|
|
|
| |
| | | |
Jan Breedevoort
1)
In de jaren dat hij nog op het Schoolplein woonde en door Janke naar
school werd gebracht, onderscheidde
Jan Breedevoort zich doordat hij zoo goed Jan Klaassen
na kon doen. Het was toen een vleierige jongen met een hanglip, maar met
hetzelfde roode, zalvende gezicht reeds, waarmee hij zijn buurman dan scheef en
veel beteekenend vanaf de lessenaar van de bank aanstaarde, alsof hij wat van
hem wist. Dan, ineens, lei hij zijn hoofd in zijn twee handen, en liet het
heftig op en neer schudden, op de manier van lachen of snikken, dat viel
moeilijk uit te maken, kwam dan dicht tegen je aanleunen, omarmde je spottend
en innig, en meteen lag hij weer op zijn bank Jan Klaassen na te doen. Hij
hield met Jan Klaassen op tot de volgende kermis, omarmde nog een paar keer, en
toen was Anton ineens zijn zilveren potloodje kwijt, zoodat zijn vader zich wel
genoodzaakt zag even een beleefd kattebelletje naar den overkant te sturen, met
dat gevolg, dat juffrouw Mobach, een groote vrouw met paardetanden en
schichtige oogen die alles zagen, het potloodje zonder veel omslag uit Jan
Breedevoort's borstzakje haalde waar Anton het zelf ook wel had kunnen zien,
waarop Jan Breedevoort volhield, dat hij het van Anton gekregen had, en toen
duurde het nog een halve dag voordat Anton zijn potloodje terug had, en het
laatste wat Jan Breedevoort zei was dat hij het natuurlijk wel had weggenomen,
maar als ‘aandenken’ en 's middags na school knikkerden ze al weer samen.
Daar Jan Breedevoort niet alleen stal, maar ook loog, en zelfs
liever loog dan stal, omdat dat minder gevaar opleverde, had hij een vriendje
noodig die alles geloofde. Anton zou daarvoor wel in aanmerking gekomen zijn,
maar die had zelf weer vriendjes, die Jan Breedevoort maar al te goed
doorzagen, zoodat alleen de schele Kees Vlaming voor hem overbleef. (Frans ten
Kate was ook wel dom, maar | | | | daarbij zoo nuchter en onaandoenlijk,
dat hij niet eens aan het gelooven toekwam). De slappe, schele Kees Vlaming was
het type van een zwakzinnig pretmaker, die overal voor te vinden was. Na een
poos zou hij met graagte ieder zilveren potloodje gestolen hebben dat Jan
Breedevoort hem had aangewezen. Hij rookte piraatjes van mest en hooi tot hij
er van kotste, alleen omdat Jan Breedevoort, die ze hem opdrong, zei dat 't
virginiëlief was. Woest ging hij grootere jongens te lijf, als Jan Breedevoort,
die zelf nooit vocht, zich maar in de buurt had opgesteld. Hij werd, in éen
woord, Jan Breedevoort's slaaf, en deze loog en fantaseerde er onderwijl zoo
bandeloos op los, dat het bijna allemaal opnieuw waarheid werd, zooals ook een
idealistisch wijsgeer de wereld, na haar eerst kapot geredeneerd te hebben,
weer uit de brokstukken opbouwt. Hij gewaagde van bootwerkerstwisten, paling
zoo dik als een vuist, en den omgang der geslachten, en op de kermis had hij
dronken kerels gezien die de halve poffertjeskraam stuksloegen, en de Indiërs
hadden als beesten met de worstelaars gevochten, en de ijzersterke Gonzalos
sloeg er met halters bovenop, en losse hoofden rolden over de straat-steenen,
en tot de tanden gewapend drong de politie een met bloed besmeurde tent binnen,
terwijl de dikke Dina als een bezetene gilde, en Miss Sjerta handenwringend op
de estrade vluchtte, achter een Turksche trom, en toen zelfs Kees Vlaming dit
niet meer voor zoete koek opat, had hij de acrobate hooren vloeken, die op een
gerafeld karpet toeren verrichtte met haar buik in de hoogte, zóo erg hooren
vloeken, zóó'n verschrikkelijk vloekwoord..., dagen lang wou hij niet zeggen
wát. De jongens smeekten, beloofden knikkers, - hij zei niets. Maar toen maakte
Anton gebruik van een gunstig moment. Juist had hij zich afgevraagd, of Jan
Breedevoort, die met zijn donkerroode hanglip in het eerste gelid naast hem
stond, altijd Jan Klaassen had geïmiteerd of dat Jan Klaassen nu Jan
Breedevoort nadeed, toen achter de poppenkast de acrobate voorbijliep,
wiegelend en somber, gevolgd door drie schunnige gasten die het karpet droegen
en het centenbakje. | | | |
‘Ik ben de dood - van potlood - en ik kom je hale!’
‘Wát, kom je me betale?’ gierde de echte Jan Klaassen, en bluschte
meteen zijn eigen overmoed in een schuddende lachbui binnen zijn puntige houten
handen. Jan Breedevoort keek beschermend toe.
‘Dat vloekwoord van die meid, hoe was dat nou?’ fluisterde
Anton.
Jan Breedevoort loerde om zich heen, zijn mond toeknijpend alsof hij
het geheim liever nog een week langer bewaard had, en fluisterde toen terug,
met groote, bolle, blauwe schrikoogen:
‘Als je je vreet houdt... Jezus bliksem!’
Maar de jaren gingen voorbij, en Jan Breedevoort, die langzamerhand
vond dat het liegen niet genoeg meer opleverde, begon naar een ruimer veld van
werkzaamheid uit te zien. Zijn trotsche, pralende onderlip was verdwenen; meer
en meer accentueerden zich de strengere lijnen van een gloedvol Romeinsch
profiel. En opeens bleek, dat hij zich tot een sportsman aan het ontwikkelen
was, hij droeg witte truien! Hij trapte, mepte, sprong, zweefde, kantelde, en,
verblijdend gevolg van dit alles: de hoera's van zijn vrienden op kaatsland of
voetbalveld stonden hem toe zich eindelijk weer op den bodem der werkelijkheid
te plaatsen: geen leugen kwam er meer over zijn lippen. Trouwens, voor zijn
heele leven had hij genoeg gelogen. Bij het overgaan op de H.B.S. kwam Kees
Vlaming hem te ontvallen, die nog maar in de zesde klas hing, en nu was hij wel
genoodzaakt uitsluitend bij de sport steun te zoeken, en bij de oude vleitaal
van zijn omarmingen en aanhalige rukjes. Maar ook de Jan Klaassen-imitatie was
niet geheel-verloren gegaan: het geoefende oog ontdekte nog steeds een rest van
deze pantomime in de wijze waarop Jan Breedevoort niesde. Hij was namelijk de
eenige van de heele school (en, wie weet, van heel Lahringen) die dat in zijn
zakdoek deed, die hij dan met twee handen vasthield, zijn heele hoofd er
indompelend en drie of vier maal op en neer schuddend. Het was inderdaad,
vooral als men verder van Jan Klaassen afzag, de wijze van niezen van een
| | | | sportsman, een sterken charmeur, gewichtig, rood, en clean,
beheerscht van gebaren, iemand ook, die gemakkelijk snaaksche effecten bereikt
door middel van discrete gezichtsvertrekkingen, nauwelijks aangeduid, iemand
die grappig is op de wijze waarop men grappig behóort te zijn: met een kalme
wellevendheid, en zoo dat iedereen de grapjes begrijpen kan. Als hoofdnummer
had hij een vrije imitatie van den imbecielen fietsenknecht Sipke Staak
ingestudeerd: ‘Mooi weer, meneer, mooi fietsweer, meneer, band lek, meneer,’ -
een ijverig geprevel, begeleid door vage, marionetachtige salueergebaren, en
zoo had hij er nog een paar van dat soort, standaarduitdrukkingen tics van
leeraren, verduidelijkte en gemechaniseerde straattypes, alles even
representatief en onmiskenbaar koddig, - maar zoodra hij merkte, dat zijn
geestigheden niet in goede aarde vielen, legde hij sussend zijn hand op de mouw
van den ander, met een innemend warmen blik, oolijk om een hoekje, alsof hij
zeggen wou: ‘Ik weet wel, dat je me tóch aardig vindt,’ - en als Jelle Mol met
zijn rijmpjes en scheldwoorden voor den dag kwam, was hij de eerste om
zelfverloochenend in te stemmen met het bulderend gelach waar Jelle Mol recht
op had.
Toen Anton drie of vier maal dat roode, lachende gezicht had zien
opduiken, als hij zich zoo ellendig voelde, veelal gevolgd door een vleiend
geaai over zijn jas, zei hij tegen Max Mees: ‘Breedevoort is een valsch kreng’
(het was de eerste maal, dat hij Breedevoort zei in plaats van Jan, in
navolging van meneer Greve die ook alleen achternamen gebruikte, en even had
hij het gevoel Jan Breedevoort onrecht te doen, dien hij toch van zijn zesde
jaar af kende), en besloot hem verder te negeeren. Maar op zulke dingen kwam
Jan Breedevoort juist af!
Daar de spanning om de afwisselende ijs- en dooidagen de
klasgenooten niet toestond veel aan scheldwoorden te denken, voelde hij zich
eind Februari zoo vrij en flink, dat hij, na een tien bij meneer Horsting, het
plan vormde om toch nog maar op Marie van den Bogaard ver- | | | | liefd te
worden. Het ging gemakkelijker dan hij gedacht had. Hij hoefde maar terug te
grijpen naar de herinnering aan het toelatingsexamen, en de ladder, en de geur
van stopverf toen ze voor de school wachtten, om dat zelfde gevoel weer in zich
te laten opstijgen; het was niet eens noodig dat frissche lachebekje zoo vaak
aan te kijken en met zulke ‘diepe blikken’ als de Engelsche feuilletons en de
‘Alpenfee’ van E. Werner hem voorgespiegeld hadden. Hij reed eenvoudig een
baantje met haar, toen nog een baantje, en toen reed Jan Breedevoort met haar.
Jan Breedevoort reed baantjes met Marie van den Bogaard, maar omarmen deed hij
Anton, vleiend en overrompelend, en mocht Anton dan kwaad beginnen te kijken,
dan stond hij ineens aan den anderen kant van de ijsbaan, voor de muziektent
bijvoorbeeld, met de achterkant van zijn schaatsen in het ijs te hakken, en
Marie van den Bogaard, met wie Anton dan natuurlijk verder reed, lachte nog na
over het laatste grapje van Jan Breedevoort, en in alle witte truien meende hij
Jan Breedevoort te herkennen, en dan was hij eigenlijk maar blij, als Jan
Breedevoort Marie van den Bogaard sierlijk bij de hand kwam vatten en de taak
overnam. Eens reden ze baantjes met hun drieën, en toen struikelde hij en viel.
Het bleef, intusschen, een driehoeksverhouding die onvermijdelijk scheen; als
Marie met een van hen beiden reed, keek ze naar den ander uit, en Jan
Breedevoort was van elastiek. In elk geval nam hij zich voor om verliefd te
blijven zoolang het ijs duurde, en dan toch Marie van den Bogaard maar eens
‘diep’ in haar oogen te kijken, net als Sir Reginald Trevelyan, de onterfde
edelman voor wien Lady Diana Chesterborough in den dood ging, en misschien kon
hij Jan Breedevoort wel bewegen zich terug te trekken, als hij zachtjes ‘donder
op’ zei, - maar toen gebeurde er iets dat alles voor hem veranderde.
Bij meneer Karels was het als gewoonlijk een bende. Voordat de oude
man met het smartelijk gegroefde gelaat de banken bestormd had om er een uit te
gooien, was de roestkleurige concierge Peek al drie keer aan de deur
| | | | komen luisteren of het zijn beurt nog niet was, en de baas, die
met zoo'n ouden leeraar óok geen raad meer wist, twee keer. Proppen scheerden
als aëroplanes door de lucht. Heelemaal rechts zat Jan Breedevoort achter Marie
van den Bogaard; Anton kon hen zoo in het oog houden zonder zijn hoofd te
bewegen. Terwijl meneer Karels maar vast aan de twee voorste banken schudde,
met zijn handen er op alsof hij wou gaan schommelen, bracht Jan Breedevoort de
zijne voorzichtig naar voren, tastte er mee langs Marie's ooren, en begon toen
zoetjes aan haar wangen te wrijven, met beide handpalmen, niet erg vlug, maar
af en toe gezellig knedend als een geoefend masseur. Marie kreeg een kleur, en
lachte stralend alsof er iets heel grappigs met haar gebeurde. Vaak had Anton
van zijn leven meisjes zien inzeepen met sneeuw. Dat ging haastig en wild, vol
misgrepen, in den blinde. Maar deze kalme, weloverwogen wrijverij was zóo heel
anders, was zóo vettig, broeierig en vernederend, dat hij niet wist welk
ellendig schaamtegevoel daar uit zijn lichaam opstijgen kwam. Soms leek het
alsof Jan Breedevoort bezig was zijn handen te warmen aan een heet voorwerp.
Daarbij bleef zijn nobelbesneden profiel in serene rust; alleen de handen waren
bezig, waardoor het mechanische en beestachtige der handeling nog versterkt
werd. Vuurrood zaten ze achter elkaar, als echte gemeene beesten, rustig,
herkauwend, wrijvend, - bah!
Hij meende wel, dat hij na school Jan Breedevoort te lijf zou moeten
gaan, volgens alle regels, maar toen het zoo ver was, walgde hij te veel van
Marie van den Bogaard om voor haar met een jongen te vechten dien hij van zijn
zesde jaar af kende...
S. Vestdijk
|
1)Fragment uit den in het najaar
verschijnenden roman Terug tot Ina Damman.
|
|