|
|
|
| |
| | | | | |
(Slot)
In zijn kleedkamer ontspant hij als een veer. Hij rekt zich gapend
uit, boert de gassen op, die het al te rijkelijke ‘grand couvert’ in zijn maag
heeft achtergelaten, trapt den lakei opzettelijk op zijn teenen. Zoo hondsch
mogelijk wil hij zich laten gaan. Op een goede dag zal hij de etikette nog eens
zoo hevig verstoren, dat het geheele paleis in de grond verzinkt, dat heeft hij
zich al jaren geleden voorgenomen. Hij herinnert zich zijn dochters in de
groote eetzaal, die tergende rij vrouwelijke duplicaten van zichzelf, die hij
als nonnen behandelen moet, daar waar hij zichzèlf niet het minste bedwang
oplegt: doet dat niet denken aan een ontzetting uit de ouderlijke macht? En
schuin daartegenover Digby, de vervloektste aller gezanten, met een enorme
allongepruik boven zijn geestig slagersgezicht. Tantaluskwelling, uitdaging,
vernedering, en wat niet al! En dat elke dag opnieuw... Het gezicht van den
lakei, die bezig is zijn schoenen los te gespen, bevindt zich juist ter hoogte
van zijn kruis, met moeite houdt hij zich in om den lummel niet weg te blazen.
En niet voordat de man verdwenen is en de zoetelijke nymphen aan de wanden en
op de nekverdraaiende zolderschilderingen hun rechten hernomen hebben, bespeurt
hij de koortsachtige verwachting, sluimerend onder zijn humeurigheid.
Met zijn nagel tikt hij op het rose geschilderde vleesch, dat eveneens
hunkeren laat: omdat het éen dimensie te kort komt. Het Parc-aux-Cerfs stijgt
op in bijna huiveringwekkende nachtelijkheid. Wel weet hij, dat de geheele
wereld, tot de markiezin toe, - die de laatste tijd het peil van Lebel's
aanwinsten tracht te veredelen, naar men fluistert, - zijn tocht naar het witte
chalet met knipoogen en zegebeden zal begeleiden, zeker van zijn absolute
veiligheid, maar dat hij zich vier dagen lang onthouden heeft schept door de
lichamelijke spanning verbeelde obstakels in de ruimte, al is het maar een half
uur oponthoud door een | | | | gebroken as. En dat is niet het eenige.
Niet voor niets heeft Louise de Morphy hem de eerste nacht zoo toornig
afgeweerd, dat al de vrouwen die hem geweigerd zouden kunnen worden, van
onaanraakbare schilderijen, van koninklijke bloede, van nóg priller jeugd, zich
onontwarbaar in haar vereenigd schenen te hebben. Weer aanschouwt hij haar
verachtelijk opgetrokken wenkbrauwen, op dat pijnlijk moment dat ze hem
spottend terugwees naar zijn eigen eenzame en toen onherstelbaar verslappende
naaktheid. Een woeste dranknacht met vier roué's volgde, zonder vrouwen, maar
onder gesprekken van zulk een gehalte, dat hij de volgende ochtend reeds vóor
de levée in de biechtstoel zat. Maar toen, de avond daarop, toen hij, oude,
vaderlijke hond, kwispelstaartend, met geschenken en sluwe blikken over de rand
van het theekopje en tikjes op de handen het meisje opnieuw voor zich trachtte
te winnen, - welk een verandering! Zijn slaafsche vleeschkwabben had hij
gemeend over de lakens naar haar toe te moeten schuiven, prevelend: ‘Mijn kind,
hier is de koning... aller vader... gezalfde...’, - maar het was een herboren
jongeling, die eensklaps in hem te huizen scheen, en twee kinderen lagen
gelukzalig eenzaam in het bewaakte chalet naast elkaar, omringd door de parken,
die zich van het grauwe Versailles afkeerden om hen toe te wuiven. Zoozeer
verrukten haar de machten dezer lichamelijke opstanding, dat hij zelfs
verzuimen kon nieuwe geschenken te beloven. Alles was vergeten, en weer was hij
de jonge koning, die eens maîtressen van zich wees om een jonge koningin rein
te behagen, - en vier nachten herhaalde het zich...
Wordt er geklopt? Het kan de lakei zijn die hem zijn mantel en zijden
nachtgewaad komt brengen; buiten moet de karos klaar staan. Ongeduldig loopt
hij naar de deur, verrast den lakei, die over zijn schouder een
voorbijtrippelende kamenier spottend toelacht, en rukt hem een dichtgevouwen
briefje uit de hand. Lebel! De naam is voor hem verbonden met een sfeer van
veilige en eindeloos getolereerde wulpschheid, - de naam van een banketbakker
| | | | voor een snoepachtig kind, - en ook ligt er iets in van lange
reizen in postkoetsen, want in welk Fransch gehucht is Lebel den Bien-Aimé niet
komen vertegenwoordigen tijdens zijn werkzaam leven? Veerkrachtig loopt de
koning den buigenden knecht voorbij en legt de twintig schreden af, die hem van
het geheime kabinet scheiden.
Een nieuwe vertooning! Kwam Digby als een uitslaande vlam binnen,
Lebel schijnt al het achtergebleven roet op zich te vereenigen van dien brand.
Hij lijkt meer op een Italiaanschen schoorsteenveger dan op een Franschman,
zelfs zijn oogen zijn dof als zwartsel. Het lage paneel is een passende ingang
voor hem, klein en tenger als hij is. Klein en tenger, ondiep, hard gegroefd,
niet wreed, uiterst zakelijk, bedwongen zinnelijk: kortom, de typisch
Romaansche vorm van behendige, schrale onmenschelijkheid. Zijn borst en buik
schijnen bescheiden inbochtingen te vertoonen: de sinds jaren uitgesleten
plaatsen waar hij vrouwelijke rondingen langs pleegt te wrijven bij de groote
keuring in het kleine dorp. Hij loopt wippend, steeds op zoek. Voortgekomen uit
een cynische rooversschare, die door overredingskunst, afdreiging, ontvoering,
bejaarde hovelingen van nichtjes voorzag, klom hij allengs op tot de positie
van vertrouweling, zonder echter ooit misbruik gemaakt te hebben van zijn
onmisbaarheid. Zoo gedresseerd is deze Lebel, dat hij alleen nog maar met een
gladde tong en handkussen werkt, en het jus primae noctis en primae die, - want
de korenvelden waar hij ze uithaalt kunnen zwoel zijn als serres, - zelfs niet
meer toepast bij gegadigden, van wie hij met recht leeftijd en maagdelijkheid
betwijfelt. Zijn lijfspreuk ‘Hymen intacta’ staat in krullige letters op den
zegelring gegraveerd, dien de koning hem heeft geschonken. Hij werkt in drie
tempi. 1. Ik ben een prins van den bloede. 2. Parijs, spel, dans, edellieden,
parelsnoeren. 3. Bruidsschat. En dan moet hij voortmaken ook, want dan staat de
heele familie al bij de karos om de oogappel uitgeleide te doen. Zijn eigen
drie dochtertjes heeft hij voor het klooster bestemd. Hij is de beste huisvader
van geheel Frankrijk. | | | |
Wippend en wringend dus nadert Lebel zijn meester en haalt een tweede
briefje uit zijn borstuitholling, een vierkant stukje papier, doorweekt van de
regen. Dan laat hij zijn hoofd meewarig hangen, en bluscht ijverig het
schijnsel van de door den koning eigenhandig ontstoken kaarsen in zijn doffe,
zwaarmoedige oogen.
‘Waar heb je dit vod vandaan?’
‘Dit vod, Sire, is gevonden in het Parc-aux-Cerfs, gespeld tegen de
voordeur van het chalet. Het is mij niet bekend, of iemand anders het reeds
gelezen heeft.’
Lebel spreekt zoet en lispelend, alsof hij luchtstroomen aan het
zoenen is met zijn vrouwelijke proeversmond.
‘Hoe laat is het gevonden?’
‘Even voor de schemering viel. Het kan er nog niet lang gehangen
hebben, het personeel van Mlle de Morphy is de geheele dag die deur in en uit
gegaan...’
Onderwijl is de koning bezig den inhoud van het briefje te
bestudeeren. De letters zijn zoo gevlekt, het Fransch is zoo slecht, dat zijn
voorhoofdsspieren trillen van het fronsen, niet gewend aan deze denkmimiek. De
vinger komt er bij, hij volgt, hij begrijpt, dan wordt hij vuurrood en steunt
zich op de tafel. De ringen aan zijn weeke vingers glinsteren weerloos. De
bescheiden Lebel bluscht en bluscht.
‘Heb jij 't gelezen?’
‘Neen, Sire.’
Langzaam, stotterend, met een driftig aanklagend jankje in zijn stem,
leest Lodewijk voor:
‘Aan den ontaarden vrouwenschenner op
Frankrijk's troon. - Damiens heeft slechts uw vierde rib kunnen schampen, de
voltrekker van een door u zelf bekrachtigd vonnis zal dieper binnendringen. De
wreker van de eerroof, gepleegd aan een voor wie gij een vader had moeten zijn,
teekent zich (Coeur de Lion).’
De onderteekening is te veel verwischt dan dat men de naam zou kunnen
ontcijferen. Maar de Bien-Aimé let ook niet op de onderteekening, zoo volledig
wordt hij in beslag genomen door die andere naam, waarmee het briefje
| | | | opent. Macht der gewoonte of gebrek aan fantasie: op dit
oogenblik verzinkt de bedreiging met een nieuwe aanslag geheel in het niet bij
de toespeling op die andere van ruim anderhalf jaar geleden, waaraan de
herinnering tot in de verste uithoeken van Frankrijk wordt verondersteld
weggevaagd te zijn, behalve bij de geheime politie, een paar seniele
geschiedschrijvers van de académie, en wat beulen. Wie, reeds de eerste dagen
na de gebeurtenis, over Damiens waagde te spreken, viel in ongenade, zoo hem
geen lettre de cachet bedreigde. De jonge comte de Maurepas, die op de vraag
waar een van zijn vrienden vandaan kwam antwoordde: ‘d'Amiens,’ werd door
Lodewijk, die toevallig in de buurt stond, klinkend geoorvijgd, het avondfeest
moest onmiddellijk onderbroken worden. En zoo groot was zijn angst voor dit
woord, meer nog dan voor de herinnering aan de bijzonderheden van die
afgrijselijke 4-de Januari, dat hij steeds geweigerd heeft het politieverslag
te lezen van Damiens' verhoor en marteldood, ondanks zijn habitueele
belangstelling voor galg en rad. En daar staat nu die venijnige naam met niet
minder venijnige bedoelingen in een briefje, aan hem zelf gericht!
‘Wie is die onbeschaamde? Wie kan die onverlaat zijn?!’
Lebel heft zijn handen op, zoodat de zwarte haartjes op de linker
handrug doorschijnend worden van het gele kaarslicht.
‘Ik heb me reeds in verbinding gesteld met de geheime politie, Sire,
die haar nasporingen in allerijl is begonnen. Het chalet wordt door spionnen
bewaakt. Wat Mlle de Morphy's antecedenten betreft...’
‘Weet zij van het briefje af?!’
‘Neen Sire. Ik heb echter alle reden om aan te nemen, dat de schrijver
ervan een vroegere amant of aanbidder van Mlle de Morphy moet zijn, die uit
minnenijd naar Versailles is gereisd om wraak te nemen. Het is me in Compiègne
niet verborgen gebleven, dat haar schoonheid reeds in hooge mate de aandacht
getrokken had van haar jonge mannelijke stadgenooten.’ | | | |
‘Als die man hier is, moet hij gevangengenomen worden!’
‘Zeker Sire, op die gedachte was ik ook al gekomen, min of meer...
Want mocht deze man u inderdaad naar het leven staan...’
‘Naar het leven staan!!!’
Damiens' naam, Damiens' beeld, zij verdwijnen als door een valluik. Nu
eerst beseft de Bien-Aimé welke acutere gevaren hem bedreigen! Sidderend valt
hij op een stoel neer, Lebel vangt het omlaagfladderend papier op. Het wordt
angstig stil in het kleine vertrek. Na een halve minuut heft de koning het
hoofd op, en opnieuw onderzoekt hij de inhoud van het briefje, nu met behulp
van den agent. Inderdaad, er is geen twijfel mogelijk, hoewel dat gedeelte door
vlekken vrijwel onleesbaar is geworden, zoodat de woorden ‘door u zelf
bekrachtigd’ zelfs geheel verdwenen zijn, de zinspeling op Damiens en op de
vierde rib is maar voor éen uitlegging vatbaar.
‘Hij kan het paleis binnensluipen, hij kan me opwachten, wat moet ik
doen?’ mompelt Lodewijk wanhopig, met zijn hoofd in zijn handen gesteund.
‘In de eerste plaats kalm blijven, Sire. Er kan niets gebeuren.
Morgenochtend bevindt zich iedere vreemdeling, die hier in de buurt
gesignaleerd is, achter slot en grendel, en dan kost het ons hoogstens een dag
om inlichtingen uit Compiègne in te winnen, terwijl ook Mlle de Morphy
wellicht...’
‘Ik zal haar vragen wie de schrijver zijn kan!’
‘Pardon, Sire! Lijkt u dat wel de aangewezen weg? Zij zou den man
kunnen waarschuwen...’
‘Buitengesloten!’
‘...waarschuwen, - wanneer ze daarentegen onkundig blijft, en alleen,
loopt hij misschien in het Parc-aux-Cerfs in de val...’
‘In elk geval,’ besluit Lebel, ‘is het voor uw persoonlijke veiligheid
beter, dat u vanavond niet naar het negende kwartier gaat!’
Ja, dit begrijpt de koning, - en zijn persoonlijke vei- | | | | ligheid weegt zwaar bij hem! Reeds zijn de vier mijl tusschen paleis
en hertenpark bevolkt met de overtuigendste boeventronies. In Versailles kan
hij zich tenminste insluiten, hij kan zich gaan bedrinken, hij kan vrouwen
laten aanrukken... Maar heeft de ondervinding hem niet geleerd, hoe gemakkelijk
de roes omslaat in de gruwzaamste cauchemar, en zal het tweede middel hem niet
alleen maar aan Louise de Morphy herinneren, aan zijn angst, aan zijn
verlangen?... En morgen, en overmorgen? Als de onverlaat niet gepakt wordt, als
hij al weer verdwenen is, en later terugkomt, na maanden wellicht, om zijn slag
te slaan...
‘God, wat moet ik doen...’
Met de dood in het hart tilt hij zijn in rimpels en wallen en
hulpelooze vetplooien gekreukeld gezicht naar den pikzwarten Lebel op, die even
geruststellend gesticuleert als een begrafenisondernemer die de maat komt
nemen.
‘Hier blijven, Sire, en kalm blijven! Op Uw verknochte dienaren
vertrouwen!’
Hij vertrouwt niemand meer. Eén verrader onder zijn volk, en hij is de
Bien-Aimé niet meer. Eén donkere gaping in het fonkelend weefsel waarin orde en
veiligheid schering en inslag zijn, en de dood sluipt naar binnen, vergezeld
door angst, wurgende angst, - en verveling vooral. Eén leege avond hier op
Versailles, zonder de zestienjarige die hij begeert, en hij zal het
besterven... Maar is dan de angst niet beter met wellust te vereenigen dan met
verveling, al is het maar voor éen nacht? Men kan hem toch bewaken! Onder een
zwaarbewapend escorte kan hij naar het chalet rijden! Nog is de tweestrijd niet
uitgestreden, maar hij voelt, dat zijn koppigheid het winnen zal. Afstand doen
van welk voornemen ook, hij heeft het nooit gekund. Alleen de kerk, de angst
voor de hel, alleen zijn biechtvaders kunnen hem nog leiden - tot zekere
grenzen, want staatsgevaarlijke maîtressen hebben de zwartrokken hem nooit uit
het hoofd kunnen praten. Verachtelijk joelend volk bij een kerkgang was steeds
de sterkste prikkel, die hem in de armen der verachte dreef... | | | |
Maar dat niet alleen! Bij zijn lijdzame eigenzinnigheid komen nu al
die andere beweegredenen zijn besluit ondersteunen. Het is de nacht vol
opzweepend gevaar, sluipend om dat lage witte huisje, - maar wát hem ook
bedreigen zal, verveling niet, en zijn angst voor verveling is sterker dan zijn
doodsangst. Het is de ontkenning van het gevaar door te doen wat hij gedaan zou
hebben indien het gevaar niet bestond. Het is de bedwelming die hem wacht in de
armen van haar die van al die gevaren het middelpunt uitmaakt, - en
onveiligheid met bedwelming erbíj verkiest hij boven een veilige nacht in een
dubbelzinnig kasteel waar geen spook hem met rust zal laten. Het is, tenslotte,
de ongehoorde aantrekking, die deze vrouw op hem begint uit te oefenen, nu
hinderpalen de begeerte zijn komen aanwakkeren, en de dood de liefde. Híer is
de verboden vrouw, hier, voor het eerst in zijn leven! Jaren lang heeft hij
daar naar uitgekeken, dit is zijn kans. Eergevoel kent hij niet, het is geen
wedijver met een ideaal van ridderlijke mannelijkheid dat hem drijft, en hoewel
hij zich deze nacht kloekmoediger gaat gedragen dan in de oorlog tegen
Oostenrijk, die hij op drie kanonschotlengten bijwoonde in de armen van Mme de
Châteauroux, trots en uitdaging spelen geen rol. Het is niet om een prikkelende
weerstand te overwinnen, dat hij gaan zal; het is alleen, omdat die weerstand
de wellust begeerlijker heeft gemaakt dan alles ter wereld.
‘Lebel, de karos!’
Een stille glimlach valt als een kuil in de verlichte wang van den
agent. Voor de eerste maal sinds het begin hunner samenwerking voelt hij in den
koning een meester, een vriend bijna, die hem op het oorlogspad niet in de
steek laat. Nog is deze 18-de eeuw niet verloren.
Zwaarbewapend, inderdaad, klettert het escorte van bereden
gardesoldaten door de nacht, met den koning in hun midden. De karos is een
bewegelijk stuk duisternis; alle lichten zijn gedoofd. Soms naderen zij
vervaarlijk dicht de star uitgestrekte armen eener Diana of Proserpina, Apollo
| | | | schiet zijn trillende pijlen op hen af, dreigt met zijn lier,
Amor is gichelend in alle bosschages gekropen om hen van de witte weg op de
tapis-vert te lokken. Lebel ondersteunt den koning bij die plotselinge zwaaien
door de nachtelijke godenwereld. Dan raken de door het Versailleslicht
verblinde oogen gewend aan het donker, en de groote, wit sproeiende fonteinen
glijden rechtlijnig voorbij. De motregen, die door de reten van het rijtuig
schijnt binnen te waaien, maakt de lucht klam en bedompt; de koning legt zijn
handen op zijn stok, onder zijn zware mantel baadt hij in zweet. Hij vecht voor
zijn leven, voor zijn ziel. Maar de lokking in zijn lichaam: dáar kan de angst
niet bij, en telkens en telkens weer, tot vermoeid wordens toe, dompelt hij
zijn kloppend hoofd in de veilige sfeer van dat lichaam beneden hem, zooals een
struisvogel zijn kop in het gloeiende zand steekt... En steeds verder reist het
park langs hen heen, de kartelige lijnen der boomtoppen, de bleeke lanen: die
geheele hopeloos verdoolde geometrie van Versailles, waarop de nacht als op
stalen staven naar het centraal kasteel terugrolt. Het laatste marmeren
standbeeld verdwijnt rechts achter hen. Op de eerste straatsteenen weerklinken
de hoeven, dorre bladeren ritselen onder de wielen, onmerkbaar heeft het gebied
der tuinen plaats gemaakt voor het minder verzorgde der amoureuze uithoeken.
Twee bochten, en reeds vermindert de draf, Lebel laat zijn dievenlantaren
rondtasten, nog steeds wordt er niet gesproken in het rijtuig. De wielen
kraken, de koning steunt zich voorover op de hermetisch gesloten deksel van de
chaise percée, de dievenlantaren glijdt over paardenruggen en zadelleer,
halveert het gepoederde gezicht van een gardekapitein tot een maan in het
eerste kwartier onder witte pruikwolken, bestreelt drie, vier
soldatengezichten, eveneens witgepoederd. Niet voordat de lantaren de groote
steenen herten aan weerskanten van de ingang in hun nadenkende ruststand
verrast heeft, helpt Lebel den Bien-Aimé uitstijgen. Achter de krijtachtige
gardisten staan schimmige gedaanten van agenten en verklikkers op post; Lebel,
die ineens met een geciseleerd pistool speelt, | | | | wringt zich in
deze, in gene richting, loerend van onder zijn roovershoed. Als een kostbare
fokstier wordt de koning het hertenpark binnengeleid. Schools geven de soldaten
elkaar de hand tot een beveiligend cordon; tusschen hun beenen ziet men de
oogen der geheime agenten fonkelen, alsof zij zich willen vergewissen, dat er
geen moordzieke dwerg den koning van onderen bespringt. De kapitein salueert,
de hekken knarsen, koraalachtige hertengeweien vlammen nog eens op onder
Lebel's goochelaarshanden, dan schrijdt de koning over schelpengruis in een
groote boog om de duistere zonnewijzer heen, omringd door acht gardisten met de
degen in de vuist, maar Lebel is er ook bij, en die legt zijn vinger op zijn
mond en drijft hen op de randen van het grasveld. Voor hen doemt een vierkant
op met éen geel verlicht venster; vage bijgebouwen houden zich achteraf. Het
geruisch van de hooge olmen wordt duidelijker, de schelpen glinsteren vochtig
voor de voeten, sluipende gedaanten doemen op. De Bien-Aimé en zijn begeleiders
staan voor het witte chalet van Louise de Morphy.
Hoe nu? Zoo opgelucht voelt de koning zich, omdat er nog geen dolk op
zijn vierde rib afgeschampt is, - een nieuwen aanslag kan hij zich alleen
voorstellen met alle bijzonderheden van de oude, - dat de gedachte bij hem
opkomt, de voordeur luidruchtig in te trappen en Lebel en zijn trawanten zonder
meer in de motregen te laten staan. Maar Lebel legt de hand op zijns meesters
arm en wijst hem op het verlichte venster. Alles blijft stil, de bijgebouwen,
waar het personeel van het jonge meisje woont, schijnen verlaten. Donkere
groepen verspieders flankeeren het huis, als oproerig volk dat zwijgend op een
uitbarsting wacht. Wie zal het eerst gluren? Lebel doet dat. Wat merkt hij op?
Uit een behagelijk interieur snijdt de kier naast het gordijn een loodrechte
reep. Onzichtbare kaarsen leven, flonkerender dan zij zelve, in puntig en
cirkelvormig verguldsel, bibelots, zeldzame schelpen. Loodrecht stijgt de blik
op langs gordijnen en goudbehang met miniaturen en medaillons naar de
gipsamouretten en het stuc | | | | van de zoldering: alles buiten hun
gewend verband op elkaar gestapeld in die verticale spleet naast het gordijn
waar Lebel doorheen gluurt, en boven hem de koning, die uit een iets afwijkende
richting het langwerpig kamerfragment voor zich ziet, dat aan dat van Lebel
grenst. De uitgesneden reep is hier aan de rechterkant onderbroken door een
driehoekig stuk tafelblad, met parelmoer ingelegd, en bedekt door een blad met
koffiegerei, waarvan het grootste gedeelte schuil gaat achter het
venstergordijn. Aan de andere kant is het gordijn geheel ontoegankelijk, Lebel
is er heen geslopen. Geboeid door dat boudoir, waar niemand zijn kan, blijft de
koning staren. Hoe eenzaam fonkelt daar het gele licht op al die kleine
plaatsen, zonder rangschikking of systeem, droevig en bijna onherbergzaam. Hij
beweegt zijn hoofd heen en weer, zoodat de latdunne, verticaal uitgerekte kamer
zich verplaatst, zich verbreedt, dan achter zijn adem op het glas verwaast.
Zijn kloppend voorhoofd tegen het koele glas aandrukkend, stelt hij de
zekerheid van het genot nog tien seconden langer uit. Lebel's voeten schuifelen
ongeduldig over het grint; nu is het binnen het veiligst geworden. Maar hij
wacht: tien nieuwe seconden... Nog tracht hij iets meer op te vangen van de
tafel, en van het koffieblad, als hij, in een plotselinge schok, de spiegel
gewaar wordt, die, ver achter het theeblad, grijs en schemerig te voorschijn
glijdt vanonder een schuin afhangende draperie, om in zijn zichtbare helft de
ruimte te weerkaatsen die ongeveer bij het grootendeels onzichtbare koffiegerei
begint. Daar, in dat grijze verschiet, beweegt iets. De koning veegt het glas
schoon, en staart en staart. Het bewegende iets komt naderbij in de spiegel,
niet herkenbaar dan als vage gedaante, onthult even een bleek om zich heen
spiedend gelaat, dat aan iedereen zou kunnen toebehooren, en verdwijnt achter
de draperie in de richting van de tafel. Het glas beslaat onder 's konings
hijgende ademhaling; weer veegt hij. ‘Lebel’ wil hij roepen, maar hij kan geen
geluid uitbrengen. En dan gebeurt her. Dan schuift zich in de hooge kamerstaaf
met de veelkleurige lichten, die hij | | | | tevergeefs tot een
volwaardige kamer tracht te doen aangroeien, als voortzetting van de beweging
uit de spiegel, een lange, smalle hand met iets wits er aan, vingers, die naar
voren tasten om zich te spitsen boven een der blauw porceleinen koffiekopjes;
het witte, stijve ontvouwt zich tot een stuk papier, waar de vingers even mee
spelen; de hand houdt zich zoo lang onbewegelijk tot het papier een uiterst
gevoelig verlengstuk van de vingers is geworden, dan neemt de pols de leiding,
schudt en wringt zich, knikt ja, wentelt heen en weer met korte schokjes: een
grijs poeder sluipt in het kopje, - en de koning heeft genoeg gezien...
Op alles zijn de donkere verklikkers in hun hoeken en gaten
voorbereid, maar het jeukt hen over de ruggen, als ze zien, hoe hun koning
opspringt, Lebel beetpakt en hem gewelddadig tot het midden van het grasveld
voortsleurt. Lebel struikelt en zit al op de zonnewijzer; het pistool heeft hij
halverwege laten vallen, om niet in de verzoeking te komen op dezen krankzinnig
geworden vorst te schieten. Toch te bang geweest, denkt hij...
‘Lebel, een hand,... poeder...!’
‘Hand,’ zegt Lebel berustend, en wrijft zijn schouder, maar als de
koning voortgaat met zijn opgewonden gestotter, en van het vizioen van die hand
gewaagt en van het gestrooide poeder, dan is Lebel weer op bekend terrein, en
kijkt al uit naar zijn pistool, daar ergens in het natte gras. De geheime
agenten zijn aarzelend naderbij gekomen.
‘Wat er nu gedaan moet worden,’ lispelt de koppelaar, terwijl hij van
de zonnewijzer opstaat, ‘is dit. We moeten het heele huis doorzoeken. U heeft
Mlle de Morphy niet herkend...?’
‘Neen, dat was haar hand niet,... dat kan toch niet...’
‘Natuurlijk kan alles,’ geeft Lebel op bescheiden toon te kennen,
‘maar het is inderdaad waarschijnlijker, dat iemand anders, de schrijver van
het briefje dan, het chalet binnengedrongen is. Dat moet dan al vroeg gebeurd
zijn, en er uit kan hij ook niet meer, want mijn katuilen daar | | | |
zien net zoo goed in de nacht als overdag, en er staan er nog twee maal zooveel
achter het huis en bij de bijgebouwen, en op het dak zitten ze ook. Maar we
moeten nu snel handelen, Sire. Ik zal het huis met acht man doorzoeken. U zoudt
zoo lang in de karos kunnen gaan zitten, onder de bescherming van de
soldaten...’
‘Neen,’ zegt Lodewijk heesch.
Deze keer is de tweestrijd al beslist voordat hij begonnen is. Hij
moet naar Louise de Morphy. Zij bemint hem. Hij kan geen minuut wachten, hij
moet in haar armen. Alleen bij háar is het veilig, - of onveilig op de
verrukkelijkste wijze die zich denken laat... Ja, nog in deze minuut verlangt
hij het bewijs, dat het háar hand niet geweest is die dat poeder strooide, - en
niet het bewijs van Lebel en zijn rakkers verlangt hij, maar het bewijs van
haar oogen, haar kussen...
‘Neen,’ herhaalt hij vaster, ‘ik ga naar binnen, God sta me bij...’ -
Hij denkt nog: voordat ik hierheen ging had ik moeten biechten, - maar de heete
golvingen in zijn lichaam overstelpen ook deze gedachte...
Lebel fluit voor zich heen. Lebel is het daar in geenen deele mee
eens, want op hém rust de verantwoordelijkheid, als het meisje den koning
inderdaad heeft willen vergiftigen, waaraan hij op dit moment niet meer
twijfelt. Maar een dolk hanteeren kan ze níet, daar is hij vrijwel zeker van,
en het poeder zit nog in het kopje. Bovendien ziet Lebel er tegen op, om
dadelijk weer op reis te moeten voor een nieuwe pensionnaire, gesteld als hij
is op huiselijke rust en de opvoeding van zijn meisjes. En tenslotte herinnert
hij zich - slaperige kameniers hebben aan de deur staan luisteren, - dat de
koning vijf nachten achter elkaar de aanwinst uit Compiègne telkens weer
opnieuw tot vrouw heeft gemaakt, tot genoegdoening van beide partijen.
Misschien is er dus tóch iemand anders...?
‘Goed Sire, u gaat naar binnen. U verwittigt Mlle de Morphy, dat er
een inbreker in huis is, en blijft met haar in de slaapkamer. Onder geen
voorwaarde drinkt u koffie, water zelfs niet. Wij sporen alles na en stellen u
met het | | | | resultaat in kennis. Twee man zet ik voor de deur, op het
minste alarm stormen zij naar binnen. Voor het zijraam van de slaapkamer komen
er ook twee te staan. Gevaar loopen doet u dus in geen geval.’
Teruggekeerd bij het chalet, wenkt Lebel de trawanten en geeft
instructies. De deur is niet op slot, reeds staat de koning besluiteloos in de
hooge, witgekalkte gang, die flauw door een groene veilleuse verlicht is.
Rechts voert een deur naar het boudoir, links bevindt zich het slaapvertrek.
Acht mannen met scherp geteekende gezichten en poppensnorretjes, die ineens
allemaal op Lebel lijken, wachten tot de tanden gewapend op de drempel, terwijl
de koning op de slaapkamerdeur klopt. Lebel herkent de stem, die antwoord
geeft, hij ziet den koning zijn zwaar lichaam zijdelings naar binnen schuiven,
het bleeke, pafferig benepen gezicht met de blauwe wallen onder de oogen zich
tot een hoofschen glimlach samentrekken. Even later steken de acht helpers met
acht degens onder kanapé's en tabouretten, bespringen gordijnen en halen kasten
leeg. Uit een van de porceleinen kopjes in het boudoir wordt een grijs poeder
in een papiertje geschud, dat Lebel opvouwt en in zijn portefeuille bergt.
Borst aan borst staan de koning en het meisje. Lebel's lesje
nafluisterend, strijkt hij met zijn adem over haar boezem, die, agressief, rond
en dik, uit het nauwe keurslijf omhoog wordt geperst. De handkus bracht reeds
een vreemde vergetelheid; die hand was bij voorbaat vergeven van alles waar hij
haar van verdacht had. Vaag-rose van het zeer laag staande schemerlicht in een
der verste hoeken, toont de kamer weinig meer van zich dan de kolossale
gordijnen, die van de beddehemel afdalen. Boven het gestommel in het huis uit
klinkt soms het geruisch en gekreun van de olmen buiten.
‘U bent vroeg, Sire...’
Haar stem verrukt hem. Haar oogen staan minder spottend dan hij
gevreesd heeft. Na zijn verhaal over de inbrekers herhaald te hebben, vraagt
hij met gebroken stem, | | | | of ze het laatste half uur in het boudoir
geweest is, voorkomt haar antwoord door zelf neen te schudden, glijdt met zijn
handen langs haar armen naar boven, kan niet verder, kust die armen, zoo ver
mogelijk van de handen af, waarbij het gebeente in zijn lendenen brutaal aan
het kraken gaat, kust zuigend, met snel bevochtigde lippen. Het meisje neemt
hem hoed en mantel af, trippelt om hem heen, komt weer dansend terug. Zij is
vrij klein, voorhoofd en wenkbrauwen geestig, lippen dom en zinnelijk. Dan
zitten ze tegen elkaar aangeleund op de rand van het bed naar de voetstappen te
luisteren.
‘En geen koffie dus vanavond?’ fluistert Louise de Morphy
minnekoozend, en als de koning zich op die woorden onwillekeurig iets van haar
terugtrekt, wikkelt ze hem in een heet gestamel, dat hem opnieuw van haar
onschuld overtuigt, van haar liefde voor hem, van de beveiliging ook van zijn
eigen ijdelheid, die niet gekwetst zal behoeven te worden. En het gestommel, nu
duidelijk in het ombuigend ganggedeelte achter de slaapkamer te hooren, kondigt
aan, dat de werkelijke dader wel spoedig gevonden zal zijn.
Inbrekers? Louise huivert van inbrekers! Ze heeft dat altijd gedaan,
ze is altijd bang geweest in dit chalet! Tegen de logge, half ineengezakte
gestalte van den koning aangevlijd, maakt ze aanstalten om hem te toonen hoe
vreeselijk de rillingen zijn, die de angst over haar rug kan laten varen. Al is
ze jong, ze wéet wat angst is! Hoe de Bien-Aimé dát vindt?... De Bien-Aimé
voelt fijne vingers in zijn nek, gepolitoerde nageltjes, die savant over zijn
wervels krabben, en inderdaad, de reine angst loopt in fijne waterstraaltjes
over zijn ruggegraat naar beneden, maar in zijn lendenen, daar schijnt een
soort oven te zitten, een heksenketel, die de angst snel verdampt en in een
geheel andere gedaante weer doet opstijgen. En hoe hij dát vindt?... Met haar
gezicht zoet glimlachend tegen het zijne, krijgt ze nu zijn klamme borst te
pakken, waarop ze zulke onweerstaanbare kabbalistische figuren teekent, dat de
Bien-Aimé als een klokhen begint te keer te gaan. | | | |
De stem van Lebel! Eindelijk. Nu zal alles bevestiging vinden...
Terwijl het meisje, preutsch haar borstdoek verschikkend, opstaat en
op goed geluk ergens naar toe loopt, kijkt Lodewijk uit gewoonte gebiedend naar
de richting waaruit de stem kwam. Zijn hangwangen beven nog van amoureuze
opwinding; met geweld moet hij zich voorhouden, dat die stem verlossing
beteekent, geen stoornis.
‘Sire,’ zegt Lebel achter de deur, duidelijk articuleerend, ‘we hebben
niemand gevonden, er kan niemand in huis zijn of geweest zijn...’
‘Niemand gevonden?’ herhaalt de koning met een onzekere
oudevrouwenstem. Louise de Morphy staat aan de andere kant van het bed. Weer
Lebel:
‘U kunt u geheel veilig voelen, Sire, de wachten blijven waar ze
zijn...’
Voetstappen op de marmeren steenen, wat geschuifel, het slaan van de
buitendeur, - en dan, van verre, het gekraak van de karos, die zich op de
nachtelijke weg in beweging zet, ongetwijfeld op een teeken van Lebel, die
weet, dat de koning het rijtuig voor zonsopgang niet meer noodig zal hebben.
Alles wordt stil.
Met zijn handen op zijn knieën rust Lodewijk uit, hijgend van
zelfbeklag. Alles wil hij gelooven, alles aanvaarden, als zijn hernieuwde angst
maar verdwijnt. Van het meisje achter hem, dat nu weer naderbij sluipt, wil hij
zijn maîtresse-en-titre maken, als ze maar onschuldig is. Het staat allemaal
zoo vast in zijn hoofd gebeiteld. Het briefje althans is door iemand ánders
geschreven, omdat hij een kwartier lang met Lebel het bestaan van dien ander
aangenomen heeft. Het vergift is gestrooid, omdat hij het gezien heeft. Louise
was het niet, die het strooide, omdat hij haar deze nacht begeert. Maar:
Louise's hánd was het wél, omdat die alleen in het boudoir thuis hoort boven de
porceleinen koffiekopjes, - die hand zou hij willen laten afhakken om de rest
van het lichaam onschuldig te maken... Van Louise vreest hij geen andersoortige
aanslag, omdat hij zich na die 4-de Januari een aanrander | | | | enkel
en alleen in mannelijke gedaante voor kan stellen, en aan de kameniers denkt
hij niet, omdat bedienden geen menschen zijn. Zoo ziet hij scherp en klein
iedere bijzonderheid voor zich, maar hij vermag hun onderlinge
tegenstrijdigheid niet te overwinnen door ze tegen elkaar uit te spelen, en ze
verdwijnen pas uit zijn gezichtskring, wanneer hij door zijn kussen de
lichamelijke bewijzen ontrooven gaat aan een ander lichaam, waarvan hij de ziel
zou willen ontkennen, indien die een grein vijandigheid bevatten mocht. Hij
vraagt haar, of zij hem bemint. Over het vizioen in den spiegel durft hij niet
te reppen, bang als hij is voor een bevestigende verwarring...
De ontkleeding volgt met al de navrante behendigheid van hun beider
eeuw. Dit is tenminste een koning, die geleerd heeft zichzelf uit te kleeden.
Uit gewoonte weegt hij de prikkeling af van de achtergebleven kleedij. Maar aan
het moment dat ze naar binnen zullen kruipen, als winterdieren in hun hol,
behoort nog een ceremonieel vooraf te gaan, dat de al te schaamtelooze
menschelijkheid er aan ontneemt.
Lodewijk vouwt de handen van het meisje samen, houdt ze patriarchaal
tegen zijn naakte borst, en bidt zelf hardop mee, een gebed, waarbij hij niets
denkt of voelt dan de veiligheid die hij zoekt. Zijn lichtelijk larmoyante
toon, die in niets verschilt van de wijze waarop hij gewoonlijk bidt en laat
bidden, gaat na afloop zonder eenigen overgang in galant gefluister over, de
zooeven nog gevouwen handen aaien over het gewillige lichaam. Dat op vier meter
afstand Lebel's trawanten op post staan, hindert den telg van een geslacht van
vorsten niet, die hun bruidsnachten door een gansche hiërarchisch opgestelde
hofhouding bespied zagen. Met een zekere plechtigheid klimt hij van staatswege
in het bed, laat zich achterover vallen, steekt geen vinger uit om het kind te
helpen, maar trekt even later het lauwe vleesch als een deken over zich heen,
met de treuzelend afgemeten handgrepen, die men hem bijgebracht heeft. Zonder
heftigheid verdrinkt hij zijn laatste twijfel in het temperatuursverschil. Hij
perst en | | | | bibbert, hij vreest ineens een ziekte onder de leden te
hebben, hij verlangt meer naar zijn biechtvader dan naar de liefde, dan begint
hij, als het behagelijk gaat worden, die liefde als een schoothondje te
hanteeren, zich zelf vertroetelend met bezield vleesch, dat mijlen ver van hem
vandaan is, hij knoopt nog wat los, schuift nog wat af, hij kreunt zachtjes als
een dikke boerin uit Langue d'Oc, die voor de tiende maal zonder sage-femme
bevalt, vergeet Louise de Morphy, om aan twintig andere vrouwen te denken,
meerendeels pensionnaires in ditzelfde chalet, pakt al die vrouwen, meisjes en
kinderen weer op, en stopt ze gebundeld in Louise terug, stelt een langere
termijn voor de bruidsschat, blaast en woelt en is lui, - in éen woord: is le
Bien-Aimé. Het kind is begonnen te fluisteren.
Zoo rigoureus heeft men haar aan het verstand gebracht, dat zij haar
koning moet bezighouden, dat het halve uur babbelen in het boudoir zich nu
tusschen de statige bedgordijnen af gaat spelen. Als een klein meisje, dat een
scheepje in een vijver laat varen, ligt ze op haar buik. Waarom men dan gedacht
heeft, dat er inbrekers waren? Hu!
‘Chimères...,’ fluistert Lodewijk droomerig, en blaast. Hij bevindt
zich in het stadium van de algemeene doortinteling, die zich nog niet
gecentreerd heeft, van de druk op de maag, die de liefde op het stillen van
honger, de huidmassage, die de liefde op een vertraagde worstelpartij doet
gelijken: naast de jacht zijn eenig wapen tegen de vervetting, en door de
hofartsen als zoodanig gewaardeerd.
Maar haar stem gaat verder, innig en kinderlijk, met het aangeleerde
geprevel. Als men iets gehoord heeft, of gezien, dan...! Zelf hoort ze ook
dikwijls dingen die er niet zijn!!
‘Die er niet zijn...’
Opmerkzaam kijkt ze hem aan, of hij dan toch niet bang te maken is,
instinctief aangetrokken door de weeke, pruilerige jongensachtigheid, die zijn
koninklijke waardigheid zoo slecht bemantelt, - maar Lodewijk is nu in zijn
apathisch welbehagen zoo ver heen, dat hij alleen nog reageert | | | |
door een vaderlijk gespitste mond. Met haar hoofd naast het zijne tracht ze in
een groote omhelzing haar ledematen in verhouding te brengen tot die lillende
vleeschmassa van vormelooze matrone, en fluistert, fluistert... En met gesloten
oogen voelt de Bien-Aimé de vertaling dier gefluisterde woorden in
geraffineerde luchtstroompjes zijn oorhaartjes streelen en dwars door zijn nek
naar beneden jagen, in een hordenren over zijn wervels, steeds meer, als kleine
paardjes in zijn zenuwbanen, die niet vlug genoeg bij de finish kunnen zijn,
honderden, duizenden, door alle vezels uit zijn lichaam nagewuifd, en nog vangt
hij enkele woorden op, de losstaande zin er van...
‘...in Compiègne... o, Sire... de abdij...’
...de losstaande zin ervan, en ‘Compiègne’ wordt tot het prikkelendst
woord, hem ooit door zijn meest ervaren maîtresse toegevoegd, en de paardjes
zijn aan de finish, bevend en trappelend en vochtig van het zweet, en reeds
zijn het kluchtige zeepaardjes geworden, die in een kokende golfstroom buitelen
en springen...
‘...in witte gewaden... Mijn vader zag ze soms...’
... buitelen en springen, en het worden polypen en prachtig gesluierde
kwallen, die opzwellen en opzwellen, steeds gevoed door die stroompjes van
bovenaf, lichtspuwend en kleurig als de oogkietelende glasbollen in Louise's
tuin, ronde, weeke kolven..
‘...witte gedaanten... O, en gerinkel van
ketenen!...’
...kolven met trilharen, en die nu samengroeien tot éen geweldig
onderzeesch lichaam van vóor alle dierlijk bestaan, dat nooit meer aan het
daglicht zal durven komen, - totdat eensklaps de scherpe hoek van een
omgekantelde ijsberg, haastig naar beneden zinkend, die geheele submarine
wereld uiteen doet spatten als een bonte zeepbel.
IJskoud ligt de koning achterover. Zijn lichaam is als verschrompeld;
alleen zijn geest werkt: traag, maar solide. Ketenen in Compiègne?... Hij weet,
dat Louise onschuldig is, zoo zeker als hij het zich ooit gewenscht kan hebben!
Eén, twee seconden, - en na die éen, twee seconden weet hij het nóg, maar dan
wordt die bevrijdende gedachte | | | | vergezeld, opzijgeduwd, verjaagd
door een andere, die hem in een afgrijselijke angst doet verstijven. Aan wie
behoorde de hand toe, de hand en het vergif? Geen Louise, geen inbreker, geen
minnaar, geen spookachtige monnik uit oude Fransche abdijen, - neen, aan hém,
die zich van driedubbel rondgewonden ketenen heeft weten te
bevrijden, niet in Compiègne, maar in Buckingham Palace! Aan den gruwelijken
tweegeslachtelijke, die overal binnendringt, overal tegelijk kan zijn in tijd
en ruimte, die vergiften hanteert, en aan wien hij zich door zijn eigen
onvoorzichtige opdracht heeft overgeleverd! De chevalier d'Eon, losbol, magiër
en moordenaar! En ieder oogenblik kan het lot hem treffen, hier aan de borst
van het zestienjarige meisje, - want d'Eon is het die het briefje schreef,
Digby's gehoorzame dienaar, en door Digby van hém: het blinde werktuig van de
afgeweerde bloedschande, - en die nu hier op hem gewacht heeft, koel en
geduldig, - als man, als vrouw? - en die nóg op hem wacht... Weer ziet hij de
letters op het gevlekte briefje voor zich - ‘wreker... vader’ - en nu raadt hij
zelfs de beteekenis der woorden, die geheel uitgewischt waren. Vader: dat was
niet een ijdele redewending, dat was letterlijk bedoeld; het had geen
betrekking op de 16-jarige, doch op de 20-jarige! Maar al te letterlijk heeft
Digby zijn opdracht opgevat! Alles immers wat het huwelijk der jongste prinses
verhinderen kon, moest uit den weg geruimd, - en is dat niet in de allereerste
plaats zijn eigen dubbelzinnig verlangen, dat bij zich zou willen houden wat
hij mijden moet: de vrouwen, ontsproten uit zijn eigen zelfgekoesterd en
zelfbemind lichaam, en desondanks de eenige, die altijd weigerachtig moeten
blijven? En ook al heeft hij de monsterachtigste aller zonden slechts in
gedachten begaan, - en zelfs dát nog nauwelijks, - het hof wíst het,
feestgenooten, aanzitters aan soupers, medeaanhoorders van bloedschennige
schandaalkronieken, zij wisten het, de Engelsche gezant wist het, dat is
voldoende gebleken uit onbeschaamde toespelingen, die niet te wreken waren, -
maar de chevalier d'Eon, door tooverij, weet het nú... | | | |
Als een zee ruischen achter het huis de hooge olmen. Wil de koning
Louise nu niet verlaten? Kan hij nog vluchten? Of trippelt overal reeds de
spookachtig smalle hermaphrodiet rond met schermmeesterspasjes, de dolk in de
vuist geklemd? Al was hij op zee, d'Eon zou hem volgen, als Christus over de
wateren! Is hij op deze dag de zee niet overgestoken, van Londen naar l'Ile de
France? Onzichtbaar, ontastbaar, - als wat? Man, vrouw, halfgod?... Neen, de
dood veeleer. Ook de dood immers kent geen geslacht! Het ochtenvizioen van het
spook dat door de gangen van Versailles sluipt, gaat zich herhalen: gepoederd,
gepruikt, parelgrijs, het manden skelet, la mort au panier, - en een mouche
links boven de ontbloote tanden. Ja, d'Eon was het, dien hij deze ochtend in
halfslaap aanschouwd heeft, dien hij nu opnieuw aanschouwt, waar hij dreigend
naderbij schijnt te zweven langs de naar boven vervloeiende grenzen van het
rose kamerlicht, - d'Eon, en d'Eon alleen: opgeroepen en niet meer te ontkomen,
als dienaar gewenscht en als beul ontvangen!
In zijn doodsangst klampt de koning zich aan het meisje vast, blazend,
zuigend. Zij is een redster, een moeder, zij líjkt op een moeder; hij ziet
niet, hoe ze alle moederlijkheid te hulp roept waarover haar jeugd beschikt,
uitsluitend om de afwachtende spot in haar oogen niet tot minachting te laten
omslaan. Enkel uit gewoonte zoekt hij nog prikkeling; zijn lichaam, verlaten
door de ijverige geesten van zooeven, doet niet meer mee. Wel ziet hij, hoe de
gestalte, die hem bedekt, en het gezicht zoo vlak bij het zijne, veelvormig
schijnen te worden, hoe het meisje, bezeten door het verlangen zijn
lijdelijkheid te overwinnen, alle vrouwen, jonge en oudere, tot verdwenen
generaties van lang vergeten minnaressen toe, in zich vereenigen gaat,
verschietend, verglijdend van kleur en gedaante, - maar hoe snel is de grens
niet bereikt! De vrouw vol weerstanden, omwegen en metamorphosen, daar ligt ze
in zijn armen, eindelijk bezeten en omkoesterd, maar ook enkel tot de prijs,
haar reeds het volgend oogen- | | | | blik te zien veranderen in de eenige
levensgestalte, die niet meer te bezitten is, die zich, engel of incubus, aan
iedere omarming onttrekt, om alleen nog te lokken aan de andere zijde...
Is d'Eon nu bij hem? Aan zijn handen althans, - háar handen! - weet de
Bien-Aimé zich overgegeven, in een zoet afgrijzen. Een lichaamlooze bevrediging
maakt zich van hem meester. Zoo dicht bij de dood is hij nog nooit geweest, al
denkt hij aan geen biechtvader of absolutie meer. Hij verzinkt, hij wordt
verlost. Reeds vertoont zich de zwarte mouche op de linkerwang van het meisje,
dat boven hem ligt en hem persend omkneld houdt. Reeds is haar gezicht smaller
geworden, spottend, gevaarlijk, minachtend... Een bovennatuurlijke schoonheid
straalt uit haar oogen. Lang zal zij zoo niet kunnen blijven, - maar de uitweg
zal hem gewezen worden! Zelf magisch voortgebracht door het grauwe Inferno van
Versailles, vernietigt zij ditzelfde Inferno door het eenige wonder, dat
daarvoor nog in aanmerking komt...
‘Sire...’
Neen, hij luistert niet meer, hij zweeft liever weg. Aan de hand van
d'Eon, geslachtloos als hij zelf nu geworden is, betreedt hij de eeuwige velden
waar zijn voorouders hem wachten. Trotsch draagt hij de dolk in het hart. Ver
beneden hem ligt het vergruizelde Versailles, een gespleten kristal. Rijen
vrouwen nijgen voor hem. Engelen zijn het, die de absolutie gereed houden, hij
hoeft maar op zijn hartewond te wijzen. Als een verloren zoon betreedt hij dit
oord van vrede en gelukzaligheid; zijn overgrootvader toont niet eens
gebelgdheid over het verlies van zijn schepping, want hij ziet nu zelf wel in
dat er van het begin af aan te veel aan ontbroken heeft. Deze heele aarde
schijnt wel verzonken te zijn, alleen de horizon zit nog als een hoepel om de
hemel heen, een groote, zuivere hoepelrok. Zijn dochters zijn allemaal
getrouwd, moeders van kleine Engelsche prinsesjes van 16 jaar. Hij bestijgt
trappen, recht en onmetelijk, weinig versierd van balustrade. Priesters zwaaien
marmeren wierookvaten met kopergroene ket- | | | | tingen er aan. Blank als
standbeelden, met mosgroene vegen over hun schouder, staan ze daar in
eindelooze rechtlijnige rijen streng de weg te versperren, maar hém laten ze
door, hém laten ze voorbij trekken met zijn mentor schuin achter zich, en
beiden zonder geslacht, en beiden voor eeuwig verlost... Er springen
waterstralen... bruine herfstblaren... jachthoren?... Choiseul?........
Cantharides (Lytta Vesicatoria), óf de fijngemalen schors van de
Acanthacee Muira Puama uit Brazilië: dat werd het dringend alternatief,
waarvoor de drie hofartsen zich geplaatst zagen, en waar alleen dáarom niet de
geheele académie aan te pas kwam, omdat bij dit onderzoek de uiterste discretie
was bevolen. Le docteur Casca (van de universiteit te Bologna) opperde nog: een
zéer kleine dosis van de pitten van Strychnos Nux Vomica, - maar hij werd
gemakkelijk overstemd. Neen, neen, het ging uitsluitend tusschen die andere
twee middelen, en le docteur Babiche, die de opdracht had gekregen, was voor de
Spaansche vliegen, omdat hij van die boom uit Brazilië nog nooit gehoord had,
en le docteur Dumont beweerde, dat Spaansche vliegen groen waren, en het poeder
was toch grijs geweest, voor ze het aan de katten en honden hadden opgevoerd,
die er zoo wild van werden, dat ze in hun onbetwistbare bronstaanval geen hond
meer van een kat konden onderscheiden, en de koning, die snel verwittigd werd
van dit resultaat, had gelachen, veel en hard gelachen, vooral als de dieren
elkaar moorddadig beten, - hij had gelachen: met de vingers van dokter Babiche
om zijn pols... Blij, dat het tenminste geen vergift was, schaamde hij zich
niet om wat het wél was; men zou haast gezegd hebben, dat dit alles al heel
weinig indruk op hem maakte, maar natuurlijk zijn doktoren, die geen boomschors
van een vlieg kunnen onderscheiden, en de liefde van de dood alleen met behulp
van katten en honden, nauwelijks geroepen om de ziel van een koning te
peilen...
Met de bruidsschat, reeds op het staatsbudget uitgetrokken, en waarop
dus moeilijk beknibbeld kon wor- | | | | den, werd de pensionnaire Louise
de Morphy naar Compiègne teruggestuurd. De naam van de kamenier, die haar het
liefdesmiddel verschaft had, weigerde zij te noemen, en men drong maar weinig
aan. Binnen een week werd zij opgevolgd door Mlle Blanche Fouquet, een
14-jarige cipiersdochter uit Lyon, die tot in haar lichaamsholten gefouilleerd
werd voordat men haar in het Parcaux-Cerfs losliet. Haar geboorteacte was,
zooals gewoonlijk, vervalscht, dit keer evenwel naar boven toe, omdat het zelfs
Lebel wat te kras werd. Zij diende het mengsel van die kamenier toe in de
anijsbonbons, waarop de koning zoo verzot was, en onderhield hem verder met
verhalen over folteringen. Toen men hem bang maakte voor besmettelijke
gevangeniskoortsen, werd zij met een bruidsschat naar Lyon teruggestuurd.
Ook Lord Digby's rijk was spoedig uit. Een commissie van
schriftkundigen, kabbalisten en toovenaars (bijgestaan door een fretachtig
speurdertje van de geheime politie) stelde vast, dat alleen híj de schrijver
van het dreigende briefje geweest kon zijn, maar, ofschoon de koning niemand in
zijn omgeving wenschte te dulden, die de naam van Damiens in de mond nam of op
papier zette, gaf hij er de voorkeur aan, deze pijnlijke zaak in de doofpot te
stoppen, zoolang de gezant nog over bovennatuurlijke bondgenooten beschikte. Op
een druilerige November-ochtend hield een koets stil voor Digby's hôtel in
Parijs. Digby verscheen half dronken op straat, sloeg de geblankette dame, die
uitstapte, amicaal en kletsend op de schouder, en vier uur later werd de
chevalière d'Eon aan den koning voorgesteld. De bleeke, statige dame, wier
enorme hoepelrok niet minder opviel dan haar tot de hals gesloten kleed, kreeg
van hem alleen de traditioneele vraag te hooren, wat voor weer of het geweest
was op de plaats waar zij vandaan kwam. De koning zijnerzijds zag geen verschil
met andere précieuses van een jaar of 35, waarvan hij er al veel te veel
ontmoet had van zijn leven, en, ontgoocheld, zooals men dat alleen in
Versailles zijn kan, verzond hij diezelfde avond nog een eigenhandig
| | | | schrijven aan neef van Engeland, waarin hij te kennen gaf, dat
Lord Digby als gezant ongewenscht was geworden. De chevalier d'Eon had eenige
duels, verleidde drie boerenmeisjes in de buurt van Le Petit Trianon, palmde
een financier in, en vertrok met het geld en de noorderzon naar Sint Petersburg
om hofdame te worden bij de keizerin van Rusland.
De dochters van den koning bleven voor het meerendeel ongehuwd en
gingen in het klooster.
S. Vestdijk
|
|
|