|
|
|
| |
| | | |
Hoofdstukken over Ulysses
(Slot)
| |
III
Unprintable words
Van de half millioen woorden, waaruit Ulysses
opgebouwd is, maken de z.g. obscene een zoo miniem onderdeel uit, dat men dit
punt gerust zou kunnen overlaten aan een onwetend publiek, dat ook voor dit
boek zijn slagzin noodig heeft, en aan een nog onwetender censuur, ware het
niet, dat juist het gebruik van deze woorden ons verder brengt bij een
ontraadseling van de figuur Joyce. Men vindt ze b.v. in het zoo juist genoemde
hoofdstuk, waar Mrs. Bloom hun ‘prikkelende’ werking noteert. Nu lijkt me deze
omstandigheid schier bewijzend - voor wie zoo'n bewijs noodig hebben - voor een
totale afwezigheid van ‘prikkelende’ tendenzen bij den schrijver: wat men een
van zijn figuren, en zeker niet de ‘sympathiekste’, laat ondergaan, moet men in
zichzelf en in den lezer, dien men zich wenscht, overwonnen hebben, reeds door
het loutere feit dezer objectivatie. Dit alles spreekt vanzelf, - zonder ons
veel verder te helpen. Want welk ander motief bracht Joyce er dan toe, deze
woorden (die hij zelf als student overigens met voorliefde gebruikte, naar ons
zijn biografen verzekeren) op te schrijven en te laten drukken, waar hij toch
de publieke gevolgen gemakkelijk kon voorzien! Eerlijkheid? Volledigheid?
Bravour? Priester- of burgerhaat? Waarschijnlijk alles tegelijk, want Joyce is
zeer eerlijk, zeer consequent, zeer arrogant, zeer onroomsch,
zeer onburgerlijk, - maar er moet meer zijn dan dit.
Het is in dit verband merkwaardig, dat de twee auteurs, die zich in
Engeland door hun vocabulaire ‘onmogelijk’ gemaakt hebben, elkanders nauwkeurig
tegendeel zijn in | | | | alle andere opzichten. Niet Huxley (die toch
altijd nog een Mark Rampion ‘in zich’ had) is het negatief van D.H. Lawrence,
doch Joyce. Lawrence verfoeide Joyce en zijn Ulysses; dat was
alleen maar aftandsche geestelooze journalistiek. Het lijkt mij niet onmogelijk
dat Joyce den ander wat ridicuul vond, als hij al notitie van hem heeft
genomen. Kwamen beiden wellicht ook langs geheel verschillende wegen tot het
gebruik der aanstootgevende termen? Zoo ergens, dan moet hierin een sleutel te
vinden zijn.
Bij Lawrence dan, in de eerste plaats utopist, met bitter weinig
zelfironie, zooals utopisten betaamt, heeft het gebruik van den beruchten
vocabulaire onmiskenbaar de waarde van een propaganda; die woorden
vertegenwoordigen voor hem de teedere kreten uit een gelukzalig Arcadië, een
soort vereenvoudigde herdertaal, waarvan de cultuurmensch in panischen schrik
al lang niets meer verneemt dan den moralistisch verwrongen echo. Het is
Lawrence's overtuiging ook al weer, dat de moderne mensch uitsluitend met de
sexe overhoop ligt door zijn ‘vergeestelijking’, dat geest en sexe, eenmaal van
elkaar gedrongen (‘abgeschnürter Sexus’, zegt Klages zoo beeldend!), door hun
vijandschap het z.g. obscene pas te voorschijn roepen, en dat men dus, in
omgekeerde volgorde, niets anders te doen heeft dan het verbod op te heffen,
dat de intiemste relatie tusschen beide gebieden (d.z. de woorden, waarmee functies en organen onmiddellijk genoemd worden)
steeds heeft belast. Hoewel dit een bij uitstek ‘symptomatische’ methode lijkt,
berustend op een naïeve verwisseling van oorzaak en gevolg, is toch de
bedoeling duidelijk: Lawrence kiest, plomp, en zonder veel verfijnde
dialectiek, partij voor het leven, voor de natuur, derhalve voor de sexe, die
nu eenmaal van grooter vitaal belang schijnt te zijn dan de geest.
Nu lijdt het, ondanks alle bedenkelijkheid van het klakkeloos
omdraaien eener simplistische formule, niet de minste twijfel, dat Joyce in het
andere kamp thuis hoort. De gegevens zijn hier minder duidelijk dan bij zijn
tegen- | | | | speler; want nergens geeft hij een ideologie, kiest hij
partij, en vermoedelijk weet niemand hoe zijn intieme levens-philosophie er uit
ziet. Maar men kan veel afleiden: uit de geheele structuur reeds van dit
karakter, dat, in zijn bijna ascetisch intellectualisme en constructivisme, de
sexualiteit wel vreezen móet als het gevaarlijkste beroep van het ‘andere’ op
een zoozeer in zichzelf besloten ‘ik’. Het mag dan ook geen verwondering
wekken, dat in Ulysses van dit gebied vrijwel uitsluitend het
belachelijke, minderwaardige, al te menschelijke getoond wordt; nergens is
sprake van verliefdheid, laat staan van liefde, en de toch zoo erotische
overpeinzingen van Marion Bloom zijn eigenlijk een werkzamer remedie tegen het
‘zinnelijke’ dan broom of kamfer; voortplanting en geboorte worden verpletterd
door de extravagantste parodieën, terwijl van de moederfiguur enkel een
demonisch aspect getoond wordt, dat vooral een dieper beteekenis verkrijgt,
wanneer we het vergelijken met de bekende ‘moederbinding’ van Lawrence. In deze
schuwheid voor het sexueele blijft Joyce derhalve aan den modernen
cultuurmensch verwant, dien Lawrence bestrijdt, en misschien nog meer aan de
kerkvaders en hesychiasten, die hij zelf afdoende bestreden meent te hebben.
Wanneer Stephen Dedalus door de afschuwelijke, half verrotte schim van zijn
moeder aangerand wordt (een van de hoogtepunten uit de reeds genoemde
‘Walpurgisnacht’), stoot hij in machtelooze woede een der minder ‘erge’ woorden
uit, alvorens met zijn stok het licht uit te slaan. Het komt me voor, dat we in
dezen afweer een verklaring moeten zoeken voor het gebruik
ook van de ergste. Het obscene onthult zich dan niet zoozeer als een
plaatsvervangend middel tot afreageeren, zooals wij gewoonlijk geneigd zijn te
denken, als een minimum dat men zich nog toestaat, maar vooral als het verbod
van méer: door het uitspreken van het woord exorceert met de
handeling. Voor deze opvatting pleit nog, dat de bewuste
woorden in bijna iedere taal uit niet meer dan drie, vier letters bestaan, en
dan ook eerder uitgestooten dan uitgesproken worden: banvloek eerder
| | | | dan normaal attribuut der allernatuurlijkste erotiek, ‘helletaal’
eerder dan herdertaal!
1)
Ironische teweerstelling tegen een levensphenomeen, dat in zijn
onpeilbare dubbelzinnigheid die ironie zelf schijnt uit te lokken: het geeft
wellicht de diepst reikende verklaring van het gedurfde in Ulysses, de verklaring ook, die het duidelijkst terugwijst op de
persoonlijkheid van den schrijver. Plaatsen wij evenwel het boek in zijn
cultureel kader, dan herneemt ook hier de woordvijand Joyce
zijn rechten, de hekelaar eener zelfgenoegzame beschaving, ontluisterd door de
woorden, tót woorden gereduceerd! Wil men voor deze ontluistering inslaander
bewijs dan het z.g. obscene? Hier pas blijkt, wat de woordmensch gepresteerd
heeft, in welke mate hij er in slaagde, het sacraal-demonische karakter van het
leven te doen vervluchtigen in een woordfetischisme! Het verschijnsel doet zich
voor, dat een lichaamsfunctie, als onvermijdelijke gewoonte, zonder eenige
dionysische of zelfs maar priapische vervoering, uitgeoefend wordt door
dezelfde lieden, die nog van kleur verschieten, gnuiven of ‘geprikkeld’ worden,
wanneer men het omineuze woord uitspreekt in hun bijzijn. Men kan dit
verschijnsel overigens zonder alarm beschouwen, en er evenveel onvermijdelijke
en waarschijnlijk toch wel niet heelemáal zinnelooze triomf van den ‘geest’ in
zien als ontaarding. Alleen rijst de vraag: wat gebeurt er, wanneer die woorden
ons plotseling afhandig gemaakt worden, wanneer we ze zouden vergeten; wat
blijft er over van het sexueele sacrament, wanneer de litanie haar | | | | kracht verliest? Joyce beantwoordt deze vragen voor ons: er blijft
niets over. Aan de woorden heeft de cultuurmensch zich nu
eenmaal verslingerd: zoodra zij zakelijk uitgesproken, vastgelegd, door het
exorcisme van den boekdruk onschadelijk gemaakt zijn, is hun macht voorbij,
maar daarmee ook de macht van het levensverschijnsel waaruit ze alle sappen
hebben weggezogen. Het verbaal obscene in Ulysses is dus in
wezen niets anders dan de consequentie van een onverbiddelijk nihilisme; zelfs
zou men zoo ver kunnen gaan, dit boek pornografisch, althans onzuiver te
noemen, indien die woorden hier niet waren gedrukt. De
kwetsende uitlatingen van Mrs. Bloom en Private Carr zijn dan ook volmaakt
gelijkwaardig aan de beschrijving van bepaalde incidenten op andere plaatsen,
die de geheele schaal doorloopen van onschuldige psysiologie tot een inderdaad
opvallende gedepraveerdheid, doch steeds zoo nuchter en terloops, of ook al
weer parodistisch genoteerd, dat men de schaal oook gemakkelijk omdraaien kan:
laatste weerlegging van een ‘pornografie’, die immers meer dan iets ter wereld
hiërarchische verhoudingen in acht neemt!
| |
IV Het boek der antithesen
Zelfbevrijding en zelfbevestiging: zoo mag men de twee aanzichten
noemen van wat den zin uitmaakt van ieder kunstscheppen. Beide gaan samen, in
steeds andere, individueel wisselende verhoudingen; beide zijn misschien in
dieperen grond een en hetzelfde. Maar er is een belangrijk accentverschil. Waar
dit bij de zelfbevrijding gelegen is op datgene waarván men zich bevrijdt, op
het bruto materiaal dus, de uiterlijke en innerlijke levenservaringen, daar
staat in de zelfbevestiging de zich bevrijd hebbende persoonlijkheid op den
voorgrond, die tijdelijk alles verbroken heeft wat hem, als mensch, nog bond
aan zijn gegevens, die bovendien, dank zij de omvorming ervan tot kunst,
tegenóver die gegevens een nieuwe, samen- | | | | vattende
‘heerschershouding’ heeft weten te vinden. Men zou de zelfbevestiging het
resultaat van de zelfbevrijding kunnen noemen, maar zij is geen vaststaand,
betrouwbaar resultaat, omdat zij niet duurzaam kan zijn. Op straffe van
verarming of verstarring moet de kunstenaar steeds weer afdalen in het
materiaal, dat het leven hem brengt, er mee worstelen, en in en door die
worsteling zich opnieuw bevrijden; en deze, zich vaak in rhythmische herhaling
voltrekkende wisselwerking tusschen subject en object blijft, zoolang zij
ongestoord functioneert, zoowel de eenige levensvoorwaarde voor de artistieke
creatie als de meest omvattende formule ervoor.
James Joyce, zooals hij zich in Ulysses openbaart,
lijkt mij nu een vertegenwoordiger te zijn van dat kunstenaarstype, waarbij dit
proces gestoord is, waar dus de spontane, rhythmische afwisseling der beide
factoren plaats moest maken voor een fixatie. Deze kunstenaars ‘bevrijden’ en
‘bevestigen’ zich niet meer, na elkaar, en telkens volledig, maar streven
permanent de zelfbevrijding na op de wijze der zelfbevestiging, of omgekeerd;
het eerste geldt b.v. voor het type van den ‘contemplatieven’ kunstenaar, die
zich niet of nauwelijks meer objectiveert, die ‘zwijgt’, - zonder overigens een
kunstenaarschap te verliezen, dat waarschijnlijk reeds van den aanvang af
eerder berustte op een wijze van zien dan op productievermogen. In het tweede
geval daarentegen ontstaan monstruositeiten, waaraan jaren en jaren gewerkt
wordt met een onmenschelijke consequentie, onder inzet van de geheele
persoonlijkheid, die er nochtans niet in slagen zal boven zijn materiaal uit te
komen. Allicht is het tweede type van meer belang dan het eerste, voor
ons van meer belang zelfs dan de organisch, ‘rhythmisch’
scheppende kunstenaar, - waarvan Goethe het klassieke voorbeeld is, - omdat dit
ideaal in onzen tijd nu eenmaal niet te benaderen schijnt. Ik aarzel dan ook
geen oogenblik, naast het oeuvre van Proust, Ulysses de
belangrijkste literaire schepping van dezen tijd te noemen, doch alleen onder
voorwaarde dat de uitdrukking ‘tijd’ dan ook opgevat wordt als een qualitatieve
be- | | | | paling, en niet als willekeurig onderdeel van een structuurloos
tijdscontinuüm. Meer dan eenig ander werk lijkt Ulysses
karakteristiek voor de dertig jaren, die nu achter ons zijn komen te liggen:
door een halsstarrig individualisme, dat aan de rustelooze opeenstapeling van
zijn met moeite veroverde gegevens den bedriegelijken schijn ontleent van het
universeele; door een intellectualisme, dat zich door eigen overcultuur
vernietigt; door een uiterste verfijning van methode bij relatieve afname der
substantie; - maar voornamelijk door een diep ingewoekerde onmacht tot spontaan
leven, ten gevolge waarvan men naar het hoogste, het breedste, het verste greep
om eigen verschraling te bemantelen. Een tijd, die volledig en gevariëreerd
leeft, zal zich in de kunst uit weten te
drukken in het kleinste bestek, men denke maar aan de middeleeuwsche miniatuur.
Eerst wanneer het levensproces stokt, of ook: onevenredig versneld wordt, of
zich schoksgewijze omschakelt, zien producten het licht, tot stand gekomen in
éen uitbarsting van verkwiste energie, of door het ondergrondsche monnikenwerk
van jaren studeercelvlijt, of door beide tegelijk, doch steeds met het
onuitgesproken en onbewust werkzame motief eener compensatie: het menschelijk
bestaan in zijn heftigheid en volledigheid zonder eenige zelfbeperking uit te
beelden, daar waar het persoonlijke leven al te beperkt werd.
De desperate worsteling met een materiaal, dat zich op deze wijze
nooit en te nimmer dwingen laat, volgen we in Ulysses ook dan
met gespannen aandacht, wanneer ons van den inhoud nog al te veel ontsnapt
1). Vanzelfsprekend wordt daarbij dan de nadruk gelegd op de
persoonlijkheid
| | | | van den man, die zich in dit
hachelijk avontuur gestort heeft. Doch onder een belangrijk voorbehoud. We
hebben hier namelijk allerminst te doen met een van die gevallen, waarin een
boeiende figuur het werk zóozeer domineert, dat we dit laatste in hoofdzaak
benutten als introductie, als hulpmiddel bij het zoeken naar een menschelijk
contact. Natuurlijk is het werk Ulysses ondenkbaar zonder de
zeer bijzondere figuur van den schrijver, ook wanneer we afzien van zijn
zelfportret in Stephen Dedalus. Maar nauwelijks zal men er in slagen, een
surplus aan ‘persoonlijkheid’ buiten of achter dit werk te ontdekken, om de eenvoudige reden, dat werk en
persoonlijkheid hier onver-breekbaar éen geworden zijn, vergroeid zijn tot een
zonderling hybridisme in de hersenen van James Joyce zelf, die, naar men zegt,
den geheelen Ulysses uit het hoofd kent en op elke
willekeurig opgegeven plaats door kan gaan met citeeren! Wie zou onder deze
omstandigheden nog kennis willen maken met een ‘interessante persoonlijkheid’?!
Maar ook omgekeerd: wie zou ooit dit werk anders kunnen zien
dan als een foetaal monstrum, een teratoom, dat niet alleen geen uitsluitsel
geeft over den normalen bouw van het organisme, waaruit het afkomstig is, doch
dat ook nergens anders ter wereld levensvatbaarheid bezit, en dus niet
‘medegedeeld’ kan worden?! Dit is trouwens wat ik bedoelde, toen ik schreef
over de verhouding tusschen zelfbevrijding en -bevestiging: het te vormen
materiaal werd hier niet, na opgenomen te zijn, in andere gedaante
uitgestooten, maar bleef, voor de helft of voor driekwart ‘gevormd’ slechts,
in den schrijver achter, als een onverteerbare pil, die hij
niet meer kwijt kan raken
1).
Uit deze wederzijdsche fixatie van werk en schrijver is nu echter veel
van het eigenaardig barokke karakter van Ulysses te
verklaren, veel van die tegenstellingen en tegen- | | | | strijdigheden,
welke waarschijnlijk het kenmerk zijn van iederen barokken stijl, maar die hier
zooveel meer in het oog loopen door de ongebreidelde vergrooting der
afmetingen. Alle denkbare contrasten zijn in en achter dit boek aanwezig,
zonder eenigen overgang, zonder die glijdende tusschenschakels, waaraan men de
‘klassieke’ meesterwerken herkent, - en steeds zijn zij terug te brengen tot
die éene antithese tusschen individu en wereld, niet aan elkaar aangepast in
vruchtbare uitwisseling, doch onmiddellijk botsend en in duizenden facetten op
elkaar gebroken. We vinden hier een kwetsbaar gevoelige persoonlijkheid,
eenzijdig verengd door een ongewoon sterke binding aan pijnlijke
jeugdervaringen en het milieu daaromheen; doch deze ervaringen, dat milieu, hoe
beperkt subjectief ook, worden met alle middelen, geleverd door eruditie,
ironie, symboliek, literair experiment, geforceerd en geprotesteerd tot een
kunstwerk, dat het werkelijke bestaan schijnt te herhalen in zijn eigen
afmetingen, zóo misleidend suggestief, alsof meerdere personen van zeer
verschillend type, meerdere generaties zelfs, er collectief aan meegewerkt
hadden, ja, alsof de figuren en situaties het zelf hadden geschreven in een
stijl, die dan niet meer een prestatie zou zijn van den auteur, doch een
attribuut van de dingen buiten hem. We vinden hier een ‘verhaal’, zoo eindeloos
monotoon, leeg en burgerlijk, dat het, ‘met eigen woorden’ naverteld, een ieder
van dit boek moet afschrikken, - en toch onweersprekelijk boeiend door de
permutaties en combinaties, die het, tot in de taalwortels, nog binnen een
ironiseerend vernuft doorloopen kon. We vinden hier een methode van
psychologische descriptie, exact schiftend, noteerend, détailleerend, waarvan
ten overvloede het ‘wetenschappelijk’ karakter geaccentueerd wordt, doordat zij
een van geleerde zinspelingen wemelend materiaal te behandelen krijgt, - en
niettemin wordt deze zoo pijnlijk nauwgezette methode geheel in dienst gesteld
van een rabelaisiaansch fantastische gedachten-acrobatiek, die zich van iedere
associatie meester maakt, geen analogie zich laat ontgaan, teneinde een stelsel
van | | | | symbolische betrekkingen op te bouwen, dat als een
bogen-constructie het geheele boek overspant. We vinden schijnbaar spontane
invallen en beelden, die tot in alle onderdeelen berekend zijn.
1) We vinden een
onsamenhangendheid, die zich onthult als de bewust nagestreefde verwarring van
een geniaal gecomponeerde puzzle. We vinden, bij de afwezigheid van ieder
logisch-explicatief verband, een structureel verband tusschen passages, die
tientallen, honderdtallen bladzijden van elkaar zijn verwijderd, tengevolge
waarvan het aan den lezer overgelaten wordt, de blijken van een ongewone
menschenkennis en levenservaring zelf te synthetiseeren uit duizenderlei
verspreide détails. We vinden in een ironisch woordspel de diepste problemen
aangestipt; den nuchtersten werkelijkheidszin belichaamd in vormen, even bizar
als eigenzinnig afgesloten van iedere literaire traditie, en toch ook weer met
die traditie op de meest virtuoze wijze voeling houdend. We vinden hier, in éen
woord, een Chaos, die eigenlijk een Kosmos is, - of ook andersom, al naar men
zijn standpunt kiest...
In deze antithetiek voornamelijk, meer dan in een onbegrijpelijkheid,
die des te sneller slinkt naarmate de lezer aan meer voorwaarden voldoet, heeft
men een verklaring te zoeken voor den pathologischen indruk, dien Ulysses maken kan, maken moet. Pathologisch niet naar
psychiatrische criteria, die hier, bij een ‘normale’ persoonlijkheid als Joyce,
nog minder zeggen dan bij Strindberg of van Gogh, van wie de laatste tenminste
reeds naar behoorlijke burgerlijke criteria krankzinnig was, maar als
onmiddellijke indruk, die zich aan iedereen opdringt. Er zijn ge- | | | | noeg werken te noemen, even bizar fantastisch als Ulysses, die dien indruk niet maken. Hier in Holland zijn wij
b.v. in de gelukkige omstandigheid, tegenover Joyce's boek den Zebedeus van van Looy te kunnen plaatsen. Op velerlei punten
vertoonen ze merkwaardige overeenkomsten. Maar de Zebedeus is
een volmaakt natuurlijk aandoende lyrische uitbarsting; Ulysses daarentegen een systeem, het systeem van een kind, dat
koppig en eenzelvig met de débris eener cultuur speelt, het systeem van de tot
regel verheven uitzondering, het systeem van den waanzin, - maar dan niet de
waanzin van de persoon James Joyce, doch die van Dublin en van Rotterdam, 1904
en 1933, optochten van vice-koningen en van filmsterren, H.E.L.Y.S. en E.S.T.O.
Want er komt een moment, dat men de disharmonie tusschen mensch en buitenwereld
niet meer aan de buitensporigheid toeschrijft van het toevallige individu, doch
aan de zinneloosheid die rondom hem heerscht. Op dat moment ook vervalt het
onderscheid tusschen den uitzonderingsmensch en de ‘anderen’, die er zich
rekenschap van beginnen te geven, dat de middelen, waarmee het genie zich te
weer stelt tegen die zinneloosheid, in wezen weinig verschillen van die welke
ze zelf bezigen. In deze overeenkomst, deze zelfherkenning ligt voor onzen tijd
de kathartische beteekenis van Ulysses, en zijn
rechtvaardiging, waarschijnlijk, voor alle tijden.
S. Vestdijk
|
1)Hoe warm men ook moge loopen voor de
theorieën van Lawrence, in de behandeling der onkiesche termen neemt Joyce een
onvergelijkelijk reëeler standpunt in. Lady Chatterley's boschwachter, die
zonder een lachje, zonder eenige malicieuze bedoeling, die eenlettergrepige
woorden bezigt, niet ter uitzonderlijke kruiding van het liefdesspel, maar als
bijna physiologisch begeleidingsverschijnsel, is een puur verzinsel, nu en voor
altijd; de levenslustige, doch ietwat overprikkelde Mrs. Bloom, de ‘private
soldier’ Carr daarentegen zijn realiteiten. Wanneer de ‘natuurlijke’ omgang der
sexen de menschheid nog wacht (wat ik betwijfel, want op zulk ambivalent
terrein is het ‘onnatuurlijke’ vaak natuur), zal het ‘schokkende woord’ (om met
E. du Perron te spreken, wiens belangrijke kritiek op Lady
Chatterley's Lover men zich zal herinneren) waarschijnlijk, als volmaakt
onbelangrijk, afsterven en b.v. vervangen worden door intiem-persoonlijke
aanduidingen, waarvan Proust zoo'n alleraardigst voorbeeld geeft.
1)Zonder commentaar is dit boek nauwelijks
leesbaar, indien men tenminste niet aan den minimumeisch voldoet zoowel met de
Katholieke philosofie vertrouwd te zijn als met Dubliner toestanden in 1904,
publieke persoonlijkheden, etc. Niemand behoeft zich dus te schamen, aan de
lezing van Ulysses die van de werkjes van Curtius en Gorham
vooraf te laten gaan. Het laatste is zakelijker, geeft meer concrete gegevens;
Curtius, als Duitscher natuurlijk philosofisch georiënteerd, ziet vooral de
groote lijn, de algemeene beteekenis; beide vullen elkaar aan. Volkomen te
begrijpen is Ulysses waarschijnlijk alleen voor Joyce zelf.
De ideale lezer moet dus Joyce's kennis en talent bezitten, en 7 jaar hard
studeeren...
1)Ook hiervoor is Work in
Progress onthullend, dat al wéer in Dublin speelt (en op alle denkbare
andere plaatsen tegelijk, maar dit behoort nauwelijks meer tot het ‘materiaal’)
en al wéer rondom de figuur Stephen Dedalus. Daarbij moet men dan bedenken, dat
Joyce meer dan twintig jaar geleden Ierland verliet!
1)Het vizioen van Bloom's gestorven zoontje is
hiervan een leerzame illustratie. De verschijning wordt ons voorgesteld als een
Eton-boy met een violet gezichtje, een wandelstok en een bronzen helm. Hij houdt een
boek in zijn hand, waaruit hij van links naar rechts leest;
in zijn vestzak zit een wit lammetje. Het eerste détail is
een herinnering aan den verstikkingsdood van het jongetje zelf; de wandelstok
staat in verband met de ‘ashplant’ van Stephen; de bronzen helm wijst op de
‘metallic faces’ van de kinderen waarvan Bloom ‘beviel’ in dit zelfde
hoofdstuk; Bloom's vader las Hebreeuwsch: van links naar rechts; en tenslotte
is het lammetje een toespeling op de schapenbout waarmee Bloom in 't
bordeelkwartier verscheen. Het phantoom is dus gecondenseerd uit drie
generaties, en nog enkele andere gegevens.
|
|