[p. 86]

Nederlandse lexicografie en taalwetenschap* P.G.J. van Sterkenburg

1. Inleiding

Bernard Quemada betoogde tijdens de tweede internationale Ronde-Tafel-conferentie voor historische lexicografie te Leiden (mei 1977) dat er bij het begrippenpaar lexicologie/lexicografie een relatie bestaat die identiek is aan die van het paar ethnologie/ethnografie. Op grond van die constatering kwam hij tot de volgende definities: ‘la lexicographie décrit les lexiques particuliers (et d'abord les vocabulaires), la lexicologie est la science qui englobe la totalité des études sur le lexique et leurs fondements théoriques’(1). Onderschrijft men deze opvatting of die van de Heidelbergse romanist Kurt Baldinger (1977), die van mening is dat de lexicologie zich bezighoudt met de methodologie van de lexicografie, terwijl de lexicografie een concrete toepassing is van de lexicologie(2), dan ware als titel voor dit opstel waarschijnlijk eerder te verwachten: Invloed die ontwikkelingen van de (hedendaagse) lexicologie (zouden moeten) hebben op de werkzaamheden van de lexicograaf. De lexicologie die zich richt op de studie van de lexicale feiten, heeft evenwel haar plaats nog niet gevonden in de moderne linguïstiek, vooral niet door een gebrek aan voldoende theoretische basis. De lexicologie is volgens velen (nog steeds) beperkt tot de diachronische studie (etymologie in ruime zin), tot de bevoorrechte bestudering van abstracte thema's, of tot de verzameling waarnemingen die men uit een corpus trekt, terwijl het eigenlijke terrein van de lexicologie de beschrijving van het lexicon van een taal zou moeten zijn, een taak die van oudsher ten deel valt aan de lexicografie (Rey-Debove 1970: 3).

Men mag uit de gekozen titel evenwel niet de conclusie trekken dat een onderzoek naar, en een definitie van het subject van de wetenschappelijke discipline lexicologie, door mij hier op dezelfde wijze wordt afgedaan als de lexicografie onlangs door F. de Tollenaere in diens rede ‘Den grooten dictionaris’: problematiek der historische lexicografie, waar het op blz. 10 heet: ‘De vraag of men de lexicografie al dan niet tot de linguïstiek kan of moet rekenen, kan relevant zijn voor wie belang hecht aan een etiket als statussymbool. Voor de praktijk van het lexicografische handwerk en zijn produkt

[p. 87]

doet deze vraag echter weinig terzake’. Ik hecht niet aan een etiket als statussymbool; waar ik wel aan hecht, is een wetenschap waarin een duidelijke axiomatiek aanwezig is, modellering van verschijnselen impliciet gegeven is en niet expliciet wordt gesteld, veel gebruik gemaakt wordt van formalisatietechnieken, en waarnemingen een kwantitatief karakter hebben (Kortlandt 1969: 153). Het is tegen deze achtergrond dat men mijn volgende bespiegelingen dient te lezen en dat men mijn streven naar een lexicografie die een toepassing moet zijn van de lexicologie behoort te interpreteren.

2. Wetenschappelijke lexicografie

2.1. WNT en comparatisme

Het enige wetenschappelijke woordenboek dat bij ons de invloed van de ontwikkelingen van de (hedendaagse) taalwetenschap zou kunnen aantonen, is het grote historische woordenboek waartoe het derde Taal- en Letterkundige Congres in 1851 besloot, t.w. het Woordenboek der Nederlandsche Taal of gewoonweg het WNT. Evenals voor vergelijkbare ondernemingen als het Oxford English Dictionary en het Deutsches Wörterbuch van de gebroeders Grimm, gelden voor het WNT de volgende kenmerken (Quemada 1972: 427-429):

(1)de nationale taal wordt overeenkomstig een enkele verticale doorsnede behandeld, met de klemtoon op de geschreven literaire taal; sinds kort is de terminus post quem non van het WNT 1920, nadat de terminus ante quem non reeds eerder op 1500 was vastgesteld;
(2)ieder woord vormt een geheel, met een al dan niet gecompliceerde semantische structuur, en is gevarieerd in gebruik. Men gaat daarbij uit van een eenheid die op het materiële vlak is vastgesteld en die op een bepaalde tijd een vast te stellen betekenis heeft. Men onderzoekt de verdere ontwikkeling van deze betekenis, voorzover dit taalteken in de desbetreffende taal volgelingen/opvolgers heeft. Daarbij doen zich de volgende mogelijkheden voor (vgl. Coseriu 1973: 8):
(a)er vindt een verandering van inhoud plaats,
(b)er ontstaat een totaal andere betekenis die dan in haar overgangen (bet. 1 → bet. 2 → ... bet. n) wordt gereconstrueerd,
(c)de relatie vorm - inhoud verandert zich gedeeltelijk: zij kan omvangrijker of enger worden.

Gaat men evenwel slechts van de ontwikkeling van één afzonderlijk teken uit, dan kan men niet vaststellen dat bij betekenisverruiming een inhoudsgrens wordt opgeheven. Deze vaststelling is slechts mogelijk als men de corresponderende ‘Nachbarwörter’ ook in het onderzoek betrekt. Bestaat er bovendien ook geen materiële betrekking tussen historisch op elkaar volgende tekens, dan kan ook geen betekenisverruiming of -verdichting worden vastgesteld. De traditionele historische semantiek kan geen parallellen (b.v. ater/nigernoir) registreren omdat ze slechts tekens onderzoekt die de materiële voortzettingen van taaltekens van een vroegere taalperiode voorstellen, waarbij men in het algemeen van de eenheid van de vroegere taalperiode uitgaat;

(3)een overheersende smaak voor het opstapelen van ongebruikelijke details;

[p. 88]

(4)het enthousiasme om de hele taal er bij te betrekken samen met het verlangen normatieve en vaak delicate distincties aan te brengen.

2.2. WNT en ‘nieuwe’ taalkundige inzichten

Het WNT is in zijn meer dan 125-jarige(3) traditie en ondanks de vorderingen van de taalwetenschap nog steeds het typische produkt van het taalhistorisch comparatisme, dat primair oog had voor de veranderingen in de taal en dat die taalveranderingen taalontwikkeling noemde. Dit wil niet zeggen dat er geen methodologische veranderingen hebben plaatsgevonden in het WNT.

Natuurlijk zijn er in het WNT inzichten binnengedrongen die afwijken van de oorspronkelijke opzet. Lexicografen die aan het Woordenboek werkten, lieten zich inspireren door de taalkundige theorieën die in hun tijd gangbaar waren. Het is immers een axioma dat ieder lexicografisch werk een linguïstische theorie weerspiegelt die de redacteur meer of minder conscientieus toepast. In de meeste gevallen zijn de theorieën die de auteur inspireren, die welke en vogue waren op het moment dat het woordenboek geschreven werd, maar ieder afzonderlijk werk draagt het stempel van de laatste of meest actuele ideeën (Quemada 1972: 427 en De Tollenaere 1977: 10).

Wat kunnen we aan invloeden van de taalwetenschap aanwijzen in het WNT als wij ons hoofdzakelijk beperken tot het centrale deel van het lexicografisch werk, t.w. het verdelen van de citaten naar betekenis, het formuleren van definities voor iedere betekenis en het selecteren van de citaten die de formele, semantische en grammaticale geschiedenis en de distributie van iedere vorm en betekenis in tijd, ruimte en genre het best illustreren (Aitken 1971: 8)?

2.2.1. ‘Nieuwe’ inzichten in de macrostructuur

Op het gebied van de macrostructuur (anderen spreken van nomenclatuur, d.w.z. het register dat of de lijst die aangeeft welke woorden als afzonderlijke ingang in een woordenboek zullen worden opgenomen) kan men in het WNT constateren dat ‘vreemde woorden’ aanvankelijk geen genade vonden. Tevergeefs zal men in de oudere delen(4) zoeken naar aboleren, abondant, abondantie, absent, absolveren, accident, accoord, accorderen, accusateur, alcohol, animadversie, antiquiteit, apoincteren, apostille, apparentelijk, apparentie, appliceren, appointement, apprehendatie, apprehenderen, approprieren, aprenderen, arbitraal, argutie, arrivement, attenderen, authorizeren, avanceren, avantagie enz. (Van Sterkenburg 1977: 1-14). Als reactie op het normatieve en voorschrijvende karakter dat het WNT gemeen had met de Europese zusterondernemingen, won sedert circa 1920 onder invloed van een steeds sterker wordende descriptieve stroming het streven veld om alle vreemde woorden die vanaf 1500 tot het Nederlands hebben behoord op te nemen. De lexicale statistiek heeft het WNT eveneens niet geheel onberoerd gelaten als men beziet hoe met name tussen circa 1950-1975 het bronnenmateriaal, de bouwstoffen, is/zijn uitgebreid. Deze uitbreiding wordt enerzijds ver-

[p. 89]

klaard door het volle licht dat in de veertiger en vijftiger jaren is gaan vallen op de Rederijkersliteratuur en anderzijds door het ontginnen van de oorspronkelijk nogal stiefmoederlijk behandelde achttiende eeuw; bovendien bracht de literatuur na 1880 een geweldige aangroei van het materiaal met zich mee (De Tollenaere 1961: 12). De selectiecriteria die een rol speelden bij de uitbreiding van de bronnen en bij de verdeling daarvan over de verschillende vakgebieden, de afwezigheid van enige frequentieopgave en (of) een opmerking over de beschikbaarheid van bewijsplaatsen om een eventuele frequentie te kunnen corrigeren, rechtvaardigen toch wel het aannemen van een occasionele of zelfs intuïtieve houding van de redactie bij de acquisitie van nieuwe bronnen. J.J. van der Voort van der Kleij (1976: 64), die onlangs wat meer licht wierp op de materiaalverzameling van het WNT, kon niet anders concluderen dan dat een permanent verzamelingsprincipe ontbreekt, terwijl de verzameling die daaraan getoetst moet worden geen eenheid is. Veel betekenend voegt hij daar nog aan toe dat het woordenboek geen eenheid kon bezitten en wel ongelijk van kwaliteit moest worden.

Neemt men aan dat de taal die de lexicograaf beschrijft een verzameling is van allerlei subtaaltjes (andere spreken van subsystemen) die gereconstrueerd worden door opnieuw geordende eenheden van idiolecten die de (vooral lexicale) gewoonten van een taal gemeenschappelijk hebben, en gaat men er tevens van uit dat de lexicograaf een representatieve dwarsdoorsnede van die taal dient te beschrijven, dan zal men bij de samenstelling van zijn corpus zodanig te werk moeten gaan dat de belangrijkste subtalen voldoende vertegenwoordigd zijn. Aan anecdotische verzamelingen hebben we in dit verband niet veel. De regionale, sociale, beroepsmatige en chronologische aspecten van de taal moeten volgens statistische beginselen beschreven kunnen worden (Rey-Debove 1971: 91). Anders geformuleerd: het materiaal zal het de lexicograaf mogelijk moeten maken de psychologische en sociale verschijnselen die het gebruik van tekensystemen kenmerken te beschrijven in termen die de relatie aangeven tussen de tekens en datgene waarvoor zij staan (Dik 1977: 208).

Om de gevolgen van het overnemen van nieuwe woorden en van het verdwijnen van andere woorden voor de structuur van de woordenschat te kunnen onderzoeken (iets wat tot op de dag van vandaag amper gebeurd is), zal de lexicograaf onder invloed van de psycho- en sociolinguïstische verklaring over taalverandering zodanig moeten kiezen dat de verschillende typen van taalverandering door hem beschreven kunnen worden. Dat wil zeggen dat in bronnen die analyses toelaten van dialect in relatie met een supraregionale eenheidstaal, diglossie, taalvermenging en ontlening rijkelijk vertegenwoordigd dienen te zijn. Hetzelfde geldt voor bronnen die uitsluitsel kunnen geven over varianten die aan een bepaalde bevolkingslaag, klasse, groep of rol eigen zijn. In dit verband moet de lexicograaf bij voorbeeld een antwoord kunnen geven op de vraag: welke lexicale eenheden zijn - vaak met veranderde betekenis - uit de woordenschat van bepaalde beroepsgroepen in het AB opgenomen? Het corpus zal tenslotte ook materiaal dienen te bevatten dat de lexicograaf in staat stelt een antwoord te geven op de vraag welke verschillen in taalgebruik specifiek zijn voor een bepaalde generatie (Fritz 1974: 13-24).

Zeer problematisch bij het vaststellen van de bronnen is natuurlijk de selectie van de vaktalen. Met Helmut Henne en Harald Weinrich (1977: 344) stel ik mij op het volgende standpunt: het woordenboek moet de leek in staat stellen over een bepaald vak in-

[p. 90]

lichtingen te krijgen en het moet de vaklieden helpen zich voor leken verstaanbaar te maken. Ik onderschrijf ten volle dat de woordenschat van de vaktaal die de communicatie buiten het vak dient, en de woordenschat van de vaktaal die de communicatie tussen de vaktalen onderling bevordert, in aanmerking komen voor opname in een woordenboek. Bij de selectie van het corpus zijn derhalve die geschreven en gesproken teksten te verkiezen waarin een vak(gebied) zich tot een groter publiek of tot een ander vak(gebied) richt (bij voorbeeld leer- en handboeken, gebruiksaanwijzingen, internationale colloquia). Het interne vakjargon wordt gereserveerd voor vaktaalwoordenboeken (Henne-Weinrich 1977: 345).

Om vaktaal in het corpus op te kunnen nemen, moet men de vakgebieden en vaktalen klassificeren. Men doet dit wellicht op de meest pragmatische wijze door middel van empirisch gefundeerde schattingen over de omvang van de afzonderlijke vaktalen en de graad van hun maatschappelijke en levensbeschouwelijke betekenis (Henne-Weinrich 1977: 346). Men zou in dit verband bijvoorbeeld gedurende een jaar in een regionaal en landelijk dagblad en op de televisie kunnen inventariseren welke vakken in welke frequentie vermeld en/of behandeld worden (Mentrup 1977: 191).

Een onderneming die ook voor ons taalgebied zeer waardevol zou zijn, is met behulp van socio-linguïstische criteria een corpus aanleggen waarin niet de literaire taal de boventoon voert, maar de alledaagse, die gebruikt wordt op het moment dat men het woordenboek schrijft. Conform J. Dubois en zijn team (Dictionnaire du français contemporain) maakt men dan uitsluitend gebruik van zinnen die door de sprekers die de normen van de taal kennen, als gebruikelijk en frequent worden onderkend. Dit betekent niet dat een dergelijk woordenboek niet meer naar verschillende registers(5) verwijst of geen mededelingen doet over zorgvuldige en gemeenzame taal (uitvoeriger hierover Quemada 1972: 439).

De lexicale statistiek zal tenslotte binnen het geheel van de macrostructuur zijn duidelijke stempel moeten laten drukken op de samenstelling van de nomenclatuur. Met name zal men mede d.m.v. intuïtieve frequentietechnieken uitspraken dienen te doen over de gangbaarheid van de in een woordenboek op te nemen woorden, waarbij men tevens gradaties van gangbaarheid dient vast te stellen, zodat anecdotisme en ordinaire willekeur, zoals wij thans helaas nog regelmatig moeten vaststellen, zoveel mogelijk teruggedrongen worden. Waarom immers nam Van Dale o.a. de volgende woorden niet op onder de letter A in de tiende druk en waarom Drewes in de zevenentwintigste druk van Koenen wel?

Aanflitsen, aanfloepen, aangevertje, aanhikken, aanvalsspits, aardappelpit, aborteur, abortusvrij, absurdisme, acupuncteur, ademproef, adressograaf, afduvelen, afgelasting, aflebberen, afsluitpremie, afspeelapparatuur, aftelrijm, afvalrace, afvalsysteem, afvloeiingsregeling, afzethek, afzuigkap, agogie, agoloog, airconditioned, alcoholpromillage, amandelstaaf, amateurvoetbal, antecedentenonderzoek, anticonceptiemiddel, antipapistisch, antislipcursus, arbeidsbemiddelaar, autobaan enz.

Heeft de woordenschat die in het WNT beschreven is, meer dan slechts incidenteel

[p. 91]

kennis gemaakt met de beginselen van het structuralisme? Het WNT is nooit uitgegaan van een woordenschat die één groot geheel vormt waarbinnen ieder lid zijn eigen plaats heeft en in betrekking staat met de naburige leden, noch van structuren die in kleinere elementen ontleedbaar zijn en in oppositie met elkaar kunnen staan. Het WNT heeft dus ook nooit gewild een bijdrage geleverd aan de beantwoording van de vraag of, en in hoeverre de structuur van de woordenschat, qua distinctieve kenmerken in de betekenisstructuren, ontleed kan worden.

Waar de theorieën van Von Humboldt en De Saussure in 1939 Walter von Wartburg inspireerden tot een pleidooi voor periodewoordenboeken en het formuleren van de eisen waaraan een wetenschappelijk descriptief woordenboek moet voldoen, horen wij die echo binnen ons taalgebied eerst in 1967(6).

De synchronische beschrijving die door de structurele linguïstiek wordt gepreekt, leidde tot de opvatting dat de bestaande wetenschappelijke woordenboeken niet meer waren dan volgens onwetenschappelijke principes geordende verzamelingen van duizenden voor wetenschappelijk gehouden afzonderlijke artikelen. Als grootste tekortkomingen noemt men het alfabetisch ordeningsprincipe en de omvang van de periode die beschreven wordt.

De beklemtoning van de synchronische beschrijving door de structurele linguïstiek kan ook geïnterpreteerd worden als een resultaat van een sterker bewering, t.w. dat er geen andere beschrijving van taal kan zijn dan de synchronische; een diachronische beschrijving is geen beschrijving van een taal, omdat twee elementen die diachronisch zijn, nooit delen van één taal zijn. De gangbare terminologie, die de meer of minder verschillende semantische systemen die gebruikt worden in een gemeenschap b.v. in de 16de en in de 20ste eeuw als één taal bestempelt, verbergt het feit dat deze systemen niet identiek zijn. Dientengevolge is een diachronische beschrijving gewoonlijk een beschrijving van een relatie tussen de systemen, niet een beschrijving van een systeem (Zawadowski 1976: 20).

Sedert Walter von Wartburg in 1939 zijn Betrachtungen über das Verhältnis von historischer und deskriptiver Sprachwissenschaft wereldkundig maakte, is het een vuistregel geworden dat geen enkel beschrijvend woordenboek meer dan 500 jaar taalontwikkeling mag omvatten. Men dient bij voorkeur te werken met kortere tijdsperiodes, die geselecteerd kunnen worden met betrekking tot belangrijke historische gebeurtenissen. De meeste Europese landen zijn thans reeds begonnen met naslagwerken van beperkter aard maar met meer wetenschappelijke ambities. Ik noem er hier enige: Early Modern English Dictionary (1475-1700), The Middle English Dictionary, Dictionary of the Older Scottish Tongue en The Old English Dictionary. Kenmerkend voor deze werken is o.a. dat er een beter evenwicht is tussen literaire en niet-literaire teksten en dat morele en esthetische normen een ondergeschikter rol spelen (Quemada 1972: 429). Een van de meest karakteristieke kenmerken van een periodewoordenboek is een zeer uitgebreide onderverdeling d.m.v. datgene, wat vaak beschouwd wordt als louter contextuele toepassingsverschillen. Deze onderverdeling is van een grotere omvang dan de meeste andere woordenboeken zichzelf gewoonlijk veroorloven. Het is echter de taak

[p. 92]

van de bewerker van een historisch periodewoordenboek alle zichtbaar verschillende toepassingsmogelijkheden aan de dag te leggen. En als zij afzonderlijk meer frequent als voorbeeld dienden, voelt men de noodzaak expliciet te specificeren wat deze verschillen in toepassing zijn (Aitken 1973: 260). Voor het historisch periodewoordenboek zijn de citaten belangrijker dan de definities. In een woordenboek van het hedendaags Nederlands zijn die citaten minder belangrijk. De overgrote meerderheid van de gebruikers van zo'n woordenboek bestaat uit ‘native speakers’ en die ‘native speakers’ kunnen vele zaken over de woorden, die niet absoluut noodzakelijk zijn in het woordenboek zelf of in de definitie, uit eigen herinnering of intuïtief achterhalen. Maar er zijn uiteraard geen ‘native speakers’ uit de Vroegmiddelnederlandse periode aanspreekbaar; vandaar de geweldige behoefte aan citaten. Wij hebben die citaten nodig omdat de gebruikers van het historische periodewoordenboek niet de kennis van een ‘native speaker’ hebben (Aitken 1973: 268).

Ik weid hier uitvoerig uit over het periodewoordenboek, omdat wij aan de vooravond staan van het operationeel maken van het eerste periodewoordenboek binnen ons taalgebied, t.w. het Vroegmiddelnederlands Woordenboek(7), dat hoofdzakelijk zal berusten op het materiaal dat M. Gysseling (1977) in de zestiger jaren verzamelde en dat zijn mechanische verwerking bijna geheel achter de rug heeft.

In een ander verband ga ik dieper op de hiermee samenhangende problematiek in(8). Slechts één opmerking veroorloof ik mij in het kader van dat Vroegmiddelnederlands Woordenboek nog. Het is een misverstand te menen dat ik van mening ben dat de wording van dit woordenboek de hoogste lexicografische prioriteit moet krijgen. De bewerking van het VMNW is uitsluitend te rechtvaardigen in het kader van de automatisering die m.b.t. dit beperkte materiaal m.i. drie dingen moet bewijzen: 1. dat de traditionele met de hand geschreven of m.b.v. xeroxapparatuur tot stand gekomen fiches vervangen kunnen worden door automatisch tot stand gekomen contextkaarten, 2. dat met behulp van een terminal gelemmatiseerd (d.w.z. het groeperen van orthografisch en morfologisch verwante varianten onder één kopje) en geadresseerd (hieronder verstaat men het door middel van een programma laten sturen naar de juiste plaats van verschillende varianten) kan worden, 3. dat homografen mechanisch te scheiden zijn.

2.2.2. ‘Nieuwe’ inzichten in de microstructuur

Richten wij onze aandacht na het voorafgaande op de microstructuur van het WNT, dan kunnen wij in het kader van de invloed van het structuralisme daarop enige aandacht besteden aan structurele tendensen in de etymologie en de definitietechniek.

Door Stephen Ullmann (1972: 368) is terecht gewezen op de grote historische waarde van het concept van het associatieve veld voor de etymologie en de historische semantiek. Niet alleen kan het leiden, zegt hij, tot de oplossing van verbijsterende etymologische problemen, maar het kan de linguïst ook op zijn hoede doen zijn voor een al te eenvoudige verklaring, die de grote complexiteit van het gecompliceerde proces

[p. 93]

verbergt. De theorie van het associatieve veld weigert woorden als geïsoleerde eenheden te zien en plaatst ze in een bredere context van klank- en betekenisassociaties. Ullmann (1972: 369) citeert dan Von Wartburg aldus: ‘whoever wishes to write today the etymology of a word must not be content to note the disappearance of a meaning of the addition of a new sense. He must also try to find out which is the lucky rival, the heir to the meaning which has disappeared, or which is the word from which the term in question has taken its new sense ... To trace the root of a word or a group of words is no longer the only task of etymology. It must follow the group in question throughout the period when it belonged to the language in all its ramifications and all its relations with other groups, without ever ceasing to ask the questions which pertain to etymology in the proper sense of the term (von Wartburg 1963: 125, 130 f.)’.

De etymologie is niet op deze wijze in praktijk gebracht in het WNT. Toch zijn er opmerkelijke verschillen in etymologische beschrijving in de delen van voor 1930 en die van daarna. Een goed voorbeeld van de oorspronkelijke behandeling van de etymologie bevat het in 1916-1917 door J. Heinsius bewerkte artikel LIEF. Ik laat hier het etymologisch gedeelte integraal volgen:

 

LIEF (I), bnw., ook als znw. gebruikt, en bijw. Mnl. lief; ofri. liâf, nfri. ljeaf; os. liof, mnd. lef, nnd. lef; ags. léof, meng. leof; ohd. liob, mhd. liep, nhd. lieb; on. liúfr; got. liufs; germ. *leuba-. Verwant zijn o.a. gelooven, lof, en buiten het Germ.: lat. lubet; skr. lubhyati; osl. ljubŭ.

Opmerking verdient de vorm liever die een enkele maal in de 16de eeuw in uitroepen wordt aangetroffen en waarschijnlijk aan hd. invloed is toe te schrijven’.

 

De werkwijze die men later is gaan volgen, komt er op neer dat de externe etymologie, d.w.z. de filiatie met de niet-Nederlandse verwante woorden, beknopt behandeld wordt. In deze zin geldt De Vries' zinsnede uit de Inleiding in deel I van het WNT (1882: LVII): ‘Etymologische onderzoekingen behooren in het Woordenboek niet te huis; het moet verkregen uitkomsten van het onderzoek mededelen.’ In dit opzicht behoeft het etymologische gedeelte dus niet meer te behelzen dan de vormen in de naast verwante talen en een samenvatting van of verwijzing naar de uitkomsten die in de etymologische woordenboeken en in taalkundige tijdschriften zijn vastgelegd. De interne etymologie, de geschiedenis en verklaring van de vormen der woorden binnen het Nederlands, krijgt aanzienlijk meer aandacht. Deze trend valt in de veertiger jaren reeds duidelijk te constateren en vindt een hoogtepunt in verschillende artikelen van F. de Tollenaere.

Exemplarisch in dit verband is het uit 1956-1957 daterende artikel VENT: ‘Voor de beteekenisontwikkeling verg. borst (I), gezel, maat (I) en derg., alle met een oorspr. bet. ‘hij die met een ander samen in den kost is, huisgenoot’.

De aandacht voor de interne etymologie mogen wij misschien toedichten aan structuralistische tendensen.

Toetsen wij dit evenwel aan Von Wartburgs wens, dan moeten wij constateren dat de relaties met andere woorden toch maar uiterst bescheiden aangegeven worden.

Verlaten wij thans het terrein van de etymologie en richten wij onze aandacht op de invloeden die de wijze van definiëren in het WNT ondergaan heeft en nog steeds ondergaat.

[p. 94]

In zijn Inleiding (1882: LXIII) schrijft Matthijs de Vries dat hij bij het beschrijven van de betekenissen streeft naar een niet al te spitsvondige splitsing en dat hij zich hoedt voor generaliseren. Algemene regels voor betekenisbeschrijving zijn volgens hem niet te geven. Hetzelfde geldt voor de ordening der betekenissen. Nu eens verdient de ‘logische’, dan weer de historische, waarvan soms ten gunste van een ‘logische’ kan worden afgeweken, de voorkeur.

De verklaring van de woorden zelf geschiedt d.m.v. omschrijvingen die ‘het begrip van het woord slechts in de hoofdtrekken en bij benadering (aangeven), met vermelding van de eigenaardigheden die er onafscheidelijk van zijn, doch met eerbiediging van de ruimte die aan elke beteekenis toekomt’.

Alle woorden die tot een zekere categorie van betekenis behoren, verenigt De Vries onder het hoofdwoord, ‘dat het algemeene begrip van die beteekenis het ruimst vertegenwoordigt’; daar worden de onderscheiden wijzigingen van dat begrip, zoals zij zich in de verzamelde synonyma voordoen, in een geregeld overzicht verklaard(9) (De Vries. 1882: LXVII).

Dat het WNT met name het accent gelegd heeft op de verandering van de betekenis van de individuele lexicale eenheid in de tijd, is volledig in overeenstemming met de beginselen van het historisch comparatisme. Het hele scala mogelijkheden van de wijze waarop betekenisverandering zich kan voordoen, van verdichting, verruiming, metafoor, metonymia, synecdoche, hyperbool, tot litotes toe, vindt men derhalve terug in het WNT. Als wij ons op deze veranderingen in betekenis bezinnen, moeten wij voor het WNT aannemen dat het aspect van de synchronie zoals De Saussure dat introduceerde, ook zijn stempel gedrukt zal hebben op het beschrijven van die veranderingen. F.R. Palmer (1976: 14-15) merkt in dit verband dan ook terecht op: ‘It can, moreover, be argued that the synchronie study must logically precede the diachronic study, for we cannot study change in a language until we have first established what the language was like at the times during which it changed. So too in semantics we cannot deal with change of meaning until we know what meaning is. Unfortunately, because they have no clear theory of semantics, scholars interested in historical change have indulged in vague statements’.

Semantische stromingen die de wetenschappelijke Nederlandse lexicografie - zoals die zich manifesteert in het WNT - beroerd hebben zijn tot circa 1950 niet aan te wijzen.

Invloed van de veldtheorie

De theorie betreffende het semantische veld heeft geen stempel gedrukt op WNT-artikelen. Misschien mogen wij heel voorzichtig stellen dat de structuralist F. van Coetsem tijdens zijn redacteursjaren aan het Leidse woordenboek zijn wetenschappelijke herkomst niet verloochend heeft, maar een bijdrage heeft proberen te leveren aan de structurele semantiek door hier en daar te verwijzen naar tot hetzelfde lexicale veld be-

[p. 95]

horende woorden. Ik moge hier wellicht refereren aan het door hem bewerkte artikel REGISTER (I) en met name naar betekenisnummer 1, waar verwezen wordt naar paradigmatisch gerelateerde woorden.

Register [1955]

1) Voortdurend bijgehouden boek of lijst, naderhand ook kaartsysteem, waarin aanteekening gehouden wordt omtrent zaken of personen. Ook in toepassingen die hierbij rechtstreeks aansluiten.

a) Een zoodanig boek enz.-α) Waarin akten, oorkonden, besluiten enz. ambtshalve in- of overgeschreven worden; verg. PROTOCOL in de bet. 1). Ook: boek waarin de rechtszaken, voor een bepaalde rechtbank plaats hebbend, ingeschreven staan, alsmede al hetgeen bij de behandeling daarvan aangeteekend wordt; verg. ROL. in de bet. 2, a). Oudere voorb., alsook aanh. die de versch. toepassingen van dit gebruik nader illustreeren, vindt men bij de verb. register houden, onder δ).

Componential analysis

Van de vierde generatie redacteuren is C.H.A. Kruyskamp degene geweest die consequent is overgegaan tot het analytisch(10) beschrijven van lexicale structuren met als doel de betekenis te splitsen in essentiële componenten. De Amerikaanse linguïstiek spreekt hier van ‘componential analysis’. De gevolgen van het speuren naar differentiërende kenmerken zien we haarscherp als wij de hoofddefinities van de volgende twee abstracta met elkaar vergelijken.

 

LUST (J. Heinsius [1923])

1.Begeerte, verlangen, trek, zucht (tot iets), aandrift.
2.Vandaar: datgene wat men begeert of verlangt.
3.Welbehagen, plezier, genoegen, vermaak, genot, gesmaakt ten opzichte van een in het verband genoemde of daaruit op te maken zaak of persoon.
4.Vandaar: een persoon of zaak die iemands genoegen veroorzaakt, waarin men zijn genoegen vindt, die iemands vreugde en genot is.
5.Gevoel van behaaglijkheid, welbehagen, genoegen, in 't algemeen.

VREUGDE (A. Moerdijk [1977])

I) In toep. met ‘blijdschap’ als hoofdbet.

1.Sterk gevoel van innerlijke voldoening, voortvloeiend uit iets wat als heuglijk ervaren wordt: blijdschap, verheuging; omstandigheid van het blij zijn, blijde gemoedsgesteldheid.
2.Persoon, zaak, gebeurtenis e.d., die blijdschap, verheuging verschaft of veroorzaakt; bron, oorzaak van blijdschap. Soms (in aanh. met tijdsaspect) ook zooveel als: moment van vreugde.
3.Betoon, blijk van blijdschap. Zoowel als collectief, als ter aanduiding van een be-

[p. 96]

paalde uiting van vreugde.
a)In 't alg.: jubel, gejuich, muziekspel, zang e.d., waarmee men aan zijn vreugde uiting geeft; bij uitbr. ook voor zang en muziekspel in 't alg., zonder dat nog van een directe vreugdevolle aanleiding sprake is.
b)Als collectief voor uiteenloopende vormen van vreugdebetoon bij een volk of bevolkingsgroep, ter viering of herdenking van een heuglijke gebeurtenis; feestelijke toestand waarin een volk (land, stad, dorp e.d.) zich bevindt; ook feestgedruis.
c)Vandaar ook in toep. op een bepaalden (officieelen) feestdag of gedenkdag.

II) In toep. met ‘plezier, genoegen’ als hoofdbet.

4.Gevoel van welbehagen of welgevallen, geconditioneerd door iets wat als aangenaam of genoeglijk ervaren wordt: plezier, genoegen, (sterker) genot; aangename stemming, omstandigheid dat men plezier heeft, vroolijk is of zich vermaakt: plezier, pret, vroolijkheid. Vergeleken bij de bet. 1) van minder innerlijk of geestelijk gehalte.
enz. t/m IV-7).

De vijfde generatie redacteuren, De Clerck, Heestermans, Kluck en Moerdijk, heeft zich wat de definitietechniek betreft laten inspireren door Kruyskamp enerzijds, en Gerd Fritz anderzijds. Aan welke voorwaarde een semantische beschrijving in een historisch woordenboek dient te voldoen liet H. Heestermans (1977: 98-107) onlangs zien in zijn Vleesch voor een lexicograaf, waarin hij het werken met presuppositieregels (regels die aangeven met welke andere woorden het beschreven of te beschrijven woord in bepaalde constructies verenigbaar is) aan de hand van o.a. vleesch demonstreert.

Men zou de indruk kunnen krijgen dat het benadrukken van de definitietechniek van thans, betekent dat de vorige generaties redacteuren te weinig oog hadden voor de ‘semantic features’ van een woord. Wie ook maar enigszins thuis is in ons lexicografisch monument, zal het tegendeel kunnen constateren. De wetenschappelijke analyse van betekenis krijgt weliswaar eerst sedert de laatste twintig jaren zijn theoretische neerslag in de vorm van allerlei monografieën, maar dat neemt niet weg dat semantische analyse al jaren in praktijk gebracht is door lexicografen die onbekend waren met de theoretische informatie. De eenvoudige intellectuele oefening van de praktijkman leidde de lexicografen na het bijeenbrengen van de citaten, tot het vinden van de gemeenschappelijke noemer, zodat zij de hoofdbetekenis of de eigenlijke betekenis konden formuleren. Op dezelfde wijze zijn de lexicografen door de verschillende variabelen te analyseren erin geslaagd een beschrijving van de verschillende gebruiken te vervaardigen (Quemada 1972: 405-406).

Wat hier opgemerkt wordt over de wijze van definiëren, geldt ook voor het aangeven van de toepassingsmogelijkheden. Waar dit thans zeer systematisch wordt toegepast, geschiedde zulks vanouds al d.m.v. de omschrijving van en met betrekking tot om de verbindbaarheid van woorden in termen van subjects- en objectsrelaties vast te leggen, terwijl reeds in de oudste delen de toepassingsmogelijkheden worden onderscheiden door in vrij gebruik, in (min of meer vaste) verbindingen met een voorzetsel, in verbinding (of: verbonden) met een attributieve bepaling enz.

[p. 97]

2.3. WNT als lexicografische inspiratiebron

Onze beschouwingen over het WNT wilden duidelijk maken dat het niet zo duidelijk aanwijsbaar is dat de ontwikkelingen binnen de taalwetenschap, zoals vaak beweerd is, het woordenboek, zij het ook vaak slechts zijdelings, beroerd hebben. Daarnaast moeten wij bekennen dat het WNT amper inspirerend kan werken binnen de lexicografie van het Nederlands; sterker nog, doordat het WNT zowel een historisch als een eigentijds woordenboek wilde zijn, kluisterde het, doordat de bewerkingstermijn steeds groter werd, de beschrijving van ook de twintigste-eeuwse taal aan hoofdzakelijk negentiende-eeuwse afspraken en opvattingen. Elders heb ik (1976: 15) al eens geschreven dat het WNT nog steeds alle lexicografische aandacht opeist, waardoor a.h.w. aan de rechten van de moderne lexicografie voorbij gezien wordt. Ik hield daar een pleidooi voor de erkenning van het WNT als enkel een historisch woordenboek. Tot dan toe was het bedoeld zowel als woordenboek van het hedendaags als historisch Nederlands. Met De Tollenaere wilde ik af van de ‘fictie dat het WNT naast zijn taalhistorische prestatie een gelijkwaardig synchronisch resultaat zou vermogen te bieden’. Tot 1976 heeft men eigentijds materiaal in het woordenboek opgenomen. De eigentijdse taal is een relatief begrip en slechts vertegenwoordigd in die delen die op een bepaald eigentijds tijdstip in bewerking waren c.q. zijn. Eigentijds wil in de tijd van Heinsius e.a. 1916 zeggen, terwijl het voor De Vries e.a. 1880 was. Men dient wel heel voorzichtig te zijn bij het hanteren van het begrip eigentijds voor het WNT.

Eerst in 1976 is door een beslissing van het bestuur van de Stichting Instituut voor Nederlandse Lexicologie bepaald dat het WNT geen materiaal meer van na 1920 zal bevatten.

De caesuur van 1920 is ongetwijfeld van invloed op de versnelde voltooiing van het WNT, maar heeft daarnaast nog een verder strekkend gevolg. De caesuur van 1920 betekent momenteel ook dat er door de redactie van het WNT geen materiaal van 1921 tot heden meer verzameld wordt. Ook de versnelde voltooiing van het WNT gaat dus in feite ten koste van de eigentijdse lexicologie.

Recente ontwikkelingen in de taalwetenschap kunnen tot op heden nog niet in de wetenschappelijke lexicografie van het Nederlands - zolang het WNT daar nog het bolwerk van vormt - toegepast worden. Wij leggen daardoor, dunkt me, toch wel een heel zware last op de schouders van ons nageslacht. Alom wordt erkend dat iedere generatie recht heeft op haar eigen woordenboek, voor de Nederlandse situatie valt daar op korte termijn zeker niet aan te denken. Het compleet maken van de materiaalverzameling van het WNT tot en met de z enerzijds, en het beschrijven van dat materiaal anderzijds, vergen in de huidige constellatie, ook na de recentste beslissingen nog zeker achttien jaar’!

Men beluistert mij verkeerd, wanneer men meent dat ik de historische lexicografie niet goed gezind ben. Niets is minder waar. Ik ben alleen van mening dat de bestaande historische lexicografie van het WNT niet, ten koste van al het andere, het enig wetenschappelijk lexicografisch bestaansrecht mag hebben. Van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie mag verwacht worden dat het maatregelen zal nemen die ervoor moeten zorgen, dat de woordenschat vanaf 1920 tot heden niet eerst in het jaar 2000 geïnventariseerd en beschreven wordt.

Met de toch wel teleurstellende balans waaruit blijkt dat er ternauwernood wetenschappelijke lexicografische vernieuwing is uitgegaan van het WNT, en met de constate-

[p. 98]

ring dat de grote taalkundige stromingen het WNT slechts terloops beroerd hebben, vraag ik thans aandacht voor de lexicografie van de toekomst.

3. De lexicografie van de toekomst

Het is bekend dat het belang van het WNT voor onze handwoordenboeken in alle toonaarden bejubeld is. Alom heet het: de handwoordenboeken van de Nederlandse taal zijn slechts in zoverre goed en betrouwbaar als ze werden bijgewerkt aan de hand van het WNT(11). Men kan zich wellicht na het voorafgaande voorstellen dat mijn mening enigermate hiervan afwijkt. Het praktische nut van het WNT voor de hedendaagse lexicografie moet men toch wel relativeren als men bedenkt dat slechts een bescheiden aantal afleveringen materiaal bevat vanaf 1920 tot 1975. Natuurlijk weten wij allemaal dat Van Dale het WNT voorbeeldig excerpeert voor iedere nieuwe druk. ‘Van Dale is in oorsprong en opzet een 19de-eeuws woordenboek, en hoezeer de bewerker er in de opeenvolgende drukken naar gestreefd heeft het inderdaad bij te werken en te moderniseren, dat oorspronkelijke karakter is toch opzettelijk en weloverwogen gehandhaafd’, schrijft Kruyskamp in de inleiding (XIII) op de tiende druk. Een woordenboek van het hedendaags Nederlands is Van Dale niet, dat etiket kan men beter drukken op de recentste bewerking van M.J. Koenen, de zevenentwintigste druk, door J.B. Drewes.

De genoemde woordenboeken, evenals de hier niet behandelde concurrenten (Verschueren, Van Haeringen, De Tollenaere-Persijn, Weijnen), zijn òf derivaten van de genoemde in de negentiende eeuw begonnen woordenboeken òf sluiten nauw aan bij de toenmalige lexicografische traditie.

Ondanks een duidelijk streven naar onbevooroordeelde inventarisatie en beschrijving, zegt Quirk (1976), is er nog geen radicale ommezwaai in de lexicografie. Als er gesproken wordt over vernieuwing in de woordenboeken, dan geldt als belangrijkste criterium het aantal nieuwe woorden dat opgenomen is of het feit dat een zekere vorm van lexicale censuur is afgeschaft bij het opnemen van scabreuze, racistische en religieuze woorden. Dit wijst evenwel niet op nieuwe lexicologische principes. Lexicografen zijn wat de woordenschat betreft immers toeschouwers-op-veilige-afstand. Eerst wanneer woorden zo'n 10 jaar getolereerd zijn in schriftelijk en mondeling taalgebruik worden zij door de lexicograaf het woordenboek waardig gekeurd.

Wat we bij onze hedendaagse handwoordenboeken constateren is dat ze steeds in omvang toenemen. Woordenboekmakers blijken betere optekenaars van nieuwe, dan ontdekkers van oude of verouderde woorden te zijn. Lexicale ouderdomszorg en lexicale euthanasie zijn nog niet op een wetenschappelijk verantwoorde wijze door lexicografen onderkend.

Wanneer wij onze de laatste jaren verschenen woordenboeken bezien en ze vergelijken met hun voorgangers van de laatste decennia van de vorige eeuw, dan is men in feite meer getroffen door de hoge kwaliteit van de oude, dan door de hogere kwaliteit van de jongste. Er is een reële vooruitgang, maar deze is in hoge mate perifeer, en talrijke problemen zijn eigenlijk onaangeroerd. Wat is een woord, wat is nu een ingang?

[p. 99]

Wat zijn de voorwaarden waaronder definities zweven tussen ostentatief, synonymisch, analytisch en insluitend? Welke keuze staat open voor het ontwikkelen van een speciale metataal ter vorming van definities? Verdient het de voorkeur de betekenis van polyseme woorden historisch te ordenen, op basis van frequentie of in termen van semantische verklaring? Is de alfabetische ordening de bruikbaarste voor de woordenboekmakers? Veel van deze vragen zullen hopelijk beantwoord worden door de vorderingen die de structurele semantische analyse zal maken.

Ik rond mijn betoog hier af met een enkele beschouwing over een tweetal semantische principes die in de taalwetenschap thans zeer centraal staan en die in mijn ogen, in elk geval in afgeleide vorm, binnen onze lexicografie grenzenverleggend kunnen werken.

Structurele semantici als Bernard Pottier (vgl. o.a. 1. Recherches sur l'analyse sémantique en linguistique et en traduction mécanique (1963), 2. Vers une sémantique moderne (1964) en 3. La définition sémantique dans les dictionnaires (1965)), A. Julien Greimas, Sémantique structurale (1966) en Eugenio Coseriu in vele publikaties (b.v. Structure lexicale et enseignement du vocabulaire (1966)), hebben een duidelijk stempel gedrukt op de ontwikkeling van de lexicografie. Dergelijke vernieuwingen in de hedendaagse Nederlandse lexicografie zien wij echter komen van de bilingualiteit. Er wordt met name door de Duits-Nederlandse en Nederlands-Duitse lexicografen aangedrongen op het aanleggen van een basiswoordenschat van heit hedendaags Nederlands or grond waarvan men tweetalige woordenboeken kan samenstellen. De Antwerpse hoogleraar Jan-Peter Ponten heeft in vele publikaties (bijv. 1975a en 1975b) hierop aangedrongen. Zijn stelling is dat een algemeen verklarend woordenboek van liet Nederlands, dat de fonologische, morfologische en syntactische implicaties van de lexicale eenheden van een taal biedt, een uniek instrument vormt voor het onderwijs van die taal als vreemde taal. Daar wij in ons taalgebied geen enkel woordenboek hebben dat als zodanig dienst kan doen, is het duidelijk dat (voorlopig nog alleen) de commercie hier onbekende mogelijkheden ziet. Men wil nu dan ook zo'n basiswoordenschat aan gaan leggen. Er dient dan wel rekening gehouden te worden met een aantal beginselen. Zo wil Ponten streven naar een basisconcept waarin de lexicologie de zuivere structuurbeschrijving van het lexicaal systeem beoogt. Wanneer wij in een woordenboek onder - al weer - stoel de informaties ‘m. (-en)’ en b.v. ‘de electrische stoel, iets niet onder stoelen of banken steken’ vinden, dan hebben deze volgens Ponten, afgezien wellicht van de opgave van het genus van stoel, in feite niets met lexicologie in eigenlijke zin uit te staan. Opgaven over meervoudsvorming (morfologie) en syntactische verschijnselen horen z.i. niet in de structuurbeschrijving van het lexicon thuis(12).

Eigenlijk zou men vanuit lexicologisch standpunt onder stoel slechts het paradigmatisch verband, waarin Ndl. stoel thuis hoort, en de plaats ervan binnen dit verband hebben mogen aantreffen. Om die structuurbeschrijving te bereiken, moet men twee belangrijke operaties, die ieder weer uit verschillende fases zijn opgebouwd, verrichten:

(1)Men moet op grond van een onomasiologische operatie het paradigma van een begrip opbouwen waaruit het lexicale verband blijkt;

[p. 100]

(2)Men moet door middel van semasiologische operaties de bundel inhoudelijke kenmerken samenstellen van ieder lexeem dat tot dat paradigma behoort.

Wanneer deze operaties zijn uitgevoerd voor de gehele woordenschat mag men inderdaad spreken van een structuurbeschrijving van (in ons geval) het Nederlandse lexicon.

De theoretische waarde van Pontens uitgangspunten is onbetwistbaar en de mogelijkheden die er door gecreëerd worden zijn overtuigend. Een andere zaak is evenwel de praktische inrichting van de twee operaties, t.w. de onomasiologische en de semasiologische.

Het funderen van een onomasiologische basis is stellig geen sinecure. Als uitgangspunt voor iedere onomasiologische analyse is de volledige onafhankelijkheid van de begrippen van alle bijzondere gegevens uit een specifieke taal vereist. Dat boven de natuurlijke talen staande begripssysteem, dat van zo eminent belang is vooral ook voor de samenstelling van tweetalige woordenboeken, moet gecreëerd worden voordat men aan een onomasiologische operatie mag beginnen. Voordat men mag spreken over het archilexeem van een bepaald paradigma en de overige tot dat paradigma behorende lexemen, moet men van te voren een aantal handelingen verrichten om te geraken tot de lingu ïstische definitie van een begrip.

Wat Ponten niet expliciet vermeldt, is dat het opbouwen van een vereist buitentalig begrippenstelsel een onderneming is die vele manjaren zal vergen. Wat moet er namelijk achtereenvolgens gebeuren voordat er sprake is van een vastgesteld begrip? (Zie Henne - Wiegand 1969).

(1)Het te definiëren begrip moet met behulp van een natuurlijke taal omschreven worden;
(2)De klasse (hieronder verstaat men het geheel van de verwantste soorten) waartoe dat verbaal omschreven begrip behoort, dient men eveneens verbaal te omschrijven;
(3)Van het verbaal omschreven te definiëren begrip dient men vast te stellen of het een soort is van de verbaal omschreven klasse;
(4)De differentia specifica van de verbaal omschreven verwante soorten dienen eveneens bepaald te worden.

Als dit gebeurd is, hebben wij eigenlijk pas het begrip vastgelegd.

Hoe geschiedt dit nu in de praktijk? Men probeert met behulp van eentalige woordenboeken en met behulp van ‘native speakers’ die men vragen laat beantwoorden, te komen tot een inventaris met relevante trekjes. Men wil zo dus de inhoudelijke kenmerken aanwijzen die als bouwstenen van een gedeeltelijk systeem van begrippen kunnen dienen.

Eerst als het buitentalig begrip gedefinieerd is, gaat men op zoek naar het begrip in de natuurlijke taal dat correspondeert met dat buitentalige. Men stelt zich de vraag welke lexemen van een taalsysteem bij dit begrip geordend moeten worden.

De ge ïnventariseerde benamingen worden met behulp van woordenboeken geverifieerd en het paradigma dat bestaat uit een archilexeem en overige lexemen kan definitief vastgesteld worden. Het is vanzelfsprekend dat de woorden die na verificatie het gemeenschappelijke betekeniskenmerk blijken te missen naar een ander paradigma dienen te verhuizen.

Pas als een onomasiologische operatie voltrokken is, kan men besluiten tot een semasiologische. Ook deze vergt een indrukwekkende hoeveelheid manjaren. Immers het op-

[p. 101]

sporen van de distributie van de semen in de afzonderlijke lexemen van ieder paradigma is mede door de noodzakelijke toepassing van allerlei identificatie- en commutatie-proefjes een niet te onderschatten opgave. Een uitvoerige beschrijving van de semasiologische operaties is eveneens te vinden bij Henne-Wiegand (1969: 162-168).

Nadat dus allereerst de onomasiologische vraag naar de ‘zitgelegenheden’ het lexicaal verband Ndl. zit/plaats (archilexeem), bank, kruk, club-fauteuil, poef, stoel, taboeret, troon, zetel opgeleverd zou hebben, had daarop volgens Ponten voor ieder paradigmalid de bundel inhoudelijke kenmerken vastgesteld kunnen worden (b.v. Ndl. kruk ‘zitgelegenheid’ + ‘zonder rugleuning’ + ‘met poten’). Dit zou een zuivere, partiële structuur-beschrijving van het Nederlands lexicon i.c. van het paradigma ‘zitgelegenheden’ betekend hebben, die in een volgens begripssystemen opgebouwd woordenboek had kunnen worden opgenomen.

Omdat binnen de Nederlandse lexicografie nog weinig te merken is van andere dan semantische ontwikkelingen, heb ik mij in het voorafgaande daar hoofdzakelijk toe beperkt. Enige aandacht vraag ik hier nog voor de invloed die in de toekomst uit zal gaan van de ordening in syntactische velden en de TGG (waarover elders in dit boek).

De echo van Wahrig's Deutsches Wörterbuch begint geleidelijk weerklank te vinden. De traditionele tweedeling in eigenlijke en overdrachtelijke betekenis wordt in dat concept vervangen door een ordening naar de taalkundige context, d.w.z. een syntactische, waardoor een formeel model aan de indeling ten grondslag gelegd wordt. Dat formele model kan men als volgt samenvatten: 1. zonder syntactische samenhang definieerbaar en 2. slechts door beschrijving van de syntactische context definieerbaar.

De transformationeel-generatieve taalkunde, die aanvankelijk uitsluitend op de syntaxis gericht was, heeft, na de incorporatie van de semantiek in de transformationele syntaxis via het werk van Katz en Fodor (1963) en Katz en Postal (1964), binnen ons taalgebied (wellicht voorlopig) nog op geen enkel woordenboek haar stempel gedrukt. De (nabije) toekomst zal uitwijzen of het werken met semantische markers en/of Fillmores' ‘case grammar’ lexicografisch toepasbaar kan zijn. Beziet men bij voorbeeld de recente studies van Seuren (1976), Verkuyl (1976) en Klooster (1976), dan laat het zich aanzien dat de lexicografie op zijn zwakst gezegd bevrucht zal worden door een semantiek die gebruik maakt van in de transformationele syntaxis ontwikkelde methoden.

Over het woordenboek van de toekomst, dat natuurlijk door de ontwikkelingen in de automatisering, zal berusten op een thesaurus (verborum neerlandicorum) ga ik hier niet verder in. Ik volsta met de verwijzing naar de bijdrage van W.J.J. Pijnenburg e.a. Geïnstitutionaliseerde lexicologie (blz. 72-85).

 

Instituut voor Nederlandse Lexicologie Leiden

[p. 102]

Bibliografie

Aitken, A.J.
1971 ‘Historical Dictionaries and the computer’. In: Wisbey, R.A. ed. The Computer in literary and linguistic research, 3-17, Cambridge.
1972-1973 ‘Definitions and citations in a Period Dictionary’. In: Lexicography in English, 259-265, New York.
1973 ‘Sense-Analysis for a historical Dictionary’. In: H. Scholler and J. Reydy, Lexicography and Dialect Geography, 5-16, Wiesbaden.
Coseriu, E.
1973 Probleme der strukturellen Semantik, T/:ubingen.
Dik, S.C.
1977 ‘Wat is Pragmatiek?’ In: Bernard T. Tervoort, Wetenschap & Taal, 206-221, Coutinho, Muiderberg.
Drewes, J.B.
1974 M.J. Koenen-J.B. Drewes, Verklarend Handwoordenboek der Nederlandse Taal, 27ste druk, Groningen.
Fodor
1963 Zie Katz.
Fritz, G.
1974 Bedeutungswandel im Deutschen. Neuere Methoden der diachronen Semantik, Niemeyer, T/:ubingen.
Gysseling, M. en Pijnenburg, W.
1977 Corpus van Middelnederlandse teksten (tot en met het jaar 1300). Reeks I: Ambtelijke bescheiden, 4 delen, Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage.
Haeringen, C.B. van
1975 Nederlands Handwoordenboek, Den Haag-Brussel.
Heestermans, J.L.A.
1977 ‘Vleesch vooreen lexicograaf’. In: Opstellen door vrienden en vakgenoten aangeboden aan dr. C.H.A. Kruyskamp; redactie Hans Heestermans, Martinus Nijhoff, 's-Gravenhage.
Henne,H.
1972 Semantik und Lexikographie. Untersuchungen zur lexikalischen Kodifikation der deutschen Sprache, Berlin-New York.
Henne, Helmut/ Weinrich, Harald
1977 ‘Zwanzig Thesen über ein neues grosses Wörterbuch der deutschen Sprache’. In: ZGL 4, 3, 339-349.
Henne, H./ Wiegand, H.
1969 ‘Geometrische Modelle und das Problem der Bedeutung’. In: ZDL 36, 129-173, Wiesbaden.
Katz, J.J., & J J.A. Fodor
1963 ‘The structure of a semantic theory’. In: Language 39, 170-210.
Klooster, W.G.
1976 ‘Adjectieven, Neutraliteit en Comparatieven’. In: G. Koefoed en A. Evers (red.)

[p. 103]

Lijnen van taaltheoretisch onderzoek. Een bundel oorspronkelijke artikelen aangeboden aan prof dr. H. Schultink, 229-255, H.D. Tjeenk Willink, Groningen.
Kortlandt, F.
1969 ‘Exakte methoden in de linguïstiek’. In: Raster III, 153-162, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam.
Kruyskamp, C.
1976 Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal, tiende druk, Martinus Nijhoff. Lexicography in English, editors Raven I. McDavid, Jr. and Audrey R. Duckert (Annals of the New York Academy of Sciences, Volume 211, June 8, 1973).
Mentrup, W.
1977 ‘Projektplan des grossen Wörterbuchs in der Diskussion’. In. Deutsche Sprache 5, 185-192.
Palmer, F.R
1976 Semantics a new outline, Cambridge University Press, Cambridge, London, New York, Melbourne.
Pijnenburg, W.J.J.
1977 Zie Gysseling 1977.
Pijnenburg, W.J.J. & Tollenaere, F. de
1974 Verwerking van Vroegmiddelnederlandse Teksten met de Computer (Het Corpus Gysseling), Leiden.
Poten, J.P.
1975a ‘Kontrastive Semantik und blinguale Lexikographie’. In: Grundfragen der Methodik des Deutschunterrichts und ihre praktischen Verfahren, 210-217, München.
1975b ‘Zum Programm eines bilingualen Wörterbuchs. Ein Beitrag zur niederländisch-deutschen Lexikographie’. In: Deutsche Sprache 3, 131-146.
1976b ‘Das Übersetzungswörterbuch und seine linguistischen Implikationen’. In: Probleme der Lexikologie und Lexikographie. Jahrbuch 1975 des Instituts für deutsche Sprache, IDS 39, 200-211, Düsseldorf.
Quemada, B.
1972 ‘Lexicology and Lexicography’. In: Current Trends in Linguistics; Edited by Thomas A. Sebeok. Vol. 9, pp. 395-75. The Hague.
Quirk, R.
1976 ‘A World of words’. In: Times Litterary Supplement 22 oktober.
Rey-Debove, J.
1970 ‘Le domaine du dictionnaire’. In. Languages 19 Septembre 1970, pp. 3-34.
1971 Étude linguistique et sémiotique des dictionnaires français contemporains. The Hague-Paris.
Seuren, P.A.M.
1976 ‘Echo: een studie in negatie’. In. G. Koefoed en A. Evers (red.), Lijnen van taaltheoretisch onderzoek. Een bundel oorspronkelijke artikelen aangeboden aan prof.dr. H. Schultink, 160-185, H.D. Tjeenk Willink, Groningen.
Sterkenburg, P.G.J. van
1976 ‘Nederlandse Lexicologie in Stellingen’. In: De Nieuwe Taalgids 69, 13-23, Groningen.
1977 Een glossarium van zeventiende-eeuws Nederlands, Wolters-Noordhoff, Groningen.
Tollenaere, F. de
1960 Alfabetische of ideologische Lexicografie. Leiden.
1967 ‘De stand van de Nederlandse lexikografie’. In: Verslag van het Derde Colloquium van hoogleraren en lectoren in de nederlandisliek aan buitenlandse universiteiten, 's-Gravenhage, 1967, p. 133-151, 's-Gravenhage.
1974 Zie Pijnenburg, W.J.J.
1977 ‘Den grooten dictionaris’: problematiek der historische lexicografie, 's-Gravenhage.

[p. 104]

Ullmann, S.
1972 ‘Semantics’. In: Current Trends in Linguistics; Edited by Thomas A. Sebeok, Vol. 9, 343-395. The Hague.
Voort van der Kleij, J.J.van der
1976 ‘Lexicologische verzamelingen en lexicografie’. In: P.G.J. van Sterkenburg, De Nederlandse lexicologie tussen handwerk en machine, 58-69, H.D. Tjeenk Willink, Groningen.
Verkuyl, H.J.
1976 ‘Thematische relaties’. In: G. Koefoed en A. Evers (red.), Lijnen van taaltheoretisch onderzoek. Een bundel oorspronkelijke artikelen aangeboden aan prof.dr. H. Schultink, 185-229, H.D. Tjeenk Willink, Groningen.
Verschueren, J.
1968 Modern Standaard Woordenboek en Atlas, Antwerpen-Utrecht.
Wahrig, G.
1966 Das grosse deutsche Wörterbuch, Gütersloh.
Wartburg, W. von
1939 ‘Betrachtungen über das Verhältnis von historischer und deskriptiver Sprachwissenschaft’. In: Mélanges de Linguistique offerts à Charles Bally, pp. 3-18. Genève, 1939.
Weinrich
1977 Zie Henne 1977.
Zawadowski, L.
1976 Inductive semantics and syntax, Mouton, 's-Gravenhage.