Forum der Letteren. Jaargang 1979


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1979. Dick Coutinho, Muiderberg 1979


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 42]

Discussie en reactie

Over Funktionele Grammatika
O. Inleiding

Teun Hoekstra heeft van zijn bespreking van mijn boek Functional grammar (Dik 1978; hierna FG) in Forum der Letteren 19 (1978) - veel werk gemaakt. De vrij uitvoerige samenvatting die hij van het boek geeft is op enkele details na adekwaat, en de punten van kritiek die hij opsomt zijn vrijwel alle zinnig en relevant. Voor al deze dingen ben ik hem erkentelijk.

Wel valt op dat zijn kritische opmerkingen voor een belangrijk deel betrekking hebben op problemen die ik in FG nu juist niet heb behandeld, of die ik naar zijn oordeel uitvoeriger had moeten behandelen. Daardoor heeft zijn bespreking vooral het karakter van een uitdaging. Op deze uitdaging wil ik in deze reaktie graag ingaan.

Ik begin met een nadere toelichting op een paar punten die blijkbaar aanleiding tot misverstanden hebben gegeven. En ik eindig met een paar problemen die een nadere uitwerking van het model van de Funktionele Grammatika (hierna FG) vereisen om opgelost te kunnen worden.

1. Nadere toelichting

1.1 Geen struktuurveranderende operaties

Op verschillende plaatsen gaat Hoekstra in op het beginsel dat in FG geen struktuurveranderende operaties worden toegelaten. Enerzijds vindt hij dit een overbodige bewering, omdat er geen strukturen zijn waarop dergelijke operaties toegepast zouden kunnen worden. Andeizijds ziet hij niet in waarom FG geen relatieveranderende regels of verplaatsingstransformaties zou toelaten.

Allereerst een verduidelijking m.b.t. het begrip ‘struktuurveranderende operaties’: hiermee bedoel ik (FG 10) alle deleties, substituties en permutaties. Daaronder vallen dus niet alleen boomveranderende regels, maar in het algemeen alle regels die een eenmaal geïntroduceerd beschrijvend element vervolgens vernietigen, verwijderen, verplaatsen, of vervangen door een ander element.

Al dit soort operaties worden in FG uitgesloten. Dat Hoekstra niet inziet waaruit deze uitsluiting voortvloeit, is logisch: deze uitsluiting vloeit nl. nergens uit voort, maar is een uitgangspunt, axioma of, zo men wil, werkhypothese van deze benadering. Als we dit beginsel aannemen, volgen daaruit allerlei beperkingen op de expressieve en deskriptieve kracht van het model, en mijn boek is o.a. een poging om aan te tonen dat deze beperkingen eerder voor- dan nadelen opleveren. Wel betekent dit dat talloze oplossingen die binnen een transformationeel kader kunnen worden geformuleerd, binnen FG eenvoudig uitgesloten zijn. Het niet toelaten van struktuurveranderende opera-

[p. 43]

ties leidt dan ook tot een diepgaand verschil tussen FG en TG, dat door gebruikmaking van het begrip ‘notationele variant’ (zie later) niet te overbruggen is.

1.2 Expressieregels

Hoekstra is vooral ontevreden over mijn behandeling van de expressieregels die uiteindelijk de vorm en de volgorde bepalen die de delen van een volledig gespecificeerde predikatie in het uiteindelijke taalbouwsel aannemen. Zijn ontevredenheid geldt vooral de behandeling van naamvallen, en het feit dat diep wordt ingegaan op ergatieve talen, maar nauwelijks iets wordt gezegd over andere taaltypes. Dit is echter uitdrukkelijk (FG 161) gedaan omdat ergatieve talen, waarin de naamvallen op het eerste gezicht noch met semantische, noch met syntaktische funkties korresponderen, voor FG een bijzonder probleem stellen dat in andere taaltypes niet in die vorm bestaat. Voor het overige lijkt de FG visie op naamvallen mij vrij duidelijk:

(i)naamvallen geven uitdrukking aan de semantische of de syntaktische funktie van een term;
(ii)wanneer een term zowel een semantische als een syntaktische funktie heeft (dus wanneer Subjekt of Objekt funktie aan de term is toegekend), zal in het algemeen de syntaktische funktie de naamval bepalen, waardoor de verschillen tussen de onderliggende semantische funkties in de vorm van de term worden geneutraliseerd;
(iii)aangezien een taal over het algemeen minder naamvallen heeft dan onderscheiden semantische en syntaktische funkties, zullen de naamvallen genoemde funkties over het algemeen niet op eenduidige wijze uitdrukken (FG 161-2).

Uit (iii) volgt dat aan een funktie over het algemeen wel een konstante naamval kan worden toegewezen (bv. Recipient → datief in een gegeven taal), maar aan een naamval geen konstante funktie (datief ↛ Recipient). In dit licht is het onjuist dat Hoekstra als bezwaar aanvoert dat ‘men toch van de datief in het Latijn niet kan zeggen dat er een konstante semantische funktie mee geasssociëerd is’. Dit wordt, zoals uit het bovenstaande blijkt, ook niet beweerd.

Dat sommige naamvallen in deze visie de uitdrukking zijn van syntaktische funkties (Subjekt en Objekt) en andere de uitdrukking van semantische funkties, lijkt ook eerder een voor- dan een nadeel. In de meeste beschouwingen over naamvalssystemen uit heel verschillende talen wordt immers van oudsher een dergelijk onderscheid gemaakt. Ook onjuist is de stelling dat op deze manier het verband tussen woordvolgorde, adposities en naamvallen niet tot uitdrukking komt. Dit verband komt nu juist wel tot uitdrukking, zoals verderop nog zal blijken.

1.3 Relevantie semantische funkties

Hoekstra vraagt zich af of semantische funkties zoals Agent, Goal, Recipient, Instrument etc. wel linguistisch relevant zijn: zijn het niet eerder extralinguistische noties, die in de taalbeschrijving als zodanig niet thuishoren?

Hier geldt natuurlijk dat de relevantie van dit soort theoretische begrippen alleen kan worden aangetoond door te laten zien dat die begrippen, indien geïntegreerd in de taalbeschrijving, een zinnige en koherente verantwoording van de taalfeiten mogelijk maken. In FG spelen de semantische funkties op de volgende manieren een rol: (a) ze karakteriseren de fundamentele semantische relaties van de termen binnen een predikatie, (b) ze maken het mogelijk verschillende soorten predikaties op zinnige wijze van elkaar te onderscheiden, (c) ze bepalen een hiërarchie in termen waarvan de toekenning van

[p. 44]

Subjekt en Objekt funktie taalonafhankelijk kan worden geformuleerd, (d) ze zijn mede-bepalend voor de vorm die termen zullen aannemen voor wat betreft naamvallen en/of adposities, (e) ze hebben indirekt invloed op de konstituentenvolgorde (in die zin dat konstituenten met alleen een semantische funktie over het algemeen vrijere volgorderegels kennen dan konstituenten met óók een syntaktische funktie), (f) ze kunnen (bij uitzondering) meespelen bij het bepalen van cross-reference en kongruentie, (g) ze kunnen gebruikt worden om te verklaren waarom niet alle Subjekten en Objekten per se op dezelfde wijze of in dezelfde mate Subjekt en Objekt zijn.

De punten (a) t/m (g) geven aan op welke manier de semantische funkties in het netwerk van FG zijn opgenomen. Zij vormen dus met elkaar de linguistische relevantie van semantische funkties volgens FG. Natuurlijk is het denkbaar dat men dezelfde dingen kan verantwoorden zonder semantische funkties, of dat men semantische funkties in een ander netwerk integreert. Dat moet dan wel aangetoond worden. En uiteraard is met het bovenstaande niets gezegd over de vraag welke semantische funkties noodzakelijk en voldoende zijn voor het beschrijven van natuurlijke talen. Maar dit is een empirische vraag die vooralsnog voor geen enkel taaltheoretisch begrip, ongeacht om welke theorie het gaat, afdoende beantwoord kan worden.

1.4 Relationele Grammatika

Op een aantal punten lijkt Hoekstra meer te voelen voor oplossingen volgens het model van de Relationele Grammatika (RG) dan voor die van FG. RG is een transformationele theorie waarin konstituenten gekenmerkt kunnen zijn voor de grammatische relaties Subjekt (SU), Direkt Objekt (DO), Indirekt Objekt (IO), of andere (A). Deze relaties worden geacht een hiërarchie te vormen zoals aangegeven in:

(1) SU > DO > IO > A

Er zijn regels die de grammatische relatie van een konstituent kunnen veranderen, en een aantal grammatikale processen wordt beschreven in termen van relatieveranderingen door deze hisërarchie heen van rechts naar links (‘Promotie’) of van links naar rechts (‘Demotie’)- Een eenvoudig voorbeeld is de aktief-passief relatie, die wordt beschreven in termen van Promotie van het DO tot SU, waarbij het oorspronkelijke SU volgens een algemeen geldende wetmatigheid zijn grammatische relatie verliest. Voorzover een oorspronkelijk IO uiteindelijk als SU kan optreden, zoals in:

(2) John was given the book by Fred
wordt aangenomen dat dit alleen dan mogelijk is, wanneer het IO eerst, via de relationele hiërarchie, tot DO gepromoveerd is, zoals in:
(3) Fred gave John the book

Dit model biedt zeker voor een aantal gevallen elegante beschrijvingsmogelijkheden en is in termen van het aantal primitieve begrippen duidelijk beperkter dan FG. Ik heb mij echter moeite gegeven aan te tonen dat RG op een aantal punten té beperkt is in die zin, dat bepaalde verschijnselen er niet mee verantwoord kunnen worden, of alleen verantwoord kunnen worden wanneer men uitzonderingen, ad hoc procedures, of uiterst krachtige beschrijvingsmiddelen toelaat.

[p. 45]

Afgezien van de relatieveranderende transformaties is het belangrijkste verschil tussen RG en FG dat in RG een konstituent maar één funktie tegelijk heeft en deze volledig verliest wanneer hij een andere funktie verwerft via Promotie of Demotie (bv. het Subjekt van een aktieve zin is op dezelfde manier Subjekt als het Subjekt van een passieve zin), terwijl in FG een Subjekt of Objekt konstituent óók nog altijd gekarakteriseerd is voor zijn aanvankelijke semantische funktie. Dit laatste nu blijkt een voordeel te zijn voor al die gevallen waarin:

(i)niet alle Subjekten of Objekten zich op dezelfde manier gedragen t.o.v. bepaalde regels,
(ii)de onderlinge verschillen op zinnige wijze verklaard kunnen worden in termen van de onderliggende semantische funkties.

FG 115 vgl. presenteert een aantal voorbeelden uit heel verschillende talen die juist deze twee eigenschappen vertonen. Voor RG vormen deze feiten evenzovele problemen. Voor FG vormen ze niet alleen geen probleem: het model voorspelt zelfs dat er zulke verschijnselen zullen zijn. Immers, een Subjekt is volgens FG altijd noodzakelijk een AgentSubjekt, GoalSubjekt, RecipientSubjekt etc.

Hoekstra spreekt nu een onbeslist uit op grond van het feit dat volgens hem zowel FG als RG veel te sterke mechanismen hanteren voor de te beschrijven feiten: ‘een theorie die zuinig is - en ik zou niet willen beweren dat de TGG zo getypeerd kan worden - is in zekere zin informatiever’. Maar nu wel twee dingen: (a) we kunnen pas over zuinigheid van theorieën praten als we eerst theorieën hebben, (b) het heeft pas zin over zuinigheid te praten als aangetoond is dat deze theorieën empirisch adekwaat zijn t.o.v. de te beschrijven feiten. Het lijkt alsof Hoekstra een theorie in gedachten heeft die zuiniger is dan TG, RG en FG en niettemin empirisch adekwaat. Maar die theorie wil ik eerst zien voordat ik hem als maatstaf kan accepteren.

1.5 ‘Notationele varianten’

Op verschillende plaatsen maakt Hoekstra gebruik van het begrip ‘notationele variant’, dat mij altijd een beetje doet steigeren omdat het meestal een symptoom is van de volgende diskussietruc: A heeft idee I, B heeft idee J, 11 ≠ J; A bekritiseert B, konstateert dat 1 ≠ J, maar kan niet direkt aantonen dat J fout is; nu betoogt A dat J een notationele variant van I is, d.w.z. dat J, in andere bewoordingen, hetzelfde zegt als 1; konklusie: voorzover B een goed idee heeft, is het eigenlijk een herformulering van het idee van A!

Weliswaar zegt Hoekstra in een noot erbij dat het begrip notationele variant eigenlijk niet goed bruikbaar is in de vergelijking van TG en FG, en dat het ook geen veroordeling inhoudt, maar ik vind toch wel dat hij tot het uiterste gaat als hij de behandeling van konstituentenvolgorde volgens FG, die op zowat alle fundamentele punten verschilt van die van TG, een notationele variant van de laatste noemt. Voor de duidelijkheid zet ik de belangrijkste verschilpunten tussen beide benaderingen nog eens naast elkaar:

Behandeling konstituentenvolgorde volgens:

TG FG
1. in de meest fundamentele struktuur
zijn de konstituenten lineair geordend
in de meest fundamentele struktuur
zijn de konstituenten niet lineair geordend

[p. 46]

2. er zijn verplaatsingstransformaties er zijn geen verplaatsingstransformaties
3. --- er zijn volgordepatronen in termen
    waarvan konstituenten gelineariseeid worden
4. elke taal heeft maar één fundamentele volgorde een taal kan meerdere volgordepatronen hebben
5. de plaatsing van konstituenten is niet gevoelig voor syntaktische funkties de plaatsing van konstituenten is gevoelig voor syntaktische funkties
6. de (ver)plaatsing van konstituenten is niet gevoelig voor pragmatische funkties de plaatsing van konstituenten is gevoelig voor pragmatische funkties
7. er is een beginpositie (COMP) die noodzakelijk de positie is van de complementizer er is een universele beginpositie (P1), los van de vraag of de complementizer naar deze positie gaat

Zoals te verwachten is leiden deze twee benaderingen tot heel verschillende uitkomsten voor bv. een taal als het Nederlands. Volgens de meest gangbare TG analyse is het Nederlands fundamenteel een SOV taal, en is de SVO volgorde in de hoofdzin het gevolg van een vrij late verplaatsing van het werkwoord. Volgens FG geldt het fundamentele P1 SOV patroon alleen voor de bijzin, en heeft de hoofdzin een P1 VSO patroon dat, door de wijze waarop de desbetreffende regels in het Nederlands worden toegepast, vaak (maar veel minder vaak dan men geneigd is te denken) resulteert in een SVO volgorde.

Ik kan mij echt niet aan het gevoel onttrekken dat het gebruik van de term notationele variant voor twee zo verschillende benaderingswijzen de diskussie eerder versluiert dan verheldert.

1.6 Objekt-toekenning in het Duits

Hoekstra voert enkele zinnen uit het Duits aan als tegenargument tegen mijn theorie van Objekt-toekenning en naamvalstoekenning. Eerst neemt hij aan dat volgens mij in de volgende zinnen de funktieverdeling zou zijn zoals aangegeven:

(4) Johann gibt Blumen (GoObj) zu Marie (Rec)
(5) Johann gibt Marie (RecObj) Blumen (Go)

Vervolgens wijst hij erop dat dit moeilijkheden oplevert in het volgende geval:

(6) Johann gibt ihr (datief) Blumen
waar een akkusatief in plaats van een datief verwacht zou worden.

Tenslotte stelt hij dat met deze theorie niet het verschil verantwoord kan worden tussen:

(7) * Ik gaf bloemen een meisje
(8) Ich gab Blumen einem Mädchen

Deze argumentatie is echter wel uiterst zwak: ten eerste kloppen de Duitse feiten niet; ten tweede zou ik ze niet zo behandelen als Hoekstra veronderstelt; en ten derde

[p. 47]

zou de manier waarop ik ze wél wil behandelen juist een aantal verschillen tussen het Duits en het Nederlands verklaren.

Ik gebruik Objekt-toekenning om het verschil te verantwoorden tussen paren als:

(9) Johan geeft bloemen aan Marie

(10) Johan geeft Marie bloemeneen

Ik neem aan dat beide zinnen gebaseerd zijn op een onderliggende predikatie van de vorm:

(11) gevenV (Johan)Ag (bloemen)Go (Marie)Rec

Wanneer nu, zoals in (9) en (10), Subjekt funktie is toegekend aan de Agens, kan, volgens de Objekt-toekenningsregels van het Nederlands, Objekt funktie hetzij aan de Goal, hetzij aan de Recipiënt worden toegekend. Deze toekenning heeft gevolgen voor de vorm en de plaats van de betreffende konstituent: het Objekt staat in de minst gemarkeerde volgorde voor het niet-Objekt, krijgt geen prepositie en krijgt, indien pronominaal, de niet-nominatieve vorm.

Hoe zit het nu in het Duits? Ten eerste is (4) in het standaard-Duits niet grammatikaal. Daar wordt geben nl. altijd gekonstrueerd met een akkusatief voor de Goal term, en een datief voor de Recipient. In termen van FG betekent dit, dat Objekt-toekenning eenvoudig niet plaatsvindt in het Duits; de Goal term wordt onveranderlijk uitgedrukt in de akkusatief, en de Recipiënt in de datief. Dit nu heeft ook gevolgen voor de konstituentenvolgorde: ‘Constituents which only have a semantic function (...) are not normally tied to specified positions in de clause’ (FG 74). Aangezien Objekt-toekenning niet plaatsvindt, verwachten we nu dus zowel de volgorde Go-Rec als de volgorde Rec-Go. Dit is een juiste voorspelling:

(12) Johann gibt die Blumen einem Mädchen

(13) Johann gibt einem Mädchen die Blumen

In tegenstelling tot wat Hoekstra veronderstelt is FG dus juist wél in staat de verschillen tussen het Duits en het Nederlands te verantwoorden.1

2. Verdere problemen

2.1 Ik hoor Kaatje zingen

Hoekstra vermeldt zinnen van het type:

(14) Ik zie Jan de hond slaan
als potentiëel probleem voor FG, en daar heeft hij natuurlijk gelijk in. FG kent geen

[p. 48]

struktuurveranderende operaties, dus kan niet, uitgaande van een struktuur van de vorm:

(15) Ik zie (Jan slaat de hond)
het Subjekt Jan van de ingebedde zin ‘omhoogtillen’ in de Objektspositie van de matrixzin.2 Ook zijn er geen relatieveranderende regels die Jan van Subjekt bij slaan tot Objekt bij zien kunnen maken.

In een recent artikel (Dik, te verschijnen) heb ik hiermee samenhangende problemen besproken aan de hand van konstrukties als:

(16) John believed Bill to have killed the farmer

Er worden daar twee oplossingen overwogen, beide kompatibel met de uitgangspunten van FG. Kort samengevat en vertaald voor de konstruktie met zien houden deze het volgende in.

In de ene oplossing zouden voor zien twee verschillende predikaat-schemas worden aangenomen, van de vorm:3

(17) zienV (xi)? (xj)?
(18) zienV (xi)? (xj)? (xk: [φ (xj)] (xk))Compl

In (17) is zien een tweeplaatsige relatie tussen de waarnemer en het waargenomene. Als het tweede argument wordt gespecificeerd met een predikatie kan dit argument als dat-zin worden uitgedrukt:

(19) Ik zie dat Jan de hond slaat

In (18) is zien een drieplaatsige relatie tussen de waarnemer, een waargenomen entiteit, en een komplement waarin een situatie wordt beschreven waarin deze waargenomen entiteit betrokken is. Predikaatschemas duiden klassen van states of affairs aan. Van verschillende predikaatschemas verwachten we dus dat ze verschillende klassen van states of affairs aanduiden. Wanneer we dus (14) en (19) beschrijven in termen van verschillende predikaatschemas, nl. resp. (18) en (17), verwachten we semantische verschillen tussen deze konstrukties. Welnu, deze zijn er ook, want (14) kan alleen gebruikt worden wanneer de waarnemer het waargenomene direkt ziet, terwijl (19) ook gebruikt kan worden wanneer de waarnemer indirekt, via-via, op de hoogte raakt van het in het komplement beschreven gebeuren. Dit kan dus een argument zijn voor deze oplossing. Wanneer dergelijke semantische verschillen niet aantoonbaar zijn, zoals tussen paren als:

(20) John believed Bill to have killed the farmer
(21) John believed that Bill had killed the farmer

[p. 49]

ligt het meer voor de hand een oplossing te zoeken waarin beide konstrukties van hetzelfde predikaatschema worden afgeleid. Dit is mogelijk binnen FG, maar het vereist wel een uitbreiding van de mogelijkheden van Objekt-toekenning. Het moet dan nl. worden toegestaan dat de Objekt funktie op het niveau van believe bij uitzondering wordt toegekend aan het Subjekt (Bill) van de ingebedde predikatie. Het zou binnen het kader van dit stuk te ver voeren op alle implikaties hiervan in te gaan. De geïnteresseerde lezer verwijs ik naar genoemd artikel.

2.2 Verf op de muur smeren

In FG 99 e.v. vergelijk ik de paren:

(22) a. Jan gaf de boeken aan mijn broer
  b. Jan gaf mijn broer de boeken
(23) a. Jan smeerde verf op de muur
  b. Jan besmeerde de muur met verf

In (22) wordt twee maal dezelfde state of affairs beschreven vanuit verschillend perspektief. Dit kan verantwoord worden via alternatieve Objekt-toekenning volgens de wijze waarop dit procédé in FG wordt opgevat. Voor het paar (23) kan deze zelfde oplossing niet gekozen worden, of de theorie van Objekt-toekenning zou ingrijpend gewijzigd moeten worden. De situatie is vergelijkbaar met die van de vorige paragraaf: voor (22) kan FG met één predikaatschema toe, voor (23) zullen twee verschillende predikaatschemas moeten worden aangenomen (waarbij het predikaatschema van besmeren via predikaatvorming afgeleid kan worden van het predikaatschema van smeren). Opnieuw verwachten we dus dat (23a) en (23b) niet dezelfde klasse van states of affairs zullen beschrijven. En dit is juist: er bestaan tussen (23a) en (23b) verschillen die tussen (22a) en (22b) niet bestaan. Deze semantische verschillen vinden we in tal van soortgelijke paren terug, waardoor een algemene formulering van de betreffende predikaatvormende regel mogelijk is.

Wanneer nu Hoekstra, met Fillmore, prefereert om beide paren (22) en (23) op soortgelijke wijze van dezelfde onderliggende representatie via alternatieve Objektselektie af te leiden, dan moet daar wel bij vermeld worden dat deze Objekt-selektie procedure dan gebruikt wordt om heel verschillende relaties tot uitdrukking te brengen, en dat het nauwelijks mogelijk is beperkingen op te leggen aan de kondities waaronder dit procédé kan worden toegepast, noch aan de gevolgen die het heeft voor de semantiek en de vormgeving van de zin. M.i. leidt deze benadering tot pseudo-generalisaties, waarin geheel verschillende feiten via een nauwelijks in te perken procedure op één noemer worden gebracht.

2.3 Beperkingen op bevraagbaarheid

Een derde probleem waarvan Hoekstra niet inziet hoe het in FG behandeld kan worden betreft verschillen tussen:

(24) Who did Bill believe Mary kissed the other night?
(25) *Who did Bill believe the story Mary kissed the other night?

Deze verschillen zijn in de transformationele literatuur sinds Ross (1967) behandeld in

[p. 50]

termen van verschillende soorten beperkingen op transformaties (met name verplaatsings- en extraktie-transformaties).

Natuurlijk moeten deze verschillen ook binnen FG verantwoord worden, en de problemen die dit met zich meebrengt lopen ten dele parallel met de problemen waarvoor TG zich gesteld ziet. Maar door de methodologische beperkingen op FG zijn bepaalde binnen TG mogelijke oplossingen uitgesloten.

Vraagwoorden worden in FG behandeld door een operator Q te laten inwerken op een vrije variabele in de onderliggende predikatie (vgl. ook Dik 1977). De veronderstelde onderliggende predikaties voor (24-25) zouden er ruwweg als volgt uitzien:

(26) believe (Bill) (kiss (Mary) (Qxi))
(27) believe (Bill) (the story: kiss (Mary) (Qxi))

Later worden deze predikaties zodanig gelineariseerd dat de bevraagde konstituent in ider geval in de beginpositie in de zin (de P1-positie) terecht komt. Men zou nu kunnen overwegen zodanige beperkingen aan deze plaatsingsregel op te leggen, dat deze in het geval van (26) wèl, en in het geval van (27) niet mag worden toegepast. Dit zou ongeveer overeenkomen met de TG oplossing, met dien verstande dat FG geen ruimte laat voor een herhaalde of zg. successief-cyklische toepassing van vraagwoordvooropplaatsing. Deze oplossing zou echter inhouden dat (27) wel geproduceerd wordt, maar door beperkingen op de expressieregels wordt uitgefilterd. Dit is echter onmogelijk, omdat FG dit soort uitfilteren niet toelaat (FG 11). Daardoor blijft er maar één mogelijkheid over: beperkingen formuleren op de toegankelijkheid (‘accessibility’) van een vrije variabele voor de operator Q, zodanig dat (26) wèl, maar (27) niet kan ontstaan.

Dit nu heeft een onverwacht voordeel vanuit typologisch oogpunt. Talen volgen nl. twee hoofdstrategieën bij het vormen van vragen van dit type: (a) ze brengen de bevraagde konstituent naar P1, of (b) ze zetten hem op de plaats waar de korresponderende niet-bevraagde konstituent zou staan. De laatste strategie leidt tot vragen van de vorm:

(28) Jan gelooft dat Marie wie heeft gekust gisteravond?

Nu blijkt dat in talen die deze tweede strategie volgen niettemin soortgelijke beperkingen kunnen gelden voor de bevraagbaarheid van konstituenten als in talen die de eerste strategie volgen.4 Beperkingen op (ver)plaatsbaarheid zouden nu alleen opgaan voor talen met strategie (a), en niet voor talen met strategie (b). Beperkingen op bevraagbaarheid (d.w.z. op de toepassing van de operator Q) kunnen echter voor beide typen op dezelfde manier worden geformuleerd. Daarom is deze methode, die binnen FG de enige mogelijkheid is, ook de beste uit het oogpunt van typologische adekwaatheid.

3. Konklusie

In het bovenstaande hoop ik te hebben aangetoond dat de kritiek van Hoekstra op FG op de meeste punten zeker relevant en stimulerend is, maar op geen enkel punt verontrustend ten aanzien van de mogelijkheden tot verdere ontwikkeling van het model

[p. 51]

der Funktionele Grammatika. Wel realiseer ik me dat op een aantal punten de bewijslast rust op degene(n) die aan de verdere uitwerking van dit model wenst/wensen bij te dragen.

 

Simon Dik

Bibliografie

Cole, Peter e.a.  
  1977 ‘Noun phrase accessibility and island constraints’, in: Peter Cole & Jerrold M. Sadock (eds.), Syntax and semantics 8: grammatical relations, 27-46. New York.
Dik, Simon C.  
  1977 ‘Vraagzinnen in een Funktionele Grammatika’, Spektator 6, 407-412.
  1978 Functional grammar. North-Holland Linguistic Series 37. Amsterdam.
Te verschijnen: Raising in a Functional Grammar’, Lingua 1979.
Geest, W.P.F. de  
  1973 Complementaire constructies bij verba sentiendi in het Nederlands. Gent.
Keenan, Edward L.
  1972 ‘On semantically based grammar’, Linguistic Inquiry 3, 413-461.
Ross, John Robert
  1967 Constraints on variables in syntax. MIT.