|
|
|
| |
| | | |
Parc-aux-Cerfs
1)
Hoe ontwaakt, na een van zijn kalme nachten, een koning die over
zooveel hovelingen, hertogen, markiezen, markiezinnen, hertoginnen,
pensionnaires beschikt, dat men nog verbaasd moet zijn, dat hij niet tusschen
twee, drie ín ontwaakt, alleen omdat er geen plaats meer over is in het toch
zoo uitgestrekte Versailles? (Onlangs heeft Chevalier de Luzac den Comte de
Maurepas op de vlijmscherpe degen uitgedaagd, omdat de maîtresse van den
laatste een parfum gebruikte, dat de maîtresse van den eerste vapeurs bezorgde.
Het geval werd onmiddellijk voor Lodewijk gebracht, die beval de heeren ieder
een aparte kamer te geven.)
Hoe ontwaakt zoo'n koning dus? - Benauwd ontwaakt hij. Benauwd door
velerlei lichamen, die hem in zijn slaapdronken verbeelding als een levende
scheidsmuur van de wereld afsluiten. Alvorens wat te kunnen verrichten, moet
hij eerst over de beenen en ruggen heen klimmen, die daar op elkaar gestapeld
liggen als na een moordpartij; hij voelt dat duidelijk, en vooral het zweet is
beangstigend. Alle parfum van het Oosten kan dat zweet niet bedekken. Maar als
ze maar bidden. De pensionnaires in het bijzonder. Als de groote dag komt,
zullen ze iets minder verdoemd zijn dan hij. Hij weet nu al lang, dat de hel
grijs is, grijs en eindeloos...
Opduikend uit een onderstroom van eigen lichaamsdeelen,
vrouwenboezems, markiezenheupen, ministersruggen, die zich allemaal, plat van
onderdanigheid, traag en weerzinwekkend als slijmerige kwallen door zijn
droomen bewogen hebben, wentelend en over elkaar heen aaiend, ligt daar de
Bien-Aimé: klam van zijn eigen zweet, dat hij niet ruikt. Natuurlijk is hij
alléen in bed, alléen in het kleine slaapvertrek; hij kan uitvoeren wat hij
wil, zonder door iemand gezien te worden, hoe onwaarschijnlijk dat ook klinkt:
zweemt het niet naar majesteitsschennis, dat hij | | | | een handeling
zou kunnen verrichten, die niet in prosternatie met de oogen gevolgd wordt door
de geheele wereld? Maar nu probeert hij wat te bedenken waar zelfs oude,
ervaren hovelingen zich discreet van zouden afwenden. Een uitdaging zal het
worden, een slag in het aangezicht der etikette, iets uit zijn jongste
jaren...
Tusschen 's konings lippen, die nu, in die gespitste stand, iets van
hun vroegere kalme zinnelijkheid terugwinnen, verschijnt een klein, nat
bobbeltje. Het bobbeltje groeit aan, en wordt een glinsterend bolletje, dat het
schemerige venster, krom en bol, en miniature weerkaatst. Het is zijn eigen
speeksel, van hém alleen: niemand kan er een buiging voor maken. En het
bolletje wordt een belletje, en het belletje wordt een bel, waar nu al meer en
meer van de grijze, schemerige slaapkamer zich in weerspiegelen gaat: scheeve
miniaturen style Louis XV, witgelakte stoelen, tabouretten, het sierlijk
hekwerk der ballustre, beschilderde paneelen, lichamen toch nog?... Vrouwen,
mannen, naakt en gepoederd, - maar reeds heeft hij ze opgevangen in de
geweldige speekselstolp, waartoe de bel zich aan het verruimen is; zijn
speeksel is taai en slijmerig vanmorgen, aanstonds vangt hij heel Versailles
nog op, verkleind, doch uiterst scherp, en dan... Maar voordat het iriseerend
vocht, vanuit zijn druipende mondhoeken voortdurend aangevuld, die beoogde
ronding heeft kunnen bereiken, wordt zijn wraaklust hem te machtig, eensklaps
perst hij met geweld de lucht naar buiten, en met een vreeselijke schok -
adieu, Versailles! - spat die heele helsche, glinsterende wereld, die zooeven
nog als een gezwel tot bijna over zijn oogen hing, in een onherstelbaar
cataclysme uit elkaar: ping, met een tokkelend toontje, een intiem aanslaan van
dun porcelein of kristal, maar waardoor hij nu toch ook op de andere geluiden
begint te letten, de geluiden van iederen ochtend, die van buiten tot hem
doordringen: scherp geschreeuw van staljongens, paardengetrappel, zweepgeklak,
- en dan weet hij ineens, dat daar nu een stalknecht zal staan te buigen, een
verweerde oude stalknecht, stijf van het | | | | spit - maar die zal
buigen na dat knalletje: die zal buigen, omdat de koning van Marly en van
Versailles zich verwaardigd heeft om bij de gratie God's bellen te
blazen...
Uitgeput van het blazen ligt de koning achterover, licht hijgend. Hij
is bleek. Een narrige trek komt het ronde en ondanks de pafferige
verstorvenheid van zijn 48 jaren steeds nog fraaie gezicht bederven vanaf de
neusvleugels. Als tranen liggen overal de speekselspatten op zijn gezicht rond,
tranen van verkropte woede, die hij met de mouw van zijn batisten hemd zou
kunnen afvegen, maar die inspanning... Genoeg voor vandaag. Zelfs denkt hij er
over, om verder de geheele dag maar in bed te blijven, zooals vroeger zoo vaak:
uit louter nijdigheid en wrok. Hovelingen wegsnauwen, boudeeren tegen de
hofdames en tegen de markiezin, die verschrikt komt toesnellen... Wanneer het
zijn eigen schuld niet is, dat hij zich moet vervelen, dan is het hún schuld.
Waarom heeft hij ook geen moeder meer, die hij eens goed schoppen kan? Alleen
dochters heeft hij. Veel te veel dochters heeft hij. Den dauphin vergeet hij
liefst.
Werktuigelijk zijn natte kin over het geborduurde kussen wrijvend,
draait de koning zich op zijn linker kant, en begint aan de dochters te denken.
Drie zijn er dood, en de anderen droomen van de dood, - maar Madame Dernière is
tenminste pas 20. Vaak heeft hij aan een minnaar gedacht voor haar, als dat
kon; zij heeft zíjn donkere oogen. Als die gedachte, - of de andere gedachte
die er onmiddellijk op volgt, - weer eens door zijn geest gestreken is, pleegt
hij te bidden, vol wroeging, vromer dan ooit. Dat de markiezin intrigeert om
zich door haar eigen dochter te laten opvolgen, is een zeer begaanbare zijweg
naar die tweede gedachte... Van weerskanten wordt hij er dus naar toe gedreven,
en dan is er nog dat kwatrijn, dat de oude Coigny eens onder zijn bord vond, en
de oude Coigny is niet de eenige van wien de bloedschande notoir is, en de
koning weet wat er aan het hof gemompeld wordt al evenzeer als hij weet, dat
een vorst iedere nieuwe mode slaafs | | | | moet huldigen, ook als die
uit de felste losbandigheid... Wég er mee!!
Zooals altijd wanneer deze gedachten hem benarren, tracht hij nu de
verboden vrouwen te bedwingen, niet door zich de huwelijksplannen voor de geest
te halen, die de laatste dagen bijna het geheele halve uur in beslag nemen dat
hij aan de staatszaken wijdt, maar door als een litanie hun eigengevonden
bijnamen af te ratelen, in een verwoed geprevel van coche, loque, graille,
chiffe, en loque, chiffe, graille, coche, en soms vergist hij zich een letter,
loche, choque, griffe, coche, graille... Zij zijn niet minder onaangenaam dan
andere scheldwoorden, en uiterst doelmatig. Als scherpe, kantige stolsels -
grrraille - drijven ze door zijn opgehitst bloed, dat kruipt en kruipt naar
alle vrouwen, die zich den Bien-Aimé weigeren, en hoeveel zijn er dat? Pijn
doet het bijna, maar het helpt. Coche, loque... En dan ziet hij die verboden
vrouwen, - de eenige in een onmetelijk serail van vermoeiende gewilligheid, -
als de kleine kinderen van vroeger, die zich bevuilen en met eten morsen; als
meisjes, die met den dauphin ‘dood’ spelen in een zwartbehangen kinderkamer; en
dan als jonge vrouwen die niet willen trouwen om staatsbelang en toch moeten,
en die slecht geslapen hebben en kribbig doen en tegen de markiezin de
Pompadour intrigeeren, en die men eigenlijk al kende van voor hun geboorte, -
en dan sterft het verlangen weg, onder deze monotone toevloed van huiselijkheid
en hofschandaal, - en dan zijn het zijn dochters weer, - graille, coche, - en
dan is hij ze weer kwijt, dan is hij weer de goede vader, die hij altijd heeft
willen zijn, zoo niet voor zijn volk, dan toch voor zijn kinderen... En dan, in
een uiterste koppigheid, zwaait hij over naar het beeld van Louise de Morphy,
die niet eens 20 is, maar pas 16...
Bij al zijn tegenzin weet hij, toch op te zullen staan. Het wordt
misschien een dag voor de jacht. Als hij de avond maar eenmaal bereikt heeft,
dan zal alles goed worden. Na het bruine wild het blanke, - en het blanke, dat
vijf nachten bij hem gelegen heeft, en dus alle grilligheid | | | |
verloor, alle gloednieuwe charmes nog bewaart. Zelfs de ‘ronde du roi’ zal niet
noodig zijn om krachten te vergaren. Alleen in tijden van de allergrauwste
verveling is die noodzakelijk, of als Lebel zich weer eens heeft laten bedotten
door een bedriegelijke geboorteacte, waarop een pensionnaire van 26 voor 18
staat uitgegeven. Vooral op zulke dagen - men voelt het toch aan de huid! - is
de ‘ronde du roi’ bepaald aangewezen. Want hoezeer hij ook afgestompt is voor
de twijfelachtige bekoorlijkheden dier veile lichamen, die in de zware omarming
van den slaap op de lichte toets van den koninklijken vinger wachten, de
lachspieren worden er altijd nog wel door gekieteld, voorzichtig aan, - en
dekens wegtrekken, dat is toch een niet weinig inspannende lichaamsoefening,
goed tegen die beginnende buikvervetting, waar dokter Babiche zooveel waarde
aan hecht. En hoe zeldzaam opwekkend om bij die geparfumeerde en giechelende
hoftrawanten de eerste teekenen van verval te ontdekken onder de laag poeder,
die hen zelfs in den slaap niet verlaat, duimdik over rimpels en gele vlekken,
want hij is een man van gewoonte en de oude merries laat hij op stal. Duimdik:
méer meel dan een uitgehongerd boerengezin noodig heeft om een dag lang de
honger te vergeten, - maar de vinger van een koning, die alles weet en alles
doorzien moet, steekt daar wel doorheen; en de traanoogen, en de vapeurs, en de
ongewasschenheid, en hoe ze snorken soms, daar in hun kleine saletten, binnen
het bereik van zijn handen en zijn driftig klingelende schel. Is hij er om tien
uur niet geweest, dan mogen ze opstaan, zoo wil het de traditie van jaren her;
van het begin af aan heeft de markiezin dit alles aangemoedigd. Wat is er te
zien? Gebitten, doodshoofden, gepleisterde graven... wat verbergt zich onder
het satijn dier veelkleurige dekens? De ouderdom, de dood: van iedere vrouw,
die hem toegezegd is om hem hel en hemel, hel en dood te doen vergeten... Hun
ziekten hebben ze en hun vapeurs: die schimmen van ziekten; ze rochelen en
geven op, denk daar aan, denk daar aan zonder onderbreking, o Bien-Aimé! De
vrouw die hem in- | | | | wijdde in de ontzenuwendste Venuscultus, hem,
jongen van 14, die om de hel niet eens durfde líegen, - zij is dood. Haar
helpsters, die hem hadden vastgebonden, zijn gebrekkig, kindsch, of ze zijn
dood. Mochten ze nog leven, dan zitten ze hoog in bedompte huizen over
tapisseriewerk gebogen, - dood, - om nog blind te worden bovendien, om de
gouden koetsen maar niet meer te zien, die hen voorbijrijden naar nieuwe
geneugten. Verlept een gansche dynastie van maîtresses-en-titre, kwaadaardig
geworden als ontgoochelde koninginnen! De pensionnaires en de duizend andere
jonge vrouwen, die mannen vonden, jonger dan hij: evengoed zou men ze dood
kunnen noemen, hij onthield ze minder dan aangeschoten wild. Hij onthield
alleen de dood, waar ze heen reisden, met hém in hun midden. En ook nu, nu hij
vèr over de helft tusschen geboorte en sterven heen is, nu is het nog steeds,
in ieder lichaam van de al jeugdiger lichtingen, hem als een levée en masse uit
geheel Frankrijk toegeleid, de dood, die hij vergeten wil en de dood die hem
lokt, en misschien is gelokt worden en vergeten hetzelfde... Voornamelijk om de
doodsgedachte te ontwijken, - en in het ontwijken te bespieden, - is hij in de
laatste jaren maar dadelijk van de rijpere leeftijd zijner maîtressen
gesprongen in die schier ontoelaatbare leeftijden, prikkelend geladen met
jeugd, - zooals zijn legendarische overgrootvader, toen hij zich aan het eind
van zijn leven gekomen voelde, de tuinen van Versailles, platonischer, deed
opsieren met standbeelden van kleine kinderen, - want tusschen de ouderen en de
jongsten in daar stonden de leeftijden van al zijn donkeroogige dochters op een
rij, gehoorzaam nijgend, gepoederd, gepruikt, en geweldig omhoepeld, en meer
doorkneed in het spel met de dood dan welke aftandsche grijsaard ook. Wellicht
zijn ze het zelf vergeten, maar de koning vergeet het nimmermeer, hoe die
zonderlinge kleine meisjes, 10, 12, 15 jaar oud, in een zwarte speelkamer,
beschenen door flakkerend kaarslicht, hun vinger opstaken en met zoete,
zilveren, éven gebroken stemmetjes riepen: ‘We zijn dood...’ - En indien deze
kinderen, - die hem voor het | | | | meerendeel zullen overleven, - reeds
zoo vertrouwd zijn daarmee, en op zulk een leeftijd, hoe zwaar moet de dood
voor hem zelf dan niet wegen, zwaarder dan kroon en scepter, zwaarder dan
eenige staatszorg (die hij niet kent), maar vooral: zwaarder dan de zorgen om
het dagelijksch bestaan en alle bange, onbevredigde wenschen (die hij evenmin
bezit), waardoor immers bij den gewonen sterveling de dood genadig aan het
gezicht onttrokken wordt, en zóo uitgebreid en vertakt en onvindbaar verstrooid
door dit onmetelijk Versailles, dat de koning, een duidelijker gestalte
wenschend die houvast biedt, de dood soms op de meest onverwachte plaatsen en
tijden meent tegen te komen: gepoederd, bepruikt en gehuld in de hoepelrok der
parelgrijze verveling, apotheose van het geilste, bloedschennigste,
krioelendste hofbestaan, mager voortschrijdend door wulpsche saletten, van
ieder de heete en vermoeide driften leenend, man en vrouw in éenen,
geslachtloos manden skelet: la mort au panier, - en een
mouche vlak boven de grijnzende kaken, links er boven...
Uit de ziekelijke gelatenheid, waarmee de koning deze fantasieën half
bewust voortspint, voert slechts een uitweg naar het frisch en wellustig beeld,
waarvan hij zich de bezitter weet. Zij, die deze avond op hem wachten zal,
onverbruikt, met een minimale hoeveelheid dood en verval in zich: het lichaam
dat hij wellicht over twee weken verteerd zal hebben, - reeds is op het
staatsbudget de bruidsschat uitgetrokken, - maar dat op dit moment nog de
wonderbaarste spanningen bij hem opwekt. Het harde, torenhooge dogma der kerk,
dat de fantasieën óok wel zou kunnen verpletteren, als kruipend gedierte, is
alleen aan te roepen in het weloverwogen gebed, en bidden zou te veel moeite
kosten, nu hij daar maar traag en overgegeven achterover blijft liggen, na de
kanteling naar links, waarmee hij zijn dochters verjoeg. Hij ligt graag
achterover, deze koning. Het is zijn grootste grief tegen Venus, dat men
daarbij niet altijd achterover liggen kan. Een koning zou men toch ook díe
moeite moeten besparen! Zijn vroegste herinnering aan Venus is trouwens, dat ze
hem achter- | | | | overduwden, met zijn vijven, en die indruk is hij nooit
heelemaal te boven gekomen.
Twee uur later, na een levée du roi, die hij door zijn botte
kwaadaardigheid volkomen heeft doen mislukken, begeeft de koning zich, vadsig,
winderig, boerend, naar het geheime appartement, waar hij buiten zijn
raadslieden om bezoekers pleegt te ontvangen die, met kalk en duidelijke
spinnewebben overdekt, binnen moeten dringen door een draaibaar paneel. In een
der kleine saletten in de buurt sputtert een patrijs op een laag vuurtje,
bewaakt door een schrander lakei totdat de koning die taak weer over zal nemen.
Bleeke hovelingen, laatdunkend en breekbaar, buigen diep waar hij voorbijkomt,
alsof zij hun eigen met krijt geteekend beeld tegen de donkere gangmuren
uitwisschen. Aan zijn rechter mondhoek kleeft de bruine mouche van wat saus van
die patrijs. (Met saus kan men de meest uiteenloopende dingen doen; voor een
paar maanden heeft de koning een van zijn eigen ministers, - lid van de
camarilla van den dauphin, en bovendien impotent, - alle saus van de
hertenbout, die hij juist onder handen had, in het gezicht gesmeten; 's middags
lag er een kwatrijn onder 's ministers gekroond bord, van de volgende
inhoud:
Depuis longtemps le suc est desséché
Du bon ministre Saint Gervais d'Uzé
Mais par faveur royale, à l'impromptu,
Il lui jaillit du nez au lieu du...)
Kauwend op een zoete anijsbonbon staat de koning in het kleine,
duistere vertrekje te wachten. Geheel ontevreden voelt hij zich niet. De pols
is 72 hedenmorgen. Drie lijfartsen hebben verkondigd, dat vandaag de
clysteerspuit verwisseld mag worden voor het jachtgeweer. Weliswaar is de hemel
laag en druilerig, maar dan ruiken de honden het wild beter.
Schoorsteenvegergeluiden, gestommel, geknars, een vage | | | |
gestalte die stof van zich af schudt, vuurrood haar boven knipperende,
witbehaarde oogleden:
‘Sire...’
De koning wijst die schoorsteenbrand in menschelijke gedaante een
zetel en blijft zelf heen en weer loopen om de oogen van den bezoeker te kunnen
ontwijken. De Engelsche gezant is een zware man van middelbare leeftijd met een
brutale kaak. Spot en losbandigheid staan op zijn gezicht te lezen: een listig
en wereldsch heer, die veel te vertellen heeft voor een Brit, en die nu met de
deur in huis valt over dien Chevalier d'Eon, den beroemden avonturier, die even
gemakkelijk van geslacht verwisselt als sommige wormensoorten.
‘Vertel u me eerst of hij bereid is om mij zijn diensten te bewijzen,’
zegt de koning, en loopt naar het venster.
Lord Digby laat zijn laarzen kraken, verbergt zijn kin achter de
jabot, brauwt zijn uitgekauwd Fransch:
‘Sire, de chevalier d'Eon, hermaphrodiet bij God's genade, is bereid
in iedere dienst te treden, die hem de voortzetting van zijn leven van
tweeslachtige galanterieën waarborgt’
‘Is hij te vertrouwen?’
‘Niet in het minst. Hij verraadt den koning aan zijn maîtressen, en
omgekeerd. Hij sluit huwelijken met mannen en vrouwen, vaak op dezelfde dag, en
in dezelfde kerk. Hij is magiër, oplichter, meesterlijk schermer,
moordenaar...’
‘Zeker, Sire,’ vervolgt de gezant, als hij ziet, dat Lodewijk zijn
schouders ophaalt, waarbij de weeke, vleezige rug minachtend schijnt te
bibberen. ‘Zeker, de chevalier d'Eon staat voor niets. Men zegt zelfs, dat hij
een zoon bij zichzelf heeft, een jongetje met aangegroeide oorlellen en óok
tweegeslachtelijk natuurlijk. Maar - vijftigduizend livres, en hij zal u
terwille zijn.’
‘Is hij nog in Londen?’
‘Vijf dagen geleden was hij in Londen... Wie weet, is hij nu in
Parijs, of bereist Binnen-Mongolië...’
‘Praatjes!’ zegt de koning grof, zonder nochtans met | | | |
zijn oogen hooger te komen dan de onafgebroken krakende laarzen, ‘ik heb u
reeds gezegd, dat het huwelijk van Louise-Marie, die binnenkort meerderjarig
wordt, met den derden zoon van uw meester tot iedere prijs doorgezet moet
worden. Er is niemand anders te vinden. Een verdubbeling van de bruidsschat zal
den jongen man er gemakkelijk toe kunnen bewegen het Katholieke geloof te
omhelzen, waardoor dan meteen zijn onsterfelijke ziel gered...’
Zoo traag en vormeloos komen die woorden er uit, dat het wel lijkt
alsof elk van hen zich slaperig aan het uitrekken is, en in die houding blijft
staan, wanneer de roodharige Lord den koning aanmatigend in de rede valt:
‘Choiseul heeft doen rondstrooien, dat het, integendeel, de tweede
Spaansche prins...’
‘Choiseul!’ snauwt Lodewijk, die nu tot de teenen van die laarzen is
afgezakt, ‘waarom mijn stalknecht Pierre niet?! Choiseul! Mijn kabinet is hier,
tusschen deze vier muren, begrijpt u dat goed? Le choix est à moi seul!’
besluit hij, vol ernst een woordspeling plagiëerend, die in deze dagen de ronde
doet onder de jonge hovelingen.
Na een buiging gemaakt en een snuifje genomen te hebben, vouwt de
gezant zijn handen berustend over zijn machtige buik. De koning gaat kalmer
voort:
‘Ik weet, dat er andere pretendenten zijn. D'Eon moet die vrouwen
onschadelijk maken. Laat hij desnoods alle Europeesche hoven afreizen om hen te
compromitteeren op de voor hem gebruikelijke wijze... Een lijst van de namen
zal ik u doen toekomen. Alles wat dit huwelijk in den weg kan staan...
fttt! En geen woord erover met mijn ministers!’
Nu buigt Lord Digby zoo diep en krakend, dat zelfs den Bien-Aimé de
verholen spot niet ontgaan kan. In die gebogen houding blijft hij eenige
oogenblikken zitten, zoodat onder zijn rood haar alleen de kaak zichtbaar is,
vierkant en hondsch, maar vlak boven die kaak gaat nu een delicaat gemurmel
zijn oorsprong nemen, gefluisterde woorden zonder zinsverband, onverbonden, in
uiterste ne- | | | | derigheid, zooals slaven die uit de meest
verschillende landen schatten komen aandragen, waaruit de heerscher dan een
keus moet doen, door deze handeling pas hun gemeenschappelijk bestaan
bevestigend.
‘Alle pretendenten: prinsessen, hertoginnen, grootvorstinnen, alle
hoven... Door geheime huwelijken, ontvoering, intrige, zwendel, vergift...’
‘En,’ zegt hij plotseling luid, en tusschen onderkaak en haar springen
de blauwe oogcirkels te voorschijn, ‘ook de pretendenten voor de andere partij?
Prinsen, koningen...?’
‘Ik bedoel,’ fluistert hij weer, als hij merkt, dat de koning vuurrood
wordt, maar niet schijnt te begrijpen, ‘minnaars, geheime afspraken,
verlovingen...?’
‘Komen niet in aanmerking!’ zegt Lodewijk schor.
De gezant kijkt den koning veelbeteekenend aan en besluit dan
opgeruimd:
‘Ik geef alles in handen van d'Eon. Hij maakt wat men noemen mag een
tabula rasa voor u, en aan weerskanten. Bij die twee jonge menschen zal een
soort vacuum ontstaan, dat hen evenals de beroemde Maagdenburger halve bollen
aan elkaar...’
Opnieuw is van den koning alleen de rug te zien. Lord Digby kijkt naar
die rug als een slagersknecht naar een opengespalkt rund; zijn roodbehaarde
handen worden vuisten, de vuisten bewegen zich; tientallen spottende lichtjes
tintelen in de rookblauwe oogen; hij is nog lang niet vergeten, hoe deze papzak
de eerste was om met het tergend gelach in te stemmen, toen een van die jonge
Fransche kikkers hem bespottelijk gemaakt had naar aanleiding van een mislukt
galant avontuur...
‘Om uw vertrouwen, zoo niet in het moreele karakter van den chevalier
d'Eon, dan toch in zijn verbazingwekkende talenten geheel te bevestigen, Sire,’
zegt hij eindelijk, ‘zou ik u de aardigste anecdotes kunnen vertellen, die in
Londen het gesprek van den dag uitmaken.’
‘Komisch?’ vraagt de koning snel.
‘Bas-comique,’ geeft de Engelschman toe, en grijnst al.
‘Eén moment.’ | | | |
De koning loopt de kamer uit, en komt enkele oogenblikken later terug
met zijn lijfarts, le docteur Babiche, een klein, bruin mannetje met een
haviksneus. De gezant verwaardigt zich niet eens op te kijken.
‘Kan ik vanmorgen lachen?’
‘Met mate, Sire,’ antwoordt het mannetje, na zijn oogen te hebben doen
ronddraaien, alsof hij zich eerst met een of andere académie des sciences heeft
te verstaan, ‘de pols is ongetwijfeld rustig, regelmatig zelfs, de humores zijn
goed gemengd, de zwarte gal stroomt af zooals het behoort; u zoudt één halve minuut, niet te krachtig en ook niet stootsgewijs, en
met losgeknoopte jabot, kunnen lachen, - mits ik de pols contrôleeren mag.’
Even later bevindt de doorluchtige pols zich tusschen twee bruine,
dorre vingers, de koning geeft Lord Digby een teeken om te beginnen, maar juist
als deze zijn lippen opent, steekt hij opnieuw zijn hand op:
‘Andere namen, alstublieft; niet -’ hij mimeert de letter é en de
korte o, blijft nadendend voor zich uitstaren, zegt eindelijk, verlegen over
zooveel gebrek aan vindingrijkheid: ‘Zeg maar Lion, -’ en bestendigt dan die
tweede korte o, door zijn mond tot een zuurzoet tuitje samengetrokken te houden
als om iedere onbeheerschte lachbui bij voorbaat te verijdelen.
En de Engelschman steekt van wal, rauw en ratelend. Aha - weet de
koning wel, dat Lion de grootste magiër is van deze eeuw, naast Cagliostro,
naast Belmonte? Hij verdwijnt, hij verschijnt, hij is overal tegelijk, hij
herinnert zich als de dag van gister hoe hij met keizer Nero in de echt
verbonden werd. In iedere gesloten kamer dringt hij binnen, in Buckingham
Palace heeft hij zich ten aanschouwe van het gansche hof van driedubbel
rondgewonden ketenen bevrijd, hij vermenigvuldigt uit het hoofd getallen van 18
cijfers, hij werpt jonge haasjes, dit is door Engelsche geleerden vastgesteld.
Een erotologisch en financieel genie! Vrouw, man, duivel, engel en John Law in
één persoon vereenigd! Hij kent snelwerkende vergiften, die geen sporen
achterlaten en die, op afstand toe- | | | | gediend, koffie, wijn en
likeuren duizend mijlen van hem vandaan doodelijk doen zijn...’
‘Tachtig,’ prevelt de dokter, die een dik horloge voor de dag heeft
gehaald en zijn vingers op de weeke zwammige pols heeft staan als de
voelsprieten van een bruine kever, ‘misschien dat de pointe spoedig...?’
Lord Digby werpt het kereltje een onbeschaamde blik toe, en gaat
onverstoorbaar verder:
‘Maar, Sire, wat hij laatst een van de oudste leden der Londensche
aristocratie heeft aangedaan, - ik zal geen namen noemen, - dat tart iedere
beschrijving! Dit mauvais sujet, drager van vele adellijke titels,
desalniettemin gewend zich aan de minderjarigste meisjes te vergrijpen, maakte
zelfs geen halt voor zijn eigen kleindochter, en toevallig had Lion (die zijn
naam eer aandoet!) een welgevallig oog laten vallen op die jonge vrouw,
ongetwijfeld, of althans veronderstellenderwijs, in verband met de
regelmatigheid dier betrekkingen, op een dag, dat hij inderdaad Lion was, en
niet Lionne, ahem.’
De koning en de lijfarts kijken elkaar aan. De pols schijnt tot 90 te
willen stijgen. Maar dat beteekent levensgevaar, maar dat beteekent een stille
beroerte! Is er dan nòg niets te lachen? Snel, snel laat de Brit den Bien-Aimé
toch drie of vier lachschokjes gunnen voor het te laat is en dokter Babiche
door zijn machtwoord de zitting opheft! Maar de voorovergebogen Lord schijnt in
de voorbereiding van het verhaal te willen blijven steken, en de koning wordt
al rooder en rooder, en dan ineens bleek, en hij transpireert en schuift
ongemakkelijk op zijn stoel heen en weer, - en of het wel tot Zijne Majesteit
doorgedrongen is, hier in het afgelegen Versailles met zijn landelijke dreven
en onschuldige herderspelen, dat dat op het oogenblik heelemaal tot de
wereldsche bon ton behoort, bloedschande oftewel incestus,
defloratio, crimen nefastum, alles door elkaar heen, daar in Londen, dat
doemwaardige Babel, en...
‘Honderd,’ zegt het mannetje op definitieve toon en staat op, ‘ik
reken het tot mijn plicht om...’ | | | |
Met alle doodsverachting waarover de wetenschap beschikt kijkt hij den
koning in het door plotselinge woede verwrongen gelaat. De kin bibbert, de
zwarte oogen in hun enorme, ziekelijke blauwe wallen staan verongelijkt, de
mond snauwt als van een bijtend hondje. Maar nog steeds vermijdt hij Lord Digby
aan te zien, wiens krakende laarzen het rijk alleen hebben... Dokter Babiche
begint te jammeren.
‘Sire, maar ik had u toegestaan voorzichtig te láchen, niet om u zoo
op te winden...!’
‘Ga weg!’ brult de koning en zoekt naar een zwaar voorwerp. Doodsbleek
springt de lijfarts naar de deur. Vol deelneming komt Lord Digby naderbij,
heerschzuchtig krakend. Ze zijn weer met hun tweeën.
‘O, altijd die menschen,... nooit alleen,... nooit me zelf... Ik ben
onwel...’
Begeleid door een afwerend gebaar sterft de verzuchting uit. De gezant
buigt ironisch tot op de grond, mompelt, kucht, verslikt zich. Dan drukken de
twee mannen elkaar de hand ten afscheid, de koning met afgewend gelaat, zijn
andere hand op zijn borst geperst, ten prooi aan machtelooze drift, maar in
zijn onderlijf dat eigenaardige, tintelende welbehagen, dat iederen lafaard
bekruipen zal, die, door de geheele wereld ontzien, vernederd wordt onder vier
oogen...
De wind over de wijde heuvels, de herfstgeuren, het geblaf van de
groote meute, zij doen alles weer verwaaien. Hij vergeet zijn pols, zijn
patrijs en Louise de Morphy, hij vergeet de markiezin de Pompadour en al zijn
dochters, hij vergeet Choiseul, die naast hem rijdt, en den vrijpostigen Digby,
die zich heeft laten verontschuldigen, en den chevalier d'Eon vergeet hij, en
het groote Frankrijk, waarover hij regeert, hòeft hij niet te vergeten, want
dat is hij altijd al vergeten.
Meer nog dan jachtgeneugten is de snelle lichaamsbeweging in staat
zijn verveling te verdrijven; als een zak wordt hij leeggeschud, zoodat de
verveling er uit stuift als | | | | eiderdons en de anderen bedekt. En
hoe levend en bewegelijk wordt de gestolde en besnoeide wereld dan om hem heen,
hoe groeit ieder park tot snel doorkruist bosch aan, en ieder bosquet en
tuinhuis tot een veelzijdig vermaak. De koninklijke rust van dit afgepast
landschap, - ook de koningen onder de dingen zijn onbewegelijk, als
middelpunten, - verandert in een ordelooze, schichtige en behaagzieke
plantaardigheid, zonder andere menschelijke bewoners dan zoo'n boerin of
herderin als daar juist om de hoek verdwijnt, en waarvan hij weet, dat het niet
eens madame de Pompadour kan zijn, die hem vroeger nog wel in zulke
vermommingen opwachtte met haar naïef verbaasde oogen.
Schieten doet de koning weinig en slecht, hij rijdt om het rijden. En
naast hem rijdt de charmante Choiseul, dien de koning, zooals steeds, probeert
te verachten, omdat hij voor den minnaar van de markiezin gehouden wordt, en
die, na op deze middag alle hofschandalen afgewerkt te hebben, juist weer van
meet af aan is begonnen. Jachthorens begeleiden zijn fluweelen stemgeluid.
Choiseul is een statige, warmbloedige man, die de hand lang vasthoudt, die hij
drukt, die iedereen kent en, plooibaar, langs iedereen heenglijdt, maar die de
verwikkelingen, door hem zelf aangesticht, ten slotte niet meer overzien en
ontwarren kan, en dan veel wijn gaat drinken om alles te verzuimen in
bloemrijke bonhomie. Zelfs voor den botsten vorst is hij een doorzichtige ziel,
een staatsman met goede snuif, slechte spionnen, te breede heupen, een
calligrafische handteekening en de eerste aanduidingen van een mankement jegens
Venus. Dit laatste weet de koning en het stelt hem schadeloos voor het bijna
staatsgevaarlijke feit, dat zijn eerste minister geen ernstiger kwaal heeft om
hem onder de neus te kunnen wrijven. Na een mislukte poging van den minister om
het huwelijk van de jongste prinses ter sprake te brengen, is het gesprek, dat
onder de loodgrijze hemel gesmoord intiem klinkt, bij den impotenten hertog
Saint Gervais d'Uzé beland.
‘Spaansche peper,’ zegt Lodewijk sententieus, en zijn | | | |
zwarte koeienoogen loeren humeurig naar de breede, mollige heupen naast hem.
Choiseul kucht en kijkt gebiedend rond naar de volgelingen, die wat
achtergebleven zijn.
‘Ach Sire, met Uw verlof: evenmin als kamfer voor het
tegenovergestelde!’
‘Je schijnt het te weten,’ riposteert Lodewijk, en legt dan de hand op
dit netelige onderwerp om het niet weer los te laten voor ze in Versailles
teruggekeerd zullen zijn; uit het onderbroken gesprek met den Engelschen gezant
is een onbedwingbare neiging overgebleven tot speldeprikken. Wél is Choiseul de
aangewezen minnaar voor madame de Pompadour: beiden invalide, of zoo goed als;
beiden uitgeslotenen van Venus' eeredienst! Bah, dat overtollige vleesch...
‘Men komt vaak bij me om raad...’
Daar de koning hierop niets weet te antwoorden, zwijgen ze enkele
minuten, maar het onderwerp blijft boven hen hangen. Het is, trouwens, het
onderwerp van bijna alle gesprekken in dit tijdperk, waarvoor amoureuze
uitputting is wat voor de middeleeuwen een overladen maag geweest moet zijn, en
voor de oude Romeinen beide. Men specialiseert zich, achtereenvolgens...
‘Spaansch is het overigens wel, het middel dat het best schijnt te
helpen,’ begint de minister, en weer moet hij aan dien Spaanschen prins denken,
dien de Jeuzuïeten aan Oostenrijk cadeau willen doen, en op wien dus de
hofpartij van vrijdenkers, waarvan Choiseul het hoofd is, de hand zoekt te
leggen, alleen om die vreeselijke vijanden te weerstreven, ‘een glanzende vlieg
of kever, Sire,’ - en hij doceert gemakkelijk: ‘Cantharides of Lytta
Vesicatoria; trouwens ook uit Brazilië wordt de laatste tijd een wondermiddel
aangevoerd, een plantaardig middel dit keer, want Fauna en Flora vereenigen
zich om...’
‘Wel moge 't je bekomen!’
‘Míj niet, Sire!’
‘Ahem...’
Tergend langzaam begint nu de koning zijn persoonlijke inzichten in
deze materie te ontwikkelen. Hij kauwt | | | | en herkauwt, hij kwijlt en
slikt weer in, en hoewel Choiseul dit alles voor de twintigste maal moet
aanhooren, wordt hij van schaamte nog even rood in zijn gezicht. Het is alsof
de koning zijn tanden in die weelderige, wippende heupen heeft gezet om er alle
levenssappen uit te zuigen, aldus het sluipend bederf voleindend. Dommelig
schuift hij zijn geniepig trage woorden in de richting van den gezonden,
tevreden, geduldigen man aan zijn zijde. Of Choiseul wel weet, dat dat het
begin van het einde is? De koning althans weet dat maar al te goed: alle
hovelingen die aan een beroerte gestorven zijn, - en kijk dien Saint Gervais
d'Uzé maar eens in zijn uitpuilende oogen! - zijn zóo begonnen, want Venus
trekt eerder haar handen van die oude heeren af dan Hygeia!
‘Op onze leeftijd, Choiseul, beteekent dat, dat we
niet meer dan twee jaar hebben te leven; dat is een rotheid van binnen,
Choiseul, daar helpt zelfs geen Spaansche peper tegen!’
En hij gaat verder die dikke, roode wangen te striemen met al
onverbloemder alarm, met al zonderlinger voorstellen. Een blaasoperatie,
Choiseul! Een blaasoperatie, om de boel eens van binnen te bekijken, maar dan
kan je ook meteen dood blijven, ha ha, zooals die kindsche d'Ayen, die
wegetterde onder het mes van den chirurgijn! Wegetterde!
‘Denk daar maar eens over na!’ besluit hij met macabere opgewektheid,
maar dadelijk zal hij weer van voren af aan beginnen, en alle half kapotte
hovelingen en hofdames zullen de revue passeeren met hun tics en vapeurs, hun
reukwateren en schoothondjes, en de aftandsche familieleden van den koning, en
de oude ministers, die met hun goudgeknopte wandelstok vergroeid zijn, - véel
oude ministers vooral, - en jonge edellieden met knikkende knieën en
schrikkelijk gecerneerde oogen, en alle ziekten en kwalen en schijnkwalen van
het uitputtend hofbestaan, die Versailles op éen groot hospitaal doen gelijken,
opgeroepen door de slaperige stem van zijn heerscher, Versailles, Marly,
Choisy... | | | |
‘Digby schijnt me ook zoo ver te zijn,’ voegt de koninger nog aan toe,
en Choiseul lacht, want Digby werkt hem tegen.
Het gesprek sterft uit, het kreupele hof zinkt weer in de grond. Als
een zoutzak hangt de koning in het zadel, uitgeput. Al zijn kwaadaardige
levenskracht zit nu in Choiseul, en wroet daar, en bijt daar nog een paar
zenuwen door tusschen rug en lendenen.
En in die loome vermoeidheid, meer nog veroorzaakt door de
uitspattingen van de wrok dan door het rijden, begint hij nu over zijn eigen
lichamelijk heil te mijmeren, over de door baden, massage en lavementen op peil
gehouden geschiktheid van dat lichaam, - over een zeer bepaalde geschiktheid
vooral. Want soms is hij de laatste tijd begonnen te twijfelen, al bekent hij
dat niet eens aan zijn biechtvader, wien hij trouwens dát plezier ook niet
gunnen zou. Zijn leven lang heeft hij het blanke, gladde en weeke, dat
schuilgaat onder de koninklijke dos, gewantrouwd, maar nooit heeft hij díe
dierlijke eigenzinnigheid bespeurd, díe onwil tot het eenvoudigste, en de woede
daarover maakt alles nog erger. Zal de golf van amoureuze onmacht ook hém niet
sparen? Er zijn teekenen, dat hij verzwakt op sommige avonden, hij eet veel
vleesch, specerijen, weken lang onthoudt hij zich, met de kalender er bij. En
zoo hij zich eenmaal in het verschijnsel geschikt heeft, - dat dan weliswaar
plotseling afgelost kan worden door de prachtigste vurigheid zijner jongere
jaren, - dan blijkt hij altijd nog de geruststellende doch weinig hoopgevende
verklaring achteraf gehouden te hebben, die hém vrijspreekt en alles op de
vrouwen schuift. Waarom verouderen zij ook? Dit geheele geslacht veroudert!
Misschien houdt het meel nuttige uitwasemingen tegen, hij zal meel en rouge
verbieden, hij zal hen veel laten paardrijden; hij is alleen te lui om die
maatregelen te doen uitvoeren. Slechts zelden zoekt hij de oorzaak in een
wisselwerking der zielen, in het vampierbedrijf van den vrouwenman, die,
zuigend en klissend erger dan de vrouwen zelve, niet gevoed wordt door zijn
gezellinnen, maar ontkracht, ontmand. Dat die ridder der tweegeslachtelijk- | | | | heid, die chevalier d'Eon, wiens schaduwbeeld deze ochtend in
bezwerende en soms burleske volzinnen voor hem opgeroepen werd, - vrouwenman
eerst ongetwijfeld, vrouw-man uit wanhopig ongestild verlangen later, vrouw-man
vanaf het moment, dat het oog tijdens de lust niet meer verdroeg niet op
alomtegenwoordige vrouwelijke vormen te rusten, maar, afglijdend en snel
bekoelend, op een bandelier, een beddehemel, een slapend hondje, - toch de
mannelijkste man dezer tijden heeten hag, het embleem en de uiteindelijke
overwinning van die tijden, hij die het andere geslacht niet meer najaagt, maar
aan zichzelf heeft toegevoegd in een schier goddelijk berustende volledigheid:
hoe zou de koning met dit alles vertrouwd zijn, indien hij zin had voor
dergelijke bespiegelingen... Om de eindelooze verveling te ontloopen is ook híj
van de eene vrouw naar de andere gegaan, steeds begeerig naar de eenige, die
zijn zenuwen voor eeuwig laden zou, tot over de dood heen, maar elke begrenzing
in éen vrouw gaf de woedende lust naar duizend, en van die duizend (die reeds
toesnelden) was ieder er éen, die nooit de eenige zijn kon... Ja, de vrouwen
zélf zijn schuld aan iedere mannelijke onmacht, altijd en overal! Een vrouw,
die verzadigt en terzelfder tijd laadt met verlangen, dat perpetuum mobile der
liefde: waar is het te vinden, en hoe? Weerstanden opwerpend en ze vernieuwend,
even wisselvallig als alomvattend: de vrouw, die alle levensphasen doorloopt,
alle vrouwen vertegenwoordigd heeft, en die dan nog, wanneer men reeds gestild
achterover ligt, herboren wordt in de eene, die nog niet bestond en die zij
zich herinnert vergeten te hebben! Van dit wonderlijk veelvormig bestaan heeft
de markiezin hem althans, jaren geleden, een geestelijke voorproef gegeven, een
projectie in een platonische hemel, met maskers en hedercostuums en
vermommingen en alles, - maar haar preutsche mond vermocht zelfs de kinderlijke
verwondering van haar amandelvormige oogen niet bij te houden, en van binnen
was ze reeds verdord, voordat die mond door de eerste rimpels werd omgeven.
| | | |
In de vallende avond rijden ze door het negende kwartier van
Versailles. De lanen zijn hier enger geworden, goedverzorgd, te hoog van
boomen. Het is zoo rustig als op een Zondag, men zou wenschen te bidden. Reeds
voorvoelt men de bronzen en marmeren beelden, waarin de Hades dezer monotone
hel zich heeft gesplitst. Maar hier, in het negende kwartier, doet zich de
smalle doorgang op naar de wereld der gewone stervelingen, de overgroeide en
verbloemde Acheron, de eenig overgebleven slagader in de gemummificeerde
navelstreng, waardoor die twee werelden eertijds verbonden zijn geweest. Witte
huisjes naderen, belommerd door al kolossaler boomen, teer en bijna
doorschijnend: het porcelein, waarin de schatting van geheel Frankrijk
geschonken wordt aan adel en geestelijkheid. Achter bosquets en lage
beukenheggen glijden die huisjes voorbij, bewegelijk overtralied door vergulde
hekken met de wapens der Trémouilles, d'Ayens, Maurepas, Daubigné's, Coigny's
tusschen hun spitsen. Achter elk van die wapens zou een bleeke hoveling schuil
kunnen gaan, die, na met die heraldische bescherming voor de borst achterwaarts
te zijn geslopen door het hooge gras, iedere avond verzinkt in de eeuwig jonge
stroomen uit Normandië, Vendée, Gascogne, Poitou, Provence, die zich uit kwamen
storten in het vierkant porcelein der huisjes. Een geheele boerenbevolking
heeft hen uitgeleide gedaan: met tienduizend dukaten en het kostelijkst
brandmerk in de schoot zullen ze weder keeren. Arme notarissen, zilversmeden,
zij liggen reeds jaren krom, om de dochter, die volgt op de dochter die naar
het klooster moet, een kanten hemd mee te kunnen geven, waarin zij door het
gichelende achterneefje van den kardinaal besmet mag worden. Kleine, verdorven
abbé's leeren hun zusters alle kunstgrepen en nemen zelf steekproeven. Na de
huwelijken met de zeer begeerde partij, loopen er mettertijd telgen van de
uitgeputste geslachten tusschen de dorpskinkels rond, die hun niets verwijten.
Die huwelijken gaan zeer goed. Madame heeft op de tanden gebeten, toen de
markies zoo geurig dicht bij haar kwam, - ‘mais non, | | | | c'était pour
toi, chéri!’ - en nu leert ze haar kalmen echtgenoot alles wat zij veinst met
tegenzin geleerd te hebben. Zoo heeft er een voortdurende uitwisseling plaats
tusschen hoog en laag, tusschen de doorluchtige hemel-hel van Versailles en de
eindeloos voortbrengende aarde. Beladen met hun prijshoudende vruchten stijgen
zij op naar die hooggelegen markt, om weer tot de hunnen af te dalen, met
klinkende munt en een teer weefsel van legenden om hun Bretonsche mutsen, - en
aan het hof veracht men hen des te meer, naarmate die legenden schooner
beloofden te worden, en men vergeet hen snel, men speelt met hun opvolgsters,
men warmt zich aan nieuw vleesch, - en weet toch, bij dit volk te
behooren...
Maar daar, steeds nog in het negende kwartier van Versailles, vlak aan
de weg, die, beginnend bestraat, de hoefslagen kaatst, daar heft zich het wapen
der Leliën! Pilaren, door steenen herten bekroond, verstarde relicten van het
sinds jaren verdwenen hertenpark van den dertienden Lodewijk, waarvan de
herfstbronst nu in de menschen gevaren schijnt te zijn, staan groenbemost aan
weerskanten van een blinkend hek, dat juist de sierlijke achtersteven verzwelgt
van een kamenier, manicure, hoedenmaakster, op weg naar het witte chalet, dat
de pensionnaires van den Bien-Aimé herbergt. Een witte gardist presenteert het
geweer. Barok astronomisch houdt zich een zonnewijzer op tusschen de telescopen
van twee kleine bronzen kanonnen, die langs de groene hemel van het grasveld
hun monden op de ingang richten. Omringd door de meteorenzwermen van gulden
herfstbladeren, bedreigt een planetarium van roode, gele en zilveren tuinbollen
de grauwe namiddag, opwindend voor het oog. Als een legertrein davert de
jachtstoet voorbij. Zwermen vogels kruisen over het huisje, dat, laag en
gedrongen, als in een mul bloemperk verzonken staat: een wit meisje, de handen
vol bloemen, de eeuwige zestienjarige! Ha, de koning zou dolle dingen kunnen
doen, nu hij hier, zoo vorstelijk inderdaad, de kleine bruid van twee, drie
weken voorbijrijdt; hij zou Choiseul op de schouder willen slaan en hem nog
eens | | | | tartend voorhouden, welk een vreeselijk lot dat is,
lichamelijk onmachtig te zijn! Wát Lebel, die geboortebewijzen vervalscht?
Louise de Morphy mag 60 zijn, haar húid is 16: voor hém! Waar is nu de
verveling? Als een bewegelijk rustbed van vleesch schokt het bruine paard hem
omhoog. Hoe goed dit Frankrijk! Hoe bemint de Bien-Aimé zijn volk! Wie zou zijn
volk ook niet beminnen, wanneer hem de bloem aller districten toegereikt wordt
in blauwe oogen, zwart omlijst, zwart overbogen, zwart omkranst door oogharen,
wenkbrauwen, lokken?... Hij stelt zich voor, hoe ze hem nu voorbij ziet rijden,
eerbiedig huiverend, half ongeloovig nog steeds, en zoo verliefd gaat de koning
zich voelen, - een verliefdheid evenwel, die, opstijgend uit het lichaam, door
zijn zware gemelijkheid nauwelijks heen-breekt, - dat hij het horengeschal en
hondengeblaf, waarmee de nadering van het kasteel gevierd wordt, als een
persoonlijke groet wenscht te weten aan haar, die deze avond op hem wachten
zal!
Zij buigen een nieuwe laan in, die hen als een voorspel van de avond
fluweelig omsluit. Links beginnen witte beelden te schemeren. Gazon na gazon,
voorplein na voorplein raadt men achter die doolhof van geschoren taxishagen,
die, elkaar kruisend, bedekkend, overstelpend, ontkennend, iedere denkbare
richting schijnen in te slaan. Met het afwisselend gezag hunner klaterende
fonteinen en bernineske steentrofeeën, met hun balustraden, colonnades,
dwergboomen en mythologieën, hun kanalen en bassins, machtig als zeearmen,
schijnen ze elkaar, ondanks het koel rechtlijnig rationalisme, beoogd door hun
makers, tegen te spreken, verwarrender dan de sluippaden eener tropische
wildernis. In den blinde wentelen zij zoo rond, horizon na horizon onthullend
van verschuivend groen en marmerwit, nutteloos betwist, nutteloos weer
opgegeven, totdat eindelijk toch het grijze centrum benaderd wordt: het
ontzaglijkste brok eener van staatswege onderhouden verveling, ooit door
menschenhanden gewrocht, en die hier als afgod meer aanbeden wordt dan de
gladde goden der simili-antieken in het park. Zelfs het inniger | | | |
binnenplein achter het hek met de gekroonde ingangen schrompelt speelgoedachtig
te zamen onder het barre paleis, dat, door andere paleizen van gelijke afmeting
en praal omgrensd, alleen nog met de grijze hemel voeling schijnt te kunnen
houden, die er strakker en vastberadener over heen gewelfd staat dan over welke
kathedraal ter wereld.
En de koning voelt het. Langs zijn kaplaarzen kruipt het omhoog. Reeds
is hij vergeten, dat het witte chalet, waar hij zooeven nog zoo kloekmoedig
langs reed, tot hetzelfde gebied behoort. De beweging is gestold, alles wordt
kristallijn, de wachten salueeren als marionetten, op het binnenplein staan
fijne sprookjeskarossen door elkaar. Naast Choiseul rijdt hij aan het hoofd van
de stoet recht op het hart van die hel af. Niets is er boven hem, alleen de
verveling, wee en oneindig. Er is geen weerstand, geen dreigement, geen storm
die hem breekt; als een verglaasde moederschoot, die nooit meer baren zal,
sluit zich het spook Versailles om hem heen met de wanhopige eentonigheid van
het volmaakte. Bijna wenscht hij zich de donkere boerentronies, die hem op
jacht zoo vaak verontrust hebben, een moorddadige hand, een scheldwoord maar...
Hij wil lijkkoetsen ontmoeten, martelingen aanschouwen, het huiveringwekkendst
levenseinde moet beter zijn dan dit sterfbed van steen. En dan weer,
berustender, verlangt hij naar zijn minuscule Rococo-vertrekken, naar zijn
kookgerei, zijn honden: al die hulpelooze pogingen om een begrenzing aan te
brengen in de onmetelijkheid van dit vreeselijk oord.
Op het binnenplein worden dames uit draagstoelen geholpen, als door
lage rukwinden opgeblazen staan de schommelende hoepelrokken meters ver van hen
af. Om elk van die vrouwenfiguren, waarvan de veilheid de duizelige leegte hier
nog vergrooten komt, spant zich de materieele cirkel van de afstand dien ze
zelf niet meer weten te bewaren: omgekeerd symbool van hun tijd. Iedere vrouw
een wandelende stolpheilige, onbesmette lucht achter riet en brocaat: de
schijn! Zou de werkelijkheid niet meer neerkomen op een bende dronken
hovelingen, die elkaar baldadig met de manden smijten, terwijl de bijbehoorende
vrouwen | | | | naakt en verfomfaaid in een hoek liggen? De koning
althans lácht wat met die rokken, hij ziet ze niet eens meer, hij walgt van dat
weelderige onkruid, waarvan dit plein nooit gewied zal worden, van die
voorgeschreven strijkages van handen en heupen, waaronder zij hun
geblaseerdheid verbergen. Nieuwe dames barsten als groote tulpen uit hun
karossen, chevaliers snellen toe, als windhonden over hun degens springend, zij
buigen, zij kussen handen; aigrettes trillen in de stille lucht. Langzaam, te
midden der horenecho's, baant de venerie zich een weg langs staatsraden,
witbepruikte generaals van nog geen 20 jaar, nerveuze jachthonden, hofdames,
bastaards, gezanten, neven van achternichten van gunstelingen, vroedvrouwen,
engelenmaaksters en biechtvaders, ex-maîtresses, maîtresses in spe, maîtresses
in blijde verwachting, officiers de la bouche, officiers de la chaise percée,
officiers des petits chiens morveux, Zwitsers, pruikenmakers, tafeldragers,
stalmeesters, abbé's en sokopzichters met jaarwedden van kardinalen,
pamfletschrijvers, epigramdichters, intendanten-van-de-tandenstoker en
kanunniken, schenkers, proevers, blazers, ruikers, likkers, tafelschuimers,
geldschieters, dansmeesters en lectrices, en allen buigend, nijgend, babbelend,
wrijvend, koozend, glimlachend, wiegelend en knikkend als de moorddadige
siergewassen uit een of andere broeikas, - maar voor de starende oogen van den
koning, die daar, gefronst en lui en dikhuidig, als een veroordeelde naar de
schandpaal, doorheen rijdt, komt als verlossing, éen ondeelbaar moment,
onzichtbaar voor de anderen, het drogbeeld aanzweven van dien chevalier d'Eon,
aan wien hij nu voor het eerst na het ochtendgesprek in zijn geheim appartement
terugdenkt, dien tweegeslachtelijke, die geen geslacht behoeft te duchten en
geen enkele vleeschelijke aankleve, den man die overal binnendringt, die zich
van ketenen bevrijdt, tastbare en ontastbare, die, pervers doch kalmeerend,
deze geheele wereld van krampachtige geilheid zoowel resumeert als in zichzelf
opheft door de lichamelijkste tegenspraak...
S. Vestdijk
(Slot volgt)
|
1)Uit de binnenkort verschijnende bundel
De dood betrapt.
|
|