|
|
|
| |
| | | |
Hardop lezen als een vorm van continu taalgebruik
Inleiding
In zijn artikel ‘Versprekingen als verklappers van het proces van spreken en verstaan’ heeft Cohen enige jaren geleden in dit tijdschrift laten zien hoe een systematische bestudering van fouten in de productie van taalmateriaal een bijdrage zou kunnen leveren tot een beter inzicht in de organisatie van taalgegevens en van taalgebruik in het brein van de taalgebruiker.1 Dit onderzoek van Cohen was, zoals zoveel ander recent taalpsychologisch onderzoek, geïnspireerd door Lashley's beroemde artikel ‘The problem of serial order in behavior’.2 In deze zelfde lijn wil het onderstaande een poging zijn om iets te leren over de organisatie van taalgebruik door een systematische bestudering van fouten, die gemaakt worden in hardop lezen. De gedachte dat fouten in de waarneming en productie van taalgebruik relevant zouden kunnen zijn voor onze kennis omtrent de mechanismen, die bij dat taalgebruik een rol spelen, is al aanzienlijk ouder dan Lashley's artikel. In 1895 publiceerden Meringer en Mayer hun uitvoerige collectie versprekingen en verlezingen, in 1908 uitgebreid en opnieuw uitgegeven door Meringer.3 In diezelfde tijd verscheen een uitvoerige experimenteel-psychologische studie over het lezen door Erdmann en Dodge, waarin onder andere perceptieve verwisselingen geanalyseerd werden.4 Perceptieve verwisselingen zijn ook later door vele onderzoekers systematisch onderzocht, vooral met behulp van kortdurende flitsmatige aanbieding. In de laatste jaren is er, vooral onder invloed van Lashley, met name aandacht gekomen voor het taalgebruik als in de tijd voortgaande activiteit en zo zijn er een aantal studies waarin juist dit continue karakter van het taalgebruik het hoofd-accent kreeg. Het is niet verwonderlijk, dat, wanneer men door het bestuderen van de systematiek in fouten in het taalgebruik meer inzicht wil verwerven in de organisatie van taalgebruik, men er toe komt om het hardop lezen te bestuderen. Hierbij zijn op eenvoudige wijze fouten te induceren en deze zijn ook makkelijk als zodanig te herkennen. In Engeland heeft Morton met dit doel proefpersonen statistische benaderingen van het Engels laten lezen, daarbij gebruik makend van de wetenschap dat niet-grammaticale woordopeenvolgingen lastiger te lezen zijn dan grammaticale.5 In Amerika heeft Kolers zijn bilinguale proefpersonen tweetalige teksten laten lezen.6 Meer recentelijk heeft hij
| | | | proefpersonen geometrische getransformeerde teksten, zoals spiegelschrift, inversie etc. laten lezen.7 In het hieronder beschreven onderzoek is het de proefpersonen lastig gemaakt door hun een hoge leessnelheid op te leggen en door bepaalde hulpmiddelen in de tekst weg te laten, zoals leestekens en hoofdletters. De bedoeling was om een indruk te krijgen van de strategieën van de taalgebruiker, wanneer hij in hoog tempo taalmateriaal moet verwerken.
| |
Methode
Het opleggen van een hoge leessnelheid is bereikt met behulp van een ‘lintlezer’, een apparaat waarmee een tekst, getypt op een papieren lint, door een instelbaar raam aan de proefpersoon getoond wordt. Het lint beweegt zich van rechts naar links met een instelbare snelheid. De proefpersoon zit op normale leesafstand, d.i. ongeveer 40 centimeter van de tekst. De tekst was getypt met een normale schrijfmachineletter van gebruikelijke grootte. De wijdte van het raam was voor het experiment zo gekozen dat ca 12 lettergrepen tegelijk zichtbaar waren.
Voor dit experiment zijn een vijftal teksten opgesteld, bestaande uit op zich goed interpreteerbare zinnen, die echter semantisch geen verband met elkaar hielden. Hoofdletters en interpunctie zijn niet gebruikt. Iedere tekst was ongeveer 600 woorden lang. Niet iedere tekst is door evenveel proefpersonen gelezen. In totaal is 53 maal een tekst aangeboden, zodat het totaal aantal aangeboden woorden ruim 30.000 was. Omdat de leessnelheid waarbij fouten ontstaan zonder dat de taak helemaal onuitvoerbaar werd, per proefpersoon sterk verschilde, werd voor iedere proefpersoon vooraf vastgesteld wat zijn maximale snelheid van hardop lezen was. De opdracht aan de proefpersoon was om de tekst op het lint hardop te lezen met een zo goed mogelijke intonatie zonder eventuele fouten te corrigeren. De stem van de proefpersoon werd op de band vastgelegd en naderhand werd al het gesprokene zorgvuldig afgeluisterd en uitgeschreven.
De instructie van een zo goed mogelijke intonatie werd gegeven om de proefpersonen te dwingen zo veel mogelijk hun best te doen om de grammaticale structuur van de woordopeenvolgingen te onderkennen. Daarmee werd voorkomen dat zij zouden volstaan met het opsommen van herkende woorden. De instructie om de gemaakte fouten niet te corrigeren werd gegeven om de proefpersonen zo min mogelijk van de tekst te laten missen.
| |
Resultaten
Achtereenvolgens zullen aan de orde komen fouten van vervanging, weglating en toevoeging van woorden, fouten met betrekking tot hele
| | | | woordgroepen, versprekingen, perseveraties van grammaticale verschijnselen en het ontstaan van nonsensvormen. Buiten beschouwing zijn gebleven de fouten die ontstaan zijn door het weglaten van hele woordgroepen tengevolge van ademnood. Dit kwam nog al eens voor doordat de lintlezer doorliep in de adempauzes van de proefpersonen. Ook alles wat onverstaanbaar was is niet in beschouwing genomen.
| |
Vervanging van woorden
Bij 30.000 aangeboden woorden zijn 242 gevallen genoteerd waarin een woord werd vervangen door een ander woord. Zoals te verwachten was lijkt vaak het letterbeeld van een woord dat vervangen wordt sterk op het letterbeeld van het vervangende woord.
In 85 gevallen werd een woord vervangen door een woord met overeenkomstig letterbeeld zonder dat beide woorden hetzelfde stammorfeen hadden. Voorbeelden hiervan zijn:
| in wat voor humeur (humeur → humor) |
| laten we de luidheid meten (luidheid → luiheid) |
| wil je wat snoep kiezen (snoep → soep) |
| Mink likt de melk (likt → liet, lijkt) |
De visuele overeenkomst tussen beide woorden is af te lezen uit woordlengte, die zelden meer dan twee letters verschilt, en het identiek zijn van een aantal letters, en wel vaker de eerste en laatste dan de overige.
Andere factoren dan visuele overeenkomst alleen, spelen kennelijk een belangrijke rol bij 58 vervangingen van woorden door woorden met hetzelfde stammorfeem, maar andere morfologische structuur, veroorzaakt door vervanging, weglating of toevoeging van suffix en/of prefix, of zelfs vocaalwisseling. Voorbeelden hiervan zijn:
| ook niet erg aangenaam (aangenaam → onaangenaam) |
| de spreker verkeert (verkeert → verkeerde) |
| hoe ontstaat dus die term (ontstaat → bestaat, staat) |
| dat tijdstip schreven ze (schreven → beschreven) |
| worden ze ook niet (worden → werden) |
Dat de visuele overeenkomst tussen een woord in de tekst en andere woorden niet de enige factor is die invloed uitoefent op het tot stand komen van verwisselingen, blijkt ook duidelijk uit een groep van 99 gevallen waar een woord vervangen wordt door een woord, dat grammaticaal en/of semantisch equivalent is. Voorbeelden:
| we hebben het weer gemerkt (gemerkt → gezien) |
| de vispan (de → die) |
| in het basilair membraam (in → uit) |
| een bandbreedte (een → de) |
De overgrote meerderheid van deze gevallen betreft leden van gesloten woordklassen, zoals lidwoorden, voegwoorden, voorzetsels, voornaam- | | | | woorden. Grammaticale equivalentie was trouwens ook in de meeste gevallen van de eerder genoemde categorieën van fouten aanwezig, zoals blijkt uit tabel 1. Hieruit is af te lezen, dat zelden een woord werd vervangen door een woord uit een andere woordklasse. Wel werd een groot aantal malen een aanwijzend voornaamwoord gelezen als een lidwoord, wat verband kan houden met het feit dat deze woordklassen vrijwel dezelfde syntactische plaatsingsmogelijkheden hebben.
Tabel 1. Vervangingsmatrix van woorden die vervangen zijn bij snel hardop lezen.
| gelezen woorden: |
znw |
ww |
bvn |
telw |
lidw |
vnw |
voorz |
voegw |
bijw |
| woorden in de tekst: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| znw |
51 |
2 |
6 |
|
|
|
|
|
1 |
| ww |
3 |
54 |
|
|
|
|
|
|
1 |
| bvn |
4 |
1 |
7 |
|
|
|
1 |
|
|
| telw |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
| lidw |
|
|
|
|
28 |
7 |
|
|
|
| vnw |
|
|
|
|
26 |
33 |
|
1 |
|
| voorz |
|
|
|
|
|
|
6 |
|
|
| voegw |
|
|
|
|
|
|
|
1 |
|
| bijw |
|
1 |
|
|
|
4 |
1 |
|
3 |
Wanneer een lidwoord of aanwijzend voornaamwoord werd vervangen door een lidwoord of aanwijzend voornaamwoord, was het meestal zo, dat het vervangende woordje in overeenstemming was met het geslacht van het volgende zelfstandige naamwoord. Dit gebeurde 41 maal. In 16 gevallen bleef er een discrepantie bestaan tussen het geslacht van de 2 woorden. Een aantal malen gebeurde het, dat een de-woord werd vervangen door een het-woord en dat het lidwoord meeging:
| dat koppie → de kopie |
| de buitenwereld → het buitenland |
Dat niet alleen de grammaticale maar ook de semantische context van belang zijn moge blijken uit het volgende voorbeeld:
| hij drinkt alleen poederkoffie heb je de buiken en knopen gezien |
| (buiken → suiker) |
Ondanks de uitdrukkelijke instructie om de gemaakte fouten niet te corrigeren, trad toch in een vrij groot aantal gevallen correctie op. Dit geldt trouwens ook voor de nog te behandelen categorieën van fouten. Eén geval van ‘correctie’ is bijzonder interessant omdat hier het correcte woord wordt vervangen door een ander daarop lijkend woord:
| dit apparaat → dit appa... dit preparaat |
| |
| | | |
Weglating van woorden
In 91 gevallen zijn woorden weggelaten zonder dat er sprake was van een adempauze of andere onderbreking in de reproductie. Het overgrote deel (82) werd uitgemaakt door korte woorden, meestal leden van gesloten woordklassen. In verreweg de meeste gevallen (70 van de 91) bleef de grammaticaliteit van de woordgroep door de omissies onaangetast:
| op die manier krijg je (het) licht terug |
| wat zie je (nu) op die geprikkelde plaatsen |
| er was (een) duidelijk gebrek aan geld |
| dat er een tijdsverschil (tussen) bestaat |
Dat vooral leden van gesloten woordklassen worden weggelaten zou kunnen samenhangen met het feit dat de gemiddelde lengte van leden van gesloten woordklassen slechts 2,8 letters is, terwijl de gemiddelde lengte van leden van open woordklassen voor de gebruikte teksten 6,6 letters is. Men kan zich voorstellen dat korte woordjes meer kans hebben niet te worden waargenomen dan lange woorden. Maar het is duidelijk, dat dit niet de enige factor kan zijn die bij weglatingen een rol speelt. De eisen van de grammaticaliteit blijken ook hun invloed uit te oefenen op het al of niet weglaten van een woord. En ook in dit opzicht is er een verschil tussen leden van open en leden van gesloten woordklassen. Weglating van zelfstandige naamwoorden en werkwoorden zal eerder tot agrammaticale woordgroepen leiden dan weglating van lidwoorden, voornaamwoorden, voegwoorden, voorzetsels en bijwoorden als dus, ook, nu.
Weglating van bijvoeglijke naamwoorden zal in het algemeen weinig schade berokkenen aan de grammaticaliteit, maar deze kwamen in de gebruikte teksten heel weinig voor.
| |
Toevoeging van woorden
Men zou misschien geneigd zijn het grote aantal weglatingen te verklaren uit het tijdgebrek waarin de proefpersonen verkeerden, maar dan is het wel verrassend om te zien dat in een nog groter aantal t.w. 106 gevallen, woorden zijn toegevoegd. Dit waren vrijwel uitsluitend leden van gesloten woordklassen. In enkele gevallen lijkt er een zelfstandig naamwoord toegevoegd te zijn, maar vermoedelijk is daar sprake van een gecorrigeerde vervanging:
| met een /aantal/ analysepoort |
Voorbeelden van echte toevoegingen van woorden zijn de volgende:
| volgens /de/ bestaande schemata |
| had je /dit/ niet door dat... |
| zijn er al /niet/ genoeg televisietoestellen |
| maar dat is /nu/ geschreven |
| | | |
Slechts in 15 gevallen leidden dergelijke toevoegingen tot agrammaticale woordgroepen en van deze 15 gevallen zijn er 10 waarin de toevoegingen typisch het gevolg waren van een aanvulling van het voorafgaande tot zeer frequente woordverbindingen:
| dat er een tijdsverschil /ligt/ tussen bestaat |
| je moet geen spijkers /met/ op laag water zoeken |
| dat is dan een voorbeeld /uit/ dat |
| we zaten /samen/ zoveel dB boven nul |
| een paar /minuten/ punten |
Deze gevallen zijn vermoedelijk ook te beschrijven als gecorrigeerde vervangingen, hoewel men de indruk krijgt dat de toegevoegde woorden hier uitsluitend van het voorafgaande en niet van het vervangen woord zelf afhangen, behalve misschien in het laatste voorbeeld, waar een geringe visuele overeenkomst tussen punten en minuten een rol gespeeld kan hebben.
In een aantal gevallen is het toegevoegde woord kennelijk afhankelijk van wat volgt:
| een slimme schakeltechniek /valt/ samen met |
| een /heel/ andere |
| zo'n /mooie/ zomerjurk |
| op dat moment /nog/ geen beslissing genomen |
| |
Fouten met betrekking tot hele woordgroepen
Bijzonder onthullend is een grote groep van fouten waarbij enkele trefwoorden uit de tekst voor de lezer voldoende waren om daaromheen woordgroepen te produceren die vaak sterk afwijken van de tekst. Voorbeelden daarvan zijn:
| dit heeft niets te maken met → dit hoeft niets te maken te hebben met |
| dan rijd je eerst het bouwbureau om → dan rijd je eerst naar het hoofdbouwbureau |
| en hij maar stenen aansjouwen → en hij moet maar stenen sjouwen |
| dat is vast slaap geweest → dat is vast in slaap gevallen |
| 't toelichten aan een voorbeeld → een toelichting geven aan 't voorbeeld |
Soms treedt correctie op doordat de geproduceerde woordgroep niet in overeenstemming is met verdere visuele gegevens over de tekst:
| het beste lijkt me met rood krijt een kruis er door te zetten → |
| het beste is datje met rood krijt een kruis er door z.. te zetten |
| |
Versprekingen
Een 150-tal fouten komt oveieen met versprekingen in spontane spraak.
| | | |
Dit zijn anticipaties, perseveraties en transposities van fonemen, woorddelen en hele woorden. Voorbeelden zijn:
| vijfhonderd Hertz → vijfhendert Hertz |
| stil spreken → spil spreken |
| verkeersgedrag → verkeersverdrag |
| als je de sprong groter maakt → als je de sprong maakt groter |
| aan de kleurwaarde en → aan de kleurwaarde aan |
| |
Perseveraties van grammaticale verschijnselen
Belangwekkend zijn een aantal fouten waarbij perseveraties van grammaticale verschijnselen plaats vindt. Heel vaak is dit tijd en/of persoon van een werkwoordsvorm. Voorbeelden hiervan zijn:
| het is duidelijk dat iets moest gebeuren (moest → moet) |
| we stappen nu af van de informatie ga een pen kopen (ga → gaan, we gaan, en gaan) |
| bevat buitengewoon weinig redundantie ze hadden (hadden → hebben) |
| gingen vrij vloeiend in elkaar over 't is duidelijk in wat voor humeur de spreker verkeert (verkeert → verkeerde) |
Ook komt het nog al eens voor dat een persoonlijk voornaamwoord terugkomt in dezelfde of in verbogen vorm en wel na een veel grotere afstand dan normaal is voor perseveratie van vormelijke verschijnselen. Voorbeelden:
| die we kunnen opknappen u ziet hier een cumulatief histogram het zou mooi zijn als je (je → we) |
| zou je van een spiraal kunnen spreken ik zal 't toelichten ('t toelichten → 't je toelichten) |
| hij is geloof ik in de werktuigbouw moetje niet (moetje niet → moetje 'm niet) |
| Ik heb niet de moed om mee te spelen het tegenstrijdige zit in de cylindrische correctie waarbij het vanzelf komt (waarbij het vanzelf komt → waarbij het me vanzelf komt) |
In één geval persevereert de structuur van een woordgroep over een andere woordgroep heen:
| als je de sprong groter maakt er is geld genoeg voor de echoput heb |
| je dit lijstje met wensen gekregen (heb je dit lijstje met wensen gekregen → als je dit lijstje met wensen gekregen hebt) |
| |
Het ontstaan van nonsensvormen
Alle verlezingen die hiervoor behandeld zijn konden geïnterpreteerd worden in termen van bestaande woordvormen en grammaticale structuren. In een paar gevallen was dit niet mogelijk en wel wanneer een
| | | | bepaald woord in de tekst niet leidde tot de waarneming van een bestaand woord en de lezer vermoedelijk probeerde letters te herkennen. Voorbeelden daarvan zijn:
| redundantie → rüdünantie |
| iporeünisten → Ipnerünist |
Dat hier niet sprake is van soortgelijke verschijnselen als bij versprekingen optreden blijkt uit het feit dat aan sommige letters een onjuiste foneem-waarde wordt toegekend waardoor het aannemelijk wordt dat de betreffende woorden inderdaad niet herkend zijn. Bovendien was ook het accentpatroon van de gelezen nonsensvormen een ander dan van de bedoelde woorden.
| |
Discussie
Bij het interpreteren van de beschreven verlezingen zal men er rekening mee moeten houden dat het niet altijd duidelijk is of een bepaalde verlezing tot stand gekomen is bij de waarneming of bij de reproductie. Dit brengt een onzekerheid met zich mee die tot voorzichtigheid dwingt. Toch lijkt het niet onmogelijk om ons een voorstelling te maken van de organisatie van het hardop lezen als vorm van taalgebruik, waarin de meeste van de gevonden verlezingen een plaats kunnen krijgen. Cohen heeft, uitgaande van een suggestie van Lashley, aangenomen dat taalgebruik georganiseerd is in een hiërarchie van ten minste 4 lagen, t.w.
| a. | een taalpotentiëel, d.i. een ingewikkeld netwerk van relaties van taalmateriaal, gebaseerd op semantische en formele overeenkomsten. |
| b. | een plan, inhoudend een selectie uit dit potentieel. Deze selectie wordt bepaald door de situatie waarin de spreker zich bevindt en door de bedoeling die hij wenst over te brengen. |
| c. | een programma, dat bestuurd wordt door de volgorderegels van de taal en de stylistische behoeften van het ogenblik. |
| d. | de uitvoering van dit programma door de productie van akoestische spraaksignalen.8 |
Deze hiërarchie, die zou bestaan in de organisatie van de productie van taalmateriaal lijkt, ook heel goed van toepassing op de reproductie van taalmateriaal die plaats vindt bij het hardop lezen, wanneer men aanneemt dat de selectie vanuit het taalpotentiëel niet bepaald wordt door de bedoeling die de spreker wil overbrengen, maar door de binnenkomende visuele informatie.
De gevonden verlezingen geven aanleiding om achtereenvolgens iets te zeggen over het taalpotentiëel, de selectie en de programmering.
Zeer veel van de gevonden woordverwisselingen kunnen het best verklaard worden als we aannemen dat de lezer toegang heeft tot een groot aantal op afroep beschikbare woorden. Immers, de meeste verwisselin- | | | | gen zijn niet zonder meer verklaarbaar uit het mislezen van één of meer letters, omdat dit slechts in uitzonderingsgevallen weer tot bestaande woorden zou leiden. De lezer leest woorden en geen letters, al zal hij in geval van nood een beroep kunnen doen op letter-voor-letter herkenning. Het lijkt zinvol om aan te nemen dat in het brein van de lezer met ieder woord een visuele woordvorm correspondeert. Dat volgens de gevonden verlezingen niet alleen letters, maar ook met morfemen corresponderende lettergroepen deel blijken uit te maken van de visuele woordvorm, pleit er voor dat deze op een hiërarchische wijze georganiseerd is analoog aan de opbouw van articuleerbare woordvormen uit fonemen en morfemen. De organisatie van de verzameling visuele woordvormen moet zodanig zijn dat vormen die elementen met elkaar gemeen hebben door dezelfde visuele informatie aangeslagen kunnen worden, waardoor hun kans om als reactie beschikbaar te komen vergroot wordt. En daarmee zijn we gekomen op het terrein van de selectie van woordvormen.
Een van de meest opvallende verschijnselen bij het snel hardop lezen is het bijzonder grote gemak waarmee de meest uiteenlopende woorden als reactie op komen dagen, vaak zelfs zonder dat de corresponderende visuele informatie aanwezig is. Men krijgt de indruk dat, wanneer het de lezer moeilijk gemaakt wordt om een optimaal gebruik te maken van de binnenkomende visuele informatie, het aantal mogelijke reacties toeneemt. Dat dit niet een gevolg is van de tijdnood waarin de sprekers verkeerden mag blijken uit het feit dat hetzelfde gevonden is in een later experiment waarbij het de proefpersonen moeilijk is gemaakt door de afstand tot de tekst te vergroten, en waarbij geen tijdnood aanwezig was.9 Bij dit experiment is ook gebleken dat het aantal uiteenlopende reacties voor losse woorden aanzienlijk groter is dan voor woorden in een samen- hangende context. Het lijkt wel zo te zijn dat de informatie verschaft door de visuele gegevens en door de grammaticale en semantische context een vloed van als reactie beschikbare woorden indamt.
De visuele gegevens die een rol spelen bij de woordherkenning zijn volgens de verwisselingen woordlengte en herkende woorddelen, waarbij woorddelen, zoals eerder bleek, zowel letters als met morfemen corresponderende lettergroepen kunnen zijn. Overigens is uit andere experimenten bekend dat bij het normale lezen nog een andere visuele factor van belang is voor de herkenning van woorden die met de rand van het gezichtsveld worden gezien. Dat is de contour van de woordvorm zoals die bepaald is door de visuele woordlengte en de plaats van de letteruitsteeksels van de hoge en de lage letters.10 Deze zelfde factor is naar voren gekomen bij het lezen op afstand.11
Het belang van de directe context voor het als reactie beschikbaar komen van een woord blijkt uit tabel 1. Deze laat zien dat, als een woord uit de tekst in de reproductie vervangen wordt, dit vrijwel steeds zal gebeuren door een woord met dezelfde syntactische plaatsingsmogelijk- | | | | heden. Een aantal van de gevonden verwisselingen laten zien dat niet alleen de linksstaande context, maar ook de rechtsstaande context hun invloed op het selecteren van woorden uitoefent. Voor de syntactische context blijkt dat uit verwisselingen als ‘dat koppie’ → ‘de kopie’ en voor de semantische context uit toevoegingen zoals ‘een/mooie/zomerjurk’.
De invloed van de rechtsstaande context demonstreert, dat bij het hardop lezen de verwerking van het binnenkomende materiaal niet woord voor woord, maar in groepen van meerdere woorden tegelijk gebeurt. Juist hierdoor is een zo efficiënt mogelijk gebruik van de context mogelijk.
De invloed van de context op het selecteren van een woord lijkt voornamelijk afhankelijk van de syntactische en semantische structuur van die omgeving. Deze structuur is niet een eigenschap van de binnenkomende visuele informatie, maar, in Lashley's woorden, ‘a generalized pattern imposed upon the specific acts as they occur’.12 Hier komt dan het programma aan bod. Wanneer, door de hoge leessnelheid, de lezer onvoldoende gelegenheid krijgt om een optimaal gebruik van de visuele gegevens te maken, lijkt hij om enkele geselecteerde woorden heen, woordgroepen te gaan produceren volgens de regels van de taal en volgens semantische waarschijnlijkheden. Om aan de eisen van de grammaticaliteit te voldoen kunnen dan woorden weggelaten en woorden toegevoegd worden. Dat de weggelaten en toegevoegde woorden voornamelijk grammaticale woorden zijn, zoals voorzetsels, lidwoorden en voegwoorden, zou er op kunnen wijzen dat de semantisch belangrijke woorden, als zelfstandige naamwoorden en werkwoorden, het meeste gewicht hebben voor het te voorschijn roepen van een bepaalde syntactische structuur, terwijl de grammaticale woorden dikwijls pas onder invloed van de gekozen syntactische structuur geselecteerd zouden worden. Hoe sterk de selectie van een bepaald woord het opwekken van een bepaalde syntactische structuur kan beïnvloeden, zelfs wanneer deze in flagrant conflict is met de verder binnen komende informatie, kan blijken uit zulke verlezingen als ‘dit heeft niets te maken met’ → ‘dit hoeft niets te maken te hebben met’. Dat het conflict wel degelijk aanwezig is komt vaak tot uiting in een correctie achteraf. Het ene geval waarin de structuur van de woordgroep ‘als je de sprong groter maakt’, persevereert over een andere woordgroep heen, en dan de woordgroep ‘heb je dit lijstje met wensen gekregen’ omvormt tot ‘als je dit lijstje met wensen
gekregen hebt’, laat de syntactische structuur zien als een ‘generalized pattern’, met een eigen psychische status, los van de woorden waarop het kan worden toegepast.
Typische programmafouten zijn ook de fouten die overeenkomen met versprekingen in spontane spraak. Deze tonen hoe delen van een woordgroep over een bepaalde afstand heen invloed kunnen uitoefenen op
| | | | elkaar door anticipatie, perseveratie of transpositie. De maximale afstand waarover twee zulke delen elkaar op deze wijze beïnvloeden ligt zowel voor spontane spraak als voor hardop lezen in de buurt van de 7 syllaben.13 Dit zou een aanwijzing kunnen zijn dat 7 syllaben ongeveer de programmasteek is waarin dat, wat werkelijk gearticuleerd gaat worden, voorbereid wordt.
De perseveraties van grammaticale verschijnselen als tijd en getal van werkwoordsvormen maken aannemelijk, dat dergelijke grammaticale noties corresponderen met eenheden die een psychische status hebben en die kunnen persevereren over veel grotere afstanden dan met vormelijke verschijnselen het geval is. Dit is ook het geval bij de perseveratie van de betekenis van persoonlijke voornaamwoorden. Grammaticale en semantische informatie wordt langer vast gehouden dan vormelijke informatie. Er lijkt tijdens de voortgaande constructie van een gearticuleerde reproductie van de gelezen tekst een voortdurende overspraak te bestaan tussen de semantische codering, de syntactische structuur en het vormelijke materiaal dat in een programmasteek klaar ligt om gearticuleerd te worden.
Het bovenstaande is niet anders dan een aantal niet helemaal samenhangende, metaforisch geformuleerde observaties naar aanleiding van de verlezingen die optreden bij het snel hardop lezen. Een volledig en expliciet model voor het waarnemen en (re) produceren van taalmateriaal ligt vermoedelijk nog heel ver van ons vandaan. Toch hoop ik door deze gebrekkige proeve van experimenteel-linguïstisch onderzoek aannemelijk gemaakt te hebben dat de bestudering van leesprocessen een bruikbaar middel zou kunnen zijn om meer te weten te komen over de organisatie van taalgebruik. Ook meen ik dat het niet onmogelijk is dat de observaties betreffende het hardop lezen ook geldigheid hebben voor het stil lezen. De verlezingen en zelfs ‘versprekingen’ waarop ik mezelf betrapt heb tijdens het stil lezen zijn van dezelfde soort als die bij hardop lezen optreden en doen vermoeden dat bij het stil lezen een interne reproductie geconstrueerd wordt op dezelfde wijze als bij hardop lezen.
S.G. Nooteboom
|
1A. Cohen: ‘Versprekingen als verklappers van het proces van spreken en verstaan’. Forum der letteren 6, blz. 175-186, 1965.
2K.S. Lashley: ‘The problem of Serial Order in Behavior’, in L.A. Jeffres (ed.), Hixon Symposium on Cerebral Mechanisms in Behavior, New York, 1951, blz. 112-136.
3R. Meringer und R. Mayer: Versprechen und Verlesen, eine Psychologisch-linguistische Studie, Stuttgart, 1895.
R. Meringer: Aus dem Leben der Sprache, Berlin 1908. De belangstelling van Freud voor versprekingen is genoegzaam bekend. Freud's interpretatie van deze en dergelijke verschijnselen is uit taalkundig oogpunt weinig interessant. Zie hiervoor S. Freud: Zur Psychopathologie des Alltaglebens. Gesammelte Schriften von Sigmund Freud, Vierter Band. Wien 1924.
4Benno Erdmann und Raymond Dodge: ‘Psychologische Untersuchungen über das Lesen auf experimenteller Grundlage’. Halle a.S. 1898.
5J. Morton: ‘A Model for Continuous Language Behaviour’, Language and Speech, 1964, vol. 7: blz. 40-70. De statistische benaderingen die Morton gebruikte lopen van nulde tot achtste orde-benadering, waarin een nulde
orde benadering zo gedefiniëerd is dat ieder woord van de tekst onafhankelijk van de andere woorden is gekozen, een eerste orde benadering zodat steeds twee woorden syntagmatisch verbonden zijn, etc.
6P. Kolers: ‘Reading and talking bilingually’, American Journal of Psychology, Vol. 79, blz. 357-376, 1966.
7P. Kolers: ‘The recognition of geometrically transformed text’, Perception and Psychophysics, Vol. 3, blz. 57-64, 1968.
8A. Cohen: ‘Errors of Speech and their Implication for Understanding the Strategy of Language Users’, IPO Annual Progress Report, I, 1966, blz. 44 vlgg. Zie ook wat Cohen schreef in het Zeitschrift für Phonetik, Sprachwissenschaft und Kommunikationsforschung, Band 21, Heft 1/2, blz. 178-181, 1968.
9S.G. Nooteboom and H. Bouma: ‘On Reading Nonsense Syllabes, Whole Words and Coherent Text from a Relatively Long Distance’ IPO Annual Progress Report no. 3, 1968, blz. 47 vlgg.
10Onder andere in het in noot 4 genoemde werk van Erdmann en Dodge.
|
|