|
|
|
| |
| | | |
Hemelsche en Aardsche Poëzie
| |
III
(Slot)
Uit het bovenstaande zal voldoende gebleken zijn, hoe weinigzeggend de
uitspraak is, dat in een of andere poëzie de ‘vorm’ predomineert over de
‘materie’. Indien de verschillende kenmerken, in de tabel in ‘categorieën’
ondergebracht, bij een en dezelfde dichterfiguur steeds in denzelfden zin
aanwezig waren, zou deze kwestie van louter theoretisch belang blijven, doch
boven is er reeds op gewezen, dat dit allerminst het geval is. Een dichter, die
tot het ‘vormtype’ behoort volgens het tweede of derde hokje, kan volgens het
vijfde of zesde zeer goed de ‘stof’ vertegenwoordigen; alle combinaties zijn
hier mogelijk, en regels zijn er niet te stellen.
Zoo zien we, dat het poëtisch levenswerk van een onzer tijdgenooten,
dat onlangs verzameld het licht zag, en dat, zoo niet in zijn geheel, dan toch
naar de tendenzen waarnaar het zich ontwikkeld heeft en de uitkomst waartoe het
leidt, een typisch ‘materieele’ kunst genoemd moet worden, naar zijn
algemeenste categorieën beoordeeld (compositie en rhythme) veeleer bij het
‘vormtype’ thuishoort. De correcte versificatie, en, meer nog, de zeer
afwisselende prosodische vormen met hun boeiende varianten op het sonnetschema,
de virtuoze rijmtechniek ook, dat alles wijst op een verkleefdheid aan de
strenge norm, die men, oppervlakkig beschouwd, niet zou verwachten bij iemand,
wiens poëzie in vrijwel alle andere opzichten, met recht en met eere, het
etiket ‘aardsch’ dragen mag. Ik wil hier onbeslist laten, of deze combinatie, -
die overigens meer dan iets anders de aandacht vestigt op de | | | |
spanning tusschen vorm en stof in de poëzie
1), - een toevallige is, berustend op partiëele begaafdheden, die
reeds in de persoonlijkheid van dezen dichter tegen elkaar indruischten, of dat
we die correcte verstechniek hebben op te vatten als een achtergebleven rest
van 's dichters eigen poëtisch verleden, waarvan de geleidelijke liquidatie
zich meer voltrok naar den ‘inhoud’ dan naar den ‘vorm’ (in de andere
beteekenis!), dan wel dat in deze kruisgewijze combinatie minder een innerlijke
tegenstrijdigheid tot uiting komt dan een tot zekere hoogte wetmatig samengaan
van contrasteerende instellingen, zooals we dat ook in de karakterpsychologie,
als compensatoire ontwikkeling van eigenschappen, zoo vaak zien. In dit laatste
geval, dat mij als verklaring wel het belangwekkendst toelijkt, zou men de
vormvastheid van deze verzen beurtelings tot camouflage, zelfbescherming,
zelfpersifflage, of tot de uiterlijke schittering van den parvenu (beter: van
den aan lager wal geraakten grand seigneur) kunnen terugbrengen, en tenslotte
is de opvatting, dat Greshoff voor de meer uiterlijke kenmerken zijner
gedichten zulke ‘hooge cijfers’ aan den vormkant behaalt om dezen vorm des te
beter te kunnen verachten, wel zeer verleidelijk bij iemand, die door zijn
partijkiezen in een bekende polemiek over de verhouding van vorm tot materie,
die eenige jaren geleden de gemoederen verhitte, geen twijfel overliet aan
welke zijde zijn sympathieën stonden. Het zou bijna doen denken aan het geval
van Wilhelm von Humboldt, die de politiek zóo ‘entsetzlich’ vond, dat hij
Pruisisch minister werd om er het minste last van te hebben...
Zooveel is zeker, dat de formeele qualiteiten van de buitenkant dezer
poëzie door een bijna aesthetische contrastwerking die andere, ‘aardsche’
kenmerken des te scherper doen uitkomen, en het behoeft wel nauwelijks
uitdrukkelijk verklaard te worden, althans voor hen die niet hun | | | |
ziel en zaligheid aan een of ander twijfelachtige doctrine hebben verkocht, dat
het eigenlijke karakter eener poëzie eerder te vinden is in de meer naar rechts
gelegen categorieën, in den ‘inhoud’ dus, dan in de eigenschappen van het
rhythme of in de strophische constructie. Met name is het de ‘middenmoot’ van
de tabel, die bij de beoordeeling van het gedicht als gedicht
(en niet als kattenmuziek of typografische legkaart, en ook niet als
philosofische verhandeling) den doorslag geeft: nl. de beeldspraak, de
plastiek, - en het taalgebruik, de stijl. Men herkent het ‘vormkarakter’ der
typisch ‘hemelsche’ poëzie niet aan een onberispelijk sonnet, doch aan de mate
waarin de natuurlijke omgangstaal in aesthetischen zin ‘omgevormd’ is ten
behoeve van de poëtische metafoor, - die wellicht de zuiverste belichaming is
van de essentiëele en daardoor onomschrijfbare dichterlijke intentie, -
onverschillig of dit binnen het kader van het sonnet of van het vers libre is
geschied, - en het omgekeerde geldt voor den ‘aardschen’ dichter.
In dit licht beschouwd is de poëzie van
Greshoff de verste, hevigste en in zijn soort meest
geslaagde terugval van een op de spits gedreven ‘hemelsche’ poëzie naar een
gewone ‘aardsche’, die mij in de wereldliteratuur bekend is geworden
1). Men kan
natuurlijk op het werk van
Slauerhoff,
Marsman en vooral
du Perron wijzen, die hetzelfde proces in mindere mate
doorgemaakt hebben, maar, - indien men al niet wil aannemen, dat de eeuwig
jonge Greshoff tot twee of meer generaties tegelijk behoort - tot zijn eigen
tijdgenooten,
Holst,
Bloem,
Nijhoff,
Gossaert,
van Eyck,
Buning, staat hij in een verhouding, die op niets zoozeer
lijkt als op die van den gevallen engel tot de achtergebleven serafijnen.
Inderdaad, Greshoff's werk beteekent | | | | een zondeval, een
opzettelijke - en schaamtelooze schandaliseering van het paradijs van de taal,
- van de kunsttaal. Stelt men het tegenover
Gorter's sensitieve verzen,
Boutens' geharnaste lyriek, van den Bergh's (naar den
inhoud vaak toch zoo ‘aardsch’) modernisme, dan wordt het contrast nog veel
duidelijker, vooral stilistisch. Ik wil allerminst beweren, dat
Greshoff's poëzie haar waarde en beteekenis in hoofdzaak
ontleent aan dit contrast en aan dien terugslag, maar zij maakt als zoodanig
wel den meesten indruk, en dat te meer waar dit oeuvre in zijn geheel, door
zijn organische evolutie van ‘hemelsch’ naar ‘aardsch’, die tegenstelling tot
tijdgenooten en voorgangers doet gevoelen als een innerlijke noodzakelijkheid.
Door het consequente streven naar ‘gewone’ taal, ‘gewone’ beeldspraak, ‘gewone’
gedachten en gevoelens, vertegenwoordigen deze gedichten de uiterste grens
waartoe de poëzie in deze richting gaan kan zonder banaal of belachelijk te
worden en zichzelf als poëzie te verloochenen. Bij lezing van deze verzameling
wint men bijna de overtuiging, dat Greshoff, sinds zijn ontwikkeling in
persoonlijke banen geleid is, die grens ononderbroken heeft afgezocht en
afgetast, met evenveel hartstocht als omzichtigheid. Een fijn ontwikkeld
tactgevoel liet hem echter steeds aan den ‘goeden’ kant van de scheidslijn
blijven, hetgeen des te meer lof verdient, waar de door hem beoefende strenge
en gevarieerde prosodie iedere ontsporing onmiddellijk, in een nu niet meer
pikant, doch parodistisch contrast, aan de kaak zou stellen.
De beteekenis van een dergelijke terugkeer tot het gewone en
alledaagsche voor de poëzie is, - afgezien van die eener ongedwongen
ontplooiing van alle psychische functies, een verlossen van de persoonlijkheid
uit knellende banden, hetgeen toch indirect ook weer de poëzie ten goede moet
komen, - voornamelijk te zoeken in een correctie van een al te breidellooze
omvorming van de taal in poëtischen zin, waardoor steeds het gevaar dreigt, dat
het contact met den moederbodem van de overgeleverde spreektaal verbroken
wordt. Een poëzie als die van Gres- | | | | hoff is, behalve onderhoudend,
geestig, meesleepend vaak, en hier en daar diepzinnig, vooral ook nuttig. De
rol van zulke corrigenda, die uitwassen besnoeien en de beoefening der kunst
weer tot een gulden middenweg terug helpen brengen, schijnt mij in de
literatuur, in tegenstelling tot de andere kunsten, een tweeledige te zijn. Met
de esoterische en overspitste kunstvormen in muziek en schilderkunst heeft het
al te ‘duistere’ vers gemeen, dat de receptiviteit van een zeer gering aantal
ingewijden nog maar in staat is er op te reageeren. De poëzie van
Gorter, voor dien tijd een unicum in de geheele
wereldliteratuur, bewijst dit ondubbelzinnig. Maar deze poëzie bewijst nog
meer. Op een wijze die aan duidelijkheid niets te wenschen overlaat toont zij
aan, dat een dusdanige usurpatie van de taal niet ongestraft plaats kan vinden:
de taal als instrument verliest zijn soepelheid, versplintert, desintegreert,
en - blijft de sporen dragen van deze desintegratie. Tegenover de winst aan
aesthetische waarden, - die enorm kan zijn, en geweest is! - staat een verlies
aan taalefficientie, niet alleen voor de massa, maar tevens, en vooral, voor de
dichters zelf. Na dergelijke excessen is de taal niet meer in staat in haar
natuurlijke ruststand terug te keeren
1), - hoe anders dan in het rijk van tonen en kleuren, waarin
niet de minste verandering optreedt, onverschillig welk gebruik of misbruik
ervan gemaakt is! Klanken, kleuren en lijnen zijn een neutraal, homogeen,
ongevormd en voor iedere kunstgreep straffeloos te benutten materiaal, dat aan
geen andere structuurwetten gehoorzaamt dan die later het gevormde kunstwerk
zullen beheerschen. Het materiaal voor de poëzie daarentegen, ook in zijn
ruwste gedaante, zijn laatste elementen, is van een verraderlijke complicatie
en discontinuïteit, die zich tot de gelijkmatigheid van het materiaal der
andere kunsten verhoudt als een ruimte met allerlei fantastische krommingen,
kolken en knooppunten tot onze gewone Euclidische ruimte, of | | | | als
de ingewikkelde bouw van een levend celweefsel tot de amorphie van een
verzameling atomen. De taal als ‘stof’ is niet ongelimiteerd te vormen,
omdat zij reeds een autonome structuur bezit, die
waarschijnlijk buiten iedere aesthetische overweging om ontstaan is, en tot
deze omstandigheid vooral is het, dat wij de reeds herhaaldelijk genoemde
onverzoenlijke antithese tusschen vorm en materie in de poëzie terug moeten
brengen. Men kan zich van dit alles het best een denkbeeld vormen door een
gedicht te vergelijken met de voortbrengselen der beeldhouwkunst: eerst in
sommige modernistische procédé's, waar als materiaal voor plastiek
huishoudelijke of technische voorwerpen gebruikt worden, treft men iets aan dat
zich op éen lijn laat stellen met de overeenkomstige verhoudingen in de poëzie.
In de taal, zooals die ons overgeleverd wordt, vinden we den neerslag van een
eeuwenoude collectieve omvorming, die zich weliswaar niet onder den dwang van
formuleerbare wetten of normen (en a fortiori niet van aesthetische normen)
voltrokken heeft, die zich hoogstens bevestigt in een systeem van regels en
taalgewoonten, in logische ficties en conventies, met moeite slechts aan het
toeval ontwoekerd en in stand gehouden, maar die toch een der voornaamste
oorzaken uitmaakt van de weerbarstigheid der poëtische stof, een
weerbarstigheid, die immers ook nooit díe hoogte had kunnen bereiken, indien
zij niet op den tegenstand van een reeds gevormde materie
berustte, die haar eenmaal aangenomen structuur niet zoo gemakkelijk prijs
geeft voor een nieuwe, afwijkende. De regelmatige structuur der taal moge dan
een pseudonormatief phenomeen zijn, haar vormen mogen hun bestaan danken minder
aan een objectieve wetmatigheid dan aan een collectieve afspraak, dit neemt
niet weg, dat haar bindingen onontkoombaar zijn, en de strijd tusschen vorm en
materie in de poëzie onthult zich dan ook, van dichtbij gezien, als een strijd,
in de eerste plaats, tusschen vorm en vorm (wat voor de
aanhangers van sommige aprioristische wijsgeerige scholen niets verwonderlijks
zal hebben): tusschen den aesthetischen vorm en den nuttigen vorm, tusschen de
algemeenheid van de | | | | rigoureuze norm en de algemeenheid van het
collectief gesanctionneerde compromis, tusschen de geldigheid van de abstracte
wet en de geldigheid van de concrete gewoonte.
Een grootere natuurlijkheid van de taal binnen de grenzen der
kunstpoëzie, - en, zooals ik reeds zei, de dichter
Greshoff heeft deze grenzen nooit uit het oog verloren, -
gaat echter noodzakelijk met zekere verliezen gepaard, die in haar eigen
voorwaarden opgesloten liggen. Tegenover de emancipatie van de persoonlijkheid
van aesthetische normen, die zij als star en onverdragelijk heeft leeren
ondervinden, staat de onvermijdelijkheid van een binding aan een
collectiviteit, die hier als vanzelfsprekend, als ‘natuur’ optreedt, en waarvan
men de ‘onnatuur’ niet leert inzien, zoolang men aan de (geheel relatieve)
tegenstelling tot de onnatuurlijkheid der kunsttaal blijft vasthouden. Deze
binding behoeft allerminst nagestreefd te zijn, zij kan zelfs in theorie
uitdrukkelijk afgewezen worden, als automatisch gevolg van het loslaten van den
poëtischen vorm in beeldspraak en stijl heeft men haar nu eenmaal op den koop
toe te nemen. Dat deze nieuwe (of hernieuwde) binding aan de collectieve vormen
aan de ‘natuurlijkheid’ geen afbreuk schijnt te doen, is daaraan te danken, dat
hier het kunstmatige geheel vermomd is achter de anonymiteit eener eerwaardige
traditie. Maar men late zich hierdoor niet in slaap wiegen! Principiëel immers bestaat er niet het minste verschil in
kunstmatigheid tusschen de stoutste metaphora en stijlcomplicaties van een
Gorter, van een van den Bergh, van een Mallarmé of een Rilke, en de geijkte
zegswijzen, spreekwoorden en periphrases, waarmee onze voorouders ons taalbezit
hebben verrijkt: alleen voor óns gevoel zijn de eerste ‘gewrongen’, de laatste
niet. Om in te zien hoe onredelijk dit is, denke men zich maar eens het
beginsel, dat in de laatste tot uiting komt, overgeplant op het gebied van de
eerste: het hybridisch product, dat op die wijze tot stand komt, is namelijk
niets anders dan de befaamde ‘rhetorica’, door de Tachtigers uitgebannen, door
Gossaert weer door een achterdeurtje binnengehaald, en | | | | waarmee
men eigenlijk nooit heelemaal goed raad heeft geweten. De rhetorica,
voortbrengsel bij uitnemendheid van collectieve inertie en poëtische vormdrift,
bedreigt iederen dichter die de ‘aardsche’ poëzie is gaan beoefenen als reactie
op een te ver doorgevoerde verfijning, en dat des te meer, waar die dichter, -
die in zijn eerste periode poëzie schreef, waarvan het overwegend ‘hemelsche’
karakter moeilijk te miskennen valt, - voortgekomen is uit een school, die de
rhetoriek stilzwijgend tolereerde, of zelfs, bij monde van sommige van haar
representanten, propageerde. Al te gemakkelijk zal zoo'n dichter van de
collectief gevormde taalmaterie vervallen in de collectief-dichterlijk gevormde taalmaterie van de overgeleverde beeldspraak
en daardoor zijn gedicht halverwege in dezelfde banen terug leiden, die hij
heeft willen vermijden.
Het lijkt mij een van Greshoff's grootste verdiensten, dat hij deze
gevaren weliswaar niet geheel bezworen heeft, maar toch door een charmant
tegengift minstens onschadelijk heeft gemaakt. Naast de andere elementen,
ontleend aan de collectieve taalvormen, zooals populaire uitdrukkingen,
spreekwoorden (soms fragmentarisch gebruikt), scheldwoorden, toespelingen op
tijdgenooten, die vaak men naam en toenaam genoemd worden, slagwoorden,
reclamespreuken, woorspelingen, flarden van straatliedjes, vinden we inderdaad
bij dezen dichter een belangrijke portie rhetoriek, die er zeker niet minder op
wordt, naarmate hij zijn stadium van rijpheid bereikt en zijn eigen toon
gevonden heeft. De ‘broedplaats van het genie’, ‘de wet van dienst en doem’,
‘ongetoomde hemelvlucht’, ‘God's ijle ruimten’, ‘oceaan van bloed’, ‘het mennen
van het lot der volkren’, ‘'s werelds hoogste waarden’, ‘de grijnslach van mijn
spot’, ‘een gemoed vol droesem en venijn’, ‘de schendtaal van een onverlaat’,
‘de wellust die uw hart bekoort’, ‘schroeiende afschuw’, ‘een geest aan allen
smaad en achterdocht ontheven’, ‘het schandepak der dienstbaarheid’, ‘jonge
vrijgeboren leden’, ‘godgevallig feestgeschal’, ‘bloeddronken mo- | | | | loch’, - zij wijzen, vooral wanneer men hen zoo klakkeloos naast
elkaar zet, op een schier ontstellende neiging tot de geijkte dichterlijke
beeldspraak
1), die echter geheel
ontkracht, of althans binnen de perken gehouden is door het kostelijk
antidotum, waarvan Greshoff een even persoonlijk als wijs en gematigd gebruik
heeft gemaakt: de ironie. Ik zou niet graag willen volhouden,
dat al deze wendingen ironisch bedoeld zijn, maar steeds
baden zij zich in den milden glans, die dan toch van naburige passages op hen
afstraalt
2). Vaak heeft men den indruk, alsof Greshoff deze
mooie ballons zoo ijverig opblaast om ze een paar regels verder des te beter
met een venijnige speldeprik leeg te kunnen laten loopen, - waarmee niet gezegd
is, dat het blazen hem op het moment zelf geen genoegen verschafte! De
rhetoriek is hier echter geheel dienstbaar gemaakt aan de ‘aardsche’ intenties
van den dichter: ‘gewoon’ te worden, tot de ‘gewone’ omgangstaal terug te
keeren, en hun functie is dan ook niet om een verheven of gezwollen toon te
ondersteunen, doch uitsluitend om die sfeer van vertrouwelijkheid te scheppen,
waarin wij al het van ouds bekende terugvinden, ook in zijn minder geslaagde
gedaante.
| |
IV
Ironie: het is niet alleen de alom bekende en gewaardeerde grondtoon van
Greshoff's werk, het is tevens het onbedriegelijkst criterium van iedere
‘aardsche’ poëzie. In zooverre is zijn poëzie, bij al haar persoonlijke
quali- | | | | teiten, dus vooral typisch voor een algemeen genre.
Greshoff's ironie is door haar goedaardigheid en weekheid eerder aan den humor
verwant dan aan cynisme en sarcasme; zij is niet scherp en bijtend, zooals zoo
vaak bij den aan hem verwanten
du Perron; daartegenover mist men ook de tragische
hoogtepunten van dezen laatste, die, juist daardoor, eerder een overgangsvorm
tusschen ‘aardsch’ en ‘hemelsch’ vertegenwoordigt
1). Dit
duisterder luciferisme ontbreekt bij
Greshoff niet volkomen, maar steeds is het getemperd door
zijn huiselijke gemeenzaamheid, en zelfs waar hij tegen tijdgenooten kankert,
neemt zijn spot maar al te gewillig de gezellige gedaante aan van een rondom
den haard gezongen lied, waaraan Querido, die toch branden moest, nauwelijks
aanstoot kan hebben genomen.
Is deze ironie naar haar substantie dus wat licht en speelsch, zuiver
technisch gezien bestrijkt zij wel haast alle mogelijkheden die op dit gebied
te bereiken zijn. Alle kunstgrepen zijn aanwezig: antithesen, toespelingen,
bruuske overgangen, speelsche nonsens, met groote ernst voorgedragen
2), verrassende
sloteffecten, etc. etc. Vooral het slot van het gedicht openbaart vaak eerst de
ironische strekking, zooals in Cinema militans I, dat Harold
Lloyd op een bijna compromitteerende wijze tot in de wolken verheft, totdat de
laatste regel, als een gesmoorde vloek, de eigenlijke bedoeling van den dichter
komt verraden. Het omgekeerde treft men aan in een gedicht als Deemoed
(een der eerste in den bundel, waar de ironie onver- | | | | huld beoefend
wordt), waar de laatste regels het gedicht, dat niet ironisch inzet, in
ironische banen leiden.
Men zou zich ondertusschen sterk vergissen, indien men Greshoff's ironie
uitsluitend toeschreef aan de zucht om geestig te zijn, of haar geheel
ondergeschikt stelde aan polemisch-satyrische oogmerken, of, tenslotte, louter
als tegengift opvatte tegen een eigen neiging tot zwaarwichtig of zwierig
ceremoniëel. Zooals ik reeds schreef, is de ironie typisch voor iedere
‘aardsche’ poëzie, en dit in de eerste plaats door haar anti-normatief karakter. Een dichter, die vaste normen bezit, of
naar vaste normen streeft, of ze alleen maar nastrevenswaard acht, kan nooit of
te nimmer ironicus zijn, om de eenvoudige reden dat de geringste ironische
toets de norm-in-het-algemeen reeds problematisch maakt en alles op losse
schroeven zet. Zoowel bij Greshoff als bij alle aan hem verwante figuren staat
de ironie dan ook in dienst van een wijder relativisme en scepticisme, in
dienst van den twijfel aan betrouwbare en formuleerbare levenswaarden, en van
het onverbloemde inzicht in de onbestendigheid van ieder aardsch gebeuren.
Vooral waar deze dichter met een flink quantum idealisme toegerust zijn
poëtische loopbaan begonnen moet zijn, ligt in zijn ironie een duidelijk
element van ontgoocheling opgesloten, een diep wantrouwen tegen alles wat ons
als eeuwige waarheden aangeprezen wordt, en waarvan hij het speculatief
karakter zoo genadeloos doorschouwd heeft. Niemand kan dan ook de ernst
ontkennen, die onder deze ironie verscholen ligt, om het even of zij tot
zelfbescherming dient of als aanvalswapen wordt gebruikt. Men is een tijd lang
gewoon geweest de poëzie van Greshoff als speelsch en onserieus te beschouwen,
als een beminnelijk bijproduct onzer letteren, dat men met genoegen tolereert,
maar waarvan niemand het verlies betreuren zou. Voor mij evenwel, en
waarschijnlijk voor anderen mèt mij, is zij ernstiger dan veel wat zich sinds
1880 als ‘hemelsche’ poëzie aangediend heeft, al was het maar alleen, omdat de
levenshouding die er in vertolkt wordt, een persoonlijk veroverd bezit is en
zich niet meer steunt op de algemeen | | | | gangbare waarheden omtrent
dood en onsterfelijkheid, die zoo troostrijk kunnen zijn, - en vaak zoo'n laffe
nasmaak achterlaten. In laatste instantie is Greshoff's poëzie diep hopeloos,
ook al wordt ‘Heer Hein’ met den huiselijksten omslag, de aardigste strijkages
toegesproken, ook al worden er nog zooveel aardsche geneugten in gevierd en
beleden, van huwelijksliefde en vriendschap af tot de nieuwe haring toe, - maar
bij de lezing ervan hebben we tenminste het gevoel met een man te doen te
hebben, die niet steeds maar op de paplepel is blijven zuigen, die men hem
destijds toevallig in de mond gestoken had.
Een nadere beschrijving en analyse van dit monumentale levenswerk is
binnen het bestek van dit artikel, dat slechts beoogt enkele algemeene punten
aan te stippen, ondoenlijk. Zooals gezegd, vertoont het de ontwikkeling van
‘hemelsche’ tot ‘aardsche’ poëzie in een even consequenten als geleidelijken
groei, die nergens geforceerd is of opzettelijk aandoet. De volgehouden
correctheid dezer gedichten in formeel-poëtisch opzicht geeft aan deze
verzameling bovendien een eenheid en symmetrie, die men vergeefs zal zoeken in
het oeuvre van Slauerhoff, Marsman of
du Perron, die allen hun modernistisch begin, hoe
verschillend genuanceerd dan ook, later verloochend hebben. Greshoff, die niet
als modernist begonnen is, die zich hoogstens in de tusschen '26 en '28
gepubliceerde gedichten tot enkele modernistische allures verleiden liet, is
zichzelf veel meer gelijk kunnen blijven. Daar, ten overvloede, uit de verzen
der eerste periode een keuze gedaan is, die hen, artistiek gesproken, volledig
op éen lijn stelt met de latere, wordt het evenwicht nergens verstoord door de
aanwezigheid van onrijp jeugdwerk. Men vindt hier zelfs eenige staaltjes van
‘hemelsche’ poëzie, die zich met het beste op dit gebied kunnen meten, en
waarvan men alleen geneigd zou zijn de originaliteit te onderschatten, omdat de
dichter zich later in zoo'n totaal andere richting ontplooid heeft. Reeds het
gedicht, waarmee de verzameling opent, Voor een onbekende, is
in zijn soort eersterangs, en dit soort is niet het soort van Pro
Domo,
| | | | eerder het soort van Rossetti, George,
Verwey. Minder naar toon en stijl, die hier natuurlijk veel
simpeler zijn, dan naar de geesteshouding en de gedachtenstructuur, bezit het
zelfs een zonderlinge verwantschap met sommige sonnetten uit The
House of Life, vooral door de verzwegenheid van het conflict, de aarzeling
van het gevoel tegenover twee vrouwen, die zich voor elkaar schijnen te
substitueeren, en de gelatenheid, waarmee dit alles weer voorbijtrekt. Met een
dergelijk gedicht voor oogen is het geen al te stoute bewering, dat
Greshoff, had hij zijn talent in deze richting verder
ontwikkeld, zeker niet voor
Bloem of
Buning had behoeven onder te doen. Ik noem in dit verband
nog Geboorte, Voor den spiegel, Met een ruiker, Pijn, en
enkele van de tienregelige verzen uit Aardsch en
Hemelsch.
| |
Voor een onbekende
Ik heb u nooit gezien, ik ken u niet,
Uwe oogen noch de ovaal van uw gelaat;
Maar nu gij raaklings langs mijn leven gaat
Wekt gij, waarom?, een onvermoed verdriet.
Zij die 'k met de uitverkoren namen noem
Stond naast u, toen een doodvermoeide vrouw,
En uit de plooien van haar kleed van rouw
Hing haar hand neer als een verlepte bloem.
Hoe bang, hoe hopeloos is dit gebaar:
Zij vreest zichzelf verlaten en vervloekt.
Maar gij gaat verder, god weet wat ge zoekt.
Zóó zwijgend scheiden vreemden van elkaar.
Dit was het bitter einde van een waan.
Ik heb u nooit gezien, ik ken u niet;
En toch voor u dit vaagbedroefde lied
Nu gij alleen uw weg moet gaan.
| | | |
Eén keer nog, na de series. De Najaarsopruiming en
Examen de Conscience reeds voltooid te hebben, waarin het
‘aardsche’ standpunt verdedigd wordt op een wijze, die aan openhartigheid niets
te wenschen overlaat, heeft Greshoff, als in een perspectivische verkorting, de
beide grondmachten tegenover elkaar gesteld, waartusschen zijn poëzie zich
beweegt. In de korte sonnettencyclus Janus Bifrons (die ook
Aardsch en Hemelsch had kunnen heeten, wellicht met meer
recht dan de bundel van dien naam) zien we de personificaties van die twee
machten optreden in een uiterst geserreerde dialoog tusschen ‘cynisme’ en
‘idealisme’, welke standpunten dan tegen het einde, na een wederkeerige
beïnvloeding van ‘ego’ en ‘alter ego’ met elkaar verzoend worden. Ofschoon geen
van deze tien sonnetten op zichzelf beschouwd volmaakt is
1), vertegenwoordigen ze in
hun onderlinge verhouding, door de meesterlijke consequentie der
gedachtenontwikkeling en door hun ideëelen achtergrond, niets minder dan een
unicum in onze literatuur. Zeker, ook
Verwey gaf dergelijke samenspraken, die mogelijk voor
Janus Bifrons het model geweest zijn, maar in hun teveel aan
philosofische onhelderheid en een te weinig aan concrete zegging, die zoo'n
dialoog toch behoeft om tot een zekere slotsom te leiden, blijven zij de
mindere van Greshoff's cyclus
2). Mede dank zij de
luciditeit en de conciese uitdrukkings- | | | | wijze is Janus Bifrons bovendien zooiets geworden als een ‘compendium’ van
wereldbeschouwingen, die zich in een voortschrijdende dialectiek uit elkaar
ontwikkelen, om tenslotte tot rust te komen, niet in een overbruggende
‘synthese’, doch in een middenvorm, waaraan beide partijen hun scherpe kanten
hebben afgeslepen. Die latente philosofie achter deze sonnetten, waarvan de
dichter tijdens het scheppen wellicht het bestaan niet eens vermoedde, en die
zich dan ook vergenoegt met een minimum aan wijsgeerige terminologie, maakt, in
dit omhulsel, op dézen toon voorgedragen (die zich hier vrijwel geheel van
ironie speent) de serie Janus Bifrons zonder eenigen twijfel
tot het hoogtepunt van Greshoff's oeuvre, zoowel naar den vorm als naar den
inhoud. Een korte analyse van de gedachtenstructuur moge dit artikel besluiten,
waarbij tevens de nadruk gelegd zal worden op enkele reminiscenties aan
historische wijsgeerige stelsels of geesteshoudingen, die telkens in éen sonnet
belichaamd schijnen: niet omdat dit voor het begrijpen deze sonnetten
noodzakelijk of zelfs maar wenschelijk zou zijn, doch uitsluitend bij wijze van
demonstratie voor de philosofisch doorknede kunstrechters die in
Greshoff altijd nog een soort ‘hartelijke’ grappenmaker
wenschen te zien.
- Op het naakte cynisme van I, waarin zonder eenige
terughouding de egoïst en misanthroop aan het woord is, volgt de repliek van
‘alter ego’ (II), die bij ‘ego’ de menschenliefde tracht op te wekken, door hem
te wijzen op zijn eigen jeugd, toen hij nog in hoogere ethische
waarden geloofde. Deze repliek is in haar grondgedachte daarom zoo
voortreffelijk, omdat zij een beroep doet op datgene wat in ieder mensch
sluimert: men kan zich voorstellen, dat de beide dialoogspelers elkaar nog
weinig kennen en zich derhalve bij het verkennen van het terrein vooreerst
bepalen tot het algemeene.
- In III vindt men de gebruikelijke bestrijding van het ethicisme:
‘ego’, ontgoocheld door de zinneloosheid en gemeenheid van het werkelijke
leven, is die hoogere waarden allengs als louter woordklanken op gaan
| | | | vatten en houdt zich voortaan aan de nuchtere feiten: het
positivisme wordt hier den tegenstander als handschoen
toegeworpen. Dit derde sonnet vertegenwoordigt typisch de desillusie en het
ressentiment van de na-puberteit met de daaruit voortvloeiende scepsis; een
zekere pragmatische ondertoon is onmiskenbaar (‘Zorg voor gewin!’).
- Hierop riposteert ‘alter ego’ met een duidelijk platonische wending (IV), die tegenover de nuchtere en nuttige
feiten het eenige onloochenbare, zij het ook subjectieve feit stelt, dat boven
die nuchterheid en nuttigheid uitgaat, nl. de liefde, de Eros.
- Bij ‘ego’ roept de liefde als reactie zijn tegendeel op: de
machtsdrift; het Ik verschanst zich in een koel kriticisme
1), in een
‘nieuwe trots, die hij niet verweeken laat.’ Ieder bovenzinnelijk bestaan wordt
als ‘mystiek’ van de hand gewezen; alleen dit éene leven geldt; dit éene
individu, dat te midden van een onbeperkt relativisme enkel nog waarde aan het
toeval hechten kan; en dit éene moment van het Nu, het eenige waarvan we
volkomen zeker mogen zijn (dit laatste als duidelijke repliek op de platonische
‘herinneringen’, waarop ‘alter ego’ in IV zinspeelde.)
- Op dit oogenblik, op het keerpunt van de cyclus, laat ‘alter ego’ het
grof geschut aanrukken tegenover den tegenstander, die in weerwil van zijn
heroïsche allures meer en meer in een verdedigende positie gedrongen is. Het
eenige, dat dit in zichzelf verschanste Ik nog breken kan, wordt hem in twee
aangrijpende kwatrijnen voorgehouden: de dood, - met, daarachter, het verlangen
al- | | | | thans naar een voortbestaan na den dood. Voor de volledigheid
van de terminologie zou men dit het theologische of
eschatologische sonnet van de reeks kunnen noemen (IV).
- ‘Ego’ reageert door zich van zijn solipsisme listig terug te trekken
op het epicurisme
1), aldus de onsterfelijkheid overbodig makend, en bijna
parodiëerend, op het laagst denkbare niveau: dat der onbewuste
zintuigelijkheid. Waar ‘alter ego’ hem de atomistische versplintering van het
Ik voor oogen gehouden heeft (‘Gij hecht u aan een handvol donker zand.’), daar
wijst ‘ego’ op de lustvolle bezieldheid dezer atomen (‘Uit dat versmade zand
ontbloeien rozen.’), op het aardsche paradijs der zich steeds hernieuwende
natuur, waarbij vergeleken de eeuwigheid van het hiernamaals (waarvan het
bestaan echter niet meer ontkend wordt!) ‘koud en hard is als ijs’. Maar in dit
sonnet (VII) heeft ‘ego’ reeds in die mate den invloed van zijn antagonist
ondergaan, dat ieder spoor van het cynisme van den aanvang verdwenen is. Het
nieuwe standpunt, hier met een zekere kinderlijke naïeveteit verdedigd, moet nu
in de laatste sonnetten nog uitgebouwd worden en verrijkt door de inzichten van
‘alter ego’.
- Deze tast dat biologische paradijs der gestreelde zintuigen aan met de
beproefde tactiek van het absolute idealisme om de wereld der
verschijnselen tot schijn te degradeeren. Tegenover dien
phaenomenologischen ‘afglans’ stelt hij de heerlijkheid van het transcendente
‘wezen’, waarnaast de ‘mundus sensibilis’ eigenlijk niet eens bestaat of
hoogstens als ‘spel’ (VIII). | | | |
- Doch zoo gemakkelijk laat ‘ego’ zich niet uit zijn behagelijke tuin
van Epicurus verdrijven! Zoomin als men den geest vermag te kennen zonder hulp
van het menschelijk woord
1), zoomin
kan de wereld der verschijnselen alleen maar een waanbeeld zijn, onbelangrijk
en te verwaarloozen
2). In dit immanente idealisme van IX is dan tevens het compromis aangeduid
(‘de schijn is niet gescheiden van het wezen’, ‘twee werelden zijn in ons éen
geworden’), dat in X, als triomfantelijk slotaccoord, tot de identiteit der beide principes: vorm en stof, geest en natuur,
het ‘verticale’, bovenzinnelijke bestaan en het ‘horizontale’, eeuwig
stroomende leven, definitief bevestigd wordt. -
Vooral na een dergelijke paraphraseerende analyse van het diepzinnige
Janus Bifrons is men alleszins gerechtigd eenigen twijfel te
koesteren aan de authenticiteit van het zelfportret, dat Greshoff in een van
zijn kwatrijnen geteekend heeft, en met de twee eerste regels waarvan ik, als
ironisch epigram, deze studie besluiten wil:
Ik ben precies als Pietersen en Meier
Een doodgewone vaderlandsche vrijer.
S. Vestdijk
|
1)De grootst denkbare spanning wordt wel
bereikt waar Greshoff het gemeenzame dialect van de uitdrukking ‘die binne
binne binne binne’ in een sonnet gebruikt. Dit driemaal herhaalde ‘binnenrijm’
is tevens de kostelijkste parodie op klankraffinementen die zich denken
laat!
1)Whitman? Whitman is een aestheet, vergeleken bij iemand als Greshoff! De Duitsche
naturalisten, de naoorlogsche richting Brod-Klabund kunnen nog eenigszins de
vergelijking doorstaan, maar ook bij hen doet de ‘gewoonheid’ toch eerder aan
als een geraffineerd kunstgenre, evenzoo bij Verlaine en Jammes, en zelfs bij
Corbière en Laforgue, om van de dichters die dit genre slechts sporadisch
beoefenden (b.v. Keats, Rossetti, Rilke) maar te zwijgen.
1)Zeer terecht schrijft Marsman in een kort
essay over Gorter, dat door hem de taal haar ‘organische elasticiteit’ had
verloren.
1)Een zeker element van verstarring brengt ook
het al te druk beoefende en wel zeer literaire procédé om twee of drie selecte
adjectieven aan elkaar te koppelen: ‘onzindlijk en onzeker’, ‘duizelig en
verlegen’, ‘kleinmoedig, machteloos en gebonden’, ‘manlijk en brutaal’, ‘hol en
luid’, ‘geschonden en ontkerkt’, ‘methodisch en met klem’, ‘cynisch en
profaan’, ‘duizlend en verrukt’, ‘blij en heusch’.
2)Waar de epigonen van deze dichterfiguur in
dit opzicht falen (zóo gemakkelijk is de ironie niet te beoefenen!) ziet men
een snelle terugkeer tot de meest ingekankerde ouwe-heeren-rhetoriek. Ik zou
verscheidene jonge tijdgenooten kunnen noemen, die ongeveer in Greshoff's
bravade-toon begonnen zijn en bij Bilderdijk eindigden (‘eindigden’ in meer dan
éen beteekenis...).
1)Het gebed bij den harden dood
b.v. is de uiting van een hemelbestormer, die zich meer voor den ‘hemel’
interesseert dan zich met een zuiver ‘aardsch’ standpunt rijmen laat. Vergelijk
daarmee Greshoff's indifferentie: ‘Van God wil ik voorloopig niet meer
spreken!’ - Overigens moet men een uitzondering maken voor het prachtige slot
van Monsieur Maurice, dat in zijn verbeten opstandigheid
buiten het gewone kader valt, en toch weer geheel anders is, eenvoudiger,
epigrammatischer, dan dergelijke wendingen bij du Perron.
2)B.v. Simili Haikai 6: De
onuitgesproken gedachte achter dit geestige miniatuurtje luidt: hoe
wonderbaarlijk wijs en intelligent moeten steenen hondjes dan gewoonlijk wel
zijn, als men deze steenen hondjes, die op iemand neerzien
omdat hij uit Schotland komt (welk een subtiele beweegreden!), reeds dom moet
noemen! Dit versje lijkt me ook een merkwaardig voorbeeld van het vinden van
een geestige gedachte in een louter spel met woorden: op dezelfde wijze als een
componist, al improviseerend, toevallige accoorden vindt.
1)De toon wisselt nog al eens wat erg bruusk,
vooral bij ‘alter ego’, die uit den aard der zaak ook minder aan Greshoff
verwant is dan zijn tegenspeler. In het zesde sonnet b.v. stort men steil van
de prachtige kwatrijnen in de meer vulgariseerende eerste terzine, en de
‘nieuwe haring’, die in een der oneven nummers volkomen op zijn plaats geweest
zou zijn, detoneert in het slotsonnet; men neemt ook niet zoo gemakkelijk aan,
dat ‘alter ego’ er in den loop van dit philosophisch gesprek toe te brengen was
om maar dadelijk nieuwe haring te gaan eten.
2)Een typisch voorbeeld vindt men in De Maker onder den titel Hij en Zij. Ook in
ander opzicht is dit mooie gedicht voor ons interessant. Het bevat nl. binnen
het kader van een confrontatie van ‘vorm’ en ‘stof’ een zeer fijne
karakteristiek van de vrouwelijke psyche, die den vorm alleen
vermag te begrijpen in de leverde gedaante van den vormer.
Afgezien daarvan dat deze serie van vijf gedichten geen evolutie der standpunten vertoonen zooals Janus
Bifrons, doch een uiteenzetting, blijven zij ook alleen
genietbaar voor hen, die zich reeds van te voren van deze wijsgeerige en
psychologische problemen op de hoogte gesteld hebben. Met name de overgang van
III naar IV moet voor ieder ander onbegrijpelijk zijn.
1)Deze overgang van scepticisme en positivisme
naar het kriticisme, die zich in de sonnetten III en IV voltrekt, schijnt zich
ook in de wijsbegeerte steeds weer te moeten herhalen; daaraan vooraf gaat dan
veelal een ‘dogmatisch’ stadium (vgl. de ontwikkeling van Kant: dogmatisme
(invloed van Wolf) → empiristisch scepticisme (invloed van Hume) → kriticisme),
dat hier niet door een afzonderlijk sonnet vertegenwoordigd is, maar waarop
‘alter ego’ een onmiskenbare toespeling maakt daar waar hij in II zijn
antagonist aan diens jongelingsjaren herinnert. - Overigens vertoont de
gedachtenwereld van dit vijfde sonnet meer overeenkomsten met een Nietzsche of
een Stirner dan, uiteraard, met een theoreticus als Kant.
1)Terecht noemt J.C. Bloem in zijn Inleiding Greshoff een ‘epicuristisch pessimist’. Ook in de
geschiedenis der wijsbegeerte is trouwens het epicurisme vaak aan het
pessimisme gekoppeld, zooals reeds bij de oude Grieksche hedonisten, wier leer
aanleiding geweest moet zijn tot een zelfmoordepidemie. In de sonnetten VI en
VII is de volgorde juist omgekeerd: hier is het de zinnelijke lust die van de
doodsgedachte redt, niet het verlangen naar den dood, dat na de zinnelijke
bevrediging overblijft. In het eene als in het andere geval is de
psychologische samenhang wel duidelijk. Ook andere ongewilde analogieën met het
Grieksche epicurisme zouden nog te noemen zijn, zoo b.v. de atomistische leer der epicuristen; verder hun verhouding tot de
goden, die zij niet afschaften. maar naar de ‘intermundiën’ verbanden, waar zij
in serene rust het menschelijk bedrijf gadesloegen, zonder ooit in te
grijpen.
1)Men lette op den subtielen parallel met III:
dáar de ethische waarden, die ‘alleen maar’ woordklanken zijn, híer de geest,
die zich in en door diezelfde woorden veredelt en kenbaar maakt.
2)Vgl. Goethe: ‘Am farbigen Abglanz haben wir das
Leben.’ Ook op andere plaatsen bevat dit sonnet merkwaardige vingerwijzingen
naar Goethe's pantheïstische levensphilisofie. Men herinnere zich verder
Goethe's ‘spinozisme’, dat hier als het ware den natuurlijken overgang vormt
naar de identiteitsleer van het laatste sonnet.
|
|