[p. 569]

Kale Takken op Muur

 
Met fijne zorg op 't witte vlak gebracht
 
Betreden zij den kruisweg der dendrieten,
 
Gearmd met haar' ge vogelspinnen sprieten
 
De twijgen, knoopig als een monniksdracht,
 
 
 
En diep vallen bij mieren en termieten
 
Hun bruine schubjes, - als een Juraschacht,
 
Waarin reptielen wiss'len van geslacht,
 
Laat hen de kalkmuur langs zijn schilfers schieten.
 
 
 
Zij breken, knikken, knielen; bij het raam
 
Vormen ze klauwen, worden vogelvrij,
 
Maar keeren weer terug tot bes en braam.
 
 
 
En van de stronk tot aan hun Golgotha
 
(Bespijkerd latwerk wacht hen reeds opzij)
 
Bootsen zij sluw de meeste dieren na.

S. Vestdijk