt aangepast. Alles wat hij ziet en hoort, ruikt en proeft,
stelt onmiddellijk en op ongedwongen wijze zijn associatieapparaat in werking,
waarbij dan een zekere optimistische levenswijsheid gedemonstreerd wordt,
uitgebreide doch oppervlakkige feitenkennis en een beminnelijk materialisme.
Hij weet wat van toegepaste chemie af; astronomie is zijn hobby. Hij vergelijkt
geuren met elkaar. Het is de ziel van een apotheker, een winkelier in
comestibles, die ons hier onthuld wordt, meer nog dan van een journalist. Zijn
karakter bouwt zich op uit het mozaïek van zijn kleine commentaren op de
buitenwereld. Tegenover elke nieuwe situatie staat hij als een onbeschreven
blad; hij legt geen verband, kent geen wijdere perspectieven of problemen, ziet
alleen het geïsoleerde voorval. Niettegenstaande hij in eigen persoon het
zinnelooze relativisme van het leven demonstreert, wordt zijn redelijkheid door
dit relativisme maar zelden benard; hij laat zich gaan, plooibaar, berustend en
instinctief, zoowel op den stroom van gebeurtenissen als op den daarmee
gelijk-geschakelden woordenstroom. Bij hem volgen de woorden niet, logisch,
uit elkaar, maar op elkaar. Het woord is
hier een ding, een atoom, een golfje, - doch nauwelijk een gedachte, want een gedachte veronderstelt het vermogen tot
apperceptief vastleggen, tot in-éen-zien wat in de onmiddellijke gegevens
gescheiden is, en dat vermogen ontbreekt bij Bloom. Dit woord relativisme
en-atomisme wordt door Joyce nog op de meest uiteenloopende wijzen
geaccentueerd. Zelfs Bloom's naam staat niet vast: zijn vader, een Hongaar,
heette Virag; als ‘Henry Flower’ is hij in briefwisseling met een jong meisje,
onschuldige wraak op de ontrouw van zijn vrouw Marion, die hij overigens niet
al te tragisch opvat. Joyce introduceert hem, waar dit pas geeft in verband met
de stijlexperimenten, als Booloohoom, Bloohimwhom, Herr Professor Luitpold
Blumenduft, | | | | Sir Leopold, childe Leopold. En wanneer dan eindelijk
vanonder dit iriseerende woordoppervlak zijn diepere wezen doorbreekt, in het
beroemde, om sfeer en fantastiek gewoonlijk de ‘Walpurgisnacht’ genoemde
tooneelspel, waarin Bloom, tot dusverre enkel toeschouwer, geheel zichzelf
wordt en demonische krachten openbaart, dan blijkt het relativisme zich alleen
maar verplaatst te hebben: van het woord naar het beeld. In tientallen
metamorphosen acteert hij eigen neigingen, wenschen, angsten, ‘complexen’; alle
zintuiglijke indrukken en overpeinzingen van dezen dag personifiëeren zich; het
is boeiend en vermetel, en het legt een menschenziel bloot tot op de wortels, -
en toch blijven we geen moment in het ongewisse omtrent het werkelijke karakter
dezer vizioenen. Bloom is en blijft ‘Verbum’, zelfs nu het woord als zoodanig
geen hoofdrol meer speelt; hij ondergaat ook dit, passief,
zonder selectie, zonder iets vast te houden, zonder zelfs in diepere beroering
te komen. Want de werkelijkheid, in haar gemis aan zin en samenhang, wijzigt
zich niet essentiëel, ook al wordt ze in het diepste der ziel weerspiegeld.
In bijna al deze opzichten is de geniale Stephen Dedalus, die we als
Joyce's alter ego moeten opvatten, Bloom's antipode
1). Vertegenwoordiger van de oorspronkelijke gedachte,
den ‘zin’, den ‘Noumenon’, vreemdeling in de wereld der verschijningen, heeft
hij alleen de keuze zich af te sluiten, of zich eruptief te openbaren. (‘I
don't know if you are a fountain or a cistern’, moet eens tegen Joyce gezegd
zijn). Waar Bloom in zichzelf raisonneert, kletst of zeurt, in een
gemakkelijken, ‘horizontalen’ trant, die steeds met de buitenwereld en haar
werkelijken horizon voeling houdt, daar worden ons van Stephen ‘verticaal’
opstijgende gedachtenflitsen gegeven, intieme herinneringen, dagdroomen,
rudimentaire wijsgeerige of kunsttheoretische overpeinzingen, vaak zoo snel
verloo- | | | | pend, dat zelfs de stenogrammen van den ‘monologue
intérieur’ het niet bijhouden. Zijn vijandigheid, wantrouwen, wroeging toont
hij nooit openlijk: een bijtende opmerking, een sneer, en dan weer een verheven
tirade, getuigen alleen van een geestesleven, zooveel rijker toch en
krampachtiger gespannen dan dat van Bloom. Eerst wanneer hij zich, in het
‘bibliotheekhoofdstuk’, omringd weet door een belangstellend gehoor, komt hij
los, bizar doceerend. Voortdurend voelt men in hem de zucht zich te doen
gelden, als zelfbescherming tegen innerlijke onzekerheid. Want onbewust
verlangt hij steeds nog terug naar de religieuze geborgenheid, waarvan hij
zichzelf beroofd heeft, naar het ‘woord’, dat dáar nog een absoluten zin kon
hebben en tegelijkertijd toegang verleende tot een menschelijke gemeenschap; en
indien hij zich al verweert tegen dat verlangen, verwoed blasphemisch, dan is
het toch alleen om in deze woede zijn diepere afhankelijkheid te openbaren.
Kerkelijke litanieën, flarden thomistische dogmatiek vervolgen hem niet minder
dan het beeld van zijn gestorven moeder.
Op dezen tocht door Dublin, die eigenlijk éen groote afdaling is, éen
‘katabasis’: in het onbewuste zoowel als in de bijna fantastisch aandoende
zinledigheid der materie, begint dan zijn baan die van den reclame-agent te
naderen, een uitgestootene, een zwerver zooals hij, doch geheel verzoend met
zijn zwerverschap en met beide voeten in de werkelijkheid staande, wellicht
omdat hij zich zonder voorbehoud overgegeven heeft aan de onzekerheid en
bewegelijkheid ervan. Men kan het eenvoudiger zeggen: in Stephen Dedalus,
voorzoover hij de geheime attractie van den zoo middelmatigen Bloom ondergaat,
zien we de verpersoonlijking van den te hoog gestegen ‘geest’, die naar het
gewone leven terugverlangt, naar de banaliteit, de alledaagschheid, maar ook
naar een dynamisch geborgen-zijn, waarbij men veilige normen en het hechte
bolwerk eener dogmatiek niet meer noodig heeft om op bevredigende wijze te
kunnen leven. Het is, met andere woorden, de overwinning van den norm als
natuurlijk gemiddelde | | | | op den norm als geestelijk principe, die
gevierd wordt in dit symbolisch ‘éen-worden met Bloom’, - een wel zeer
origineele variant op de bekende ‘consubstantialiteit’, en die mij van
wezenlijker belang toeschijnt dan de vele satyrische uitvallen, die Joyce aan
het katholicisme verspilt. Dat dit ‘éen-worden’ zich geheel blindelings
voltrekt, heeft dan weer het voordeel, dat ons iedere didactiek bespaard
blijft. Wanneer Stephen, aan het slot van de ‘Walpurgisnacht’ half bewusteloos
geslagen, brokstukken van versregels voor zich uit mompelt (‘...
shadows... the woods... white breast... dim...’), verbindt Bloom,
behulpzaam en goedhartig, daaraan weliswaar een commentaar (‘A
girl. Some girl. Best thing could happen to him.’), maar dit maakt den
indruk van een niet onvermakelijke correctie door het gezond verstand eerder
dan van een vaderlijke raadgeving. Kenmerkend voor het weinig ‘mystieke’ in
deze unio mystica is het zich onmiddellijk daarna openbarende phantoom van
Bloom's gestorven zoontje, een grillig en hard omlijnd beeld, dat wel ontroeren
kan, doch verstoken is van iedere sentimentaliteit. Ook in de daaropvolgende
hoofdstukken, die het boek besluiten, is men nergens getuige van een verzoenend
‘familietafereel’; de twee mannen vallen elkaar niet snikkend in de armen, maar
zwerven nog wat rond, drinken wat, praten wat na in Bloom's keuken, waar
Stephen zelfs een spotliedje op de Joden ten beste geeft. Deze laatste scène
neemt een gedeelte in van het ‘catechismus’-hoofdstuk. Indien het waar is, dat
de techniek van ieder onderdeel zinnebeeldig op den inhoud betrokken is
1), dan
mogen we zeker in deze even bizarre als zakelijke vragen en antwoorden de
synthese zien van wat hier tijdelijk bij elkaar is gebracht: Stephen's
onderdrukt kinderlijk verlangen | | | | naar een absolute, leidende
macht, die op iedere vraag, ook de onbeduidendste, een antwoord klaar heeft,
Bloom's berustende levenswijsheid, die in een algemeen relativisme als eenig
houvast de ‘wetenschappelijk’ geformuleerde, tastbare en bewijsbare elementaire
feiten laat gelden.
Maar de afdaling van Logos tot Verbum, van geest tot materie, is nog
niet voltooid met hun definitief afscheid. Joyce wil consequent zijn, en ons de
laatste ontluistering van het woord, de wreedste zelf- persiflage niet
onthouden. Want hoe eenzaam en verbitterd Stephen Dedalus ook omlaagstreeft,
vol ressentiment tegen het ‘hoogere’, zooals men hem dat had bijgebracht,
hoezeer we in Bloom den kleinen burgerman blijven zien, die niet boven een
zintuigelijk niveau uitkomt dan door wat vage aspiraties en liefhebberijen,
toch verliest de eerste den Logos nooit onherroepelijk, noch
vertegenwoordigt de tweede ooit uitsluitend het Verbum. Eerst
in Marion, die tijdens Bloom's afwezigheid den vrouwenheld Blazes Boylan
ontving, is het woord geheel stof geworden, ‘vleesch’
geworden, - en wat voor vleesch! Het laatste hoofdstuk geeft haar
bewustzijnsstroom even voor het inslapen. Reeds typographisch zijn we op het
laagste peil: geen punten, geen komma's scheiden deze eindeloos na elkaar
voortkabbelende volzinnen, tegelijk keukenmeidenstijloefening en specimen van
de geraffineerdste psychologie. Marion herziet al de minnaars, wier namen we
reeds in een van die droge ‘catechismusvragen’ ontmoetten, alle bijzonderheden
van ieder wulpsch avontuur, dat zij zich herinnert. Ook buiten deze vrij
drastische erotiek om zijn haar ‘binnengedachten’ van een niet gemakkelijk te
overtreffen platheid. Leest men echter het stuk, na voorbereiding (!), zeer
snel door, dan moet de suggestie van psychische realiteit wel volkomen zijn.
Doch was het Joyce's bedoeling ons tot slot te overbluffen met een willekeurig
staaltje techniek? Nauwelijks. Het is zijn laatste troef tegen het ontzinde
woord, die hier uitgespeeld wordt. Deze ‘monologue intérieur’ treft in zijn
grauwe onafzienbaarheid scherper dan alle woordverdraaiingen, waartoe zijn
literair | | | | vernuft in staat bleek te zijn. Geen logische gedachte,
geen hooger gevoel, geen zelfbezinning of -kritiek, - niets dan de doffe,
verward in elkaar vloeiende droomen van een bronstig wijfjesdier, toevallig in
menschenwoorden vertaald. Inderdaad, de afdaling naar volkomen waardeloosheid
is voltooid; de reis werd volbracht, Odysseus rust naast Penelope! Maar de
pijlen, die hij op de minnaars afschoot, heeft Joyce voor eigen gebruik
bestemd...
S. Vestdijk
(Slot volgt)
|
1)Een van de ‘begrijpelijkste’ luidt:
Nationalgymnasiummuseumsanatoriumandsuspensoriumsordinaryprivatdocentgeneralhistoryspecialprofessordoctor
Kriegfried Ueberallgemein.
1)Vindt men dit alles nog te gezocht, dan
vraag ik aandacht voor Joyce's verdere ontwikkeling, na Ulysses. In het hoogere volapuk namelijk van Work in
Progress is de ontkrachting, de volslagen desintegratie van de taal, in
Ulysses nog binnen zekere perken gehouden, consequent
doorgevoerd. Hier is de ‘schizophrenie’ in vollen gang. Woordcombinaties uit
Engelsch, Portugeesch, Keltisch, Chineesch, wisselen af met ‘woordmuziek’ en
mathematische symbolen. Sommige letters hebben het opgegeven en liggen
horizontaal. Het moet uiterst geestig zijn voor wie het begrijpt, en zeker niet
zonder belang voor Pan-Europeanen, die vermoeid zijn geraakt van te veel
kruiswoordenraadsels. Voor mijn these omtrent den woordvijand
Joyce is het ondertusschen bewijzend.
1)Het is al weer Larbaud, die op den
symbolischen rijkdom in Ulysses gewezen heeft. Elk der 18
onderdeelen moet in verband staan met een kleur, een lichaamsdeel, een kunst,
etc. en natuurlijk met een der homerische avonturen. Hoe zullen de ingewijden,
de Transition-getrouwen, dit napluizen, met een ijver, alleen
nog te overtreffen door Hegelianen! ( Transition is trouwens
sterk Hegeliaansch georiënteerd, naar ik hoorde; dit lijkt mij meer dan een
coïncidentie.) Voor zoover ik het beoordeelen kan zijn deze zinnebeeldige
betrekkingen zeer willekeurig, en minder treffend dan die der astrologie. Het
hoofdstuk, dat in het dagbladbureau speelt, moet b.v. samenhangen met
rood, longen en welsprekendheid. Maar wat
is het verband tusschen rood en longen? Tusschen rood en welsprekendheid? In de
astrologie worden longen en welsprekendheid beide inderdaad ‘beheerscht’ door
de planeet Mercurius, maar die z'n kleur is geel... Het muzikale
Sirenenhoofdstuk daarentegen is ‘goud’: gouden snaren, gouden stemmen, whiskey
en vele gelijkgekleurde likeuren, en het haar van de twee barjuffrouwen:
‘bronze and gold’. Dit klopt dus. In het feit dat men er onder het lezen niet
zooveel van merkt ligt een belangrijke verontschuldiging voor deze curiosa, en
natuurlijk ook in hun moeilijk te schatten beteekenis voor den schrijver bij
het ordenen van zijn materiaal. Hier en daar ondersteunen de kleuren een
ironische bedoeling: in het eerste hoofdstuk b.v. wordt de zee vergeleken met
den aankleve van een zakdoek (snotgreen).
1)Elders, midden in een parodie op Iersch
chauvinisme, vinden we een halve bladzij met namen van ‘Iersche helden’, o.a.,
naast de meer gebruikelijke: Goliath, Dante, Mac Mahon, De laatste
der Mohikanen, The Man who broke the Bank at Monte Carlo etc. etc. - maar
alleen Patrick W. Shakespaere doet ons even
glimlachen.
1)In zooverre zijn beide figuren ‘klassiek’ te
noemen. Zij vormen een contrast, dat altijd weer opnieuw in de literatuur
opduikt. Bij Don Quichote en Sancho Panza b.v. ligt alleen het accent anders,
de machtsverhouding.
1)Als een der merkwaardigste staaltjes noem ik
het 14e hoofdstuk, dat in een vrouwenkliniek speelt; studenten debatteeren over
verloskunde. Maar men is ook getuige van de ‘geboorte’ van de taal: de stijl
ontwikkelt zich nl. van 16e of 17e eeuwsche pastiches tot modern Amerikaansch!
In andere gevallen evenwel gaat de parallel niet dieper dan dat Joyce
onsamenhangend schrijft, wanneer zijn personages de hoogte krijgen, of den
stijl parodiëert van de boeken, die zij gewoon zijn te verslinden.
|
|