|
|
|
| |
| | | |
Het Pernicieuze Slot
De Engelsche schrijver John Masefield, die, naar ik meen, om zijn
dichterschap gelauwerd is, schreef bovendien nog enkele romans, waarvan me een
paar jaar geleden Sard Harker in handen viel. Het verhaal,
dat op een van de West-Indische eilanden speelt, deed eerst aan een wat
betrokken, maar tegelijk veel soberder Joseph Conrad denken. Gepsychologiseerd
werd er niet in, en een zekere toon van gelatenheid scheen niet ongeschikt om
de geheimzinnige sfeer, die zich na enkele tientallen bladzijden onthulde, op
haast nog overtuigender wijze te suggereeren dan bij Conrad zelf, die dat
alleen kan, wanneer zijn personages lange wandelingen maken (Chance) of hun plaats van bestemming nog niet bereikt hebben
(Heart of Darkness); in alle andere gevallen wordt bij hem de
sfeer doodgedrukt tusschen het avontuur en de psychologie. Het heeft weinig zin
om hier het verhaal van Masefield in den vorm waarin ik 't me herinner in
extenso na te vertellen. Laat ik volstaan met te zeggen dat de jonge kapitein
Harker een avond om een wit huis heensluipt waar een vrouw woont of net niet
meer woont, die door gevaren bedreigd wordt, en die hij vroeger gekend heeft of
niet gekend heeft. Van belang is dat ik me van dit begin in hoofdzaak
atmosferische détails herinner, het gekraak van wagenraderen, het knarsen van
grint, de ligging van dat huis ook, enkele honderden meters boven den
zeespiegel (niet lager en niet hooger), en nog verschillende attributen van den
tropennacht, - maar dat dan ook zoo hallucineerend duidelijk als me anders
nooit overkomt. Sard Harker verdwaalt dan bij zijn pogingen om de onbekende of
niet geheel onbekende geliefde bij te staan, of om alleen maar op tijd op zijn
schip te komen, in een klein oerwoud, waar hij belaagd wordt door de
weelderigste plantengroei en bijna in een moeras verdrinkt. Hij komt op het
strand terecht, zwemt een kreek over, en wordt gewond door een sidderrog. Hij
sleept zich voort tot een keet, waar een soort zandtreintje staat. Ongemerkt
verbergt hij zich in een van de wagens. Tegen den | | | | ochtend rijdt
het treintje het kale, bergachtige binnenland in, het blijkt eigenlijk een
goudtreintje te zijn, en de kapitein wordt tenslotte gevangen gehouden in een
kleine versterkte stad, verdacht van gouddiefstal. De bijzonderheden doen
verder weinig ter zake; ik wil hier alleen den nadruk leggen op de suggestieve
wijze waarop in het begin van dit boek een bekende droomervaring in de
werkelijkheid overgebracht is. Tot op dat moment is er van eenig conflict geen
sprake, Sard Harker wil alleen maar naar zijn schip terug, maar door een
samenloop van gebeurtenissen, zooals we die ook, weliswaar in veel onlogischer
vorm, uit den droom kennen, wordt hij er steeds verder van afgevoerd. Wellicht
dat dit ontbreken van elke intrige en ook het accent van voorloopigheid voor
een deel de beklemmende realiteitssfeer kunnen verklaren die me van dit boek
bijgebleven is. Men heeft voortdurend het gevoel van een gek maar daarom niet
minder gevaarlijk misverstand, zooals ook het werkelijk leven wel oplevert. En
men is eerlijk gezegd die vrouw en haar gevaren volkomen vergeten: zoozeer
boeit dit avontuur met die toch zoo weinig ter zake doende gouddelvers, die
geen scherts verstaan en ook geen Engelsch. Maar John Masefield is die vrouw
allerminst vergeten! Waar en wat ze ook is, Sard Harker zal naar haar toe, en
slaat men onder het lezen de laatste bladzijden op, op de manier van onze
oudtantes die alleen dáarom hun feuilletons in den grond van hun hart
verfoeiden, dan blijkt het, dat ze elkaar ook inderdaad krijgen. Harker moet
dus uit het gebergte weg en weer naar de haven,... en hier begint de ellende -
voor den lezer wel te verstaan! Nooit zou ik mogelijk geacht hebben, dat een
verhaal dat toch in zijn eerste helft zonder eenigen twijfel qualiteiten
verried, op zulk een wanhopige wijze, tot een derderangs draak kelderen
kon.
De drakerigheid stijgt, met mathematische nauwkeurigheid, naar
gelang de ontsnapte held weer naar den zeespiegel afdaalt. Indiaansche
afgodsbeelden, die als zingende zuilen fungeeren en hem angst aanjagen, brengen
de eerste dissonant, en dat gaat dan zoo door, totdat de kapi- | | | | tein (op een heel ander eiland) aan een paal vastgebonden staat naast
de vrouw uit het witte huis, beiden belaagd door een machtig en Spaansch
onverlaat, die daar alles tot zijn beschikking heeft, behalve de
waarschijnlijkheid van zijn bestaan. Een politieke intrige speelde hierbij ook
nog een rol, - en het verhaal gaat uit als een nachtkaars, met veel gesputter
en groote griezelige schaduwen tegen de muren. Tot zoover mijn ervaringen met
John Masefield.
Het wil mij voorkomen, dat deze ervaring zich gemakkelijk uitbreiden
laat, zoowel binnen de literatuur als daar buiten. Wat dit laatste betreft;
tientallen voorbeelden liggen er voor het grijpen van deze ongelijkwaardigheid van begin en einde ook in het werkelijke
leven. De reeksen waarin wij leven zijn nooit symmetrisch, nooit omkeerbaar,
kunnen zelfs niet als omkeerbaar worden gedacht; ik herinner
slechts aan de lapidaire tegenstelling tusschen geboorte en dood; en in mindere
mate wordt de uitzonderingspositie van de eerste ademhaling en zijn belangrijk
overwicht in onze waardeering op de laatste gedeeld door de eerste levensjaren,
de eerste geliefde, de eerste kus, de eerste teug, de eerste hap.
1) Alles wat begint heeft zijn
kansen mee, en het einde wordt doorgaans alleen begroet wanneer datgene wat er
aan voorafging inderdaad ondragelijk was. Of deze ongelijkheid een eigenschap
is van alles wat zich in den tijd afspeelt, of enkel een gevolg van de
afstompbaarheid onzer eigen appreciatie, wil ik voorloopig in het midden laten;
de bekende entropiewet in de natuurkunde, die een waardevermindering van
energie bij het afloopen van alle physische processen veronderstelt, schijnt
wel op het eerste te wijzen. Zooveel is zeker, dat men a priori alle
waarschijnlijkheid voor zich heeft, indien men zou willen aantoonen, dat ook in
de literatuur, in den roman, het begin zijn superioriteit handhaaft boven het
einde, dat er dus relatief meer boeken geschreven worden met een goed begin dan
met een goed slot, m.a.w. dat | | | | de meeste boeken de
terreinbewegingen van kapitein Harker op zijn tropisch eiland herhalen.
De vraag duikt op: hoe moet dit verklaard worden? Zonder mij aan een
al te scholastische splitsing van het probleem te willen wagen, geloof ik dit
toch niet zuiverder te kunnen stellen dan door achtereenvolgens te wijzen op de
drie geïnteresseerden bij den roman: de lezer, de schrijver, en de
gebeurtenissen subs. personen waaróver geschreven wordt. Wat de eerste betreft:
het hangt natuurlijk veel van iemands impressiviteit af, maar toch zal ieder
van ons wel eens gemerkt hebben de eerste bladzijden, ja de eerste zinnen van
een boek verre te prefereeren boven de rest. Eerste zinnen: men moest er eens
een verzameling van aanleggen! Ik ken een eersten zin van een boek dat ik niet
eens gelezen heb en waarschijnlijk ook nooit zál lezen en waaraan ik niettemin
onvoorwaardelijk mijn hart verpand heb, nl. Mobey Dick. De
zin luidt: Call me Ishmael, en men zou inderdaad weinig weten
te bedenken dat beter en kernachtiger de achtelooze wijze suggereert waarop de
hoofdpersoon van een grandioos en somber epos zich zelf in het spel brengt
zonder de aandacht af te leiden van wat er om heen gebeuren gaat. In dit
homerisch accent dat onmiddellijk een wereld oproept is voor
mij het heele verdere boek vervat, maar ik weet dan ook zeker, dat het na zoo'n
onvergetelijke introductie slechts tegenvallen kan! En hetzelfde geldt in
mindere mate voor eerste bladzijden en eerste hoofdstukken, die alle charmes
kunnen bezitten van wat nieuw, frisch en verrassend is. Het staat nu te bezien
of dit zoo blijven zou wanneer men het boek achterstevoren zou kunnen lezen, en
de vraag doet zich dus voor, of we de oorzaak van het phenomeen bij den lezer
zelf moeten zoeken dan wel bij den schrijver, en, een tweede: indien inderdaad
de schrijver de schuldige is, moet de overwaarde van zijn beginregels,
-bladzijden en -hoofdstukken dan gezocht worden in subjectieve factoren als
aanvankelijk enthousiasme, nog onverbruikte energie, en dgl. (de zelfde dus die
ook bij den lezer werkzaam zijn) waardoor hij minder boeiend gaat schrijven, of in zakelijke verhoudingen be- | | | | treffende de structuur van den roman, die pas secundair zijn
schrijftrant beïnvloed hebben. Om me nu verder geheel tot dit laatste te
bepalen (waarmee niet gezegd is, dat de andere verklaringen niet eveneens juist
kunnen zijn op hun tijd): hoe moet men begrijpen, dat ook bij een gedurende den
loop van het verhaal onverzwakt gehandhaafd talent die zelfde ongelijkheid
optreedt, dat zelfde overwicht van den aanvang op het slot van het boek?
In dit verband is het leerzaam nog eens opnieuw na te gaan, of in
het werkelijke leven, dat toch in verreweg de meeste gevallen voor den roman
model staat, de verhouding tusschen begin en einde inderdaad even ongunstig is
voor het laatste. Daarbij hangt het er in beslissende mate van af wat men onder
het ‘werkelijke leven’ verstaat, op welk van de twee woorden men het accent
legt! Aangaande de levende werkelijkheid namelijk is
gemakkelijk aan te toonen, dat zij in eigenlijken zin niet eens een ‘einde’
kent, zoodat er ook geen prake kan zijn van een inferieure positie van dit
einde! De asymmetrische reeksen, waarover ik boven schreef, bestaan alleen in
zooverre als men überhaupt reeksen isoleeren kan, en dat beteekent, dat zij een
product van den menschelijken geest zijn eerder dan een attribuut van het
leven. Een levensproces, mits ongestoord aan zich zelf overgelaten, wordt
steeds op volmaakt vloeiende wijze afgelost door het ‘begin’ van een ander
levensproces; het einde van de lust is tegelijkertijd het begin van de
verzadiging, en deze verzadiging staat niet zonder meer gelijk met het
ontbreken van lust of begeerte, maar is wel degelijk een positieve prestatie
van het organisme, zooals ook de slaap dat is (en misschien de dood, althans de
handeling van het sterven.) Men kan zelfs zoo ver gaan, de nadeelen van de
laatste kus zonder meer te herleiden tot het vooralsnog ongestilde verlangen
naar de eerste kus aan een andere vrouw! ledere verhouding,
iedere toestand, ieder psychisch gebeuren gaat continu, zonder andere dan
geheel arbitraire grenslijnen, in de volgende over, m.a.w. het levensboek is
samengesteld uit louter eerste zinnen, bladzijden, desnoods hoofdstukken, maar
kent geen ‘slot’ | | | | anders dan in den dood, of in de doode natuur
die het leven begrenst en waartegen het leven zich te weer stelt. Hoe die
‘doode’ natuur an sich er uitziet zullen we wel nooit weten, haar kenmerkend
aspect voor den menschelijken geest evenwel bestaat daarin, dat zij
berekend kan worden d.w.z. dat een bepaalde reeks van
processen uit het geheel te isoleeren is en onder een formule
te vangen, die toestaat uit het begin af te lezen wat het einde brengen zal,
iets wat voor de levende organismen uitsluitend geldt onder gezichtspunten die
aan de exacte natuurwetenschappen ontleend zijn. Anders gezegd: de anorganische
natuur kan men definiëeren als dat wat zich voorspellen laat, omdat het een
begrensd verloop en daarmee een einde bezit, het leven daarentegen als het
eeuwig spontane en onberekenbare Begin, dat het ‘einde’ zoolang mogelijk
omzeilt, ontkent, aan de aandacht onttrekt, onschadelijk of zelfs bruikbaar
maakt.
Passen we nu deze inzichten, - die hier slechts summier aangeduid
konden worden, - op ons probleem toe, dan zien we duidelijk, dat de
ontluistering van den roman in en door het
slot een dubbele beteekenis verkrijgt. In de eerste plaats geschiedt dit
doordat de roman nu eenmaal een stuk leven afbeeldt en
daarmee alle gevaren die dit leven van den kant van het ‘einde’ werkelijk zouden bedreigen, indien het niet alleen maar
beschreven werd doch ook geleefd; in de tweede plaats echter, en waarschijnlijk
in veel sterker mate, doordat de roman een stuk leven isoleert van de rest, waardoor het berekenbaar en voorspelbaar
gemaakt, - zij het ook niet met de volledige exactheid van een
natuurwetenschappelijke formule, - maar tevens gesteriliseerd wordt. Onze
weerzin tegen een goedkoope ‘ontknooping’, het misnoegen dat een vulgair
liefdesromannetje opwekt met de befaamde happy end, het ‘verlangen naar de
zesde acte’, dat Oscar Wilde den vrouwen in de schoenen schuift, maar dat we
allemaal bezitten, omdat we allemaal wel willen weten wat er eigenlijk
gebeurt, wanneer de twee elkaar ‘gekregen’ hebben, dit alles
is dus opgebouwd uit twee zeer verschillende houdingen: éen | | | | die
we ook tegenover de reeds door den ‘dood’ aangetaste levende werkelijkheid
zouden aannemen (de gelukkige ontknooping als vernietiging van het verlangen,
dat gelukkiger maakte), en een ander, berustend op ons protest tegen een
willekeurige isoleering, die van wat daar buiten nog geschieden mag alleen een
verslag toelaat in den trant van ‘zij leefden lang en gelukkig met elkaar.’
1) Het ligt voor de hand, dat de eerste factor
onvermijdelijk is, maar men zal den goeden romancier herkennen aan de wijze
waarop hij zich zooveel mogelijk van de tweede ontdoet, de wijze dus waarop hij
in zijn roman iedere merkbare voorspelbaarheid en
berekenbaarheid elimineert, al is het ook ten koste van de vormqualiteiten en
de compositie en wat daar al zoo mee samenhangt. De slechte romancier
daarentegen is de natuurwetenschappelijke demonstrator op de verkeerde plaats,
en de tegenzin, door een slot als dat van Sard Harker gaande
gemaakt, moet misschien minder door de drakerigheid verklaard worden (deze is
immers niet veel anders dan een overcompensatie van den kant van den auteur die
zelf ook wel voelde dat het misliep) dan door een onafwendbaarheid die we
allerminst als een plechtig fatum ondergaan, die we, integendeel, hinderlijk
vlug ‘doorhebben’. Sard Harker's tocht naar het gebergte lijkt precies zooveel
op het geleidelijke spannen van een elastiek, waarop de ontspanning volgt met
die en die bepaalde snelheid, welke men van een elastiek verwachten mag waarvan
men de natuurkundige eigenschappen kent, dat het vervolg van dien tocht bij den
subtieleren lezer zonder mankeeren het verlangen op moet wekken naar een minder
wetmatig elastiek, naar een elastiek, dat onverwachts springt, naar heelemáal
geen elastiek...
Dat de uiteenzetting met het slot voor een niet onbelangrijk deel de
geheele moderne romanproblematiek beheerscht, kan, na het bovenstaande, vooral
geen verwonde- | | | | ring baren, wanneer we wijzen op de gewijzigde
houding die men in de literatuur allengs tegenover het ‘werkelijke leven’ is
gaan aannemen. Het betreft hier een proces, dat waarschijnlijk reeds eeuwen aan
den gang is, maar dat in de 20ste eeuw dusdanig versneld is geworden, dat we
van een totaal nieuwe strekking kunnen spreken. De literatuur staat hierin
trouwens niet alleen: men vindt het zelfde in de muziek (opgeven van klassieken
vorm en tonaliteit), in de philosophie (Bergson, pragmatisme, z.g.
levensphilosophie), in de wetenschappen (rechtvaardiging van de
‘idiographische’ wetenschappen tegenover de natuurwetenschappen), ja zelfs in
de physica (relativiteitstheorie, moderne atoomtheorieën). Overal een tendenz
om aan het spontane, onberekenbare ‘leven’ meer rechten toe te kennen dan tot
dusverre geschiedde, een tendenz die zeer zeker opgevat kan worden als een
simpele reactie op een eeuwenlange overheersching door de exacte
natuurwetenschappen, maar die m.i. toch ook wel terug te brengen is tot het
geleidelijk verlies van het christelijk onsterfelijkheidsgeloof, waardoor men
genoodzaakt was het quantum leven waarop men aanspraak meende te mogen maken in
geconcentreerder vorm op aarde te zoeken. Hoe dit zij, in de romanliteratuur
demonstreert zich de bewuste ommekeer door verschillende bekende
verschijnselen, die o.a. door Aldous Huxley gekarakteriseerd zijn in zijn
onderscheiding tusschen ‘chemisch zuivere’ en ‘chemisch onzuivere kunst (In
Tragedy and the Whole Truth uit de bundel essays Music at Night.) Deze onderscheiding past daarom zoo goed in de
hier gevolgde gedachtengang, omdat zij eveneens het isoleerbare, berekenbare
element in het geding brengt. Chemisch zuivere kunst, kunst dus die den indruk
wekt van een chemisch proces (ik vat Huxley's term nu meer in dynamischen zin
op, daar het hier niet zoo zeer om den inhoud als wel om het verloop van den
roman gaat), staat gelijk met kunst waarin begin en einde, en de stadia die
daar tusschen liggen, in een exacte, beperkte en beperkende structuurverhouding
tot elkaar zijn komen te staan, onder uitsluiting van al het toevallige,
| | | | bijkomstige, spontaan opduikende, waarvan het werkelijke,
‘onzuivere’ leven toch eigenlijk aan elkaar hangt. De klassieke tragedie is
hiervan een extreem voorbeeld dat ook door Huxley aangehaald wordt. Het einde
is in deze kunstvormen niet een natuurlijk ‘uitsterven’, of een, tenslotte niet
minder natuurlijke, onderbreking, of een verzwegen aanloop tot zelfvernieuwing,
maar een klap op de vuurpijl, een schoksgewijze en definitieve kristallisatie,
een ademloos verwachte apotheose, een slag van het noodlot, waarbij geheele
koren niet alleen de handen staan te wringen, maar waarop ze ons tevens met
alle hardnekkigheid van eerzuchtige figuranten gedurende vijf bedrijven hebben
voorbereid. Huxley wijst weliswaar op de ‘katharsis’ die op deze wijze te
bereiken valt, maar er behoort nauwelijks veel zin voor woordspelingen toe om
in te zien dat deze katharsis bedenkelijk veel weg heeft van de borrelende
resultaten van een purgatief. De terugwerkende kracht van zulk een cascaraslot
kan zoo groot zijn - zoo groot inderdaad als de verlammende werking van den
dood op het leven van hen die aan den dood te veel waarde hechten! - dat zelfs
iedere mogelijkheid ontbreekt om, op een bepaald punt van den
roman gekomen, willekeurige zijwegen in te slaan, m.a.w. de roman heeft het
kostbaarste kenmerk van het werkelijke leven verloren: dat van steeds weer met
een schoone lei te kunnen beginnen. In den geconstrueerden roman is alles
wetmatig als in een mechanisme met elkaar verbonden, wat zijn onmiskenbare
voordeelen heeft, - maar de ontknooping, de ontspanning, waarop al die in
elkaar grijpende factoren aandringen, brengt vaker teleurstelling dan
verlichting, al was het alleen omdat in de kunst de spanning nooit zoo hoog
opgevoerd kan worden als in het werkelijke leven, behalve dan bij den
primitieven lezer, die met zijn helden meejubelt, - weent, - sneeft. Het is dan
ook nauwelijks toeval te noemen, dat men den roman, die in zijn
geheel van de pernicieuze werking van het slot getuigt, alleen nog in de
lagere regionen der literatuur aantreft. Soms stuit men op hybridische
producten als Sard Harker, die in hun eerste | | | |
helft veelbelovend ‘chemisch onzuiver’ zijn (of, om de negatieve omschrijving
te verlaten en de eene wetenschap tegenover de andere te stellen, ‘biologisch’
zijn) om in hun tweede helft hopeloos terug te vallen naar het standpunt van de
intrige en de happy end: het eeuwige lakmoespapiertje van de blauwe trouw en de
rozeroode liefde.
De mate waarin een romancier het chemisch laboratorium ingeruild
heeft voor de vrije natuur (al is het dan maar een begrensd reservaat) kan
derhalve vrij nauwkeurig afgelezen worden aan zijn 50, 30 of 10 laatste
bladzijden. Hoe meer knallen, plichtmatig omslaande lakmoespapiertjes, stank en
gebroken retorten deze bevatten, des te minder heeft de auteur nog voldaan aan
den eisch, dien men in de laatste decennia meer en meer is gaan stellen: kunst
te geven die, zonder een slaafsche copie van het leven te zijn, toch geheel het
spontane en organische karakter er van bezit, en niet meer beperkt is door de
kunstmatigheid eener strenge en afgeronde compositie, die nog te veel naar de
natuurwetenschappelijke formule zweemt. Dat men ook hier naar een ‘gulden
middenweg’ dient te trachten, spreekt wel van zelf: een volledige
natuurlijkheid en spontaneïteit is even ondenkbaar als een leven zonder dood en
zonder berekenbaarheid, maar men heeft reeds veel bereikt, wanneer het
slot althans onzen wrevel niet meer opwekt, d.w.z. wanneer
het ook nog de potentie van een begin in zich draagt, en het accent aangenomen
heeft van de gevariëerde mogelijkheden, waaraan de auteur enkel door een
noodzakelijke zelfbeperking niet toe is kunnen komen.
Hoe de verschillende scholen en afzonderlijke schrijvers aan dit
criterium recht hebben laten wedervaren, welke kunstgrepen (toch nog!), welke
stijlmiddelen zij bezigen, het zou een omvangrijker historische studie
rechtvaardigen dan hier gegeven kan worden. Vooral boeit, als steeds, het
compromis dat men gezocht heeft: tusschen ‘einde’ en ‘begin’,
tusschen abstract mechanisch schema en concrete, bewegelijke werkelijkheid,
tusschen vooropgezette constructie en spontane inval. Een van de meest
| | | | toegepaste oplossingen is b.v. om de structuur geheel door het
‘leven’ zelf te laten begrenzen: de roman eindigt dan met den dood of met den
ouden dag van de hoofdpersoon (soms de schrijver zelf: Proust) of eenvoudig
omdat op een zeker moment de stof uitgeput raakt. Het slot van zulk een ‘roman
fleuve’ kan teleurstellen (bij Proust b.v. in vrij sterke mate), maar deze
teleurstelling mag men dan niet meer aan de romantechniek wijten, want zij is
geen andere dan die door een verjaarde vriendschap of een oververzadigde
liefde. Een origineel staaltje van een ‘roman fleuve’ in zakformaat geeft een
novelle van Ernst Weiss, Die Herznaht (in Novellen Deutscher Dichter der Gegenwart) waarin de requisieten
opgehoopt zijn voor de meest romantische verwikkelingen zonder dat hiervan een
ander gebruik wordt gemaakt dan de expositie hunner mogelijkheden onder het mom
van een nuchter verslag. Hier vinden we een ‘constructie’ hoogstens als
reminiscentie aan oudere vormen. Dergelijke pogingen om de structuur zelve te
ontkrachten zijn, in grooteren stijl, ondernomen door Maeterlinck en Gide; de
eerste dempt in zijn drama's de structuur tot een Matthijs
Maris-nevel, de tweede maakt de structuur problematisch door
er midden in het boek zelf over te gaan delibereeren (Les Faux
Monnayeurs). Een andere methode laat op het toch nog gehandhaafde
‘chemisch zuivere’ slot een onopgesmukte epiloog volgen, waarin nog even
verteld wordt ‘hoe het verder ging’; men treft dit vaak bij oudere schrijvers
aan, maar ook in werken als Point counter Point van Huxley is
het toegepast, hoewel minder duidelijk, en eigenlijk uitsluitend als zalf op de
wonde van den dood van Spandrell, na dien van Webley: in dezen ‘roman fleuve’
een merkwaardig relict uit den tijd der intrigeromans. Hoe moeilijk te
realiseeren dit ‘voortgezette slot’ in den liefdesroman is bewijst Lawrence's
Lady Chatterley's Lover, waarin de epiloog nog steeds, en al
krampachtiger, de verrukkingen van het ‘elkaar krijgen’ tracht vast te houden
en daardoor zijn doel voorbijschiet. Men kan verder een willekeurig tijdsdeel
isoleeren, b.v. één dag (Joyce, Vir- | | | | ginia Woolf), wat het
voordeel oplevert, dat niemand het daarmee gegeven ‘slot’ hinderlijk zal
vinden, zoomin als men 's avonds onder protest tegen de discontinuïteit van het
leven slapen gaat. De compositie gaat dan weer eenige oppervlakkige gelijkenis
vertoonen met die van de klassieke tragedie met zijn ‘eenheid van tijd’:
oppervlakkig inderdaad, omdat hier van geheel andere premissen uit is gegaan.
Romans die nog wel principiëel aan de oude compositorische structuur en aan de
intrige vasthouden zien hun slot vaak verzacht door allerlei listen, die niet
zoo gemakkelijk slagen, maar die ons toch duidelijk toonen waar het hier om
gaat. Een van de opvallendste voorbeelden is wel Les Caves du
Vatican van Gide, waarin de held Lafcadio op de laatste bladzijden
ondubbelzinnig te kennen geeft, van het heele geval nu wel genoeg te hebben en
weer wat nieuws te willen entameeren! Even naïef, maar doeltreffender en ook
vaker toegepast, is het slot waarvan de staart afgeknapt is: de laatste twee of
drie regels worden verzwegen, de lezer mag raden, voelt zich wellicht
beetgenomen, maar tevens wordt de illusie gewekt van een beweging die zich nog
over de typographische grenzen van het boek heen voortzet en daardoor toch nog
van een ‘begin’. Dit doortrillen van een voorlaatste accoord vindt men b.v. op
virtuoze wijze gedemonstreerd in Before the Fact van Francis
Iles en in
Het Afscheid van de Wereld in drie
Dagen van
van Vriesland.
Nu ik toch bij onze eigen literatuur beland ben, kan ik niet nalaten
aan de merkwaardige procéde's te herinneren met behulp waarvan
E. du Perron zich in zijn venhalenbundel
Nutteloos Verzet van de taak gekweten
heeft om het ‘slot’ onschadelijk te maken. Wellicht buiten zijn bedoeling, of
‘onbewust’, zooals men graag zegt; maar deze verhalen vertoonen nu eenmaal een
sterk experimenteerend karakter, en het komt wel meer voor, dat met het eene
experiment de resultaten worden gevonden van een ander. Hoewel deze verhalen
een consequente ‘structuur’ bezitten, nog onderstreept door de spitse
dialectiek der beide vertellers die zich tusschen den auteur en zijn figu- | | | | ren
in geschoven hebben, is bij sommigen van hen met een niet geringere
consequentie het eindeffect vermeden dat eigenlijk bij die structuur passen
zou. Gaat men na, geheel logisch deductief, zooals ook de vertellers deze
verhalen opbouwen, welke mogelijkheden den schrijver ten dienste stonden om het
‘slot’ te omzeilen zonder de structuur op te offeren, dan vindt men er twee:
ten eerste door het einde van éen verhaal het begin te maken van een volgend,
ten tweede door het einde te vertellen vóor het begin (van het zelfde verhaal).
Beide mogelijkheden zijn gerealiseerd in
Zoo leeg een bestaan (met het vervolg
Voor alle zekerheid) resp. in het
bekende
Het Drama van Huize aan Zee, in het laatste wel het
overtuigendst. We vinden hier een verhaal, dat door zijn romantische structuur
geheel bij de ‘chemisch zuivere’ kunst thuis hoort, en een
kool-zwavel-salpeter-effect, dat heel wat glaswerk op zijn geweten zou kunnen
hebben bij een normaal verloop van de chemische reactie die er aan ten
grondslag ligt. Maar wat doet de auteur? Onder versmading van de gebruikelijke
volgorde laat hij eerst de knal hooren en toont pas daarna welke reacties er
aan voorafgingen! Bij deze kunstgreep, die natuurlijk alleen mogelijk wordt
gemaakt door de gevolgde dialoogtechniek en daarom ook weinig geschikt lijkt
voor navolging, hindert het eindeffect niet meer als vooruitbedachte apotheose,
omdat het inderdaad vooropgesteld is en zoo alle charmes
verkrijgt van een begin zonder de verderfelijke werking van
een slot dat we reeds bladzijden lang met de zekerheid van
een uurwerk voelden aankomen. Dat de moeilijkheden hiermee niet overwonnen,
doch slechts gebruskeerd zijn, doet niets af aan de waarde van dit experiment,
dat meer dan iets anders, en door een eenvoudige omkeering, demonstreert op
welke wijze de moderne literatuur zich ten opzichte van het slotprobleem
onderscheidt van de oudere.
S. Vestdijk
|
1)Je n'aime rien tant que ce qui
va se produire; et jusque dans l'amour, je ne trouve rien qui l'emporte en
volupté sur les tout premiers sentiments.
(Paul Valéry,
L'Ame et la Danse.)
1)N'est-ce pas quand on nous dit
à la fin des histoires: ‘Ils furent heureux’, que la grande inquiétude devrait
faire son entrée? Qu'arrive-t-il tandis qu'ils sont heureux?
(Maeterlinck).
|
|