|
|
|
| | | | | | | |
Voor het critisch bulletin
Na in gewichtige teoretiese opstellen a large amount of
fuss opgebracht te hebben over de beroepseer en het geweten van de
kritikus, heeft
Anthonie Donker in zijn Critisch
Bulletin waarschijnlik de voortreffelikheid van zijn regel willen
bevestigen door twee uitzonderingen - gemaakt voor
Ter Braak en mij, waar hij onze boeken overleverde aan de
kompetentie van de hollandse huishoudschool. Het kan zijn dat hij hiertoe
overging, noodgedwongen en in de pijnlike overtuiging dat zijn eigen beroepseer
te kort moest schieten; zijn eigen en die ‘der zijnen’. Ik
voor mij betreur het feit dat de hem dienende geest nog zoveel goeds over mij
meende te moeten verkondigen; had hij zich tot mijzelf gewend, ik had hem met
liefde aan de juiste echo geholpen uit de echo's waarover ik, sinds kort nog
maar, beschik; sinds ik, beter verspreid, mij af en toe verheugen mag in
brieven van lezers. Hier is de reaktie voor het Critisch Bulletin op mijn Smalle Mens:
7 Januari 1935
Hooggeachte Heer du
Perron
Hoe is het mogelijk dat iemand zoo bijtend kan
zijn
Zoo in alles en alles iets ontdekken kan waarin het
minderwaardige naar voren gehaald wordt
Ik denk hierbij,
en ik heb het juist weer eens herlezen aan uw hoofdstuk ‘De grote dingen van de
Planken’ aan Jezus en aan Mohammed
Als U alles en
iedereen dan wilt uitrafelen zoo - dat er niets als een hoop pluizen
overblijft, waarom zegt U dat dan niet aan het begin van uw boek
de smalle mensjes kunnen dan tenminste smal blijven en niet lezen
wat toch eigenlijk wet zooveel sarcasme door U neergeschreven wordt.
Het door U opgespaarde gif zoudt U ook aan een ammunitiefabriek
kunnen verkoopen dan zou dat geheele hatelijke menschenras opgeblazen kunnen
worden.
Waarom laat U de smalle mensjes niet in hun
smalle waarden?
Waarom mag Jezus niet Jezus
De tooneelspeler de tooneelspeler
en
Ambrosia de drieéénheid niet zijn?
Ik vraag U, waarom
mag dat niet?
Ik bewonder U om Uw kennis en toch ben ik
Oh! zoo nijdig op U
dat gewroet en gerafel
| | | |
Ik ga een wandeling langs het strand maken om het
stof te laten wegwaaien
Maar dit briefje stuur ik U en U
mag er zoo hard om lachen als U zelf maar wilt
want het
is maar
een lezeres
die een
beetje reconsitrant is
Ik sta voor het autentieke van deze brief in, tot in de aan- en
afwezige punktuatie, de mise-en-page en de anonymiteit. Er is hier geen Thea
Poortman, gespeeld door
Ter Braak, er is de vox populi, het
geweten van de massa zoals dat zich ook openbaart in de Onbekende Soldaat. Ik
heb dus niets anders gedaan dan
Anthonie Donker restitueren wat toevallig mijn richting is
uitgewaaid.
E.d.P.
| |
Volgorde van versregels
In ‘Panopticum’ van het Augustusnummer schreef
Vestdijk o.m. het volgende:
‘Reeds eenige tijd was het mij opgevallen, dat men een grooter
effect aan klankschoonheid bereikt door een versregel, waarin het sterkste
accent op het rijmwoord ligt, te laten volgen door een regel, waarin het
sterkste accent ligt op de aan het rijmwoord voorafgaande heffing, dan
andersom. Door een opeenvolging als
wat gij gehoord, gezegd hebt of geschréven,
(a)
tot studie en bespiegling thúis gebleven, (b)
wordt men “aangenamer” aangedaan dan wanneer men de volgorde van
deze twee regels omwisselt. Zoo markant leek me, in alle voor mij onmiddellijk
bereikbare gevallen, dit verschil, dat ik, onbesuisd genoeg, reeds naar een
verklaring zocht voordat ik nog aan een objectief “onderzoek” toe was, dat het
verschijnsel los zou maken van mijn subjectieve smaak. In een simpele
rhythmische afwisseling kon die verklaring niet worden gevonden, omdat dan de
beide volgorden, a b en b a, gelijkwaardig
zouden zijn. Er schoot toen geen andere mogelijkheid over dan de tendenz tot
rijmverdoezeling te hulp te roepen, de tendenz om een al te groote
nadrukkelijkheid van het rijm te vermijden. Dat deze tendenz, vooral in de
moderne poëzie, bestaat, behoeft geen nader betoog; zoowel de invoering van het
assoneerend rijm (bij ons sinds Herman van den Bergh) als het veelvuldig
toegepaste enjambement, wijzen erop. Het rijm - en dan natuurlijk vooral het
tweede, eigenlijke “rijmwoord”, dat pas | | | | het rijm openbaart -
wordt op deze twee wijzen, maar ook door de zoo juist genoemde
accentverschuiving, als het ware gesluierd voor het gehoor...’ enz.
De verklaring kon tòch in de rhythmiek liggen, zonder dat het
verschijnsel ‘op een simpele rhythmische afwisseling’ behoefde te berusten. De
regels hebben verschillende beweging (a meer stootend en
ongelijkmatig, b meer vervloeiend en afgerond) die verklaart
waarom a b een harmonischer eindindruk geeft. Wat echter het rijm betreft: hier
kan de verklaring niet gelegen zijn in de tendenz tot
rijmverdoezeling, wijl het gesignaleerde verschijnsel iets algemeens en de
rijmverdoezeling iets uitzonderlijks is. Men hoeft er nog niet iets zoo
uitzonderlijks van te maken als
Vestdijk zelf (nl. een negatieve reactie op
Witsen Geysbeek) zeker is dat bedoelde verdoezeling alleen
deugd kan worden door bijzondere psychologische oorzaken. En
zelfs bij de geraffineerde meesters dezer verdoezelingskunst is op te merken,
dat hun beste gedichten doorgaans de duidelijkste rijmvormen toonen. Het beste
rijm is niet, zooals Bilderdijk (in strijd, gelukkig, met eigen practijk)
beweerde: ‘datgene wat het minst gehoord wordt’, maar veeleer datgene wat het
meest waard is te worden gehoord. Inderdaad berust het onbevredigende van
b a niet op te sterke, maar op te zwakke rijmwerking. Zonder
van het morsdood experiment iets fraais te willen maken, kunnen we de door
Vestdijk gevoelde onbevredigdheid wegnemen door het rijm te verbinnenrijm
worden teruggedrongen. B.v.:
Tot studie en bespiegeling thuisgebleven
Hebt gij een meer dan gek abuis bedreven.
Deze nieuwe groepeering zou op haar beurt weer slecht voor omkeering
vatbaar zijn, wegens de wetten van climax die speciaal voor dubbelrijm gelden
(hierover schreef ik reeds in De Taaltuin). Zou men ze zoo
willen wijzigen, dat het (overigens reeds afgekeurde) rhythme van b a behouden bleef, dan moest wat nu dubbelrijm is tot binnenrijm
worden teruggedrongen. B.v.:
Tot studie en bespiegling thuisgebleven
Hebt gij gezien: 't abuis was overdreven.
De verklaring berust op de functie van het eindrijm zooals die in elke
rechtzinnige versleer te vinden is, nl. als beginnende bij de laatste heffing.
Is deze laatste heffing zwakker dan de voorlaatste, zoo wordt haar positie als
laatste iets twijfelachtig, en krijgt het rijm neiging bij de voorlaatste te
beginnen. In de levende poëzie, vooral in grootere gedichten, is deze neiging
op zeer verschillende wijze te compenseeren; in Vestdijk's voorbeeld
b a wordt ze echter zonder meer genegeerd; de onbevredigdheid
is die van een onvervulde belofte.
Hendrik de Vries
| | | |
Het komt mij voor, dat de bezwaren van
Hendrik de Vries tegen de verklaring die ik, geheel
hypothetisch, opstelde voor het bij
Leopold aangetoonde verschijnsel (dat hij als zoodanig niet
ontkent, als ik het goed begrepen heb) voornamelijk berusten op
begripsverwarring. Uit de laatste alinea van zijn kritiek namelijk blijkt ten
duidelijkste, dat híj ‘rijmversterking’ aanneemt waar ík van ‘rijmverdoezeling’
spreek, en omgekeerd, hetgeen dan natuurlijk samenhangt met de weinig omlijnde
beteekenis van het woord ‘rijm’. Ik meen in mijn artikel echter duidelijk
aangegeven te hebben, dat ik in dit geval met ‘rijm’ het tweede, eigenlijk
rijmende ‘rijmwoord’ bedoel, niet het woord waarop gerijmd wordt en dat inderdaad, in b a verzwakt is.
Afgezien van deze gemakkelijk op te lossen kwestie van nomenclatuur blijven er
waarschijnlijk nog enkele andere verschilpunten over tusschen de Vries en mij,
die in laatste instantie wel te herleiden zullen zijn tot het bijzondere
karakter van zijn poëzie (in flagrante tegenstelling tot den door mij
onderzochten Leopold!) De Vries wijst ‘rijmverdoezeling’ af (wellicht o.a. het
assoneerend rijm, dat hij zelf nergens gebruikt), omdat in zijn eigen verzen
het rijm zulk een op den voorgrond tredende functie bezit! Het staat echter te
bezien of ook bij hem, bìnnen dat algemeene karakter van rijmversterking, niet
allerlei graduaties bestaan, die tot rijmverdoezeling, of, zoo men wil,
‘discretie’ of ‘raffinement’ van rijmbehandeling (termen die de Vries mogelijk
eerder aanvaardt) als nòg algemeener verschijnsel teruggebracht moeten worden.
De uitspraak van
Bilderdijk, mij in dit verband bijzonder welkom, zou ik dan
ook als volgt willen wijzigen: het beste rijm is datgene wat het
meest waard is gehoord te worden en wat men niettemin, de facto, het minst
hoort! D.w.z. wat zich het minst opdringt, grof
sensueel. En de dubbelrijmen dan? Op het eerste gezicht ondubbelzinnig
rijmversterking, vallen ook zij onder die algemeenere wet, zoodra men (wat de
Vries zelf ook doet) het rijm gebonden acht aan de laatste heffing, waarvan het
dubbelrijm immers de aandacht afleidt. De ‘verdoezeling’
hangt hier samen met de onzekerheid van den lezer aan welke der twee
lettergrepen hij de rijmfunctie moet toekennen (berust op deze onzekerheid,
waardoor men zich half en half gefopt voelt, ook niet het komische, min of meer
parodistische, dat dubbelrijmen en rimes riches zoo vaak aankleeft?) Het
dubbelrijm als zoodanig, geïsoleerd beschouwd, mag dan het rijm accentueeren,
door het karakter van afwijking of uitzondering, dat het toch in vrijwel alle
gevallen draagt, ‘verdoezelt’ het de kenmerken van het rijm waarop men door
gewoonte is ingesteld. A fortiori geldt dit wanneer het accent in beide regels op de vóorlaatste lettergreep valt, zooals in de
variant die de Vries bedacht. Deze variant (het woord ‘abuis’ als symbool laat
ik buiten beschouwing) is juist het beste bewijs vóor ‘rijmverdoezeling’ als
algemeen verschijnsel, zelfs nog in de schijn- | | | | bare
uitzonderingen, - terwijl een omgekeerde oplossing, n.l. om in beide regels de klemtoon op schreven en
bleven te laten vallen, hetgeen minder voldoet dan
a b, dit bewijs nog versterkt. Tenslotte dit: dat de
minderwaardigheid van de volgorde b a niet bovendien aan
allerlei àndere, bijkomstige factoren - b.v. de rhythmiek - toegeschreven kan
worden, heb ik nooit willen beweren. Maar deze factoren, die in het onderhavige
geval wellicht convergeeren, vallen in een groot statistisch materiaal tegen
elkaar weg en waren voor mijn onderzoek dus zonder eenig belang. De regels
a en b waren overigens slechts als
willekeurig voorbeeld bedoeld, niet als uitgangspunt met voorloopige
bewijskracht.
S.V.
|
|
|