[p. 260]

Het vierde internationale congres voor fonetische wetenschappen
Helsinki, 4-9 september 1961

Wie wil geloven in de natuurlijke goedheid, vriendelijkheid en dankbaarheid van de mens, moet vooral luisteren naar de woorden, waarmee congressen worden geopend en gesloten. Ook het congres te Helsinki heeft zich tussen twee reeksen uiterst vriendelijke woorden ontwikkeld. Dat de dankbaarheid van de sprekers vooral zou uitgaan naar de voorzitter A. Sovijärvi en zijn volijverige secretaris, was te verwachten. Eveneens, dat de initiator van de fonetische en fonologische congressen, Jacques van Ginneken, met eerbied zou worden herdacht. Enkele zinnen uit de geestdriftige slotrede van Roman Jakobson zullen evenwel voor sommigen een verrassing zijn geweest. Daartoe behoorde de zin: ‘Linguisten en fysici hebben elkaar volkomen (“perfectly well”) begrepen’. Zo'n uitspraak is in de daarbij behorende situatie aanvaardbaar. Zolang het graf nog niet gesloten is, is ieder overledene een goed mens, aan wiens grote gaven van hoofd en hart met geen mogelijkheid te twijfelen valt. En ieder congres is volledig geslaagd in de mond (en waarschijnlijk ook wel in de geest) van hem die de slotrede uitspreekt. Toch verdient het aanbeveling, bij onze beoordeling van mensen en menselijke pogingen geen absolute predicaten in te voeren en ons in elke situatie bewust te blijven van de betrekkelijkheid der aardse zaken.

Hiermee wil ik niet beweren, dat het congres mislukt is en dat de organisatoren géén recht hebben op onze dankbaarheid. Evenmin, dat de ongeveer 250 congresgangers - beoefenaars van verscheidene wetenschappen, afkomstig uit 35 verschillende landen - elkaar in het geheel níét hebben begrepen. Maar naar mijn mening kan niemand over dat wederzijdse begrip op grond van duidelijke feiten een duidelijke uitspraak doen. Wat in de theorie der spraakklanken problematisch is en eventueel aanleiding had kunnen zijn tot een controverse tussen fysici en linguisten (om ze maar gemakshalve zo te noemen), is in de voordrachten weinig en in de discussies niet aan de orde gesteld. Vijf jaar geleden heeft Reichling in zijn Feature Analysis and Linguistic Interpretation geschreven: ‘One cannot state that the study of phonology, in the almost thirty years since it first made its appearance among the linguistic sciences, has rendered a final solution to the problem of the method for establishing the phonemic inventory of a language. Bij this I do not mean that mere details remain to be solved - indeed, what science does not have to cope

[p. 261]

with that? - but what I mean is that even in principle a complete solution has not been arrived at’. Deze woorden zijn op het ogenblik nog van kracht; en ze gelden niet alleen voor de fonemen, maar ook voor verschijnselen als accent en intonatie. Niemand zal hebben verlangd, dat de door Reichling bedoelde principiële problematiek door de samenwerking van honderden geleerden in vijf dagen tijds tot een oplossing zou worden gebracht. Maar dat daarover vrijwel geheel is gezwegen, is toch wel enigszins teleurstellend.

Het programma vermeldde 25 plenaire en 76 sectie-voordrachten. Lang niet alle voordrachten zijn inderdaad gehouden, daar een aantal sprekers verstek had laten gaan. Er waren er echter nog genoeg, zo niet te veel. De plenaire zittingen waren gewijd aan: 1. akoestische en fysiologische fonetiek, 2. psychologische aspecten van de fonetiek, 3. fonetiek en fonologie. Tijdens de sectie-vergaderingen kwamen ter sprake: 1. moderne middelen bij het fonetisch onderzoek, 2. functies van het strottehoofd, 3. speciale fonetische of fonologische problemen van bepaalde talen, 4. radiografisch en palatografisch onderzoek van het spreken, 5. psychologische aspecten van de fonetiek der kindertaal en logopedie, 6. algemene problemen van de fonetiek, 7. algemene problemen van de fonologie.

Het aantal technische hulpmiddelen, dat bij het onderzoek naar de akoestische en articulatorische eigenschappen der spraakklanken wordt gebruikt, is langzamerhand vrij groot geworden. Ze zijn alle zonder uitzondering een of meer malen aan de orde gesteld, zoals reeds uit de titels der lezingen blijkt. Daarin fungeren termen als ‘sound spectrography, X-ray film cinematography, synchronized cineradiography, photophonelographic analysis, Röntgenkinematographisch-akustische Untersuchungen, computors, rotierende Magnettonköpfe’, enz. Sommige beschouwingen hadden betrekking op vocalen en twee-klanken, andere op consonanten. Over prominentie en accent in het algemeen en over duur, nadruk en toonhoogte in het bijzonder is veel interessants betoogd. De intonatie was het onderwerp van verscheidene voordrachten, evenals de syllabe. Maar er waren ook totaal andere thema's, zoals heesheid, stotteren, spraakstoringen door tweetaligheid, afasie. Er is over het onderwijs in de vreemde talen gesproken, ook over spelling en transcriptie-systemen. Er zijn zelfs in verband met enkele der genoemde onderwerpen theorieën ontwikkeld over de oorsprong der taal, zodat òver de aandachtige hoofden, làngs apparaten voor projectie en geluidsfilms en tègen een vernuftige, in alle onderdelen beweegbare plaquette van de spraakorganen, gedurende een minuut of twintig de adem der achttiende eeuw woei. De congresganger kon luisteren naar uiteenzettingen over fonologische systemen of bepaalde fonemen van het Fins, Russisch, Pools, Iers, IJslands, Nederlands, Frans, Umbrisch, enz., enz. Hoewel daarbij het synchronische de meeste aandacht had, is toch ook meermalen het

[p. 262]

diachronisch aspect behandeld. En ten slotte - om een eind te maken aan een opsomming, die in dit korte bestek noodzakelijk onvolledig moet blijven - waren er de beschouwingen van min of meer algemene aard, al dan niet in verband met elementen van een bepaalde taal.

De intonatie - ‘Over het algemeen is dit onderdeel van de klankleer nog zeer onvoldoende uitgewerkt’ (Fonologie van het Nederlands en het Fries, 2e druk, blz. 56) - was m.i. een der belangrijkste onderwerpen; het is ook belangrijk genoeg om in een beknopt verslag voor een meer gedetailleerde bespreking in aanmerking te komen. M. Romportl (Praag) definieerde in zijn Zum Wesen der Intonation de intonatie als ‘die Summe der phonetischen Erscheinungen, die in der satzphonologischen Ebene oder in der der emotionellen Färbung als Mittel ausgenützt werden’ en betoogde dat voor elke taal een bepaalde hiërarchische ordening van de elementen binnen de bundel fonetische eigenschappen (duur, hoogte, druk) typerend is. Men kan daartegen opmerken, dat die elementen niet zo gemakkelijk isoleerbaar zijn en derhalve hun hiërarchie niet zo gemakkelijk is vast te stellen, en dat de som der gebruikte middelen op zichzelf nooit een zinsintonatie kan zijn of tot stand kan brengen, daar hiervoor op zijn minst een ‘som’-verschil tussen de ene en de andere plaats van de zin noodzakelijk is. L.S. Hulzén (Urbana) trachtte een scheiding te maken tussen hetgeen wel en hetgeen niet relevant is in de intonatie; tot het laatste wilde hij rekenen al wat beschouwd kan worden als ‘accompanying emotional and attitudinal states’. H. -W. Wodarz (Bonn) daarentegen verdedigde de mening: ‘Nicht nur die Kennzeichnung syntaktischer Kategorien, sondern auch die Anzeige, ob eine gefühlsmässige Stellungnahme des Sprechers vorliegt oder nicht, unterliegt bestimmten Gesetzmässigkeiten’. Hij heeft de kwestie onderzocht voor een westslavische dialektgroep en is tot de conclusie gekomen, dat het functie-dragende deel van het toonverloop zich over twee syllaben uitstrekt, die zich meestal aan het eind van de zin bevinden; de syntaktisch-relevante kenmerken zijn aan de niet-geaccentueerde tweede syllabe, de expressief-relevante zijn aan de geaccentueerde eerste syllabe gebonden. Volgens G. Faure (Marseille) - L'intonation et l'identification des mots dans la chaîne parlée - is de intonatie niet een bijkomstig element dat geen andere functie heeft dan het begrijpen van de ‘signifié’ gemakkelijker te maken, maar een uiterst belangrijk onderdeel van de ‘signifiant’. Om dit te bewijzen opereerde hij heel handig met gevallen als ‘Elégant!’ naast ‘Eh, les gants!’, ‘Mais oui, mon cher, réellement.’ naast ‘Mais oui, mon cher Ré, elle ment.’ en vele andere soortgelijke.

Er wordt van een congresganger veel verwacht. Niet altijd kan hij aan die verwachtingen voldoen. Meermalen is hij te moe om een betoog geheel te volgen en zeker om het kritisch te doordenken; bovendien doet hij wel eens uit vier gelijktijdig gehouden voordrachten een verkeerde keus. Als de handelingen zijn gepubliceerd en hij alles rustig kan lezen,

[p. 263]

zal hij met groter zekerheid kunnen vaststellen, welke voordrachten op het gebied der intonatie en op vele andere gebieden een wezenlijke vooruitgang betekenen. Ze zullen, naar ik meen, niet in Finland verschijnen, hoewel alleen al in Porvoo vijf miljoen boeken per jaar worden gedrukt.

De fonetici en de fonologen, de fysici en de linguisten hebben Helsinki, Porvoo en Turku leren kennen, ze hebben de schoonheid in zich opgenomen van de Finse meren en het Finse landschap. Het congres is bijna volledig, alles wat er zo bij kwam is (laat ik het toch maar zeggen) volledig geslaagd.

C.F.P. Stutterheim