|
|
|
| |
| | | |
Else Böhler, Duitsch Dienstmeisje
Poolplein-Perseusplein-Andromedastraat: nooit had ik zoo'n gevoel van
gerustheid gekend wanneer ik naar huis liep langs deze weg, vroeger. Wat ik nu
doen ging was niet alleen een ongehoorde uitdaging aan Waalweg 27, het was
vooral een zelfoverwinning op vroegere angst en een halfslachtige houding. Een
daad was het, waarin alle draden van mijn bestaan samenkwamen, en de brief van
Else Böhler had mij er toe in staat gesteld! Koesterend gleed mijn hand langs
de muren van de laatste Andromedahuizen. Er was niemand in de straat. Door de
spijlen van het hek bovenop het lage muurtje, waarop mijn vingertoppen
hobbelden als op puimsteen, ontwaarde ik kale wingerd-takken, de lat voor de
kleedjes, en langs de achtergevelrij op verschillende plaatsen licht; de
bovenkamertjes, vier of vijf in getal, waaronder mijn eigen, stonden scherp
afgeteekend tegen de avondhemel, met hun overkappende zinken daakjes als
kajuiten van naast elkaar gemeerde schepen. Daar beneden moest mijn moeder
zitten, en Eg, en mijn vader; éen oogenblik wenschte ik deze huizen
doorzichtig, opdat zij met hun drieën in ademlooze spanning getuige konden zijn
van mijn veroveringstocht. Opzettelijk vermeed ik naar het licht te kijken
achter de gordijnen van de huiskamer van het hoekhuis, - ik wist dat daar de
huiskamer was, - om geen aarzeling te laten opkomen op het allerlaatst, ik
plaatste mij voor de deur, ademde diep en stak mijn hand uit.
De bel galmde onherroepelijk. Alleen als deurtjebeller kon ik nog
terug. Ik schoof wat opzij, zoodat mijn gezicht op éen hoogte met de groote
brievenbus kwam. Door de spleet in het graniet ving ik trage geluiden op: een
weerbarstig schrapende stoel onder iemand die opstaat, terwijl zijn oogen nog
gevestigd blijven op boek of krant; een deur, gevolgd door het klepperen van
een andere deur, door de luchtdruk, of omdat werkelijk ook de tweede bewoonster
van het huis op de bel afkomt; geslof, wat ge- | | | | kuch, een geruisch,
weer gekraak, begeleid door een schrikaanjagend geratel van heel dichtbij: van
een gangklok die juist dit moment uitkiest om zijn gewichten te laten vieren;
een sprong naar links om toch nog netjes voor het midden van de deur te staan,
en dan ineens om de hoek van die deur het volmaakt onbegrijpelijke gezicht met
het lage voorhoofd en de dichtbijeengelegen oogen, zóo dicht bijeen, dat het
wel lijkt alsof ze uit wantrouwen contrôle op elkaar moeten uitoefenen.
‘Goeienavond, juffrouw Erkelens,’ zei ik met iets joviaals, ‘zou ik u
even kunnen spreken? Ik ben... hier van twee huizen verder... om de hoek. Mijn
naam is Roodenhuis...’
Ze keek mij aan alsof ik een crisisbedelaar was. Verbazing sprak er
niet uit haar lompe trekken, alleen een versteend wantrouwen. Langzaam ging de
deur weer dicht, ik kon niet precies zien hoe, daar ze van 't begin af aan er
half achter had gestaan; het drong maar weinig tot mij door, dat ze mij bezig
was buiten te sluiten. Net toen het bijna niet meer kon, bereikte mij, tegelijk
met een trippelend geluid in de gang, als van een speurende hond, de schorre
bariton van de vrouw, steil provinciaal, in iedere stembuiging een onmetelijk
gelijkhebben:
‘Wij zijn voor u niet thuis.’
‘Kom, dat meent...,’ zei ik lijmerig tegen de gesloten deur, en vloog
opnieuw naar de brievenbus tot het opvangen van de gangepiloog. De brievenbus
werkte als een echoput; men fluisterde niet, men brulde.
‘Is híj 't?’
‘We laten ons niet met 'm in! Toppunt!’
‘Maar hij woont d'r niet meer, Jans! De melkboer zei...’
‘Schoft dat ie is. Laat ie m'n knieën 's voelen van 't dweilen. Laat
ie dat 's van me overnemen!’
De stem van de dwerg, hoog, met een zangerig uithaaltje: ‘Misschien
weet ie wat van d'r, of heeft ie 'n boodschap van d'r. Als ze niet naar
Duitschland is, wil ze misschien terug, Jans!’ | | | |
Zwijgen. Geen enkel gerucht bewees, dat ze bezig waren de gang te
verlaten. Een onbedwingbare impuls volgend, belde ik voor de tweede maal. Na
wat gefluister werd de deur wijd opengemaakt. Met een sprong was ik binnen,
drong mij tusschen de dames in met een stroom van excuses en verklaringen. In
aansluiting aan wat ik even te voren afgeluisterd had, legde ik er vooral de
nadruk op, dat ïk in geen geval de schuld droeg van Else Böhler's vertrek:
‘Integendeel, ik zou niets liever gezien hebben dan dat ze hier gebleven
was...’
‘Was u met d'r verloofd?’ vroeg de oudste juffrouw Erkelens
streng.
‘'t Verschil in godsdienst...,’ ontweek ik de vraag, en trok een
smartelijk gezicht, waarop de dwerg naar Else's verblijf in Duitschland
informeerde en eindelijk haar zuster bedeesd aanstootte: ‘We kunnen meneer toch
zoo niet laten staan...’
‘Komt u dan maar binnen,’ gaf deze toe, en even later werd ik in de
voorkamer geloodst, een ruim, vierkant vertrek, geheel opgevuld met een
meubilair zoo kolossaal en onoverzichtelijk en waarvan de aanwezigheid mij toch
ook weer geheel natuurlijk scheen onder het bastionachtige platje van mijn
verbeelding, dat ik mij tusschen twee of drie ouderwetsche eiken stoelen,
waaraan geen eind kwam, had door te wringen, voordat ik mij kon laten zakken in
iets dat in verhouding te brengen was tot mijn eigen afmetingen. In een hoek
stond een met ijzer beslagen boekenkist van Hugo de Groot. Een naaimandje op de
tafel was zoo groot als een boodschappenmand. Het zonderlingste van alles was,
dat de dwerg en de aapmensch met hun zorgelijke, witte, harde gezichten zich
bij de sfeer van dit interieur volmaakt aanpasten; wellicht door een soort
gewrichtsrheumatiek, of door bijzonderheden van hun onderkleeding, schenen hun
lichamen overal knoesten, knoppen, handvatten, en leuningen te vertoonen; het
scheef misvormde kindergezicht van de dwerg, even beenig als dat van haar
zuster, maar fijner en van een roerend aandachtig luisterende glooiing van
voorhoofd en neusbeen, | | | | zakte als een spiraalvormig gedraaide
buffetpoot tusschen haar schouders weg; de aapmensch, een naar binnen geslagen
athleet, overwonnen door een vochtig klimaat, zat mij somber op te nemen in de
houding van ‘De Denker’ van Rodin, die zooveel van een nagelbijter wegheeft.
Telkens werd ik afgeleid door het besef, dat Else Böhler hier rondgeloopen en
stof afgenomen had, en dat deze twee onbehouwen vrouwspersonen haar hadden
gekend maakte haar beeld voor mij werkelijker dan vroeger ooit het geval was
geweest. Ik had haar voetsporen willen volgen in dit huis, en in de tuin willen
staan onder de lat om dan tersluiks naar boven te kijken zooals zij zelf zoo
vaak gedaan had, en op het betegelde straatje heen en weer loopen dat op
Zaterdagavonden glinsteren kon als haar eigen gebit. Ik begon me danig
sentimenteel te voelen, nu ik mijn doel had bereikt en binnen was bij de dames
Erkelens...
‘Daar zitten we dan,’ zei de oudste van de twee krakend, toen ik nog
eens mijn verontschuldiging had aangeboden en ineens niet verder wist, omdat ik
aan die drie steenen op het hekje moest denken en aan de haarborstel. Dat was
wel het laatste waarover ik hier spreken mocht!
‘Ik kwam om inlichtingen in te winnen over uw vroeger dienstmeisje
Else Böhler,’ zei ik officiëel, alsof er van deze Else Böhler nog heelemaal
geen sprake was geweest.
‘Zoo, dan weten we tenminste hoe en wat,’ begon de aapmensch, terwijl
ik haar zuster op een nerveus gegichel meende te betrappen, dadelijk gesmoord
tusschen haar hooge schouders, ‘maar wàt voor inlichtingen? Dat u elke avond
met d'r over de straat sjouwde, hoeven we u zeker niet in te lichten, waar? En
verloofd, zei u? Nou meneer, van gisteren zijn we óok niet; wat bènt u, student
of advocaat? Mijn broer is dokter, maar wat díe z'n wilde haren niet aan
meisjes gekost hebben, daar zal de goede God...’
‘Jans,’ waarschuwde de dwerg ingetogen.
‘Tine?’ riposteerde de aapmensch met een zekere boertigheid, ‘laat
m'neer 't maar 's hooren! M'neer is nog jong, waar? Hij weet heel goed, wat ie
gedaan heeft kan niet door de mand.’ | | | |
Onwillekeurig keek ik even naar het geweldige naaivehikel op de tafel,
en ging toen tot de tegenaanval over.
‘Die brief die u opengemaakt heeft, juffrouw Erkelens, kon anders óok
niet heelemaal door de beu...’
‘Brief? Wàt brief? Else was zooveel als mijn pupil! Haar moeder...
maar dat gaat buiten uw boekje. Dat kind was zoo onnoozel als een pasgevangen
vinkje, daar hadden wij voor op te komen, waar? Als u hier gekomen was
om...’
‘Else was een engel,’ viel de dwerg plotseling in met een heldere
stem, waarbij de glooiing van haar wit, geknakt gezicht zich dweepziek
hemelwaarts richtte. Op deze onverwachte mededeeling volgde zeker een halve
minuut zwijgen. De aapmensch had een groote zakdoek uit een beugeltasch genomen
en haalde een paar keer verachtelijk haar neus op met een uiterst kwaadaardige
trek om haar spleetmond die ook als zij sprak nauwelijks bewoog, en met haar
kaak koppig naar voren.
‘'t Was zeker een lief en fatsoenlijk meisje, we wisten niet dat zulke
dienstmeisjes nog bestonden, waar Tine? Altijd werken, en lief, en zingen; we
nemen nooit meer een ander, we doen nu alles weer zelf. - Maar als ze terug
wil, best.’
Even gluurde ze mij aan met haar kleine, grauwe oogen. Ik voelde, dat
het moment gekomen was.
‘Tegen mijn moeder heeft u anders gezegd, dat ze zich de eerste
maanden hier in Holland nogal... misdragen had. Met die vriendin, en...’
De kleine, grauwe oogen werden groot en donker, bijna samenvloeiend
onder het zware voorhoofd; de aapmensch sprong op en wees naar de deur.
‘Dan mot u maar liever weg! Om hier dat kind nog te komen bezwadderen
ook! Ik laat me niet alles leunen, waar? Ze mag hier terugkomen, gráag, nou u
toch ergens anders woont, u met uw vuige tong!’
‘En tegen mevrouw Steketee heeft u beweerd, dat ze een straatmadelief
was, en gestolen had...’, stribbelde ik tegen, reeds op weg door de kamer,
waarbij ik mij aan minstens vier meubels bezeerde. | | | |
‘Gestólen?! Dat hart van goud?!...’
‘Nee, m'neer,’ snikte de dwerg er doorheen, ‘gelooft u...’
‘Stil jij!’ snauwde haar zuster, en met uitgestrekte arm tegen mij:
‘Er uit! Wat u met uw moeder bekokstooft laat me ijs, God zal
jullie wel straffen, belagers der reinheid!’ - Haar stem begon een theatrale
galm aan te nemen. - ‘Een huwelijk voorspiegelen en dan terugtrekken met
laster! En dat magere wijf van hiernaast, die inlichtingen kwam nemen, zeker
omdat ze 't kind zelf wou hebben, die kan immers zelf geen meid houden? En uw
moeder, die de menschen op de mat laat staan, ook niet! Maar ik hield m'n mond, potstijf!’ - Met de vlakke hand sloeg ze zich
op de lippen en schreeuwde: ‘De heele buurt zal 't weten, ik bazuin 't van
stoepen en daken! Gaat u nu weg of niet?’
‘Ja jezes, ik ga al,’ stamelde ik en schoof langs de gangklok.
‘Die lieve kinderen bezwadderen!’ brulde het mensch me achterna, ‘die
elke avond boven zaten te naaien! Hoogstens een enkel sigaretje... Gáat u?’
‘O, dàt dus toch wel,’ zei ik tam.
‘O, rookt ù soms niet? En wie zal dat betalen?!...’
In mijn brief aan Else Böhler vlocht ik een humoristische beschrijving
in van dit bezoek aan onze twee vroegere tegenstandsters, die haar nu zoo
idealiseerden. Hoewel ik haar vroeg onmiddellijk terug te schrijven, was er na
twee weken nog geen antwoord. Het kon alleen mijn gekweldheid maar vergrooten.
Wel twintigmaal las ik haar brief over, en verwonderde me over het bombastische
van sommige passages, dat zoo weinig strookte met de manier waarop ze altijd
tegen me gesproken had. Aan haar liefde voor mij hoefde ik in geen geval meer
te twijfelen, hoezeer die ook vermengd mocht zijn met berekening, koppigheid,
onbevredigde zinnelijkheid. Meer en meer richtten mijn gedachten zich weer op
haar. Op de wieken van Brahms' Intermezzi, die ik met een zekere trots
herontdekt had als iets moderners dan modern, zweefde ik naar Keulen en
| | | | omcirkelde de straat en het huis waar ze nu zijn moest, - hoe
lang nog? Daar wachtte ze misschien op mijn huwelijksaanzoek, dat niet komen
zou, maar dat niet alleen: ze droomde er ook en verlangde, buiten alle
verstandige overwegingen om, die wellicht pas in haar opgekomen waren onder
invloed van haar moeder. Maar in mijn eigen verlangen betrok ik die moeder ook,
de statige, hooggeboezemde dame van het portret, met de hartelijke,
heerschzuchtige blik, zoo weinig de moeder van een dienstmeisje... Wat Else's
‘verleden’ betreft was ik wel niet veel verder gekomen, maar toch had de
redelooze woede van juffrouw Erkelens zijn uitwerking niet gemist. Haar
hysterie mocht dan al iedere contrôle op de waarheid verijdelen, - het leek me
een niet onaardig probleem wie meer gelogen had: zíj, mijn moeder, of mevrouw
Steketee! - de aanval, die ik had bijgewoond, maakte het in ieder geval zeer
waarschijnlijk, dat Else niet gelogen had, toen ze mij vertelde, dat juffrouw
Erkelens voor haar op de knieën was gevallen, de ochtend van haar vertrek naar
Duitschland. Ik had dit altijd als fantasie beschouwd, als snoeverij van een
weggeloopen meid; dat ik op dit eene ondergeschikte punt Else onrecht gedaan
bleek te hebben, stelde mij niet minder gerust dan wanneer mij betrouwbaarder
inlichtingen verschaft waren betreffende al het andere.
Zonder dat ik nog plannen maakte om bij hem vandaan te gaan, begon
Peter's gezelschap mij toch te drukken. Hij was zoo zeker van zichzelf.
Aandachtig observeerde hij mij, en scheen toch van te voren te weten hoe ik
handelen zou. Ik voelde me leven als in een coördinatensysteem, nu niet meer in
het systeem van de Waalweg, maar in het psychanalytisch diagram, dat Peter er
van geteekend had. Hij en Christien, superieur sceptisch beiden, zwerend bij
het ‘nil admirari’, spraken over hun ouders als over een dwaze kinderziekte die
men doorgemaakt moet hebben, en keken mij dan aan als een volwassen slachtoffer
van de mazelen, die immers óok op latere leeftijd een zooveel ernstiger verloop
nemen. Ik was een man met een ‘moedercomplex’, iemand die men niet alleen over
de straat laat gaan. | | | | Hoezeer ook verborgen achter zelfspot, toch
was een zekere pedanterie in Peter niet te miskennen op den duur, en toen hij
mij op een avond zijn model toeduwde met de woorden ‘Johan geeft Christien
vanavond een zoen’, voelde ik daarin minder spontane vrijgevigheid dan een zet
in zijn opvoedingssysteem. Dat Christien tusschen ons door gleed, zonder zelfs
de moeite te nemen coquet te glimlachen, was enkel een aanwijzing te meer dat
dit systeem mislukken moest faute de combattants. Als discipel stelde ik Peter
danig teleur, hij zei het mij onomwonden, vooral na een artistenfuif waar ik de
heele avond als een doodbidder bij gezeten had. Wilden de vrouwen niet, wilde
ìk niet? Dat was al even moeilijk uit te maken als de oorzaak van mijn mislukte
sollicitaties, die men naar keuze kon zoeken in de wereldcrisis dan wel in een
slecht geknoopte das of een al te droomerige oogopslag. Op zijn bevel zocht ik
in Leiden vrienden op, met wie ik vroeger wel bacchanaaltjes had aangericht, en
werd zelfs geïntroduceerd op een ‘bal nu’, waar ik in een hoek naar de
houdingen bleef staan kijken, net als Leonardo da Vinci, maar dan zonder iets
te teekenen van al dat vleezigs...
‘Neen, beste kerel, zoo gaat 't niet,’ zoo begon Peter een ernstig
gesprek over mijn onwilligheid en indolentie, ‘je vegeteert, je verknoeit al je
kansen zelf! Wil je slagen op een van die kantoren - míjn voorraad is overigens
uitgeput, toevallig hoorde ik van een van die lui, dat je niet, ‘keen’ genoeg
gevonden werd, meer een soort kamergeleerde - dan moet je je eerst weer in de
erotiek thuisvoelen. Je kunt natuurlijk ook een boek over de philosofie van het
recht gaan schrijven, maar je hebt het geld niet. Je moet je aanpassen, je
moet, verdomd, door je complexen heen bijten!’
‘Niet zoo lastig,’ zei ik vermoeid, ‘dat zijn volgens jou immers maar
kinderbiscuitjes...’
‘Ja...’ - Peter wachtte een poos en scheen grondig na te denken. -
‘Ja, ik heb 't. Kijk, je bent op 't oogenblik om zoo te zeggen in de positie
van iemand die half geanalyseerd is; laten we aannemen, dat ons gesprek van
toen, | | | | over die droom, die uitwerking heeft gehad. Dat is
eigenlijk de beroerdste toestand, die er bestaat, omdat je dan alles van je
psychanalyticus verwacht, in casu van mij, en je eigen initiatief heelemaal
uitschakelt; bovendien denk jij, dat je alles al precies weet, en te veel weten
is nooit goed, zoolang het zich niet omgezet heeft in daden...’
‘Je bent een echte schoolmeester, Peter.’
‘En dat is precies wat jij noodig hebt!’ was het
scherpe antwoord, ‘ik heb je al eens eerder gezegd, dat ík voor míj niet de
minste waarde meer hecht aan de psychanalyse, maar ik wou jóu zoo ver brengen
dat je met evenveel recht hetzelfde moogt zeggen... Beschouw mij nu maar als
een tijdelijke vader of leidsman, die je een eind op streek helpt; dat zeg ik
niet om me gewichtig te maken, maar omdat het de beste formuleering is voor een
reeds bestaande verhouding. Te meer omdat je eigen vader je nooit veel gezegd
heeft, heb ik geheel zijn plaats ingenomen in jouw onderbewuste...’
Hoewel ik nu op een quasi-grappige manier in al mijn zakken begon te
tasten, als op zoek naar dien onderbewusten vader, liet Peter zich niet van de
wijs brengen en ging door met het ontwikkelen van een plan de campagne voor
mijn zieleheil, dat hij me twee maal moest uitleggen, zoo allerdwaast leek het
mij toe. Als ik me wel herinner, - voor de juistheid van de omschrijving, die
ik er hier van geef, kan ik niet instaan, - kwam het daar op neer, dat ik
immuun gemaakt moest worden voor de funeste gevolgen van mijn ‘ouderbinding’.
Uit die inktvischdroom vooral zou ten duidelijkste gebleken zijn, dat mijn
onbewuste fantasieën nog steeds om de slaapkamer van mijn ouders draaiden
(zooals, oorspronkelijk, bij ieder kind), waardoor mijn aandriften door
schuldgevoel werden geremd en iedere natuurlijke liefdesverhouding tot andere
vrouwen onmogelijk gemaakt. De vrouw was iets onbekends en gevaarlijks voor
mij, iets demonisch, dat ik enkel en alleen nog door kieren en vanaf
balconnetjes durfde te bespieden (zonder haar naam te noemen maakte Peter hier
een handig gebruik van wat ik hem vroeger over Else Böhler verteld had), maar
| | | | gelukkig was daar Peter van Herwaarden met zijn psychanalytische
huisapotheek om mij met enkele goedgemikte seruminspuitingen van dat euvel af
te helpen! Raadzamer nog zou de chirurgische methode geweest zijn: de
behandeling door een psychiater, die mijn complexen eenvoudig zou uitsnijden,
maar dat kostte te veel geld en tijd. De methode van Peter daarentegen vergde
niet meer dan twee weken, wat kopjes thee, bonbons en misschien een enkel zoet
likeurtje. Wat beoogt de immuniteitstherapie? Een zieke genezen met wat zijn
ziekte veroorzaakt heeft! Iemand heeft diphterie: men spuit hem in met
diphterie, en heeft alleen nog maar de dankbare ouders af te weren. Afgezien
van die ouders, wou Peter hetzelfde doen met mij. Om het onschadelijke en
nuchtere in te leeren zien van iedere liefdesomgang, om de vrouw te leeren
begrijpen als blinde, neutrale en verwisselbare vertegenwoordigster van een
soort, en niet meer als exclusieve, ‘verboden’ moederfiguur, om mijn jaloezie
te doen afreageeren met behulp van de aanschouwde daden van een anderen man
(die buitendien voor mijn onderbewuste de rol speelde van den vader), waar
jaloezie immers uitsluitend berustte op een gemis aan voorstellingsvermogen,
een gemis aan dúrf om zich de pijnlijke situatie helder voor de geest te halen,
kortom, om mij voorgoed te genezen van al mijn remmingen en aarzelingen en
scrupules, moest ik mij iedere middag verdekt opstellen in mijn slaapkamertje,
waar een gat in de grond geboord zou worden, dat gelegenheid gaf tot spieden en
luisteren. In het onder het kamertje gelegen atelier zou Peter verschillende
zinrijke demonstraties geven ten mijnen behoeve; Christien moest dan maar een
tijdje naar haar familie.
Toen hij zoo ver gekomen was, kon ik mij niet langer bedwingen en
barstte in een schaterend gelach uit. Een oogenblik had ik gemeend, dat het
niets anders was dan een mystificatie, maar ik kende hem voldoende om te weten,
dat die humoristische toon een diepe ernst verborg.
‘Niet voor niets naar Parijs geweest!’ hikte ik nerveus, ‘díe is
verdomd goed, zeg! Zeker te veel in voyeursbor- | | | | deelen gezeten,
jij! Denk je, dat ik me daartoe leenen zal, om jou beneden tusschen je strenge
abstracte doeken een nummertje te zien geven? Schei nou gauw uit!’
Maar Peter, die geduldig had gewacht tot ik uitgelachen was, legde me
uit, dat ik de beteekenis dier scéances niet op zoo'n botte en smakelooze wijze
moest miskennen. (Mijn lachbui bewees overigens, dat bij mij precies het
gevoelige punt was aangeroerd!) Zoo men al van voyeurspractijken kon spreken,
dan toch alleen in een vergeestelijkte, gesublimeerde zin. Ontkleed zou er
niets worden. Ik moest maar afwachten. Maar hij stelde er zich alles van
voor... Toen ik mij de grondslagen van zijn cursus nog eens opnieuw had laten
uitleggen, zei ik:
‘Zouden je beweegredenen niet eerder te zoeken zijn in je zucht om mij
die fameuze terughouding tegenover vrouwen te demonstreeren en de galante
successen waarvan je geen gebruik wenscht te maken? Zeus die van de Olympus
neer komt dalen om het menschdom te verbazen! Heb ik goed geraden?’
Even kneep hij zijn oogen afwerend dicht, maar om een antwoord was hij
nooit verlegen.
‘Geloof je, dat het voor een patiënt veel verschil maakt, of de
dokter, die hem het reddende serum inspuit, een ijdeltuit is of niet?’
Deze logica was even onontkoombaar als de ontwapenende manier waarop
hij zelf een beschuldiging aandikte, die maar half gemeend was. Bovendien begon
ik nieuwsgierig te worden. Dat ‘experiment’ leek me in ieder geval een grappige
onderbreking in mijn landerig en gedesoeuvreerd bestaan. Maar nog wilde ik mij
niet gewonnen geven.
‘Ik vind 't eenvoudig belachelijk, idioot. En onwaardig.’
‘Ik zal je eens wat vertellen,’ zei Peter, ‘tot nog toe heb je
misschien gedacht, dat ik zuiver op theoretische gronden op die gedachte ben
gekomen, dat het een soort hersenspelletje is, zonder eenige persoonlijke inzet
van míjn kant. Dat is niet waar. Heb je wel eens van mijn oom gehoord, de
schilder van Herwaarden, nog uit de bloeitijd van de | | | | Haagsche
school? De familielegende wil, dat ik zijn talent geërfd heb. In alle opzichten
was het een merkwaardig man, maar ik geloof meer aan hem te danken te hebben
als mensch dan als kunstenaar. Toen ik 20 was, bewonderde ik hem zonder
voorbehoud; in alles was hij mijn voorbeeld; de maanden dat ik bij hem
gelogeerd heb - tot mijn éen-en-twintigste, toen is hij gestorven aan zijn
hartkwaal - zijn van invloed geweest op mijn heele leven. In die jaren was ik
nog een echt kalf; ik had al wat vrouwen aangeraakt, maar ik vond niet wat ik
zocht, en vooral schaamde ik mij voortdurend, je weet wel, dat ellendige gevoel
van schaamte dat iedereen aan je zien kan dat je een man bent, een wezen dat
naar een vrouw toe moet, het walgelijkste kuddegevoel dat er bestaat, en zonder
de grandezza zelfs van fokstieren. Ik wist niet hoe mijn oom leefde, maar had
flauwe voorstellingen van een ascetisme, noodzakelijk om kunstenaar te kunnen
blijven; ik meende, dat hij de vrouwen minderwaardig of gevaarlijk moest vinden
zooals ik, maar dan gerechtvaardigd door zijn ervaringen. Het wilde leven, dat
hij in zijn jeugd geleid had, moest men kunnen overslaan, dacht ik. Op een
ochtend had hij bezoek in zijn atelier, waar ik hem opzocht om iets over mijn
werk te vragen; ik onderscheidde de stem van een vrouw, die ik nooit eerder
ontmoet kon hebben. Daar de deur op een kier stond, kwam het geen oogenblik in
mij op, dat hij zich daar met die vrouw had afgezonderd. Onmiddellijk ging ik
terug, vooral toen ik woorden opving, die toch wel degelijk op die mogelijkheid
schenen te duiden. Toen ik vijf passen ver was, hoorde ik een gesmoord gekreun
of gerochel - van hèm -, ik liep terug, toch nog geruischloos, maar durfde niet
naar binnen; besluiteloos stond ik voor de kier, en éen ondeelbaar oogenblik
zag ik toen, even voordat ik voor de tweede maal terugging; wat mijn houding
tegenover vrouwen op slag gewijzigd heeft. Mijn oom, die een lichte hartaanval
had gekregen, zooals hij wel meer had, lag achterover op de divan, doodsbleek,
maar met een kalm lachje, terwijl de jonge vrouw in negligé hem zijn boord
losmaakte, ook met een kalmte, alsof zooiets dage- | | | | lijks voorkwam.
Zij had een vermoeid gezicht met bruine, oplettende oogen, die er een
verpleegstersgezicht van maakten; ik heb nooit geweten wie zij was, mijn oom
stierf kort daarop. Maar het feit, dat iemand, die ik in alles onvoorwaardelijk
bewonderde, kort voor zijn dood met zulk een vanzelfsprekendheid nog de liefde
beoefenen kon, met de deur open, verzoende mij onmiddellijk met mijn lot. Ik
heb het nooit beredeneerd, maar op dat moment zag ik de schuldeloosheid van dat
alles, de vormen van alledaagsche kameraadschap die de liefde aan kan nemen,
het inschakelen van de liefde, als éen vorm onder vele, in de gewone
levensverrichtingen als eten, drinken, ziek zijn, werken. En ik ben er van
overtuigd, dat ik nooit tot deze visie gekomen zou zijn, als ik mijn oom niet
bespied had tijdens een geheel toevallig incident, dat ontluisterend had kunnen
zijn voor het idealisme van ieder ander, maar dat mij mijn gevoel voor de
realiteit teruggaf, of pas voor het eerst schonk.’
Hij zweeg eenige tijd. Ik zei: ‘Je vergeet, dat het element van toeval
en onopzettelijkheid in die ervaring van jou geheel ontbreken zou in de
demonstraties die je voor míj ten beste wilt geven...’
‘Dat weet ik óok wel! Dat is een nadeel, dat niet tegen de voordeelen
hoeft op te wegen. Alles hangt af van de geestesgesteldheid waarin je zooiets
begint, de ernst waarmee je 't doorvoert. Ik ben niet van plan er een grap van
te maken!’
Na eenig over en weer praten gaf ik toe, voornamelijk om hem later nog
eens op betere gronden te kunnen aantoonen, dat hij zich vergiste, - en uit die
andere overwegingen, die ik boven reeds noemde.
Waar Peter die vrouwen vandaan haalde is me altijd een raadsel
gebleven; maar het hoorde bij de kuur, dat ik geheel buiten de voorbereidingen
gelaten werd. Naar de gesprekken te oordeelen, die gewoonlijk, vrij officiëel
inzetten, waren het geen oude bekenden; éen of twee ontmoetingen op straat of
in een café konden er aan vooraf | | | | zijn gegaan, meer zeker niet.
Vertegenwoordigsters van de ‘bohême’, waaronder Peter toch zijn meeste
kennissen telde, waren ver in de minderheid. Behalve een juffrouw, die niet van
de schilderijen weg te slaan was en na een gesprek over ‘toets’ en ‘coloriet’
met alle geweld geschilderd wilde worden in een badmantel, waarna Peter haar de
deur uitwerkte met de verzekering, dat hij uitsluitend haren pijen aan
kapstokken schilderde, is mij van al die middagen, die ik op de vloer van mijn
slaapkamertje gehurkt of liggend doorbracht, bijgebleven: twee
winkeljuffrouwen, een kapster, een meisje dat de Volksuniversiteit bezocht, een
bankemployée van een jaar of 35, een dame met een groote hond, die telkens
tegen de zolder blafte, en de vrouw van een oud-kapitein van de Lloyd met haar
dochtertje. Er werd wat geflirt, gedronken en gesnoept, en als ze eenmaal tot
alles bereid waren - behalve de vrouw van den kapitein, die begrepen had, dat
Peter zeegezichtjes van haar man wou koopen - kwam het groote moment, dat mij
altijd het aardigste leek van de heele vertooning. Vóor die tijd kreeg ik van
het bezoek niet veel anders te zien dan het haar van boven en de manier waarop
ze hun theekopje vasthielden; de gesprekken, die ik goed kon volgen, waren door
de situatie boeiend genoeg, maar toch wel wat eentonig, zoo op het oog meer een
demonstratie van vrouwelijke domheid en karakterloosheid (opzettelijk?
toevallig? zooveel is zeker, dat ik me voor mijn eigen gesprekken met Else
Böhler veel minder begon te schamen!) dan een bijdrage tot de zuivering van
mijn onderbewuste, al moet ik toegeven, dat zoo'n voyeurschap kalmeerend kan
werken op sommige primitieve neigingen, minder de sexualiteit wellicht dan een
kinderlijke nieuwsgierigheid en behoefte aan
gezelligheid-zonder-zelf-gezien-teworden. Maar op het moment van het afscheid
werd het heele tafereel 90 graden omgedraaid en spannend ineens! Peter zei
b.v.: ‘Ach, juffrouw die en die, de liefde zou mij misschien toch te week
maken. Kijkt u eens naar boven,’ - daarbij wees hij dan op de kubistische
plafondengelen rondom mijn gaatje, en ik zag meteen de juffrouw en
| | | | face, - ‘dat mogen dan geen zelfportretten zijn, maar toch... En
dan: ik wou d'r voor 't eten graag nog éentje bij schilderen... dus...,’ -
waarop de dame in kwestie het atelier verliet, overdonderd, of lacherig, of
fijntjes begrijpend, of in opstand, maar dit laatste toch zelden, want Peter
had een merkwaardig overwicht over vrouwen. Na afloop stommelde ik naar beneden
om naar de nabetrachtingen te luisteren, waarbij met de grootste ernst, die
overigens de humor niet buitensloot, steeds nieuwe gezichtspunten ontwikkeld
werden al naar de bijzonderheden van ieder geval. Vooral dat afgekapte slot van
de visite was van een onmetelijke importantie, naar het scheen. Het bewees niet
alleen Peter's zelfbedwang, maar was tevens een inviet voor mij, een beroep op
mijn diepste mannelijke aandriften, een aansporing om voort te zetten wat hier
niet voleindigd werd, en zoo meer.
Ik kan niet zeggen, dat dit luistervinkenbestaan mijn gevoel van
eigenwaarde erg ten goede kwam. Niettegenstaande de rust en beheersching die
van Peter's milieu uitgingen, vooral nu Christien er niet meer was om mij er
voortdurend aan te herinneren waarvoor ‘de vrouw’ ons eigenlijk gegeven is,
voelde ik mij al onbevredigder. Ik leefde uit de tweede hand, ik leefde als
‘patiënt’ met een ‘leefregel’, hoe burlesk die dan ook mocht zijn, geleid door
iemand die niet eens wist wat mij het meest vervulde in deze tijd. Eén keer,
een toespeling wagend, - ik had toen net een tweede brief aan Frau Therese
Böhler geschreven, - vroeg ik Peter, of er niet eens een dienstmeisje kwam op
een middag; toen hij door woord noch gebaar reageerde, gaf ik hem als
psycholoog meteen op; meende hij nu werkelijk, dat ik, onder de invloed van de
Waalweg vandaan, Else Böhler voorgoed uit mijn hoofd had gezet?! Opvallend ook,
hoe weinig hij de invloed van Christien's afwezigheid op mij scheen te tellen,
alleen omdat het niet in het systeem paste van de ‘behandeling’! Maar ik moest
hem tot zijn eer nageven, dat zijn ijver om mijn vitaliteit weer aan te
wakkeren geen oogenblik verslapte, wat toch zeker vergeeflijk geweest
| | | | zou zijn bij mijn geringe ambitie, en bij een systeem, waarvan
ook hij op den duur toch de dwaasheid moest inzien.
‘Je begint tenminste al wat meer naar de vrouwen te kijken,’ zei hij
opgewekt, toen we elkaar op een avond in een café ontmoetten, ‘het hoofd
wentelt al veel verder mée, dat was duidelijk vast te stellen, toen ik je
zooeven bij het binnenkomen bespionneerde.’
‘En ik jou: wat was dat voor een formidabele hoer met wie je daar aan
de overkant liep?’
Van achter mijn tafeltje had ik Peter twee of drie maal aan de
overkant van het plein heen en weer zien drentelen met een opzichtig gekleede,
vrij omvangrijke dame, die haar heupen uitdagend achteruitstak en kleine
trippelende pasjes nam onder een tegen de regenvlagen scheef uitgestoken
parapluie. Verder was er niet veel van te zeggen, daar het paar telkens aan het
oog onttrokken werd door voorbijgangers op het trottoir voor het café. Peter
trok zijn mond in een geheimzinnige bocht. Ik wist, dat hij in de eerste plaats
variatie nastreefde: het eigenlijke principe van de kuur.
‘Vertoon je mij die ook?’
‘Wel mogelijk.’
‘Zoo maar op straat aangesproken?’
Op het punt er aan toe te voegen, dat hoeren mij niet alleen
oninteressant voorkwamen, maar ook weinig doeltreffend, omdat hier de factor
jaloezie of wedijver wegviel, hoorde ik hem zeggen:
‘Zij mij! Quasi de weg vragen.’ - En, nog meer inbreuk makend op het
vastgestelde programma van verrassingen: ‘Een weduwe is 't, hier niet uit de
stad. De hoerenallures zijn aangeleerd, maar niet onvermakelijk. Morgen treedt
ze op.’
De volgende dag, 's middags om halfdrie al, ging de bel en werd ik
door Peter naar boven gejaagd. Hoewel ik gewoonlijk eerst een tijdje op mijn
bed ging liggen, volgens voorschrift, om de nieuwsgierigheid tot in het
ondraaglijke te doen stijgen, volgde ik nu zijn voorbeeld en week op mijn beurt
van het programma af door dadelijk neer te knielen bij het gaatje in de vloer.
Voetstappen, stemmen, | | | | het geluid van de deur, een zorgzame vraag
van Peter, voetstappen vlak onder mij, één krakende schoen, die door het
atelier kermde, ritselen.... Peter weer, een klokkend, verlegen, lang
aangehouden lachje onderbrekend:
‘En Paula, heeft de beau jour niet geleden van de regen?’
Was er door het gaatje een hand gekomen, die mij kalmpjes recht geduwd
had, ik zou niet sneller zijn opgestaan dan ik nu deed. Ik deed een paar
stappen en liet mij vallen. Ik wist nu waarvoor het goed is, als iemand in de
huiskamer klaagt over één krakende schoen, en geen andere kan koopen.... Ten
prooi aan een plotselinge versuffing lag ik op mijn bed, rustig, zonder veel
emotie. Alleen bespeurde ik af en toe de neiging om mijn vingers in mijn ooren
te stoppen; mijn handen, die gestrekt op mijn dijen lagen, maakten dan een
stuipachtige beweging naar boven, maar het was eigenlijk onnoodig, want de stem
had ik tòch al herkend, na de schoen, en de voornaam ook, en het glimmende
haar, en de bontmantel, en de manier van loopen van de vorige dag. Ik moest me
er nu maar in schikken, iemand zóo lang verdacht te hebben, dat het er nu
eindelijk van kwam. ‘Maar het is niet aardig, dat ik haar een formidabele hoer
genoemd heb,’ dacht ik bij mezelf, ‘en van Peter had ik iets beters verwacht
dan dadelijk een toespeling op dat rouge, waarvoor Eg minder boter op zijn
brood krijgt.’ - Neen, dat was zeker niet aardig van Peter, ik zou het hem
zeggen, zoodra dat daar beneden weer vertrokken was. Als hij nu maar niet zijn
programma nòg meer in de steek liet en het slot van de visite ineens ging
varieeren voor eigen behoef. Na zooveel middagen zelfverloochening zou hij
natuurlijk best eens zin in een vrouw kunnen krijgen. Het leek me plotseling
zoo vernederend daar maar te moeten liggen, terwijl híj beneden rechtop zat en
sprak. Zijn stem was luider dan de andere, gichelende. Een doceerende, pedante,
aanmatigende stem, tegelijk te fluweelig en te zelfverzekerd, dat hoorde ik nu
pas goed. Ik begreep niet, hoe ik het zoo lang bij die stem uitgehouden had.
Maar misschien kwam de ver- | | | | heffing spoedig. Tien minuten lang lag
ik daar doodrustig, hoogstens wat bezweet, te wachten op de stemverheffing die
zich tot de vierkante plafondengelen richten zou, waarachter mijn oog
verondersteld werd te gluren, als dat van God die alles ziet...
‘Onnoemlijk veel werk... uw adres... herinnering...’
Eindelijk... Of was het een attrape? Diende het om hun eigenlijke
bedoelingen te verbergen? Peter zou mij nu een lesje willen geven met de vrouw
van 43... Erg gelijk had hij toch, Peter... Nat bezweet was mijn voorhoofd na
de injectie, maar niemand kon zeggen, dat ik hier in mijn eentje had liggen
huilen...
De slag van de buitendeur. Ik gleed van mijn bed en liep langzaam de
gang op. Terwijl ik Peter al weer beneden op het atelier hoorde, had ik nog een
kleine uiteenzetting bij het afdalen van de trap. Er hingen daar, schuin boven
elkaar, drie of vier schilderijtjes, van Peter zelf, hoofdzakelijk schetsen, of
althans sterk experimenteel van karakter; éen er van stelde een zwaar, kwabbig
vrouwenlichaam voor, sierlijk japaniseerend in éen lijn neergezet, waarvan
zich, ter hoogte van de buik, een parmantig jongetje in matrozencostuum
losmaakte, uitvoeriger geteekend dan de vrouw, als het ware uit haar buik
wegloopend, waarmee de strik van de matrozenmuts hem nog verbond als een
verkort navelstrengetje. De stijl was wat Foujitaachtig, had Peter altijd
beweerd, en hoe het precies heeten moest weet ik niet meer, maar ik haalde het
van de muur, liep weer een paar treden naar boven, en meteen zat het om de
bovenste knop van de trapleuning. Op iedere trede knarsten glasscherven onder
mijn voet.
Hij stond in de deur van het atelier verbaasd naar boven te kijken.
Toen ik sprak leek mijn tong een lauwe lap.
‘Ja, daar viel wat...’
Hij glimlachte. Hij ging mij voor, het atelier in. Als een
schooljongen, die in de directeurskamer moet komen, liep ik hem achterna. Ik
had hem beter kunnen zeggen, dat ik die Foujita kapotgeslagen had, dan had hij
misschien alles begrepen... | | | |
‘'t Was minder amusant dan ik gedacht had,’ sprak Peter in zijn
clubfauteuil, ‘das gefährliche Alter, veel temperament, weinig ervaring, en
gloedvolle blikken, - zooiets als dàt daar, -’ hij wees op een schaaltje met
rood en groen glimmend ingepakte bonbons: twintig begeerige oogjes, - ‘je hebt
zeker wel gehoord, dat ze dat voor me mee...’
‘Van mijn vader's geld dan,’ zei ik bedaard.
‘Hè?!’
Zwijgen. Een windvlaag wierp regendruppels tegen de hooge ramen. Met
een geluid alsof er discreet gekucht werd vielen er in de haard wat sintels
naar beneden, gedempt schrapend.
‘Begrijp je 't nòg niet?’ vroeg ik, toen hij maar met neergeslagen
oogen zitten bleef, zonder een woord te spreken.
‘Néen toch...?’
‘Hé!!’ moet Peter toen nog geschreeuwd hebben; toen
was alles even weg, en toen stond hij weer voor me, met een glas water in zijn
hand, dat ik wegduwde. De bonbons waren verdwenen. Peter putte zich uit in een
soort excuses, die belachelijk klonken.
‘Beste kerel, maar dat... Een weduwe, wie denkt dan aan zóo iets? Ik
had eens een oudere... dame willen... Je begrijpt...’
‘Indertijd heb je gezegd, dat ik mijn moeder's oogen moest hebben,’
stotterde ik, mij zooveel mogelijk inspannend om een luchtige toon te vinden,
‘je bent eenvoudig een stommeling. Je hebt ook gezegd, dat mijn moeder een
gewone, geschikte vrouw was en dat alles aan míj lag. Dat noem je van de wal in
de sloot helpen, bij God... Maar het doet er allemaal niet toe. Ik ga weg.’
Op de leuning van de clubfauteuil zat hij naar buiten te kijken, bleek
en nadenkend.
‘Ik ga weg,’ herhaalde ik dof, ‘ik heb nog ƒ600.’
‘Waar wou je heen?’
‘Naar... Nou ja.’
‘Als we die... experimenten staken, kun je toch beter hier blijven. We
moeten 't uitpraten. Misschien kom je er | | | | nu meteen doorheen!’
riep hij met iets hoopvols in zijn stem, ‘door weg te loopen gooi je de
verantwoordelijkheid en de schuld op mij; dit is een spel tusschen ons beiden
geweest, gooi jij nu de kaarten neer, dan staat dat gelijk met een
kinderachtige wraakneming...’
‘Misschien. - Maar je hebt me niet heelemaal begrepen, Peter. Toen ik
zei, dat ik weg ging, bedoelde ik niet alleen híer vandaan. Ik bedoelde: uit
deze stad vandaan, en uit het land. Ik heb nog ƒ600.’
‘Je wilt toch niet naar Duitschland?’ vroeg hij snel, ‘naar dat
Duitsche dienstmeisje?’ - Het bleek, dat hij mij beter doorzag dan ik wel
gemeend had.
‘Ik ga naar een land,’ gaf ik ten antwoord, terwijl ik opstond, ‘waar
m'n moeder me niet wéer te pakken kan krijgen. Dat is primo. Verder...’
‘Je komt van je moeder tòch niet los, op die manier, al vlucht je naar
het andere eind van de wereld! Dat dienstmeisje...’
‘Verder: naar een land waar geen Duitsche dienstmeisjes door
zoogenaamde mevrouwen als slaven gehouden worden, al was 't maar omdat iederéen
er slaaf is. Tertio: naar een land waar ze van oudsher te stom zijn om voor de
duivel te dansen, maar waar nú tenminste de psychanalyse verboden is! Ik heb
genoeg van je intelligentie, Peter, je cerebrale goocheltoeren met vrouwen, je
ausgeklügelt...’
‘Je gaat naar de bliksem op die manier!’
Ik reikte hem de hand. Hij was doodsbleek; rusteloos dwaalden zijn
oogen door het atelier als om te speuren naar een laatste redmiddel. Zijn
nederlaag was dan ook niet gering, of had hij zooveel genegenheid voor mij?
‘Des te beter.’
Om vier uur wachtte ik Eg op, die mijn pas moest halen. Het ding was
nog een jaar geldig. Reismarken had ik al gekocht. Bagage die ik niet noodig
had gaf ik hem mee, en met éen koffer, waarin het allernoodigste, liet ik mij
naar het station rijden, waar ik een kaartje nam naar Keulen. | | | |
| |
22 April
1).
Tegen mijn moeder, toen ze mij eindelijk kwam vertellen, dat Else's
spoor gevonden is (tòch in Keulen, bij haar moeder), heb ik gezegd: ‘U had haar
bij ons thuis moeten ontvangen, uit eigen beweging; dan was dit alles niet
gebeurd. Een meisje waar ík mee omging had u moeten ontvangen!’ - Natuurlijk
stemt ze nu met alles in, gemarteld door een religieus getinte wroeging die ze
zelf niet begrijpt. Over Peter heb ik niet met haar gesproken; ze weet dus
niet, dat ik getuige geweest ben van haar ‘schande’, en wat de eigenlijke
oorzaak is van mijn ondergang. Maar wat is een oorzaak? Waarom verkiest men éen
oorzaak boven twintig andere? Merkwaardig bijvoorbeeld, dat ik telkens
bijzonderheden over mevrouw Steketee wil hooren, met wie mijn moeder nu weer
verzoend is. Hadden zij zich nooit met elkaar gebrouilleerd, dan was mijn
moeder niet overdreven ‘mondain’ gaan doen, was niet op het ‘slechte pad’
geraakt op die onhandige blufmanier, pijnlijke copy van lichtzinnige Fransche
romannetjes, en ik zat nog in Holland! Eigenlijk is mevrouw Steketee dus de
oorzaak van wat er over zes dagen gebeuren zal, maar ik neem het haar niet
kwalijk, evenmin als ik het mijn vader kwalijk neem, dat hij impotent is
geworden, of Eg dat hij mijn verblijf bij Peter niet aan mijn moeder verklapte,
of den bouwheer van de Waalweg dat hij van het plat van Erkelens een
prae-historisch bastion heeft gemaakt en van het dienstmeisje van Erkelens
Andromeda op de rots! Ik heb een paraphrase geleefd van de Perseuslegende, ik
heb gestreden met monsters en Gorgonen; een vergelijkend literair-historicus
mag dit alles uitpluizen, en hij zal niet verder komen dan de bebrilde Pfarrer,
die een paar dagen geleden naar Else's bidprentje staarde met de
gebiologeer- | | | | de blik van een vogel, in wiens nest een andere vogel
een ei heeft gelegd.
In ieder geval zal ik Else dus nog zien. Zoolang ik schrijven kan,
reken ik er niet op. Ik heb ontzaglijk veel geschreven, en de belooning is de
dood... Neen, de belooning is, dat ik tien dagen lang aan de dood gedacht heb
uitsluitend wanneer ik neerschreef hoe bang mijn vader er voor was!! Geen van
al die gevangenen met hun strakke of hoonend serviele wrokgezichten, politieke
moordenaars meerendeels, waar ik 's morgens tusschen loop op de binnenplaats,
doet me dit na. Ze moeten trouwens erwten doppen, naar ik mij voorstel, en
hebben geen papier en inkt zooals ik. Een ironie van het noodlot is het zeker,
dat mijn vader mij indirect deze gunstbewijzen heeft verschaft zonder vroeger
in staat geweest te zijn mij aan een baantje te helpen (nòg een oorzaak!) Of
heb ik dit aan mijn advocaat te danken? Sinds ik weet, dat Else komen zal,
sluipt hij minder om mij heen dan eerst, alsof hij het wel voelt, dat ik hem
niet eens meer noodig zal hebben voor een simpele inlichting. Uit nieuwe
gesprekken met ‘Herrn Rechtsanwalt’ (‘Herr Kollege’ weiger ik pertinent te
zeggen) is mij gebleken, dat het woord ‘Schützkaffee’ mij in vakkringen een
zekere beroemdheid heeft verschaft; zelfs vergeleek men mij reeds met Van der
Lubbe en beschouwde mijn zwijgzaamheid als een eigenschap van alle Hollanders
in staat van beschuldiging. Bovendien is mijn advocaat indertijd gepromoveerd
op een psychologisch-criminologisch onderwerp: allerlei vroegere gevallen,
waarin een slecht begrepen of verkeerd verstaan woord de aanleiding was tot
gewelddadig optreden, moeten dienst doen om mij aan het praten te krijgen.
‘Ich habe Ihnen alles gesagt was ich weiss,’ antwoord ik dan, terwijl
ik in mijn papieren blijf bladeren, waar hij telkens begeerig naar tuurt, ‘die
Wissenschaft hat hier nichts zu suchen.’ - Misschien heeft hij een jongeren
collega of een zoon, die ‘op’ mij promoveeren moet!
Tijdens de rechtszitting heeft men herhaaldelijk de mogelijkheid
geopperd, dat er iets politieks achter zat, achter | | | | dat woord,
maar er was niets te beginnen met een constructie die uitsluitend bestemd
scheen om de zaak noodeloos ingewikkelder te maken. Ik wil hier
volledigheidshalve aan toevoegen, dat deze hypothese niet uitgesproken werd
door mijn Beier, een zwaren, gemoedelijken Alpinist met stoppelkin en droevige
oogopslag, die zijn bef droeg als een kinderslabbetje, maar door iets verweerds
Saksischporcelein-achtigs naast hem met krakende barstjes er in van de
scherpzinnigheid. Door mijn oogen te sluiten kan ik ze weer zien zitten: de
president een glimmende Mongool uit Oost-Pruisen, die nu en dan overkookte en
met woorden van wollig bierschuim als Dschengis Khan de toga's geeselde, de
jongste assessor een Franschman uit Hessen of een Jood uit
Mecklenburg-Strelitz. En dan, als ik mijn oogen wat langer dicht houd, dan
komen alle andere gezichten...
Honderden bewaar ik er van! Nauwelijks was ik in die Novembernacht in
de trein gevisiteerd, of ik wist alleen nog op de gezichten te zullen letten,
niet meer op mijn omgeving. Met de grondelooze angst van in een vreemd en
vijandig land te reizen vermengde zich de romantiek van mijn jeugd, de
geïmponeerdheid van iedereen die aan een universiteit uit Duitsche handboeken
gestudeerd heeft, de cliché-voorstellingen van de vroegere vreedzame wereld van
Rijnvaart, fonkelende Wagneropera's, keizersnorren, Neo-Kantiaansche
wijsbegeerte (Baden en Marburg!) en ansichten van op huwelijksreizen. Als
student was ik een paar keer in Duitschland geweest, maar nooit had ik over dit
volk nagedacht als nu. Het is het merkwaardigste volk ter wereld, omdat het een
volk is dat niet bestaat. Uit alle legers en huurlegers, uit de
vertegenwoordigers van alle rassen samengesteld, tracht het de smartelijke
homogeniteit te acteeren van een huisgezin waarvan geen enkel lid op het andere
lijkt. Vandaar die petten, die klap- en hakgewoonten, die rinkelende
instrumentatie van sabels, bierpullen en ridderorden, waarmee dit ingewikkeld
soldatenvolk zijn rasmystiek verdedigt. Het onzuiverste ras, dat Europa
bevolkt, een ras waarbij alle maten een centi- | | | | meter te kort of te
lang zijn, waar men feërieke schoonheid aantreft op romp en beenen van een
kobold, ontdekt, dat de mensch een al te gecompliceerd en geraffineerd wezen is
geworden en slaat terug naar de mieren: bruine, oorlogszuchtige boschmieren,
die hun omgebogen sprieten boven zich uitdragen in de vorm van hakenkruisen, op
bevel van een kriebelig instinct boschpaden omzoomend of afzettend. In dit
entomologisch gewirwar doemen de doodskopgezichten op van voormannen:
gedecerebreerd, los in de gewrichten, geleedpootige doodgravers van Europa, dat
allang schréeuwde om dit gesleep met houtjes en afval. Ordelijk wordt alles
doorgegeven. Maar soms, te midden van de benauwende gelijkvormigheid dezer
hygiënische chitinepantsers, overstelpt door 8000 mierentotems, de zes armen
van den kleinen marionet Goebbels en de dubbelzinnige achterlijfssegmenten van
Roehm, ontwaart men nog menschengezichten, raadselachtige, vurige,
onuitbluschbare, of gezichten die vijf andere gezichten in zich omvatten, die
nog niet ontzield zijn tot een model. Else Böhler's gezicht was er éen van,
maar op weg naar haar toe, mocht ik ook de andere niet verwaarloozen.
Het hinderlijkste van de heenreis was dat ik voortdurend mijn arm op
wou steken. Ik sliep bijvoorbeeld even in, droomde snel en vaag, en schrok
wakker met het besef, dat ik me nu in het land bevond waar de psychanalyse was
verboden, maar dat ik nu toch zèlf gedroomd had, en dat kon alleen goedgemaakt
worden als ik mijn arm opstak voor het landschap dat in de nacht voorbijvloog.
Ook als ik dan klaarwakker werd, verliet die angst me niet. Van de toilet
maakte ik gebruik met mijn hoofd over mijn schouder om mij te vergewissen dat
ik niet bespied werd, alleen omdat op de muur vóor mij een klein hakenkruis
geteekend was, blijkbaar door een kinderhand. Maar tenslotte brachten de
kinderen ook de verlossing van deze obsessie. Terwijl het Duitsche landschap
met beginnende heuvels voorbij mijn slaperige oogen gleed, verscheen mij het
portret van een Indischen yogi, dat ik vroeger eens in een tijdschrift gezien
had, een ontvleesden boeteling, die zoo lang zijn arm om- | | | | hoog had
gedragen, dat dat lichaamsdeel gemummificeerd was en niet meer naar beneden
kon. Ik dacht daaraan als aan een benijdenswaardige toestand. Maar dan, belaagd
door de somberste voorgevoelens over het verdere verloop van mijn reis, begon
ik op de kinderen te letten, die met hun schooltasschen op hun rug achter
slagboomen de trein en op dorpswegen elkaar en ouderen groetten, waarbij hun
arm niet hooger kwam dan hun schouder: een vluchtig gebaartje, slordig en
alledaagsch, als van een jonge eend, die een vleugel uitslaat om wat
glinsterende waterdruppels af te schudden. Het leek niet op een spelletje maar
ook niet op de barre ernst waar ik onder leed. Neen, in dit land moest nog wel
te leven zijn, zelfs voor een ontwortelde als ik. En dan herinnerde ik mij, hoe
Else Böhler, óok een half kind nog, mij vroeger eens gegroet had vanaf het plat
van Erkelens, een van de eerste dagen, óok met haar arm in de hoogte. Die arm
was eenvoudig de lucht ingevlogen, bruusk en boersch, bleef even rechtop staan
en zonk weer terug: een instinctief kameraadschappelijk gebaar, dat misschien
mijn mooiste levensherinnering uitmaakt. Geen oogenblik was het toen in me
opgekomen, dat dat de voorgeschreven Duitsche groet kon zijn, en ook nu
geloofde ik het nog niet...
S. Vestdijk
(Wordt vervolgd.)
|
1)Teneinde een censuur te ontloopen, die niet
toegepast is - het M.S. werd regelrecht aan het adres van Peter van Herwaarden
verzonden, volgens de bijgevoegde aanwijzingen, - heeft de schrijver zich in
het slotgedeelte overgegeven aan een overmaat van omschrijvingen en
afkortingen, die hier zooveel mogelijk verduidelijkt en aangevuld zijn. -
(Uitgever.)
|
|