|
|
|
| |
| | | |
Else Böhler, Duitsch Dienstmeisje
In een van de laatste maanden van '32 verloor mijn vader niet alleen
het grootste gedeelte van zijn kapitaal, maar ook het beheer van de fabriek,
die drie generaties lang in het bezit van onze familie was geweest. Grootere
handelscapaciteiten dan waarop deze typische bureaucraat bogen kon hadden de
gevolgen van de crisis zeker niet kunnen voorkomen en daar alles rondom
afbrokkelde of ineenstortte, putte hij een soort collectieve troost uit het
onvermijdelijke, waartoe een vaag, overgeleverd calvinisme hem overigens
voorbestemde. Na veel familiegekuip ging hij op het ontredderde wrak scheep
naar een der groote Hollandsche steden, waar hem toegestaan werd te ankeren aan
waterstaat. Voortaan zou zijn leven in het teeken staan van de crisis, een
crisis die hij niet helpen kon, dáar kon iedereen het over eens zijn.
Toen evenwel mijn hospita het telegram had binnengebracht met het
alarmeerende bericht: ‘Onmiddellijk thuiskomen, vader ongesteld’, dacht ik geen
oogenblik aan de crisis en aan geld alleen voorzoover iederéen aan geld denkt,
wanneer zijn vader ongesteld is. Maar ik kènde dat van die ongesteldheden. Hoe
vaak was ik niet, in de acht jaar dat ik reeds studeerde, thuis moeten komen
met het vooruitzicht van een doktersauto voor de villa en verkapte ruzie
binnenin. Door zoo iets stompt men af. Daarbij komt, dat mijn vader voor mij
altijd een slecht omlijnde figuur is geweest: een lange, grijsblonde man met
hangwangen en afwezige, smartelijke oogen van een kwalachtig lichtblauw,
tegelijk verflensd en opgezwollen, oogen die zich wel graag brekend zouden
willen sluiten om al dat aardsche wee, waartegen zelfs langzame nauwgezetheid
machteloos is gebleken, maar op den duur loopen daar alleen de dienstmeiden nog
in, als ze tenminste niet langer blijven dan twee maanden. En dáar zorgde mijn
moeder wel voor!
Wanneer ik naar mijn ouders toe moest, voelde ik mij altijd als een
burchtheer, die zijn versterking verlaat om | | | | in het open veld te
gaan strijden. Alles werd onzeker, wankelend; ik gleed tien jaar terug door de
tijd, of voelde me, als om het evenwicht weer te herstellen ineens zoo oud als
de twee menschen die ik aanstonds begroeten zou. In mijn studentenjaren had ik
mij allengs de houding veroverd van een afgesloten en verfijnd laconisme, dat
mij in staat stelde, schokvrij te blijven, ondoordringbaar voor ongewenschte
invloeden, en dan desnoods maar raadselachtig. Zelf ben ik er nooit dupe van
geworden, en maar al te duidelijk zag ik in, dat ik bij deze houding een zeker
onvermogen om spontaan te leven op de koop toenemen moest. Voor mijn vrienden
was ik zooveel als de ‘rijke’, doch lang niet ongeschikte Roodenhuis, voor
jongere studenten een excentriek kamerhokker met ‘hoogere’ liefhebberijen of
een ‘boemelaar’ (overdreven, maar ik gaf mij graag de schijn), voor mijn ouders
en mijn broer daarentegen de ‘eeuwige candidaat’, een uitdrukking die wellicht
voor het eerst uitgesproken is op een van de avondjes van het dameskransje, dat
mijn moeder in die Geldersche provincieplaats met zooveel ijver rond zich had
verzameld. Hoewel ik op het oogenblik doctorandus in de rechten ben en nooit
voor een examen zakte, zie ik toch met een zekere verteedering terug op die
smadelijke overgangstitel. Inderdaad stelde ik mijn laatste examen telkens weer
opnieuw uit om zoo lang mogelijk van die geuzennaam te kunnen profiteeren, zoo
lang mogelijk ‘eeuwig’ te blijven. Wat een voorrechten en gemakken waren er ook
niet aan die titel verbonden: zelfstandigheid, lectuur, boeiende of
levenslustige vrienden, door wie ik mij liet bezighouden, gelegenheid tot het
beoefenen van muziek, die voor mij meer was dan een tijdpasseering. En door
alles heen zoo'n klein beetje college loopen om met de tredmolen niet heelemáal
de voeling te verliezen...
's Avonds laat, na een sombere reis in een al kouder wordende
eersteklascoupé, trok ik aan de bel van de villa, waar mijn ouders woonden.
Door Eg werd ik, bijna op hetzelfde moment, opengedaan. Met de pikzwarte oogen,
die hij van mijn moeder heeft, keek hij laatdunkend naar bui- | | | | ten,
over mijn schouder heen, hij wreef, als om vuil van de zool af te schrapen,
zijn voet aan de deurpost, en zei met een lage stem, waar de baard nog niet
heelemaal uit verdwenen was:
‘Cum laude.’
‘Dag John,’ begroette ik hem gelaten, ‘kom binnen en heb je een goede
reis gehad.’
Want dit was zoo onze gewoonte, sinds zijn veertiende jaar reeds:
elkaar terloops de woorden voor te kauwen, die wij van den ander meenden te
mogen verwachten, in een vertoon van beschaafde onverstoorbaarheid. Eg zelf was
hierin zoo doortrapt, dat de tactiek tot in zijn gebaren doorgedrongen was: dat
met die voet bijvoorbeeld beteekende, dat mijn moeder gezegd had, dat ik mijn
voeten moest vegen. Toen ik hem beter in zijn gezicht keek, zag ik hoe
afstootend nijdig het stond. Eg heeft wel het weerzinwekkendst uiterlijk van
alle jongens van die leeftijd, al kan hij het niet helpen en al is hij mijn
broer. Er bestaan kinderportretten van hem met zonnige lachjes en trouwhartige
oogen; de opvoeding doet nu eenmaal wonderen.
Hij zweeg en liet mij door. Terwijl ik bezig was mijn overjas aan de
kapstok te hangen, hoorde ik opnieuw zijn stem, nu vlak achter mij, heesch, en
met een onderdrukte pret erin, naar het mij voorkwam.
‘Of je eerst naar boven gaat, naar vader.’
‘Erg?’
‘Gaat. Hoofdpijn, hè.’
‘Dokter geweest?’
‘Gisteren.’
Dit beknopte dialoogje werd besloten door een tweede langere volzin
van mijn broer, die met kalme danspassen, graaierig met zijn handen zwaaiend,
langs mij heen was geschoven in de richting van de huiskamerdeur. Hij keek naar
mij om, hij huppelde foxtrotachtig, en daar hoorde ik hem brommen:
‘'t Is uit met 't luxeleventje, Johnnie...’
Daar ik hem bevreemd bleef aanstaren, keerde hij zijn gezicht nu
geheel in mijn richting, vol hoon, doodsbleek, | | | | met ziekelijk
grijsblauwe wallen onder de oogen, blauwer nog door het licht van de ganglamp.
Ik voelde, dat het meer was dan geniepige plagerij wat er komen ging, ik
begreep, dat de jongen zich ellendig voelde om andere dingen dan dien
ingebeelden zieke boven. Zijn bleekroode mond kwam vlak bij mijn oor; zachtjes
taterde hij:
‘Two to the Loo. Two to the Loo too.
Taratatata.’
Het klonk vreeselijk. Het ging door me heen en verlamde me, alleen al
door de klank, die was als schor hanengekraai in een onderaardsche kelder half
vol water: een dompig, moerassig, smerig geluid. Zijn roode ooren, afgezakte
lellen, waren paars aan het gloeien onder het blauwe licht. Maar meteen zag ik
hem weer op zijn rug, op zijn gedegenereerd, plat achterhoofd; ik trachtte het
hatelijke knipoogje te verwerken, waarmee hij zich van mij afgewend had, en
merkte, dat hij de kamer in was gegaan.
Langzaam de trap oploopend, dacht ik na over die aftandsche mop. Hoe
kan men iemand met volslagen nonsens hoonen? Even had ik medelijden met den
jongen, maar toen, voor de deur van mijn vaders studeervertrek, viel me een
verklaring in, een haastig gemonsterd voorval van enkele jaren terug, dat met
die mop in verband stond. Het was niets bijzonders. In gezelschap, waar Eg en
ik bij hadden moeten zijn, had mijn moeder de anecdote van die twee paar
Engelschen, die naar het Loo moesten, eerst met haar ijdel gillerige
uitbundigheid opgedischt en toen aangevuld door het niets ter zake doende: ‘Als
wíj hier ooit vandaan gaan, wil ik alleen maar naar the Loo, ook two en two,’
of iets dergelijks. Het is natuurlijk mogelijk, dat Egbert zich niets van die
aanvulling herinnerde en maar zei wat hem voor de mond kwam, doch toen ik,
dadelijk daarop, in die holle, donkere kamer waar mijn vader onder een plaid
den zieken man uithing, naar zijn verhaal stond te luisteren van de catastrophe
en de groote verandering voor ons allen, begon ik dat vieze opgeschoten
gedrocht toch met heel andere oogen te beschouwen: als een soort auguur of
vogelwichelaar, wiens brabbelpraat men | | | | zoo maar niet in de wind
mag slaan. De onverwacht diepere zin van dat ‘two to the Loo’, het besef, dat
ik er voortaan goed aan zou doen op de uitlatingen van een verwarden puber te
letten, was als het ware het eerste beslag, dat de familie op mij legde. En
mijn vader beschreef de boedel door mij met vage, witte, apologetische, in het
donker nauwelijks te onderscheiden gebaren tot spoorstudent te degradeeren, en
na afloop van het gesprek verzegelde mijn moeder mij in een innige omhelzing
aan haar breede boezem, beneden aan de trap. Die nacht sliep ik als
geemballeerd, toegesnoerd, student af. De hel kon beginnen.
Wij verhuisden in Januari, ik vanuit
Leiden, derde klas, met drie koffers, waarvan
ik er éen zelf moest sjouwen. In de stad waar we gingen wonen verdwaalde ik op
de aanwijzigingen van een agent, die de opgegeven straat niet eens in zijn
zakboekje vinden kon. Hij lag in een van die nieuwe buurten, welke men maar
meteen, met een zekere onbeschaamdheid, aan een bepaalde tak van wetenschap
heeft gewijd, hier dan de astronomie: Argusstraat en Groote-Beer-hof
wedijverden met een Kometenlaan, een Betelgeuzesingel en een Poolplein, en
langs het heele geval heen trok, plotseling aardscher, de Waalweg, schuin
staande op de duinenrij, die zich tot aan het dichtbijgelegen badplaatsje
voortzette, waar ook de weg weer naar toe boog, na een groote kring beschreven
te hebben rondom stadskweekerijen en een bosch. Op dat badplaatsje en op de
duinen, voorzoover ze niet door gestadig voortkruipende nieuwe buurten, zich
vormende nevelvlekken en melkwegstelsels, aan het oog onttrokken werden, had ik
uitzicht vanuit de voorste dakkamer waar ik sliep; de achterste was mijn
studeervertrek. Er werd mij aan het verstand gebracht, dat ik die achterste
kamer eer moest aandoen. Door openslaande deuren betrad men een platje met
kiezel, klom over een hek, kwam op een grooter platje, dwaalde tot aan de rand
van een manshoog muurtje, en kon dan het oog laten weiden over vijf of zes
tuintjes, waaronder ons eigen, en een heele | | | | rij van de
Andromedastraat (leidend naar het Perseusplein), die voornamelijk bevolkt
werden door katten en bleeke Indische meisjes. Tusschen ons huis en de
Andromedastraat lagen twee andere huizen, tot aan de meer naar links gelegen
Orionstraat zeker zes, maar daar werd de situatie onoverzichtelijker, omdat men
niet zoo ver om het muurtje heen kon buigen. Op het grootere platje kon men
stampen, dan hoorde Eg het. Op het dak kon Eg stampen, dan hoorde ík het. Op
Eg's slaapkamertje volgde de slaapkamer van mijn ouders, de kamer van mijn
vader, en heelemaal beneden trof men de gewone suite-keukencombinatie aan,
waarin onze vele meubels, tapijten, potten, pannen geen raad wisten van de
volte. De fietsen stonden in de gang; iedere ochtend fietste ik naar het
station, stalde mijn fiets in een café, waar men mij nog van vroeger kende (het
spaarde de helft staangeld uit) en spoorde naar Leiden om college te
loopen.
Maar van deze geheele entourage, sindsdien onuitwischbaar in mijn ziel
geprent, zag ik de eerste weken, die ik onder de vleugels van mijn ouders
doorbracht, zoo goed als niets. Ik was wanhopig. Een doffe druk belastte mijn
bewustzijn, dag en nacht, zonder verlichting. Studeeren kon ik niet eens. Bijna
aan mijn doctoraal toe, had ik toch niet de kracht om die reddende sprong
behoorlijk voor te bereiden, en hoe grondig systematisch ik vroeger ook voor
examens gewerkt had, tusschen twee lange luierperioden, nú kwam ik niet veel
verder dan landerig neergekrabbelde programma's op vodjes papier: morgen dit,
overmorgen dat andere, en dat dikke dictaatcahier in een week, - terwijl ik van
te voren wist, dat ik me er niet aan houden zou. Als een berg lag de leerstof
voor mij, een berg, tot de beklimming waarvan ik vaste grond onder de voeten
gehad zou moeten hebben, en deze ontbrak al evenzeer als de sportiviteit van
het examen doen vergald werd door de gespannen verwachting van mijn ouders.
Niet dat zij mij een stroobreed in de weg legden. Ik kon doen en laten wat ik
wilde, uitgaan wanneer ik wilde, niemand drong zonder te kloppen mijn heiligdom
binnen, en als mijn vader | | | | me mijn weekgeld gaf, keek hij een
andere kant uit. En toch voelde ik me als op drijfzand levend, als boven een
moeras, waarin ik steeds dieper wegzonk. Zat ik te werken, dan luisterde ik
naar de zuigende geluiden van dat moeras: een slaande deur, de stem van mijn
moeder die met het dienstmeisje kletste, het thuiskomen van Eg om vier uur, van
mijn vader om zes. Voorloopig zocht ik onder het werk nog wel eens steun in
trage, half verstrooide blikken door het glas van de openslaande deuren, de
tuintjes overzwevend, of botsend tegen de vaalroode muur met kale wingerdtakken
van het eerste huis in de Andromedastraat. Iets meer naar boven leken de
veertien in elkaar overloopende daken van die straat, plat en grillig
beschoorsteend, soms ineens op een plateau met Polynesische afgodsbeelden,
waaruit blijken kan, dat ik reeds de heele wereld om moest om mij een beetje op
mijn gemak te voelen. Maar Polynesië hielp niet langer dan een halve week, en
al spoedig merkte ik, dat dit aspect, met al het andere er omheen, de zwarte
boomen, de schuttingen, de katten, zich gewillig liet inlijven bij het
huiselijk interieur, dat ik vanaf mijn achttiende jaar ontvlucht was en
tegelijkertijd veel te goed kende. Daarop volgde de sterrenbuurt zooals hij
reilde en zeilde, de andere buurten langs de duinen, de heele stad, en na een
week of drie was ik zoo ingesloten en gekortwiekt, dat ik mijn oude kamer in
Leiden niet voorbij kon komen, zonder mij te verbeelden, dat Eg daar voor het
raam stond, Eg, die mij vóor was geweest en die nu thema's en opstellen zat te
maken waar ik vroeger gedroomd had en gephilosofeerd. Maar zoo was nu eenmaal
de werking van het moeras. Er was geen ontkomen aan, ik zat in het schuitje en
moest mee, two to the Loo, two to the Loo too, - en bij de tweede ‘two’ was ik
zelf.
In deze onnatuurlijkste van alle posities: volwassen kind te zijn in
een omgeving, die met die volwassenheid geen rekening houdt, kwam mij nog een
nieuwe angst benarren, samenhangend met de tijdsomstandigheden. Maar al te
duidelijk, en met een ernst, die slechts getemperd werd | | | | door de
schaamte over zijn eigen tegenslagen, had mijn vader mij aan het verstand
gebracht, dat ik weinig meer van hem verwachten kon, financiëel. Een dergelijk
gesprek zal wel vaker gevoerd zijn tusschen vaders en zoons, in deze jaren.
Over het ‘intellectueele proletariaat’ werd niet alleen veel geschreven en
gesproken, maar het wás er al, - en vooral onder de oudere-jaars-studenten van
míjn faculteit was het aantal verontrusten en bij voorbaat teleurgestelden zoo
groot, dat zij zich bij tientallen fascist lieten maken, toen de omwenteling in
het Germaansche broederland haar beslag gekregen had. Neiging tot politieke
forceeringen heb ik nooit bezeten, maar ook ik moest mij nu toch afvragen: hoe
ver zou míj de meestertitel brengen en een nog zoo loffelijk afgelegd
doctoraal-examen? Met onbemiddelde ingenieurs, juristen, apothekers kon men de
straten plaveien: dat was een wrang gezegde, dat mij langs allerlei omwegen
door Eg overgebracht werd, en hij zei er bij, dat híj niet zoo stom zou zijn om
niet in een handelsbranche te gaan, die het eerst van de opleving na de crisis
zou profiteeren, en hij zei dit onder het eten, smakkend in mijn richting, en
mijn vader, óok onder dat eten, deed een duit in het zakje door met zijn
vermoeide, lijmerige stem de jonge snoeshanen te hekelen, die alleen omdat ze
gestudeerd hadden wat over hem te zeggen hadden op waterstaat, en dan
overstemde mijn moeder hem door maar meteen de vinger op de wonde plek te
leggen: ‘Kom kom kom, Johan zal zijn weg wel vinden’, -
terwijl toch niemand ànders over ‘Johan’ gesproken had, en mijn vader in zijn
zelfbeklag waarschijnlijk niet eens aan hem gedacht!...
Nog steeds weet ik niet wat mij meer gehinderd heeft in die tijd: de
gemeenschappelijke maaltijden, of de mevrouwen, die mijn moeder even vlug uit
de grond had gestampt als ik zelf ondergezonken was in het moeras. De
mevrouwen... Ik weiger pertinent, meer over hen te schrijven dan bepaald
noodzakelijk is; dat is een kwestie van geestelijke hygiëne. Het wóord
‘mevrouw’ reeds heeft voor mij een slechte bijklank gekregen door deze
vreeselijke steek- | | | | neuzen. Maar aan het middagmaal, de tweede
temptatie, en een die iedere dag terugkwam, wil ik mijn pen nog wel vuilmaken,
of beter andersom: rang, één zwarte, puntige veeg over het damast! En daar zie
ik me zelf al weer zitten, twijfelachtig hoekpunt in het parallelogram van
krachten van twee maal toetoedeloe: overmeesterd, pijnlijk gespannen, gefolterd
happend en bijtend als naar de zuivere lucht tusschen de toegevouwen bladeren
der Brusselsche kooltjes. O wat een hel, wat een winter! De heele dag vergald
door het vooruitzicht van Eg's trommelstokvingers met jus er aan, van mijn
vaders gebit, dat hij opzettelijk verwaarloosde om te laten zien wat een
stakker hij toch geworden was door die crisis. Ik zag het allemaal, ook als ik
er niet naar keek, ik proefde het; al had ik mijn oogen dichtgehouden en mijn
ooren toegestopt met antiphonen, het zou mij hebben gevonden. Ik hoorde mijn
moeder door haar neus ademen, hijgen, kauwen, borrelen, praten, praten, alle
oude verhalen en meeningen van vroeger, alle stopwoorden en stembuigingen, die
ik nu mée moest verzwelgen als opgewarmd eten van tien jaar oud.
Eg was het, wiens aanwezigheid mij aan tafel het meest kwelde, hoewel
hij het minste zei. Het besef dat hij mij bespionneerde hinderde mij
voortdurend. Wanneer ik van mijn bord opkeek, waarop ik, zedig als een jonge
non, mijn blik gericht had gehouden, ontmoette ik slechts zelden de oogen, die
ik op mij gevoeld had, en waaromheen de wallen van fletse schaduwen reeds tot
harde gebeeldhouwde schelpen waren geworden zooals men wel bij vijftigjarige
heeren ziet met een te hooge bloeddruk. Zwart, borstelig haar, laag ingeplant,
accentueerde de meedoogenlooze rimpeling van zijn voorhoofd, alsof hij, door
deze geijkte mimiek der misdeelden, op medelijden speculeerde door een vertoon
van onverbiddelijkheid. De impertinente wipneus maakte er weer een heel ander
gezicht van; de mond was week, gevoelig en valsch. Hoe ik vroeger tegenover hem
geweest was, als kind, ik kon het me niet meer herinneren, want hij was nu mijn
vijand geworden, een vijand die in mijn ziel wroette, een vuile, magere
boetpre- | | | | diker van achttien jaar, die armoede demonstreerde ten
mijnen behoeve. Demonstreeren deden ze alle drie, maar Eg wel het
schilderachtigst! Niet tevreden met het aanduiden van fatsoenlijke armoede,
zooals mijn ouders, probeerde hij het maar ineens met de werkmansstand. Zijn
ellebogen staken vooruit aan weerskanten van de soep: zie je wel, we zijn kaal.
De lapel van zijn jongensjasje werd virtuoos met oogjes vet besprenkeld: zie je
wel, ik glim. Zijn gezicht waschte hij nog maar zelden. Hij liep
voorovergebogen, sloffend, duidelijk werkeloos. Hoewel zijn kleeren nieuwer
waren dan de mijne, in verband met zijn snelle groei, was de qualiteit ervan
zooveel minder, dat er na een maand al kreukels in zaten, maar ik ben er van
overtuigd, dat hij zich op zijn kamertje in diepe kniebuigingen oefende alleen
om de uitbochtingen aan de knie nog wat zakkiger te krijgen...
Zoodra het dagmeisje, dat haast had om weg te komen, met een vaartje
de schotels had binnengebracht, monsterde mijn moeder de voorradige hoeveelheid
door cordaat de deksels op te tillen onder een berustend snuiven, terwijl mijn
vader, die toch nooit veel voor eten had gevoeld, door een smartelijke
oogopslag in zijn onbeduidend Christus-gezicht het aureoolachtige van zijn dun
grijsblond haar trachtte te ondersteunen. En beiden, hoe verschillend geaard
ook, schenen door gebaar en blik hetzelfde te willen zeggen: ja ja, Henk, ja
ja, Paula, we zullen vannacht de riem maar weer eens wat vaster om de maag
snoeren, 't is voor de kinderen, zie je, 't is voor de kinderen... (Er was
altijd meer dan genoeg!) - En dan aten we, smak, glap, slop, slok, slurp, sjiet
(een kies). En dat was nog niets vergeleken bij het ritueel dat de maaltijden
besloot!
Meestal zat mijn vader tegenover me, schuin links van me Eg, en vlak
naast me mijn moeder, die vleesch sneed, de boel verdeelde, en laatste kleine
beetjes toestopte aan wie nog de knagendste honger op het gelaat te lezen
stond. Mijn vader nam ze de woorden uit de mond over waterstaat en crisis,
terwijl ze mij van opzij fixeerde met een aanmoedigende blik uit haar groote
zwarte ijdele kraal- | | | | oogen: spreek dan toch, jongen, spreek toch,
en gun me het genot je het zwijgen op te leggen met mijn conversatietalent!
Maar dan begon het, mijn god, dan begon het. De schalen waren leeg, de kat
kloof op een been, Eg mediteerde somber over zijn bord. Mijn vader had zijn
vingers tegen elkaar aan gelegd, met zijn hoofd wat schuin, alsof het aan de
migrainekant het zwaarst was. Allen wachtten wij af; nu ging het gebeuren.
Zelfingenomen op alles en iedereen afgevend, praatte mijn moeder nog door,
wanneer de stilte reeds haar oogen was binnengevallen, die zich aan de lepels
gingen hechten: vijf of zes lepels, schuin omhoog in de schotels, met
etensresten beklodderd die niet meer warm konden zijn. Haar wenkbrauwen
fronsten zich boven bedenkelijk loerende oogen, Eg's oogen ineens; haar vulgair
zinnelijke mond plooide zich tot de tragische spleet van de heldin uit het
sociale drama; ze boog zich stijf naar voren, als Kniertje met haar
genadekliekje even voor het zakken van het doek, in een plastisch afgerond
gebaar greep ze een van de lepels, bracht hem naar haar mond, - en likte hem af. Deze apotheose van sobere levensernst, die ik met
de dood in het hart en al mijn zenuwen in opstand naast mij voelde gebeuren,
werd dan evenveel malen herhaald als er lepels waren, en de kat kreeg geen
kans. De lepel nam zij zoo geheel in bezit, ver, diep en solide, als om hem
nooit meer los te laten; zes of zeven seconden lang zag ik daar, voelde ik daar
mijn moeder zitten, de mond tot de huig toegesnoerd door metaal en spinazie of
hutspot, en dan, terwijl de steek in mijn hart zijn weg reeds vervolgde door
mijn ingewanden, trok ze er hem traag en uitermate blinkend weer uit, tusschen
dichtgeperste, rimpelig geworden lippen, schurend bijna, als een afneembare
roofdiertong; haar hand beschreef een boog in de lucht, nauwkeurig, zooals een
accoucheur dat doet met een verlostang, éen laatste kus aan het metaal, enkele
slikbewegingen, - en het was volbracht. Maar dan de tweede lepel. Maar dan de
derde. De vierde, vijfde, zesde: iedere lepel met het ijl speekselbeslag erover
als een onuitgesproken verwijt aan den ‘eeuwigen candidaat’, die er
| | | | zooveel geld had doorgelapt in zijn rijke dagen. En eindelijk,
tot slot, het opgeruimde, gezellige kruiswoord, waarmee ik verlost werd en de
zitting opgeheven:
‘Ziezoo!’
Zoodra de lepels brandschoon in hun schalen lagen, stonden de
familieleden op om zich naar hun onderscheiden werkzaamheden te begeven. Mijn
moeder drong mijn doezeligen vader naar boven, naar zijn studeerkamer, waar hij
rusten moest, meestal na de zorgzame vraag: ‘Heb je nog hoofdpijn?’ - waarbij
haar oogen zoo vol verwachting rolden, alsof ze bedoelde: ‘Heb je al hoofdpijn?’... Daarop verrichtte zij in de keuken de
gedeeltelijk wellicht reeds overbodig geworden wassching van het tafelgerei,
waarbij zij vooral haast maakte, als het dameskransje verwacht werd, en ik klom
naar mijn kamertje. Men zou nu verwachten, dat ik na al mijn beproevingen
tevreden en opgelucht moest zijn in dat eenzaam vertrekje, - maar dat was het
juist: ik wás niet eenzaam, ik zat nog in het moeras, het moeras van hutspot,
spinazie en de rouwranden onder Eg's nagels, dat aan mij zoog en kliste en mij
niet vrijgaf. Ik moest weer naar beneden, ik moest er bij zijn! De stille
eenzelvigheid, heilzaam rustgevend, van mijn Leidsche kamers ontbrak volkomen
in het nieuwe verblijf. Het interieur doet hier weinig ter zake. Trouwens, mag
men van ‘interieur’ spreken bij iets dat zooveel weg had van een dépendance? De
tegenover de openslaande deuren gelegen muur was niet míjn muur, maar een
groote hand, uitgestoken door de steenen afscheiding, die, tusschen mijn vaders
studeerkamer en de slaapkamer, bovenop de suitedeuren stond als op twee
spreidbare beenen. Dat ik tegen zoo'n geweldigen kerel van steen en hout, die
het heele huis doortrok om bij me te zijn, weinig in te brengen had, hoeft nog
niet op zwakheid van karakter te duiden. Zelf weet ik het daar dan ook niet
aan: ik meende alleen een onbedwingbare trek te hebben in thee. Zonder die thee zou ik niet kunnen werken, niet kunnen
denken. Hoewel ik wist wat me boven het hoofd hing, moest ik die spiraal van
trappen weer afdalen, die zijn | | | | dubbele boog naast den muurman
beschreef tot onder aan toe. Half acht waagde ik het er op; als de mevrouwen
kwamen, gewoonlijk iets eerder. De thee zou wel klaar zijn. Maar ook als ik
zeker geweten had, dat de thee níet klaar was, zou ik naar beneden zijn gegaan.
Het was spelen met vuur, maar ik moest, ik werd gedwongen. Nu ik aan deze
eigenaardige dwang terugdenk, geloof ik, hoe zonderling het ook klinkt, een
heilzame werking dezer zelfopgelegde marteling niet te mogen ontkennen. De
mevrouwen en de kamers, die op hen stonden te wachten, waren zij niet een soort
weerstand, die ik te overwinnen had om onder het dak van mijn ouders niet
volslagen menschenschuw te worden? Eerder dan spelen met vuur was het een
vuurproef die ik moest doorstaan, de vuurproef met de stroeve trapleuning, de
donkere leege gangen, de thee, waarvan ik mij een kop vol wilde veroveren, en
tenslotte, als dat allemaal goed was gegaan, met de schimmen van de dames
Steketee, Vreugdenhil (namen als uit een boos sprookje, b.v. dat eene met het
rijmpje: ‘Vischje, vischje uit de zee! Wat is er, mannetje Tinteletee? Mijn
vrouw Ilsebil doet niet wat ik wil,’ enz.), Brons, Velleman en Lunsman.
Ik gleed dus naar beneden. Niet zelden hoorde ik in de studeerkamer de
opgejaagde voetstappen van mijn vader; onder de slaapkamerdeur scheen licht
door. Na de deur van de huiskamer geopend te hebben, stond ik met knipperende
oogen tegenover Eg, die juist landerig zijn schoolschriften bij elkaar zocht om
naar boven te gaan. Schalen met koekjes, een eenzame wijnflesch, blonken in de
nog duistere voorkamer. Snel schonk ik mijn theekop vol en dronk, gulzig,
triomfantelijk en te heet. Misschien zou ik nog ontsnappen, misschien... Ik
slurpte mijn thee met barbaarsche geluiden, alsof ik alleen in de kamer was.
Dan hoorde ik achter mij:
‘Zou mevrouw Vunsman komen, Johnnie?’
‘Of mevrouw Bronst, Eg?’
Het was het eenige genoegen dat we nog gemeenschappelijk zochten, dit
kwaadaardig verhaspelen van eigen- | | | | namen. Ik meende een gewapende
vrede te kunnen bewaren door zoo nu en dan maar eens af te dalen tot zijn
niveau. Ondanks het bewustzijn van mijn haat, en daardoor van mijn
machteloosheid, meende ik dat toen nog wel in handen te hebben; ik zag nog niet
in, dat men onherstelbaar gelijk wordt aan wat men haat... Keek ik onder het
drinken tersluiks naar hem om, dan begon hij dadelijk op de drempel een reeks
scènes uit te voeren, meer macaber dan koddig; hij mimeerde een
bespottelijke...
1) groet in de lucht, balde zijn vuist naar de eerste
verdieping, ging met een smalende grijns tegen de deur staan als de gekruisigde
Heiland. Van walging morste ik dan nogal wat thee op het schoteltje. Maar dan
was hij ook al weer weg, en dan kon ik een verlangende blik op de piano werpen,
en me even thuis voelen in die twee kamers zonder menschen, en in een vage
angstige verwachting de kat over zijn zachte kop krauwen, naast hem neergehurkt
voor de kachel. En niet voordat ik een van de planken boven mij had hooren
kraken onder mijn moeders voetstappen, maakte ik aanstalten om de kamer te
verlaten. Als een schuldige, het hoofd gebogen, beklom ik de trap. Mijn
kamertje leek me nu weer een verheven en heerlijk eenzelvig oord, maar hoe
onbereikbaar, - want in de slaapkamerdeur zou mijn moeder staan. Ook als ze er
niet stond, zou ze er staan. Ze zou er staan om mij de weg te versperren en dat
vluchtig gedroomde heiligdom onbestaanbaar voor me te maken. Met elkaar is het
misschien drie of vier maal gebeurd in werkelijkheid. De eerste keer zag ik
haar half aangekleed in de verlichte opening, in haar onderlijfje onder een
kimono. Ze fluisterde, zoo zacht alsof mijn vader het niet hooren mocht:
‘Psst, Johan...’
Een scherp parfum sloeg van haar uit. Achter haar toonde een hooge
psyche mij mijn eigen krijtwit gezicht, dat uit kwam steken boven haar kapsel,
haar bebloemde rug, net zoo lang tot de schittering van een collier me
| | | | weer tot de ongespiegelde werkelijkheid terugbracht, waarvoor
mijn oogen tevergeefs trachtten uit te wijken. Angst? Vanwaar die angst, als
het mijn moeder toch maar was? Verbaasd, half verdoofd vroeg ik me dat af.
‘Zeg Johan,’ - voorzichtig trok ze me aan mijn hand iets verder de
slaapkamer in; het licht lag ineens zwaar en opzichtig op haar breede,
grijsgepoederde wangen, - ‘zeg jongen, je komt vanavond nog wel een uurtje
beneden, hè? Mevrouw Steketee zou je zoo graag hooren spelen...’
‘Laat mevrouw Steketee...!’ prevelde ik heesch en vulde aan: ‘maar
naar de grenadiers en jagers...’
‘Hè boy, wat ben je weer onvriendelijk!’ Nog steeds hield ze haar stem
gedempt, maar haar heele gezicht lachte nu, glunderde opzettelijk en moeizaam,
alsof ze iedere plooi eigenhandig optilde. Alleen de oogen, zwart en begeerig
glimmend, deden het vanzelf. ‘Hè, ik kan ook nooit met mijn knappe zoon geuren!
Maar je doet 't wel. Als je nou iets niet al te moeilijks van
Beethoven speelt, dan hebben ze...’
‘Dan zeggen ze toch nog: meer vreemd dan mooi, of: niet zoo'n
melodieus geheel. En ik moet ook werken, verd...’
‘Hè, John...’ Smeekend, vanuit smalle, onderdanig langoureuze oogen,
keek ze mij aan; opnieuw had ze mijn hand gegrepen. Mijn hart klopte me in de
keel. Maar eensklaps liet ze die hand vallen, opende haar oogen onnatuurlijk
wijd, en zei met een hard, beslist stemgeluid, dat mijn vader heeft moeten
hooren, want zijn schuifelende schreden vertraagden luisterend:
‘Iets anders, Johnnie. Egbert had 't gisteren over mevrouw Stekje
Thee, en mevrouw Bronst en zoo. Of Borst, ik weet niet precies. Ik zou wel
heel graag willen, dat je hem zulke dingen niet meer leerde,
hè? Ja zeker, hij zei, dat hij 't van jou had. Je moet toch maar liever wat
meer rekening houden met ons; die jongen weet niet beter; die
denkt: die studentengrapjes... Dus we zien je straks, hè? Negen uur graag.
Mevrouw Steketee d'r man is aan 't | | | | R... orkest, die weet
heusch wel wat mooi en wat leelijk is. En doe die andere
broek dan even aan, John, hè jongen...?’
Lief en zacht stierf haar stem uit; ik werd de gang opgeschoven, en
meteen was de deur dicht. Uit het kamertje van Eg klonk een rhythmisch krakend,
zoevend geluid, alsof daar iemand in toomelooze pret op zijn bed lag te
dansen.
Maar natuurlijk gìng ik om negen uur. Na een uur nerveus ijsberen,
zooals mijn vader had gedaan. In die andere broek. En ik speelde op de piano
voor de dames Steketee en Vreugdenhil en Velleman, en ik wiegde me in de heupen
bij gevoelige passages met loopjes, en van mijn moeder, die trotsch babbelend
tuschen haar nieuwbakken vriendinnen troonde, kreeg ik een taartje, omdat ik
geen Debussy gespeeld had.
S. Vestdijk
(Wordt vervolgd)
|
1)De twee H's die van de doorgestreepte letters
nog leesbaar zijn schijnen op de uitdrukking ‘Heil Hitler’ te duiden
(uitgever).
|
|