|
|
|
| |
| | | |
Ik heb de band lek Een oostnederlandse constructie
C. van Bree
Samenvatting. - Dit artikel doet verslag van een taalgeografisch en syntactischsemantisch onderzoek naar de in de oostelijke helft van het Nederlandse taalgebied voorkomende constructie ik heb de band lek (hebben met bepaling van gesteldheid van de tweede soort) tegenover ABN ik heb een lekke band of mijn band band is lek. Twee schriftelijke enquêtes verschaften het materiaal op grond waarvan enigermate het gebied met de constructie kon worden afgebakend (zie het kaartje tegenover blz. 6). Het is mogelijk dat in dit gebied een oude constructie met hebben in een met ‘bezitten’ verwante betekenis bewaard is gebleven. Door twee mondelinge enquêtes in Borne (Twente) en omgeving met behulp van plaatjes, waaronder zinnen moesten worden aangevuld, werden de gebruiksmogelijkheden gepeild. De voornaamste uitkomst was dat het subject altijd persoonlijk, evt. gepersonifieerd is en dat er tussen subject en object sprake is van een nauwe bezitsrelatie.
| |
O. Preliminair
Dit artikel bevat een kort verslag van de resultaten van een Leidse werkgroep Nederlandse taalgeografie in het eerste semester van het cursusjaar 1973-74. De deelnemers waren behalve de auteur van dit artikel: Frans Bolsius, Anneke Boot, Frank Jansen, Rugajah van der Lem-Mashabi, Jos Nijhof, Paul van der Plank, Marie-Josée Schuur-Snoeck, Kees Snoek, Kees Thomassen en Jan Voogd. Jos van Houwelingen hielp mee door voor de mondelinge enquête plaatjes te maken, waarvan een voorbeeld te zien is op blz. 9.
De groep is Mevr. Dr. Jo Daan en haar medewerkers van het Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde te Amsterdam, voorts de correspondenten van dit Instituut en alle eigen informanten in Borne (Twente) en omgeving dankbaar voor alle medewerking.
Het ligt in de bedoeling het onderzoek voort te zetten. Een uitvoerig verslag is zolang de voorraad strekt, verkrijgbaar bij de Vakgroep Nederlandse taal- en letterkunde, Levendaal 150 te Leiden.
| |
1. Keuze van het onderwerp
Een Leidse werkgroep van kandidaten in de Nederlandse taal- en letterkunde onder mijn leiding wilde zich in het eerste semester van het
| | | | cursusjaar 1973-74 bezig houden met een taalgeografisch onderzoek. De moeilijkheid was een geschikt onderwerp te vinden. Een anekdotisch verhaal van Dr. Jo Daan bracht ons op een goed idee. Op haar Dialectenbureau werkte indertijd een assistent, die door bandepech nogal eens te laat kwam. Kwam hij maar weinig te laat, dan luidde de verklaring ‘Ik had een lekke band’, kwam hij heel erg te laat, dan luidde ze ‘Ik had de band lek’. In een toestand van opgewondenheid gebruikte hij een constructie die niet tot het algemene Nederlands behoort maar inheems is in de oostelijke streek waar hij vandaan kwam. Deze constructie (ik heb de band lek, evt. ik heb mijn band lek) leek ons een geschikt object om in kaart te brengen: we mochten verwachten dat het kaartbeeld een duidelijk verschil zou laten zien tussen gebieden mèt en gebieden zónder de constructie, zonder dat de zaak voor beginnelingen te ingewikkeld zou worden; aantrekkelijk was ook dat we ons met een syntactisch onderwerp zouden bezig houden en daarmee een nog weinig ontgonnen terrein van de taalgeografie zouden betreden.
Toen we het onderwerp gekozen hadden, konden we met onze werkzaamheden beginnen: het verzamelen van de gegevens (zie § 2), de verwerking en kartering daarvan (zie § 3) en de interpretatie van de aldus ontstane kaarten (zie § 4). Verder wilden we nadat we enige tijd bezig waren geweest, dieper inzicht verkrijgen in de gebruiksmogelijkheden en -onmogelijkheden van de constructie, althans in één bepaald dialect, het Twents; hiervoor organiseerden we in Borne (Twente) en omgeving een mondelinge enquête (zie § 5), waarvan we de gegevens gebruikten voor een semantische en syntactische beschrijving (zie § 6). (Borne werd uitgekozen om de praktische reden dat daar één van onze deelnemers uit afkomstig was.)
| |
2. Materiaalverzameling
Het grootste deel van ons materiaal verzamelden we door middel van een schriftelijke enquête door het gehele land. Deze enquête werd georganiseerd door het Amsterdamse Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde, dat de beschikking heeft over een uitgebreid netwerk van correspondenten, die in sommige gevallen hun eigen dialect optekenen, in andere dat van anderen. De vragenformulieren werden aan in totaal 1346 medewerkers verzonden. Daarvan hadden we er 15 dec. 1974 809 ingevuld teruggekregen, betrekking hebbende op 628 plaatsen.
Nagenoeg dezelfde enquête organiseerden we zelf nog onder een aantal
| | | | politiemensen in de gebieden waar de grens tussen ‘Oost’ en ‘West’ doorheen moest lopen en waarvoor het ons nog aan voldoende gegevens ontbrak. We kozen politiemensen omdat de aanwezigheid daarvan in iedere plaats verzekerd is en deze mensen geacht mogen worden brede lagen van de bevolking te kennen en daardoor ook niet onbekend te zijn met het dialect of met dialectsprekers. Door allerlei oorzaken was het succes niet groot: was de response van de enquête van het Dialectenbureau op 15 dec. 1974 60,1%, die onder de politiemensen was slechts 24,4% (d.i. 78 van de 320, betrekking hebbende op 91 plaatsen).
Voor de tekst van de enquête zie blz. 16. Het formulier bestaat, afgezien van het (niet afgedrukte) gebruikelijke gedeelte waarin de persoonlijke gegevens betreffende informant en correspondent moeten worden ingevuld, uit drie delen: A, B en C.
Onder A1, 2, 3 en 4 worden telkens drie of vier syntactisch verschillende mogelijkheden gegeven om een zin aan te vullen; bij elke mogelijkheid moet worden opgegeven of ze in het dialect al dan niet bekend is, verder moet de manier van uitdrukken worden aangekruist die men het liefst zou gebruiken. Bedoelde mogelijkheden zijn òf bekend uit het algemene Nederlands òf zij maken een oostelijke indruk en vertonen de constructie die ons interesseerde.
Onder 1 is sprake van een persoonlijk subject + een persoonlijk (direct) object: een man en zijn echtgenote (een hechte ‘bezitsrelatie’); onder 2 van een persoonlijk subject + een onvervreemdbaar,1 lichamelijk object (het haar); onder 3 van een zakelijk subject (een trein) + een zakelijk object (remmen); onder 4 van een persoonlijk subject + een zakelijk object, weliswaar vervreemdbaar maar toch (letterlijk en figuurlijk) zeer nauw bij de bezitter aansluitend: Jan met zijn broek. Deze variatie is aangebracht omdat de indruk bestond, op grond o.a. van Nuytens,2 dat de constructie alleen voorkwam bij een persoonlijk subject + een zeer nauwe bezitsrelatie.
Kritische bespreking van dit deel van de enquête leidde o.a. tot de conclusie dat een uitbreiding met drie nummers wenselijk was geweest:
| | | | een nummer met een dierlijk subject, één met een tweede persoon als onderwerp (Nuytens acht de constructie daarbij niet goed mogelijk) en één met een persoonlijk subject + een persoonlijk object met een minder hechte ‘bezitsrelatie’, bijv. gemeenteleden - pastoor.
Onder B wordt gevraagd naar een mogelijk betekenisverschil tussen (a) Hij heeft blauwe ogen en (b) Hij heeft de ogen blauw in het geval dat men beide manieren van uitdrukken kende. De verwachting was dat (a) zou slaan op iemand die blauwe ogen door geboorte heeft en (b) op iemand wiens ogen door een oorzaak van buiten af, bijv. een paar flinke stompen, blauw geworden zijn.
C dient ter controle: er moet een verhaaltje worden aangevuld en de hoop en de verwachting waren dat vele ‘oosterlingen’ dat, naar wij hoopten: spontaan, met ‘de band lek’ zouden doen. Met het oog op die spontanëiteit was het wellicht beter geweest als we deze vraag voorop hadden geplaatst, om beïnvloeding van de informant door de andere vragen te voorkomen. Bovendien vonden we achteraf het zinsstuk met een lekke band te suggestief voor de aanvulling. Een redactie als de volgende was misschien beter geweest: Hij keek naar de band van zijn fiets. Verdraaid, lek! Overigens bleek bij de verwerking van het materiaal dat de uitkomst van vraag C en die van de A-vragen per gebied op een plezierige manier met elkaar klopten.
Behalve inhoud en volgorde zijn ook de typografie en de formulering van deze enquête onderwerp geweest van kritische bespreking in de groep. Het zou voor dit artikel echter te ver voeren deze kritiek hier samen te vatten. (De tekst op blz. 16 bevat de enigszins gewijzigde formuleringen die we voor de politiemensen hebben gebruikt.)
Van de Franse taalgeograaf J. Gilliéron schijnt de uitspraak te zijn dat de beste vragenlijst die is, welke men opstelt als alles klaar is.3 Bij al onze discussies over het enquêteformulier zijn we steeds meer de waarheid van deze uitspraak gaan beseffen.
| |
3. De verwerking en de kartering
Het zou weinig interessant zijn in detail te gaan schrijven over de verwerking en kartering van het materiaal. Het is op meer dan één manier overzichtelijk geordend en geanalyseerd en de gegevens die wij
| | | | op die manier van de verspreiding van de constructie gekregen hebben, zijn overgebracht op kaarten waarop de plaatsen van Nederland met codes zijn aangeduid. Dat overbrengen is, anders dan op de hierbij gevoegde kaart, met symbolische tekens gebeurd: stippen, driehoekjes, cirkeltjes en vierkantjes. In geval er uit één plaats meer dan één opgave beschikbaar was, zijn de gegevens voor die plaats in één notatie op de kaart verwerkt.
De volgende kaarten waren het resultaat:
een viertal kaarten waarin de resultaten van 1A, B, C en D in kaart gebracht zijn op een zodanige wijze dat af te lezen valt waar de oostelijke constructie voorkomt en waar ze de voorkeur van de informant geniet;
een kaart betreffende B, waarop te zien is waar beide mogelijkheden bekend zijn en waar mèt en waar zónder betekenisverschil (die betekenisverschillen zijn apart nauwkeurig genoteerd); niet in kaart gebracht zijn die gevallen waarin slechts één constructie als bekend wordt opgegeven en toch (waarschijnlijk bij wijze van speculatie) betekenisverschil genoteerd wordt;
een kaart betreffende C, waarop genoteerd zijn alle gevallen waarin het verhaaltje met de gezochte constructie wordt aangevuld;
een spreidingskaart, waarop met zwarte, goed opvallende stippen is aangegeven uit welke plaatsen we gegevens ontvangen hebben;
een verzamelkaart, die gemaakt werd om een synthetisch beeld te verkrijgen en waarvan hieronder een uitvoerige beschrijving gegeven wordt, evenals van het kaartje bij dit artikel dat op die verzamelkaart gebaseerd is;
tenslotte een kaart die niet gericht is op het dialect maar op het ABN; over deze kaart, die gebaseerd is op de vragen Al-4, wordt hieronder ook nog iets naders gezegd.
Wat de verzamelkaart betreft, alle gevallen waarin de C-vraag is aangevuld met de constructie, hebben daarop een zwarte stip gekregen; op de beantwoording van de andere vragen is daarbij niet meer gelet: gebruik van de constructie onder C staat op het punt van betrouwbaarheid bovenaan. Wanneer vraag C niet spontaan met de constructie aangevuld werd, hebben we gelet op de antwoorden op de A-vragen en daarbij geen onderscheid meer gemaakt naar ‘bekend’ en ‘voorkeur’. Een rode stip kreeg de betekenis: in alle vier de A-vragen is de constructie bekend; een blauwe: in drie daarvan; een groene: in twee daarvan; een gele: in één daarvan.
| | | |
Op deze verzamelkaart komt duidelijk de oostelijke helft van ons land naar voren met veel zwarte en rode stippen. Het westen vertoont weinig stippen en dan nog vooral groene en gele. Plaatsnummers zonder stippen kunnen nu twee betekenissen hebben: constructie onbekend of geen gegevens binnengekregen. In het laatste geval zijn de nummers met witte verf uitgewist, zodat de nummers met constructie en de nummers zonder constructie tegenover elkaar kwamen te staan.
Op het kaartje dat bij dit artikel hoort en dat zoals gezegd, op de verzamelkaart is gebaseerd (zie figuur 1), zijn twee gebieden aan-

Figuur 1
Globale dialectkaart naar de verzamelkaart ‘de band lek’
| | | | gegeven: 1) het gebied waar de constructie voorkomt: grosso modo Groningen, Drente, Overijssel, Gelderland (behalve het uiterste westen) en het grootste deel van Limburg; 2) het gebied waar de constructie en de ‘ABN-constructie’ in gelijke mate bekend zijn: de oostelijke helft van Noord-Brabant en het Limburgse gebied rond Weert. De heterogeniteit van het tweede gebied kan voor Eindhoven en omgeving verklaard worden uit de migratie, vanuit het westen van ons land, naar een jong industrie- en handelscentrum. Voor het gehele gebied kan als verklaring gelden dat de Oostbrabanders over het algemeen weinig dialect-bewust zijn, hetgeen de beantwoording van de vragen in een voor het ABN gunstige zin beïnvloed kan hebben.4
Bij de bestudering van het kaartje dient men te bedenken dat de gebieden er slechts bij benadering op zijn aangegeven.
De westelijke opgaven met de constructie zijn verwaarloosd, omdat een onderzoekje daarnaar duidelijk maakte dat ze niet betrouwbaar geacht mogen worden. Maar ook zonder een dergelijk analytisch onderzoek is die verwaarlozing gerechtvaardigd: de gele en groene stippen in het oosten krijgen steun van de grote hoeveelheid zwarte, rode en blauwe stippen, die in het westen moeten die steun ontberen. Er dient hier echter aan toegevoegd te worden dat de westelijke opgaven vooral uit bepaalde streken afkomstig zijn, bijv. een gedeelte van West-Friesland. Nader onderzoek ter plaatse zou klaarheid kunnen brengen. Over de mogelijkheid van de constructie in het ABN zie noot 16.
De ABN-kaart laat zien dat de ABN-constructie sterk staat in Groningen, maar bijv. ook in het gebied van de grote rivieren en in Oost-Brabant (zie boven). Trouwens, het hele oosten laat zien dat, zoals te verwachten was, de ABN-constructie er goed bekend is.
| |
4. Interpretatie
Bij de interpretatie van een kaartbeeld kan men op twee manieren te werk gaan: ‘intern-linguïstisch’ en ‘extra-linguïstisch’.5
Extra-linguïstisch gaat men te werk wanneer men de loop van een isoglosse zoekt te verklaren uit buiten de taal liggende factoren: zo lopen taalgrenzen vaak daar waar vroeger moeilijk toegankelijke moerassen
| | | | lagen, bijv. de Peel,6 of ze geven door hun loop aan hoever de invloed van economische en culturele centra als grote steden heeft gereikt (expansie).
Bij een intern-linguïstische interpretatie zoekt men de verklaring in factoren binnen de taal zelf. Een voorbeeld daarvan is de interpretatie van het kaartbeeld van aal ‘mest’. Dit woord komt niet voor waar het wat de klank betreft zou samenvallen met aal ‘paling’. Wat hier in het spel zou zijn, wordt wel homonymievermijding genoemd: vermijding (natuurlijk niet opzettelijk) van woorden met dezelfde klankvorm maar uiteraard verschillende betekenis.7
Helaas zijn we met onze interpretatie niet zo erg ver gekomen. Dat kon ook moeilijk anders in het stadium waarin het onderzoek is blijven steken. We hebben enigszins een beeld gekregen van het de band lek-gebied in ons eigen land, maar hoe het eruit ziet in België (Belgisch Limburg) en Duitsland (Westfalen), is ons (nog) onbekend, afgezien van de incidentele en toevallige zekerheid dat in twee dorpen bij de Wezer (Lahde en Friedenwalde), ten noorden van Minden, de constructie levend taalbezit is. Pas als het totale gebied kan worden overzien, valt er echt aan een interpretatie te denken.
Mogelijk is het gebied waarvan we een gedeelte in kaart gebracht hebben, een relictgebied, d.w.z. is in dat gebied een oude constructie met hebben in een met ‘bezitten’ verwante betekenis bewaard gebleven, maar meer dan een veronderstelling is dat niet. De knik in de isoglosse bij de Rijn zou erop kunnen wijzen dat in recente tijden de constructie naar het oosten is teruggedrongen.
| |
5. De mondelinge enquête
Aan het eind van de vorige paragraaf raakten we al aan het tweede aspect van ons onderwerp: de constructie in syntactisch en semantisch opzicht, de gebruiksmogelijkheden en -onmogelijkheden ervan. Om hierover iets meer te weten te komen dan uit de resultaten van de schriftelijke enquête viel af te leiden, hebben we twee maal een mondelinge enquête in Borne (Twente) en omgeving georganiseerd. Ons onderzoek richtte zich dus hierbij op één bepaalde plaats in het constructiegebied. Het is niet uitgesloten dat het in andere delen ervan, bijv. Groningen,
| | | | anders ligt met die gebruiksmogelijkheden en -onmogelijkheden.
Bij de eerste keer bezochten we tien adressen, bij de tweede keer zes. Op ieder adres werkten we met één informant, maar bij de tweede keer werd deze vaak ‘bijgestaan’ door huisgenoten of buren.
We enquêteerden met behulp van plaatjes (voor een voorbeeld zie figuur 2), waaronder een stuk zin stond (bij de eerste keer dat we in Borne waren, in het ABN, bij de tweede keer in het Twents) dat door de informant moest worden aangevuld. In die aanvullingen hoopten

Figuur 2
De schoolmeester zeg: ie bint zeker te laat op school, umdaj ....
wij dan althans bij een aantal plaatjes de constructie te krijgen (op sommige plaatjes kon niet met de constructie gereageerd worden; die hebben we er tussen gedaan om te voorkomen dat onze informanten zouden gaan begrijpen waar het ons om te doen was). Reageerde de informant niet spontaan met de constructie, dan probeerden wij hem behoedzaam door de aan te vullen zin met één of meer woorden uit te breiden (bijv. met hebben), zo ver te brengen. Het spreekt vanzelf dat een spontane reactie met de constructie heel wat meer waarde heeft dan een constructie die we met heel veel moeite eruit moesten wringen. In dat geval was beïnvloeding van de informant niet uitgesloten.
Door middel van de acht onbedrieglijke plaatjes probeerden we te toetsen (de gehoopte aanvulling is telkens onderstreept):
| 1. | het voorkomen van de constructie met een zakelijk onderwerp: de bus kan vandaag niet rijden, want hij heeft de voorruit kapot; |
| 2. | idem met een kledingstuk als vervreemdbaar object: ik heb de jas nat, want het regent; |
| 3. | idem met als object een familielid (een hechte bezitsrelatie!): Jan moet huilen, want hij heeft de (zijn) moeder ziek; |
| | | |
| 4. | idem met een lichaamsdeel als onvervreemdbaar object: Truus is gevallen en nu heeft ze de knie kapot; |
| 5. | idem met als object een veel minder hechte relatie dan onder 3: We kunnen zondag niet naar de kerk, want we hebben (de) dominee ziek; |
| 6. | idem met een dierlijk subject: Het paard kan niet lopen, want het heeft het been mank; |
| 7. | idem met een 2e persoon als subject: De schoolmeester zegt: Je bent zeker te laat op school, omdat je de band lek hebt; |
| 8. | idem wederom met een lichaamsdeel als object, maar nu om het evt. betekenisverschil na te gaan met een aanvulling die niet de constructie bevat (vgl. vraag B van de schriftelijke enquête): Jan heeft weer gevochten en nu heeft hij de ogen blauw. |
Bij de tweede mondelinge enquête werd 6 veranderd in: 't peerd hef in 't prikkeldraod zutt'n en no ... Het plaatje, behorend bij 3, vervingen we door een tekening van een getrouwd paar, waarvan de vrouw ziek is en de man verdrietig; we zetten eronder: Jenske is verdretig, want ... Wij hoopten daarmee meer kans op de constructie te hebben dan met het oude plaatje. Omdat we het vermoeden hadden dat de tekening bij 2 niet erg duidelijk was, voegden we een tekening toe die eveneens betrekking had op een ‘kledingstuk’ (klompen); het onderschrift luidde: ik heb ..., want 't èrf is drekkig.
De resultaten van de tweede ronde enquêteren waren heel wat gunstiger dan van de eerste: de constructies kwamen er in veel gevallen bij de informanten verrassend spontaan uit en in andere gevallen kostte het niet veel moeite ze er toch uit te krijgen.8 De verklaring is dat we de eerste keer ìn het dorp enquêteerden, de tweede keer in de omgeving, op boerderijen. Blijkbaar hadden de Bornenaars zelf er al moeite mee zich van het ABN los te maken. Ook Nuytens constateerde dit verschil tussen dorp en omgeving.9
Al met al leverde het mondelinge onderzoek genoeg bouwstenen op voor een beschrijving van de gebruiksmogelijkheden en -onmogelijkheden van de constructie. Verder werden we in onze verwachting bevestigd dat enquêteren met plaatjes een vruchtbare methode is om dialect- | | | | syntaxis te beoefenen. Wachten tot een bepaalde constructie spontaan gebruikt wordt, is een zeer tijdrovende manier; de mensen op de man af ernaar vragen, zoals in de schriftelijke enquête gebeurd is, is een snelle methode maar bergt het gevaar in zich van sterke beïnvloeding; onze methode is naar onze ervaring nu uitwijst, een goede compromisoplossing, waarbij men met een minimum aan beïnvloeding een zo spontaan mogelijk gebruik van een constructie probeert uit te lokken.
| |
6. Syntactische en semantische beschrijving
De eerste vraag die we kunnen stellen, is hoe de constructie, in concreto ik heb de band lek, redekundig ontleed moet worden; hierbij gaat het dan vooral om het bijvoeglijk naamwoord lek. Onze conclusie was dat lek het beste beschouwd kan worden als een bepaling van gesteldheid en wel van de tweede soort, ‘volgens of ten gevolge van de handeling’, in dit geval ‘volgens de handeling’, al kan men zich afvragen of men bij hebben wel van een ‘handeling’ kan spreken.10 Er is dus verwantschap tussen aan de ene kant ik heb de band lek en aan de andere kant bijv. hij verft de deur groen, ik maak de kamer gezellig, ik vind het huis mooi.11 Hierop wijzen: 1) dat onze constructie verwant is met een naamwoordelijk gezegde, in casu mijn band is lek (die verwantschap vond Den Hertog12 een kenmerk van een bepaling van gesteldheid van de tweede soort), 2) dat lek niet zomaar weggelaten kan worden (het gaat er niet om dat men een band bezit die ook nog lek is, het gaat om het lek-hebben van de band, 3) dat lek, zoals in het algemeen het bijvoeglijk naamwoord dat als bepaling van gesteldheid van de tweede soort optreedt, moeilijk zonder verwrongen
Nederlands te krijgen, voorop kan staan (vgl. lek heb ik de band met groen verft hij de deur, gezellig maak ik de kamer, mooi vind ik het huis), en 4) dat lek zoals in het algemeen de hier bedoelde bepaling van gesteldheid als eerste werkwoordsbepaling in een neutrale mededeling op de laatste plaats in de eindgroep voorkomt.13
| | | |
Hoe is het nu gesteld met de al vaak genoemde gebruiksmogelijkheden en -onmogelijkheden? Bij het onderzoek daarnaar zijn we uitgegaan van Nuytens,14 wiens opmerkingen echter niet altijd door ons onderzoek zijn bevestigd.
Onze constructie ligt in ieder geval, om met Nuytens te spreken, in de personaal-possessieve sfeer; er is, althans meestal, sprake van een persoonlijke bezitsrelatie. Dat bezit kan een bepaald (vervreemdbaar) object zijn: ik heb de band lek, Jan heeft de broek weer heel, ik heb de klompen vuil; een lichaamsdeel: Truus heeft de knie kapot, ik heb het haar in de war, hij heeft de ogen blauw; of een persoon: hij heeft de vrouw ziek.
Nuytens merkt op dat wi-j hebt de pestoor zeek niet mogelijk is, omdat de nauwe bezitsrelatie afwezig is. Twee van onze (in Borne zelf) wonende informanten vonden dat deze manier van zeggen toch mogelijk is, nl. als het gaat om een pastoor van een kleine parochie met een sterke band met zijn parochianen. Dit werd niet in voldoende mate door de enquête in de omgeving (waar kleine parochies zijn) bevestigd: geen van de zes boeren-informanten reageerde spontaan met wij hebben (de) dominee (subsidiair pastoor) ziek, wel gaven allen op één na bij navraag als hun mening dat dit toch wel gezegd kon worden. Interessant was ook de mededeling van een informant volgens wie Jantje niet kan zeggen ik heb mijn moeder ziek: hij bezít zijn moeder immers niet. Wèl zou dit gezegd kunnen worden door Jan van ca. 40 jaren oud met een van hem afhankelijke moeder. Zo zou ook een vrouw moeilijk kunnen zeggen: ik heb mijn man ziek; de man ‘bezit’ zijn vrouw en niet omgekeerd. Aan een grondige verificatie van deze informatie zijn we echter niet toegekomen. Opvallend was in ieder geval wel dat bij de eerste enquête (Jan moet huilen want) hij heeft zijn moeder ziek geen enkele keer spontaan gezegd werd en slechts in vier van de tien gevallen na veel ‘voorzeggen’ eruit kwam. Het vervangende Jenske is verdretig, want ... werd daarentegen bij de tweede enquête door drie informanten spontaan met de constructie aangevuld. Hierin kan zich echter ook een verschil dorp-omgeving weerspiegelen.
Verder merkt Nuytens op dat alleen een persoon, evt. ook nog een dier, als subject kan fungeren. Desalniettemin waren voor velen van onze informanten de trein heeft de remmen kapot en de bus heeft de voorruit kapot zeer goed mogelijk. De verklaring zou kunnen zijn dat
| | | | voertuigen door hun schijnbaar zelfstandige wijze van zich voortbewegen (men ziet de bestuurder vaak niet of nauwelijks) gemakkelijk gepersonifieerd kunnen worden. (Vgl. ABN de trein kwam tot stilstand, de bus nam een draai etc.) Men kan ter verklaring ook denken aan het ‘vertrouwde’ karakter van voertuigen of aan de mogelijkheid dat men aan de bestuurder van de bus of de trein gedacht heeft. Dat een dier als subject kan fungeren, werd bij ons onderzoek bevestigd in het geval van het paard met het manke been.
Wat de tweede persoon als subject betreft, Nuytens acht die niet goed mogelijk. Men kan wel zijn eigen ik als het centrum van de bezitssfeer nemen, ook wel een derde persoon door zich met hem of haar te identificeren, maar men zal zijn eigen gevoelens niet identificeren met die van degene tegen wie men spreekt. Onze ervaring, vooral die met onze boereninformanten, was hiermee niet in overeenstemming. Je bent zeker te laat op school om dat je de band lek hebt bleek zeer wel mogelijk.
Het betekenisverschil tussen hij heeft blauwe ogen en hij heeft de ogen blauw komt bij de schriftelijke enquête meestal hierop neer dat in het eerste geval de ogen van nature blauw zijn, in het tweede geval door een oorzaak van buitenaf, die in 85% van de antwoorden een klap of een ongeluk is. In de overige antwoorden worden genoemd: make-up, grime, ziekte, slapeloze nachten, dronkenschap. Voor enige informanten zijn de ogen in beide gevallen van nature blauw; de constructie met het predikatief gebruikte adjectief wordt huns inziens gebruikt bij een contrastaccent: zij heeft bruin haar maar de ogen blauw.15
Waar we slechts een bescheiden begin mee gemaakt hebben, is de vergelijking van onze constructie met constructies met hebben in het
| | | | ABN, bijv. ik heb de klas rustig en ik heb mijn schrift vol.16 Onze indruk is dat de ABN-constructie een duidelijk perfectief aspect heeft: vgl. parafrases als ik heb de klas rustig gekregen en ik heb mijn schrift vol gemaakt en dat de aangegeven toestand anders dan in het geval van de dialectconstructie het resultaat is van de inspanning van het (persoonlijk) subject. Een verschil is ook dat in de ABN-constructie de relatie (in de
werkelijkheid) tussen het subject en het object betrekkelijk los kan zijn: vgl. de klas en mijn schrift met bijv. daarnaast met nauwere relatie het haar (lichaamsdeel) in zij heeft het haar grijs (d.w.z. vermoedelijk door verven). Naast ik heb de klas rustig staan in het ABN mijn klas is rustig en ik heb een rustige klas. De eerste manier van zeggen suggereert een toestand die niet het gevolg behoeft te zijn van de inspanning van de in mijn geïmpliceerde persoon, de tweede manier suggereert eerder een (blijvende) eigenschap. Dit zou echter in bepaalde contexten wel eens anders kunnen liggen. Opvallend was wel dat vele informanten verschil aanvoelden tussen mijn vrouw is ziek en ik heb een zieke vrouw; in het laatste geval wordt ziek bijna synoniem met ziekelijk.
De oostelijke constructie van het type ik heb de band lek heeft in ieder geval als eigenschappen (waarvan sommige al besproken zijn): 1) het subject is persoonlijk, evt. gepersonifieerd, 2) is er sprake van een tijdelijke toestand waarin het object verkeert, 3) tussen het subject en het object bestaat een nauwe bezitsrelatie, 4) er is geen sprake van de inspanning van het subject.
Of ook het type ik heb de klas rustig (+ toedoen van het subject) in het Twents voorkomt, is ons niet goed duidelijk geworden. Het type ik heb een rustige klas komt in ieder geval wèl voor, althans in concreto
| | | | als ik heb blauwe ogen, waarbij evenals bij de rustige klas sprake is van een blijvende eigenschap. Zowel voor het ABN als voor het Twents liggen hier nog vele mogelijkheden van onderzoek, waarin ook constructies moeten worden betrokken van het type ik heb het paard in de wei lopen (Twents en ABN) en van het type en dan krijgen we de klomp niet gauw kapot (Twents) met de ‘betekenis’ ‘dan gaat de klomp niet gauw kapot’ (v.b. uit Nuytens).
Een ander veld van onderzoeksmogelijkheden is de geschiedenis van de constructie, waarbij men onvermijdelijk ook in aanraking komt met het met hebben als hulpwerkwoord omschreven perfectum.17 In het kader van dit artikel willen wij slechts wijzen op middeleeuwse woordgroepen als si hebben die hovede swart, die voete lanc hebben (+ blijvende eigenschap), tsorcoers crank hebben (?), verder op uitdrukkingen als enen mare hebben, enen lief hebben (laatste nog in het modern Nederlands), en met een verleden deelwoord bijv. enen gemint hebben.18
| |
7. Slot
In het bovenstaande is gebleken dat nog vele aspecten van ons onderwerp onvoldoende zijn onderzocht. Samenvattend kunnen we de volgende desiderata formuleren: 1) een exactere bepaling van de dwars door Nederland lopende isoglosse, 2) een onderzoek naar het voorkomen van de constructie in België en Duitsland, 3) een nader onderzoek naar de gebruiksmogelijkheden niet alleen in Borne maar ook op andere plaatsen in het constructiegebied, 4) een vergelijking van de constructie op dit punt met verwante constructies in het dialect zelf, het ABN en vroegere fasen van het Nederlands. Voor 2) zullen schriftelijke, voor 1), 3) en 4) mondelinge enquêtes nodig zijn. Wie zich met de laatste bezig houdt, zal merken dat die meer op kunnen leveren dan alleen maar taalkundig interessant materiaal, nl. ook vele plezierige ontmoetingen, zoals we zelf ruimschoots hebben mogen ervaren.
| | | |
AANHANGSEL. Tekst van de schriftelijke enquête.
| A. |
Hieronder, onder A, wordt telkens iets op drie of vier manieren gezegd. Wilt u in de linker kolom, met ja of nee, aangeven of de manier van uitdrukken (uiteraard in uw eigen dialectwoorden) u in uw dialect al dan niet bekend is? En wilt u, in de rechterkolom, met een kruisje de manier van uitdrukken (waarachter u dus ja gezet heeft) aanduiden die u in uw dialect het liefst zou gebruiken? |
| 1. |
(Hij komt vanavond niet op mijn verjaardag,) |
|
| |
|
Bekend? |
Voorkeur |
| |
a. want hij heeft een zieke vrouw. |
a. |
a. |
| |
b. want hij heeft de vrouw ziek. |
b. |
b. |
| |
c. want hij heeft zijn vrouw ziek. |
c. |
c. |
| |
d. want zijn (de) vrouw is ziek. |
d. |
d. |
| I. |
Vertaal hieronder de manier die u als voorkeur hebt aangekruist, in uw dialect. |
| 2. |
(Ik kan zo echt niet naar buiten,) |
|
|
| |
|
Bekend? |
Voorkeur? |
| |
a. want ik heb het haar in de war. |
a. |
a. |
| |
b. want ik heb mijn haar in de war. |
b. |
b. |
| |
c. want mijn haar is (zit) in de war. |
c. |
c. |
| II. |
Vertaal hieronder de manier die u als voorkeur hebt aangskuist, in uw dialect. |
| 3. |
(De trein kan niet rijden,) |
|
|
| |
|
Bekend? |
Voorkeur? |
| |
a. want hij heeft kapotte remmen. |
a. |
a. |
| |
b. want hij heeft de remmen kapot. |
b. |
b. |
| |
c. want de remmen zijn kapot. |
c. |
c. |
| III. |
Vertaal hieronder de manier die u als voorkeur hebt aangekuist, in uw dialect. |
| 4. |
(Jan kan weer buiten spelen,) |
|
|
| |
|
Beend? |
Voorkeur? |
| |
a. want zijn broek is weer heel. |
a. |
a. |
| |
b. want hij heeft weer een hele broek. |
b. |
b. |
| |
c. want hij heeft de broek weer heel. |
c. |
c. |
| |
d. want hij heeft zijn broek weer heel. |
d. |
d. |
| IV. |
Vertaal hieronder de manier die u als voorkeur hebt aangekruist, in uw dialect. |
| B. |
|
|
|
| |
|
|
Bekend? |
| |
a. Hij heeft blauwe ogen. |
a. |
|
| |
b. Hij heeft de ogen blauw. |
b. |
|
| | | |
| |
Wilt u hierboven weer met ja of nee aangeven of u de manier van uitdrukken onder a of b kent?
Als u ze allebei kent, is er dan voor uw gevoel verschil in betekenis?
Zo ja, dan betekent: |
| |
a.: .......................................................................................... |
| |
b.: .......................................................................................... |
| C. |
Vul het onderstaande verhaaltje aan met een manier van uitdrukken die u voor uw dialect gewoon vindt.
Jan zou op een avond naar een mooie film. Hij ging naar de schuur om zijn fiets te pakken. Helaas, daar stond de fiets met een lekke band. Er zat niets anders op dan te gaan lopen. Zo miste Jan het nieuws en een tekenfilm. De volgende dag vraagt Piet aan Jan: Heb je ook die aardige tekenfilm gezien? Nee, zegt Jan, ik was te laat want ik had ............................................................................................................................................. |
Errata
In de december-aflevering van vorig jaar moet op blz. 274 onder ‘Taalwetenschap en taalonderwijs’ de naam Mosel verbeterd worden in Mossel.
In de los bijgevoegde ‘Inhoud van de vijftiende jaargang (1974)’ moet onder de derde auteur gelezen worden: ‘Zie: Zonneveld, P. van’ enz.; dezelfde correctie moet (in hoofdletters) worden aangebracht bij de laatste auteur en bij de laatste boekbespreking.
Redactie
|
1Bij de termen vervreemdbaar en onvervreemdbaar hebben we ons laten inspireren door Charles J. Fillmore, The case for case, in Emmon Bach en Robert T. Harms (eds.), Universals in linguistic theory, London enz., [1970], blz. 1-88. Het opschrift boven § 5 luidt: The Grammar of Inalienable Possession.
2Zie E.Th.G. Nuytens, De tweetalige mens. Een taalsociologisch onderzoek naar het gebruik van dialect en cultuurtaal in Borne, Assen, 1962, blz. 165-167.
3Deze uitspraak wordt o.a. geciteerd in J. Goossens, Inleiding tot de Nederlandse dialectologie, Tongeren, 1972 (overdruk uit Hand. Kon. Comm. Topon. Dialectol. 44 (1970)), blz. 64.
4Dit zwakke dialectbewustzijn kan zich weerspiegelen in het feit dat in OostBrabant en het gebied rond Weert zelden of nooit in de krant bijdragen in dialect verschijnen. Zie H. Entjes, Dialecten in Nederland, Haren (Gron.), 1974, blz. 23.
5Voor dit verschil zie J. Goossens, Inleiding enz., hoofdstuk II § 4 (blz. 71-100).
6Zie A. Weijnen, Nederlandse Dialectkunde2, Assen 1966, blz. 74.
7Zie J. Goossens, Inleiding enz., blz. 92. Het voorbeeld is uit A.P. Kieft, Homonymie en haar invloed op de taalontwikkeling, Groningen enz., 1938, blz. 51-54.
8De percentages spontane reacties waren: bij de eerste enquête 15% (12 spontane reacties op 10 informanten x 8 ‘constructie-plaatjes’ = 80 kansen), bij de tweede enquête 63% (34 spontane reacties op 6 informanten x 9 ‘constructie-plaatjes’ = 54 kansen).
9Zie De tweetalige mens, blz. 166.
10De term bepaling van gesteldheid van de tweede soort is ontleend aan C.H. den Hertog, Nederlandse Spraakkunst3 (ed. H. Hulshof, Amsterdam) [1972], 1e stuk, blz. 125.
11De voorbeelden zijn ontleend aan W.G. Klooster, H.J. Verkuyl en J.H.J. Luif, Inleiding tot de syntaxis. Praktische zinsleer van het Nederlands2, Culemborg enz., [1970], blz. 54-57.
12Zie Nederlandse Spraakkunst3, 1e stuk, blz. 125.
13Zie H.F.A. van der Lubbe, Woordvolgorde in het Nederlands. Een synchrone structurele beschouwing3, Assen, 1968, blz. 289. (Van der Lubbe spreekt met A.W. de Groot van resultatieve werkwoordsbepaling.)
14Zie De tweetalige mens, blz. 165-167.
15Ter precisering geven we nog enige getallen betreffende de mondelinge enquête. We geven telkens de gehoopte aanvulling (zie blz. 9) met daarachter het aantal spontane reacties bij de eerste enquête (I), het aantal bij de tweede (II), het totaal aantal en zo nodig nog wat gegevens.
1. hij heeft de voorruit kapot: 1 + 4 = 5;
2. ik heb de jas nat: 0 + 5 = 5 (bij I 5x na weinig hulp);
3. hij heeft zijn moeder ziek: 0 + 3 = 3 (bij I 4x na veel hulp);
4. heeft ze de knie kapot: 2 + 6 = 8;
5. wij hebben de dominee ziek: 0 + 0 = 0 (bij I 5x na veel hulp; de boeren vonden dat het gezegd kon worden);
6. het heeft het been mank: 1 + 4 = 5;
7. je de band lek hebt: 4 + 6 = 10;
8. heeft de ogen blauw: 4 + 2 = 6;
9. ik heb de klompen vuil (alleen bij I): 4.
16Een enkele keer betrapten we de constructie in het ABN. We noteerden o.a.: Zolang we het basisprogramma zo gebrekkig hebben. Men zou ook kunnen vergelijken: Ik moet deze nota morgen uitgetikt hebben (gezegd bijv. door een directeur tegen zijn secretaresse), met uitgetikt in de betekenis ‘in uitgetikte staat’. Bij een andere interpretatie wordt uitgetikt verleden deelwoord; alleen déze interpretatie is mogelijk wanneer de volgorde hebben uitgetikt wordt. Vergelijk ook uitdrukkingen met vol, bijv. de buik ervan vol hebben. Zie verder P.C. Paardekoper, M'n broer heeft het heel erg warm, in Ntg 67 (1974), blz. 147-154, die in § 3 (Betekenisleer) tot de conclusie komt dat in zijn constructie het subject de betekenisbeperking heeft ‘levend of als levend voorgesteld’ en er sprake is van een toestand die daaraan wordt toegekend. Naast hebben kan als werkwoord krijgen optreden ( m'n broer krijgt het warm); vgl. op blz. 15 de afwisseling van hebben en krijgen in het Twents. Over verwante woordgroepen met verleden deelwoord zie N.C. Andriessen, Een paar Nederlandse constructies, in Taal en Leven 4 (1940-41), blz. 137-142.
17Zie J.H. Kern, De met het participium praeteriti omschreven werkwoordsvormen in het Nederlands, Amsterdam, 1912.
18Zie F.A. Stoett, Middelnederlandsche Spraakkunst. Syntaxis3, 's-Gravenhage, 1923, blz. 16.
|
|