|
|
|
| |
| | | |
Vrouwelijke beroepsnamen in evolutie1 Geert Adriaens
Het gebeurt niet vaak dat sociale wetten bepalingen bevatten die direct op taal betrekking hebben. De onlangs in België en Nederland van kracht geworden wet ‘Gelijke behandeling van mannen en vrouwen’ (i.c. in het arbeidsproces) bevat nu precies dergelijke bepalingen, die m.n. niet zonder belang zijn voor de vorming en het gebruik van vrouwelijke afleidingen (verder: VA's) van beroepsnamen. De wet houdt o.m. in dat uit personeelsadvertenties moet blijken dat mannen én vrouwen kunnen reageren, wat in de praktijk soms aanleiding heeft gegeven (en nog geeft) tot het creëren van nieuwe VA's. De hierdoor interessant geworden taalkundige studie van personeelsadvertenties heeft nu het uitgangspunt gevormd voor een bredere verkenning van het terrein van de vrouwelijke beroepsaanduidingen (verder: VB's), met het accent op de taalevolutieve aspecten ervan. In vraagvorm uitgedrukt: hoe evolueren VB's en welke factoren zijn verantwoordelijk voor die evolutie? Om bepaalde onderdelen van deze algemene vraag te beantwoorden heb ik - net zoals linguïsten dat voor andere talen gedaan hebben2 - gebruik gemaakt van concreet materiaal uit Belgische en Nederlandse kranten en tijdschriften: personeelsadvertenties en een 400-tal excerpten uit krante- en tijdschriftartikelen waarin vrouwelijke beroepsuitoefenaars ter sprake komen, verzameld in de periode 1978-19803.
| |
1 Begrippen
Bij de bespreking van de evolutie van VB's worden enkele begrippen gebruikt, die ik hier vooraf introduceer. Het gaat om noties die afkomstig zijn uit de structuralistische taalkunde en die onmisbaar zijn voor een goed begrip van de semantische (en morfologische) aspecten van VB's.
Centraal staan de begrippen ‘gemarkeerdheid’ en ‘oppositie’. Jakobson (1957, 5) definieert gemarkeerdheid als volgt:
‘The general meaning of a marked category states the presence of a certain (whether positive or negative) property A; the general meaning of the corresponding unmarked category states nothing about the presence of A and is used chiefly but not exclusively to indicate the absence of A.’
Een concreet voorbeeld maakt dit duidelijk. In het paar politieagent/politieagente is politieagente de gemarkeerde term door de expliciete aanwezigheid van een sekse-feature: politieagente kan positief gekarakteriseerd worden als
| | | | [+vrouwelijk] of negatief als [-mannelijk]. In politieagent is het sekse-feature echter afwezig: op zichzelf genomen is het woord niet gespecificeerd voor sekse; in de oppositie met politieagente is het dus de ongemarkeerde term. Naargelang van de context waarin deze vorm voorkomt kan de ‘sekse-feature gap’ nu in het gebruik op verschillende manieren opgevuld worden (uiteindelijk op basis van de sekse van de referent(en)). In bepaalde contexten staat de ongemarkeerde vorm in direct contrast met de gemarkeerde, zoals in het leuke berichtje ‘Politieagent neemt politieagente tot vrouw’ (Het Laatste Nieuws 21/6/80); politieagent refereert hier aan een man en bevat in zijn contextuele interpretatie het feature [+mannelijk] Het lijkt mij van belang hierbij op te merken dat we in deze contexten geenszins te maken hebben met een statische oppositie: het is immers precies op basis van de aanwezigheid van de gemarkeerd-vrouwelijke vorm dat de ongemarkeerde pendant uitgesproken mannelijk wordt. (Dat deze dynamiek een grote rol speelt bij de evolutie van VB's zal verderop nog ter sprake komen). In andere contexten nu is er afwezigheid van contrast (‘neutralisatie’), zoals in het zinnetje ‘De sekse van de politieagent speelt geen rol bij de uitbetaling van het loon’, waarbij de referent zowel een man als een vrouw kan zijn. Ook hier treedt de ongemarkeerde vorm op, maar hij wordt nu in de context niet gespecificeerd voor sekse, de sekse-tegenstelling is opgeschort; we kunnen hier sprelen van sekse-neutraal gebruik van de ongemarkeerde vorm. Ten slotte zijn er ook contexten waaruit blijkt dat met de ongemarkeerde vorm ook naar een vrouw verwezen kan worden (b.v. ‘Zij is
politieagent’); de sekse-feature gap wordt in dit gebruiksgeval opgevuld met [+vrouwelijk]. Dit betekent dat de eigenaardigheid zich voordoet dat zowel met de gemarkeerde als met de ongemarkeerde vorm gerefereerd kan worden aan een vrouw, wat voor de evolutie van VB's van groot belang is (zie 2 en 3.1.2.1)4
In het voorgaande is al geregeld sprake geweest van ‘oppositie’. Ik ga even verder in op dit begrip omdat ik een onderscheid wil maken tussen twee soorten opposities (vgl. Trubetzkoy 1939). Een oppositie als politieagent/politieagente of architect/architecte wordt een privatieve oppositie genoemd: in het ene lid is een feature aanwezig, in het andere is het afwezig (nl. [+vrouwelijk]). Naast de privatieve oppositie is er vervolgens ook de equipollente oppositie. Het gaat om een oppositie waarvan beide leden ‘logisch gleichberechtigt’ zijn (Trubetzkoy 1939, 67). Een duidelijk voorbeeld is de eenvoudige oppositie meisje/jongen: beide leden zijn sekse-specifiek (respectievelijk [+vrouwelijk en [+mannelijk]), en daardoor wederzijds exclusief; er kan dus met de niet-vrouwelijke term niet gerefereerd worden aan een vrouwelijke persoon. Bij de beroepsnamen vinden we deze oppositie in de eerste plaats bij samenstellingen met -jongen/-meisje (b.v. winkeljongen/winkelmeisje) of -man/-vrouw (b.v. timmerman/timmervrouw), maar verder ook bij afleidingen (waar we dan niet alleen te maken hebben met privatieve opposities): in opposities zoals lerares/leraar, schrijver/schrijfster of actrice/acteur kunnen de oppositieleden sekse-specifiek genoemd worden, en de opposities zelf
| | | |
Tabel I: De evolutie van vrouwelijke beroepsnamen
| sociale achtergrond |
alleen mannen in beroep |
intrede vrouw in beroep |
toenemend aantal vrouwen in beroep |
| EVOLUTIESTADIA |
1. GEEN OPPOSITIE |
2. PRIVATIEVE OPPOSITIE |
3. EQUIPOLLENTE OPPOSITIE |
| talige elementen (enk. en mv.) |
1 term, semantisch mannelijk |
2 termen: de mannelijke (die ongemarkeerd wordt) en de gemarkeerd-vrouwelijke |
2 termen: de specifiek mannelijke en de (specifiek) gemarkeerd-vrouwelijke |
veranderingen
(nieuwe vormen, semantische verschuivingen, enz.) |
|
- creatie van de gemarkeerd-vrouwelijke term
- oorspronkelijk mannelijke term krijgt ruimere distributie (sekse-neutraal gebruik en gebruik voor vrouwelijke referent, zip opm.) |
- complete inburgering van de vrouwelijke term
- eventueel: creatie van een apart meervoud voor de vrouwelijke term (zie opm.)
- mede o.i.v. het ingeburgerd raken van de vr term ondergaat de ongemarkeerde term een distributievermindering en wordt hij specifiek mannelijk (zoals in stadium 1, maar nu binnen (en door) een oppositie) |
| opmerkingen |
(voor sekse-neutrale beroepsnamen en namen van oorspronkelijk alleen door vrouwen uitgeoefende beroepen, zie tekst) |
in dit stadium treedt op belangrijke variatie op van ongemarkeerde en gemarkeerde term om te verwijzen naar een vrouw (die variatie is nu een feit in b.v. voorzitter/voorzitster redacteur/redactrice docent/docente (zie 3.1.2.1)) |
- eventueel heeft het meervoud van de mannelijke term nog sekse-neutrale gebruiksmogelijkheden (zie tekst)
- het toenemende gebruik van het s-meervoud bij vr beroepsnamen op -e (assistentes, logopedistes, componistes, enz.) is hierbij echter een evolutie binnen de evolutie die mooi de tendens illustreert naar equipollente opposities, ook in het meervoud |
| voorbeelden (nieuwe elementen onderstreept) |
leraar leraren
student studenten |
leraar leraren
lerares leraressen
student studenten
studente studenten |
leraar leraren
lerares leraressen
student studenten
studente studentes |
| | | |
equipollent (vlg. Gruber 1976, 281 en zie verder 3.2.1). Ik merk bij de twee soorten opposities nog op dat het onderscheid in de praktijk niet altijd gemakkelijk te maken is5; het gaat daarbij bijna steeds om de vraag of de nietvrouwelijke term gebruikt kan worden om naar een vrouw te verwijzen of niet (kan een vrouw b.v. brandweerman genoemd worden of niet?), wat precies de kern is van het onderscheid tussen beide opposities. (Dat deze moeilijkheid te maken heeft met het in evolutie zijn van de hele materie, zal hoop ik uit het volgende punt duidelijk worden.)
Ten slotte nog dit i.v.m. opposities: bij een aantal beroepsnamen ontbreekt - om linguïstische en/of extralinguistische redenen (zie 3) - een VA (b.v. auteur, arts, minister, bediende, hoogleraar, notaris, psychiater). Bij deze beroepsaanduidingen is er dus nooit sprake van een oppositie met een andere vorm (het zijn a.h.w. op zichzelf staande ongemarkeerde vormen); in het verdere verloop van de uiteenzetting worden ze sekse-neutrale beroepsnamen genoemd.
| |
2 Een evolutieschema
In Tabel I worden de verschillende stadia van de evolutie van VB's schematisch weergegeven; een en ander wordt in wat nu volgt verduidelijkt. Vooreerst is het zo dat de talige evolutie gezien moet worden tegen de sociale achtergrond van de toenemende deelnemingsgraad van de vrouw in traditioneel mannelijke beroepen. Deze achtergrond vormt trouwens de basisfactor van de taalevolutie in kwestie (die zich zonder die factor gewoon niet voor zou doen). Wat dan de evolutie zelf betreft: het gaat niet om een evolutie die zich voor moet doen, wel een evolutie die zich voor kan doen, en wel een soort potentieel maximale ontwikkeling. Dit houdt b.v. in dat het eindstadium zo goed als nooit volledig bereikt wordt, aangezien de mogelijkheid blijft bestaan om, waar de context het vereist, de ‘mannelijke’ term (eventueel alleen nog in het meervoud en in samenstellingen (b.v. lerarenkorps) of afleidingen (b.v. leraarschap)) sekse-neutraal (c.q. generisch, voor gemengde groepen) te gebruiken. Zo werd b.v. in De Standaard 13/3/79 naar Kees Brusse, Dora van der Groen en Marcel Hendrickx verwezen met ‘drie knappe acteurs in “De Onweersvogel”’, al is de oppositie acteur/actrice equipollent (zie 3.2.1.1). Anderzijds heb ik ook (in artikelen) de volgende verbindingen gevonden, die tonen dat de termen ook in het meervoud equipollent zijn (ze worden immers allebei samen gebruikt, en niet alleen de ‘mannelijke’): ‘de acteurs en actrices’ (De Standaard 3/12/79), ‘de dansers en danseressen’ (de Volkskrant 9/1/80), ‘de zangers en zangeressen’ (ondertekening van een concertaankondiging). Dat het om een potentiële evolutie
gaat volgt ook hieruit dat die gevallen waarin nu variatie mogelijk is om aan vrouwen te refereren (stadium 2), niet tot een equipollente oppositie hoeven te evolu- | | | | eren. De gemarkeerde vorm kan ook een eendagsvlieg blijken, en de ongemarkeerde kan tot sekse-neutrale beroepsnaam worden. Merk op dat het in beide mogelijke evoluties gaat om een (typische) ontwikkeling van een onduidelijke toestand naar een duidelijke, m.n. door het opheffen van de variatie ongemarkeerde/gemarkeerde term om te verwijzen naar een vrouw/vrouwen (één van beide ‘varianten’ verdwijnt). Meteen lijkt mij die variatie dan ook de duidelijkste manifestatie (‘het zwakke punt’) van het in evolutie zijn van de hele materie; bij die gevallen zullen aarzelingen het sterkst zijn (‘Is een vrouw nu voorzitter of voorzitster?’), en is de uitkomst van de ontwikkeling - waarbij de taalgebruiker letterlijk en figuurlijk het laatste woord heeft - niet zomaar te voorspellen. (In 3.1.2.1 kom ik op de variatie in kwestie nog eens terug.) Aansluitend bij een mogelijke evolutie tot sekse-neutrale beroepsnaam: de beroepsnamen die meteen sekse-neutraal gebruikt worden (b.v. minister, notaris) onttrekken zich aan de ontwikkeling die in het schema geschetst is doordat er geen gemarkeerde pendant is. Wel is het zo dat zich bij die woorden onderhuidse semantische ontwikkelingen voordoen: waar ze aanvankelijk alleen [+mannelijk] waren, worden ze meer en meer [+mannelijk] of [+vrouwelijk] naargelang van de referent (die door de sociale ontwikkeling ook een vrouw kan zijn); formeel manifesteert zich die ontwikkeling echter niet. Nog een laatste illustratie van het feit dat het hier om een potentiële evolutie gaat: bij
samenstellingen - het ging tot nu toe hoofdzakelijk over afleidingen - is stadium 2 niet of nauwelijks van toepassing. Als naast timmerman (stadium 1) timmervrouw gevormd wordt, zitten we meteen in stadium 3, de equipollente oppositie.
Als we de oorspronkelijk alleen door vrouwen uitgeoefende beroepen (naaister, diëtiste, verpleegster, enz.), die (nu) ook voor mannen openstaan, bij het schema willen betrekken, krijgen we uiteraard een andere sociale achtergrond (mannen in traditioneel vrouwelijke beroepen); wat de evolutiestadia betreft: de gemarkeerd-vrouwelijke vorm bestaat hier vanaf het eerste stadium (waar hij ook de enige was), waardoor hij zo stevig ingeburgerd is dat we bij de creatie van een pendant (b.v. diëtist naast diëtiste) onmiddellijk een equipollente oppositie krijgen (taalstadium 2 is m.a.w. niet van toepassing).
Het gegeven schema is in zoverre een simplificatie dat het slechts één factor - zij het de belangrijkste - vermeldt, nl. het extralinguistische fenomeen van een bepaalde maatschappelijke tendens. Er zijn echter heel wat meer factoren (linguïstische en extralinguïstische) die de evolutie bepalen; in 3 komen die factoren aan de orde6. Als ordeningscriterium heb ik daarbij een steeds ruimer wordend contextueel perspectief gehanteerd. Eerst komen die intern-linguïstische factoren aan bod waarbij de linguïstische noch de extralinguïstische context een rol spelen (het gaat dus om de woorden op zichzelf en in hun paradigmatische relaties tot andere): deze factoren regarderen alleen het al dan niet creëren van VB's (waarbij het niet-creëren uiteraard wel het niet-gebruiken impliceert, maar het creëren nog niet het gebruiken). Vervolgens komen die linguïstische factoren aan bod die het al dan niet gebrui- | | | |
ken van VB's mede bepalen; het gaat hier m.a.w. om de invloed van de linguïstische context op het gebruik van VB's. Na deze linguïstische factoren komen dan de extralinguïstische, die de creatie én het gebruik (en uiteindelijk ook de inburgering) van VB's mede bepalen.
| |
3 Factoren die vorming en gebruik van VB's beïnvloeden
3.1 Linguïstische factoren
3.1.1 Niet-contextgebonden factoren
3.1.1.1. de aard van het suffix van de VA
Aangezien de morfologische aspecten van VB's in dit artikel niet centraal staan, ga ik hier alleen maar kort in op de aard van het suffix, en wel op het onderscheid tussen inheemse en vreemde achtervoegsels. Hiervoor beschouw ik alleen de suffixen -ster, -e, -euse, -rice en -a. Als we het Nederlands synchronisch bekijken, dan kan gezegd worden dat de eerste twee als inheems ervaren worden - het zijn ook de twee produktiefste vervrouwelijkende suffixen van het Nederlands -, terwijl de laatste drie nog duidelijk herkenbaar zijn als vreemde, c.q. ‘Romaanse’ (Kooij 1979, 25) suffixen. Nu is het zo dat de paradigma's -eur/-euse, -(t)eur/-(t)rice of -us/-a gekenmerkt worden door morfologische ondoorzichtigheid (vgl. Kooij 1979, 31): voor de Nederlandse taalgebruiker is het niet duidelijk welke vormelementen in die woorden met herkenbare semantische elementen corresponderen. Aangezien nu het doorzien van vorm-betekeniscorrespondenties de voorwaarde vormt om nieuwvormingen te creëren (vgl. Schultink 1961, 113), is het duidelijk dat de ondoorzichtigheid van de genoemde paradigma's het vormen van VB's kan remmen. Daarbij komt nog dat de patronen -eur/-euse, -(t)eur/ -(t)rice en het geleerde Latijnse -us/-a-patroon (nog?) niet frequent genoeg zijn om een probleemloze creatie van nieuwe formaties te vergemakkelijken. Dit alles verklaart wellicht mede dat in personeelsadvertenties beroepsnamen als programmeur, operateur, chauffeur, monteur; technicus, statisticus of chemicus geen VA naast zich krijgen.
| |
3.1.1.2 homonymie
Traditioneel wordt homonymie beschouwd als een semantisch verschijnsel dat in natuurlijke talen zoveel mogelijk vermeden wordt. Wanneer nu de creatie van een VB ertoe zou leiden dat er homonymie ontstaat, dan kan die vorming hierdoor verhinderd worden. Zo zijn er bijvoorbeeld een aantal woorden op -a (naast die op -us) die al ‘bezet’ zijn door een andere betekenis dan ‘vrouwelijke ...us’, nl. elektronika, fysica, informatica en mathematica. Het niet creëren van de vrouwelijke vormen (en het dan sekse-neutraal gebruiken van de -us-woorden) om homonymie te vermijden versterkt meteen de in 3.1.1.1 besproken factor die movering (d.w.z. creatie van een VA) hier remt. (Voor meer voorbeelden van potentiële homonymie, zie Adriaens 1981, 70-71.)
| |
| | | |
3.1.1.3 betekenisdiscrepanties
Een ander semantisch verschijnsel - naast en verwant met homonymie - is het volgende: soms bestaat een afgeleide VB (Y), maar die heeft hetzij een eigen betekenis (c.q. beroepsinhoud) verschillend van die van de ongemarkeerde pendant (X), hetzij ongewenste connotaties, zodat hij moeilijk bruikbaar is als afleiding van X met de betekenis ‘vrouwelijke X’. Net zoals bij homonymie is een woord dus bezet in een andere betekenis of met connotaties die een zuivere parallellie met de ongemarkeerde pendant onmogelijk maken, maar hier is het woord zelf een VA.
Een voorbeeld van een geval waarbij de ongemarkeerde en de gemarkeerde vorm een verschillende beroepsinhoud hebben is secretaris/secretaresse. Het - traditioneel vrouwelijke - beroep van secretaresse heeft een heel specifieke taakinhoud, zodat de vorm moeilijk bruikbaar is als pendant van secretaris (dat zelf verschillende - andere - functie-inhouden kan hebben, vgl. Van Dale s.v.); die onbruikbaarheid wordt daarbij nog versterkt doordat er tussen beide beroepen ook een verschil is in beroepsniveau: het beroep van secretaresse is lager in rang dan dat van secretaris (zie 3.2.1.3 voor een bespreking van het belang van het beroeps(naam)prestige). Vandaar dat een vrouw net zoals een man secretaris, staatssecretaris, secretaris-generaal enz. is; de oorspronkelijk mannelijke beroepsnaam wordt m.a.w. sekse-neutraal gebruikt.
Een voorbeeld van een VA die om zijn ongewenste connotaties niet bruikbaar is als pendant van de ongemarkeerde term lijkt mij priesteres te zijn: de vorm is tot nu toe alleen gebruikelijk geweest in verband met niet-christelijke godsdiensten (b.v. de antieke godendienst), zodat hij heidense connotaties gekregen kan hebben. Vandaar wellicht dat de VA, waar in kranten of tijdschriften sprake is van vrouwen in het priesterambt (in de hedendaagse westerse kerk), nergens gebruikt wordt. Waar een term gebruikt wordt om aan een vrouw te refereren, is het priester (dat dan sekse-neutraal wordt).
| |
3.1.2 Contextgebonden factoren
3.1.2.1 syntactische verbindingen
Om duidelijk te maken waar het hier om gaat keer ik terug naar het schema in Tabel I. Bij de overgang van stadium 2 naar stadium 3 verdwijnt de mogelijkheid om zowel met de gemarkeerde als met de ongemarkeerde vorm naar een vrouw te verwijzen; in stadium 3 kan dat alleen nog met de gemarkeerde. Nu leek het mij interessant om in de gevallen waar de variatie (op dit ogenblik) nog mogelijk is, de distributie van de twee vormen over de syntactische verbindingen waarin ze voorkomen kwantitatief te onderzoeken. Dit om na te gaan hoe de gemarkeerde vorm zich geleidelijk aan doorzet - een soort ‘syntactische diffusie’ - over de verschillende constructies7. Het gaat dus om een antwoord op de vraag welke verbindingen het gebruik van de gemarkeerde vorm bevorderen (dit als m.n. die vorm daarin frequenter voor- | | | | komt dan de ongemarkeerde), en welke verbindingen dit gebruik (aanvankelijk) remmen (dit als de ongemarkeerde vorm in die constructies (nog) frequenter voorkomt dan de gemarkeerde). In mijn krantenmateriaal heb ik dit onderzocht voor voorzitster/voorzitter en presidente/president (in de betekenis van ‘staatshoofd van een republiek’): alle zinnen waarin de ene of de andere vorm voorkwam heb ik geordend naargelang van de verbinding; daarna heb ik de frequenties van de twee vormen met elkaar vergeleken. Ik kan hier niet uitvoerig ingaan op dit (overigens vrij beperkte) onderzoek (zie Adriaens 1981, 75-85) en vermeld alleen kort de
resultaten. De volgende verbindingen lijken het gebruik van de gemarkeerde vorm te bevorderen (in deze constructies begint dus waarschijnlijk de syntactische diffusie): de verbinding met de naam van de vrouw als bijvoeglijke nabepaling van identificatie bij de functieaanduiding (‘voorzitster M.S.’), en de bijstelling (hetzij van de vorm ‘Mevr. M.S., voorzitster..,’, hetzij van de vorm ‘De voorzitster, mevr. M.S...,’). Als de beroepsnaam echter predikaatsnomen is (‘Mevr. M.S. is/ wordt voorzitter/voorzitster’) of bepaling van gesteldheid (hetzij predicatieve toevoeging met als (‘Als voorzitter/voorzitster’), hetzij resultatieve werkwoordsbepaling (‘Mevr. M.S. werd verkozen tot voorzitter/voorzitster’), dan houdt de ongemarkeerde vorm langer stand. Een (uiteindelijk semantische) verklaring hiervoor zal gezocht moeten worden in het feit dat het in die predicatieve constructies niet gaat om directe verwijzingen naar de persoon, maar wel om het toekennen van een (niet aan sekse gebonden) eigenschap (c.q. functie) aan die persoon, zodat sekse-markering als overbodig ervaren wordt (vgl. Simons 1912). Naarmate de gemarkeerde vorm echter meer en meer ingeburgerd raakt, moet deze ‘logische’ motivering het afleggen tegen het feitelijke taalgebruik (vgl. 3.2.1.2).
| |
3.1.2.2 semantische constellaties
Hoewel het niet zo vaak voorkomt, zijn er toch soms zinnen of zinssequenties waarin i.c. de gemarkeerde vorm om semantische redenen niet gebruikt kan worden, ook al is er sprake van een vrouw. Dit soort verbindingen restringeren dus de gebruiksmogelijkheden van de gemarkeerde vorm.
| |
3.1.2.2.1 pleonasme
Dat in zinnen als ‘De chef-kok is een vrouw’ of ‘De nieuwe president van IJsland is een vrouw’ de ongemarkeerde vorm verschijnt, heeft ermee te maken dat bij gebruik van de gemarkeerde vorm pleonastische constructies zouden ontstaan, b.v. ‘De presidente is een vrouw’. (Indien ze voorkwamen - ik heb er geen aangetroffen -, zouden ze goed vergelijkbaar zijn met pleonastische verbindingen als vrouwelijke spionne, vrouwelijke dirigente, enz., die ik wel geregeld in mijn materiaal gevonden heb.)
| |
3.1.2.2.2 situering binnen een gemengde groep
Als in een bepaalde verbinding de vrouw gesitueerd wordt als behorend tot een groep waartoe ook mannen behoren, dan moet automatisch de ongemarkeerde vorm gebruikt worden - meestal in het meervoud - omdat alleen die vorm naar vrouwen én mannen kan verwijzen (sekse-neutraal gebruik, zie 1).
| | | | Enkele voorbeelden uit het materiaal:
| (1) |
‘(..) Suzanne Valadon (..), een van de beste Franse schilders uit de vorige eeuw’ (de Volkskrant 22/12/79) |
| (2) |
‘Martine Huysse: 19 en al beste jonge kok’ (De Standaard 10/3/80) |
| (3) |
‘Zo pleit PvdA-econoom Van der Doel (een man, G.A.) voor een uitbreiding van (..). Een andere econoom, mevrouw BruynHundt, heeft tegen deze oplossing allerlei bezwaren (..)’ (de Volkskrant 13/10/79) |
In zin (2) wordt het meisje in kwestie (impliciet) gesitueerd binnen de groep van vrouwelijke én mannelijke koks die aan de wedstrijd deelnamen; in zin (3) gaat het om andere, dat hier niet gevolgd kan worden door de VA econome omdat het impliciet verwijst naar de mannelijke econoom Van der Doel (situering binnen een groep van twee).
| |
3.2 Extralinguistische factoren
3.2.1 De wereld van de beroepen
3.2.1.1 een wereld in beweging
Zoals gezegd in 2 vormt de toenemende deelnemingsgraad van de vrouw in traditioneel mannelijke beroepen de achtergrond waartegen de hier behandelde linguïstische problematiek gezien moet worden. Interessant is nu dat er onlangs van overheidswege een poging gedaan is om deze tendens te versnellen, m.n. door de wet ‘Gelijke behandeling van mannen en vrouwen’ (i.c. in het arbeidsproces), die in België op 27/8/78, in Nederland op 15/3/80 (en voor de burgerlijke openbare dienst op 19/7/80) van kracht geworden is. Globaal bekeken komen de bepalingen van de wet hierop neer dat de beroepskansen van de vrouw groter worden of verbeteren. Hoewel niet uit het oog verloren mag worden dat (hardnekkige) traditionele opvattingen over de rolverdeling van man en vrouw niet zomaar dank zij die wet zullen verdwijnen - de overtredingen van de wet liegen er niet om -, mag toch verwacht worden dat de genoemde tendens in de toekomst nog sterker zal worden, en dat parallel met die tendens nieuwe VB's wellicht een kans zullen krijgen om in het gebruik door te dringen.
Dat heel wat nieuw gevormde VB's (zie Adriaens 1981, 33-52 voor opsommingen hiervan) in personeelsadvertenties voorkomen, is er trouwens mede een gevolg van dat de wet concrete bepalingen bevat in dit verband: uit personeelsadvertenties moet duidelijk blijken dat zowel vrouwen als mannen kunnen reageren, wat er dan vaak op neerkomt dat (nieuwe) VB's naast de - in die specifieke context - mannelijke verschijnen. Wat die specifieke context betreft: opmerkelijk aan de advertenties is dat de ongemarkeerde en de gemarkeerde vorm van privatieve opposities er altijd in directe oppositie staan met elkaar (op voorwaarde natuurlijk dat er b.v. niet staat ‘medewerker (m/v)’ - waarbij medewerker sekse-neutraal is opgevat -, maar wel ‘medewerker/medewerkster’ of een variant hiervan). Dit betekent meteen ook dat de dynamiekgedachte die in 1 besproken is hier bij uitstek geldt: in de
| | | | uitdrukkelijk voor sekse gemarkeerde advertenties wordt de ongemarkeerde vorm precies door de expliciete aanwezigheid van de gemarkeerd-vrouwelijke [+mannelijk]. Hoewel het talige belang van de personeelsadvertenties niet overschat mag worden - vooral omdat VB's er vaak alleen vanwege de wettelijke bepalingen in voorkomen -, kunnen ze op die manier wel de algemene evolutie in de richting van equipollente opposities versterken.
Ten slotte nog dit i.v.m. de wet en de advertenties: interessant zijn ook de uitzonderingen op de wettelijke bepalingen (d.w.z. de gevallen waarin bij het adverteren wel een onderscheid gemaakt mag worden naar de sekse). Het gaat om beroepen waarbij het biologische onderscheid tussen man en vrouw een rol speelt (niet de traditionele rolverdeling tussen man en vrouw, die de wet precies probeert de doorbreken). Ik som ze even op omdat ze een apart groepje vormen waarbij we duidelijk te maken hebben met equipollente opposities vanwege de gebondenheid van het beroep aan de sekse: danseres/ danser, actrice/acteur, zangeres/zanger, visiteuse/visiteur. Wellicht kunnen hier ook nog de beroepen uit de sportwereld aan toegevoegd worden (voetballer/voetbalster, zwemmer/zwemster, enz.), omdat ook daar in de meeste gevallen een (sekse-gebonden) onderscheid gemaakt wordt tussen mannen- en vrouwensport.
| |
3.2.1.2 het aantal vrouwelijke beroepsuitoefenaars
De wereld van de beroepen, waarvan in het vorige punt de dynamiek besproken werd, kan ook meer statisch bekeken worden. In het licht van de hier behandelde problematiek gaat het er daarbij om dat er een duidelijke correlatie bestaat tussen het aantal vrouwen in een bepaald beroep en het meer of minder ingeburgerd zijn van een VB. Uiteraard is dat ingeburgerd zijn niet zonder meer afhankelijk van het aantal referenten; het woord in kwestie moet ook geregeld gebruikt worden (vgl. Booij 1978, 55-56). Toch lijkt mij die gebruiksfrequentie - zeker in het geval van de VB's - sterk afhankelijk van het aantal vrouwelijke beroepsuitoefenaars (zo wordt er überhaupt geen VA gevormd - en dus a fortiori niet gebruikt - als er geen vrouwen zijn die het beroep uitoefenen). De factor ‘aantal referenten’ is dus anterieur t.o.v. de factor ‘gebruiksfrequentie van het woord’. Terwijl nu over deze gebruiksfrequentie weinig gezegd kan worden, beschikken we dank zij statistisch-sociologisch onderzoek wel over preciese cijfers van het aantal referenten (i.c. vrouwen in een bepaald beroep), wat het mogelijk maakt de genoemde correlatie na te gaan. Bij het cijfermateriaal gaat het dan niet om absolute cijfers, die op zichzelf weinig zeggen, maar wel om deelnemingscoëfficiënten (d.w.z. het percentage vrouwelijke beroepsuitoefenaars op het totale aantal beroepsuitoefenaars (mannen en vrouwen); verder afgekort tot dc), die de graad van vrouwelijkheid van een beroep laten zien. Vanwege de beperkte omvang van dit artikel is het echter niet mogelijk dit materiaal8 hier uitvoe- | | | | rig te bespreken, zodat ik alleen enkele algemene opmerkingen kan maken.
De beroepen met een vrouwelijke dc van 75 en meer zijn de traditioneel vrouwelijke beroepen, met een voor vrouwelijke sekse gemarkeerde naam die als zodanig ontegensprekelijk ingeburgerd is. Voorbeelden : verpleegster, diëtiste, kleuterleidster, typiste, ponsster, naaister, schoonmaakster. (Dit maakt het mogelijk om - uiteindelijk op grond van de buitentalige context - zinnen als ‘Zij is verpleger’ of ‘Ze is ponser’ uitgesproken ongrammaticaal te noemen.) De eventuele intrede van mannen in deze beroepen heeft ook talige consequenties. Vooreerst zijn er de ‘Rückbildungen’ zoals diëtist, kleuterleider, schoonheidsspecialist, host (in België, uit hostess); deze beroepsnamen vormen onmiddellijk bij hun creatie een equipollente oppositie met de vrouwelijke vorm (zie 2). Vervolgens wordt er ook soms een nieuwe (sekse-neutrale) term gecreëerd voor het beroep (b.v. verpleegkundige i.p.v. verpleegster/verpleger), vaak in een poging van de mannelijke nieuwkomers om het prestige van het beroep te verhogen... (vgl. Brouwer 1980, 27 en Van Nierop 1979, 184-185).
Van de meeste beroepen waarvan de vrouwelijke dc schommelt rond 50 (ruim genomen tussen 40 en 75) mag de VA van de naam - als die er is - als ingeburgerd beschouwd worden. Het gaat om beroepen waarin vanaf het ontstaan zowel mannen als vrouwen gewerkt hebben, ofwel - en vooral - om oudere beroepen waarin vroeger alleen mannen tewerkgesteld waren, maar waarin nu al vrij veel vrouwen werkzaam zijn. Voorbeelden : lerares, onderwijzeres, masseuse, telefoniste, kapster. Van deze beroepsnamen kan dan gezegd worden dat ze duidelijk deel uitmaken van equipollente opposities met de i.c. mannelijke pendants. (Vandaar het ongewone van zinnen als ?‘Zij is een goede leraar, kapper,...’.). Ik merk hier wel bij op dat deze equipollente opposities niet van dezelfde aard zijn als de in 3.2.1.1 besprokene (zanger/zangeres, enz.). Voor de hier opgesomde beroepen is het man/vrouw zijn niet bepalend; de equipollente opposities zijn het resultaat van de in 2 besproken evolutie. Meteen wijst dit erop dat de ‘logische’ gedachte dat de sekse irrelevant is voor een functie en er dus geen vrouwelijke vorm nodig is als ook vrouwen het beroep gaan uitoefenen, door de (taal)feiten tegengesproken wordt (vgl. 3.1.2.1); dit kan in de toekomst van belang zijn voor die beroepen die nu nog door weinig vrouwen uitgeoefend worden: een VA kan zich - tegen de ‘logica’ in - toch doorzetten als het gebruik daar zo over beslist.
De derde groep van beroepen - met een vrouwelijke de van minder dan 40 - zijn dan de traditionele mannenberoepen, waar een en ander sociaal en talig in beweging is (zie 3.2.1.1). Het zal duidelijk zijn dat, zolang er geen behoorlijk relatief aantal vrouwen is dat die beroepen uitoefent, de kans dat een VA gebruikelijk wordt klein is. Bij de benamingen van deze beroepen hebben we (nog) het duidelijkst te maken met privatieve opposities (zodra er een VA gevormd wordt en stilaan ook gebruikt) en dus ook met de variatie van gemarkeerde en ongemarkeerde vorm om aan een vrouw te refereren. Voorbeelden:
| Ze is architect/architecte |
| chirurg/chirurge |
| | | |
| advocaat/advocate |
| machinist/machiniste |
| loodgieter/loodgietster |
| metselaar/metselaarster |
Of deze beroepsnamen dezelfde weg op zullen gaan als die van de tweede groep, is niet zonder meer te voorspellen; de taalontwikkeling zal het moeten uitwijzen. Er moet hierbij ook rekening gehouden worden met andere factoren dan het aantal beroepsuitoefenaars. De traditioneel mannelijke beroepen laten zich namelijk verder groeperen naargelang van het beroepsniveau (c.q. beroepsprestige), waarbij vooral opvalt dat in hogere beroepen (nog) weinig of geen vrouwen te vinden zijn. Wat het belang is van het beroepsprestige als moveringbeïnvloedende factor komt in het volgende punt aan bod.
| |
3.2.1.3. het beroepsniveau
In de literatuur9 komt geregeld de gedachte naar voren dat voor hogere beroepen een vrouwelijke vorm meestal ontbreekt (zodat de nauw verbonden factoren ‘klein aantal vrouwen’ en ‘hoog prestige’ elkaar versterken als factoren die vorming en gebruik van VB's remmen). Die gedachte wordt gecombineerd met de aanname dat vrouwelijke uitoefenaars van hogere beroepen de i.c. mannelijke term zouden prefereren (die term wordt dan sekseneutraal). Naar deze voorkeur van vrouwen - die het afwijzen van de VB impliceert en dus ook een moveringbeinvloedende factor kan zijn - heb ik geen onderzoek gedaan; wel heb ik in een beroepenlijst10 nagegaan of het zo is dat de VA bij hogere-beroepsnamen ontbreekt. Hoewel van enkele inderdaad gezegd kan worden dat ze sekse-neutraal zijn of een goede kans maken om het te worden (b.v. arts, consul, dokter, apotheker, chirurg, burgemeester, hoogleraar, ingenieur, notaris, psychiater, rechter, officier, wethouder), zijn er ook waarvan het niet denkbeeldig is dat een VA zich door zal zetten, ook al gaat het om hogere beroepen. Dat zijn dan vooral beroepsnamen die gemoveerd kunnen worden met het vrij onopvallende, produktieve -e: gynaecoloog, bioloog, advocaat, dirigent, internist, jurist, anatoom, econoom.
Een groep hogere beroepen die verder sterk opvalt als die met de bij uitstek sekse-neutrale benamingen, is de groep van de ‘politieke’, bestuurlijke functies. Voorbeelden: minister, staatssecretaris, wethouder, volksvertegenwoordiger, senator, burgemeester, ambassadeur, consul, premier. Hierbij speelt behalve het beroepsniveau ook wel mee dat het gaat om beroepen uit een (formele) sfeer waarin vaste (c.q. oorspronkelijk mannelijke) titels gebruikelijk zijn.
Om 3.2.1.3 af te ronden nog kort iets over lagere en middelbare (mannen)-beroepen (b.v. inpakker, soldeerder, glasblazer, metselaar, tegelzetter, chemicien, conducteur, portier, bakker, boekbinder). Terwijl bij hogere beroepen
| | | | én het kleine aantal vrouwen én het beroepsprestige movering verhinderen, speelt bij lagere en middelbare beroepen vooral het kleine aantal vrouwen een rol bij het niet gebruiken van een VA; wellicht zal de VA zich bij deze beroepen makkelijker doorzetten naarmate meer vrouwen aan het beroep deelnemen.
| |
3.2.2 Ideologische achtergronden
In 3.1 en vooral in 3.2.1 zijn factoren besproken die de talige aspecten van VB's niet alleen - dynamisch gezien - beïnvloeden, maar uiteindelijk ook - statisch gezien - kunnen verklaren. In het perspectief van de steeds ruimer wordende context komen hier de ideologische achtergronden bij het onderzoeksgebied ‘taal en sekse’ aan bod, omdat er vanuit i.c. de feministische ideologie ook standpunten i.v.m. beroepsnamen geformuleerd zijn. Die standpunten bieden geen verklaring voor de taaltoestand van de VB's, maar zijn wel een poging om die toestand bewust te beihvloeden. Ik merk hierbij nog op dat ik niet inga op het probleem ‘wetenschap en ideologie’, noch op de algemene achtergronden van de te bespreken ideologieën; ik beperk me hier tot wat er vanuit die ideologieën over de talige aspecten van beroepsnamen geschreven is (zie verder Adriaens 1981, 117-126 en de daar genoemde literatuur).
| |
3.2.2.1 het feminisme
3.2.2.1.1 sekse-neutraal gebruik van de oorspronkelijk mannelijke term
Het in 1 besproken dubbele gebruik (i.c. mannelijk én sekse-neutraal) van de ongemarkeerde vorm van privatieve opposities wordt b.v. door Brouwer (1980, 28) als seksistisch beschouwd (d.w.z. als discriminerend voor i.c. de vrouw), waardoor het volgens sommige feministen uit de taal geweerd zou moeten worden. Enkele opmerkingen hierbij. Het lijkt mij aannemelijk dat de tot het taalsysteem behorende dubbele gebruiksmogelijkheid van de oorspronkelijk mannelijke term diachronisch gezien een neerslag is van de mannelijke cultuurdominantie (vgl. Schane 1970, 292; volgens Kalverkämper (1979, 67) echter is er geen enkele band tussen het taalsysteem en die cultuurdominantie). Dat bij synchronische analyse van teksten en gesprekken uit de sekse-neutrale gebruiksmogelijkheid van de ongemarkeerde vorm besloten kan worden dat dit talige verschijnsel ‘de vrouw onzichtbaar maakt’ (vgl. Brouwer 1980, 28) lijkt mij echter een overtrokken bewering die de taal in hoge mate overschat. Er moet b.v. rekening mee gehouden worden dat de ongemarkeerde vorm door de talige context vereist kan worden, en dus een duidelijke functie vervult in de taal (zie 3.1.2.2); belangrijker is het echter in te zien dat privatieve opposities in een ruimer kader geplaatst moeten worden: (synchronisch) in hun plaats naast en (diachronisch) in hun mogelijke evolutie naar equipollente opposities (zie 1 en 2), waarbij de ongemarkeerde vorm zijn sekse-neutrale gebruiksmogelijkheid in grote mate verliest.
| |
3.2.2.1.2 het al dan niet vormen van VB's
Over het al dan niet moveren van de oorspronkelijk mannelijke beroepsnaam
| | | | bestaan in feministische kringen uiteenlopende meningen. Romein-Verschoor (1978, 25) brengt de standpunten als volgt samen:
‘(..) in de feministische kritiek steekt veel onderlinge tegenspraak. Dat wordt vooral duidelijk bij de benamingen van vrouwen die in van ouds louter manlijke beroepen optreden. (..) Het merkwaardige is, dat er (..) zowel feministen zijn, die protesteren, dat ze bij gebruik van alleen de manlijke vorm uitgesloten dan wel “onzichtbaar gemaakt” worden, als anderen die niet in de naam van hun beroep als een seksueel wezen willen worden aangeduid of er zelfs in lezen: desnoods mag het ook een vrouw zijn.’
Sommigen beschouwen m.a.w. het niet gebruiken van een VA als discrminerend, anderen het wel gebruiken ervan, zodat het niet erg waarschijnlijk is dat de taal in dit verband vanuit de feministische hoek sterke invloed zal ondergaan. (De feitelijke taalevolutie (zie 2) is trouwens complexer dan de soms weinig genuanceerde standpunten laten vermoeden). Het zou wellicht interessant zijn onderzoek te doen (a.d.h.v. een enquête) naar de mening van een groot aantal vrouwen over de problematiek, mede met het oog op diepergaande verklaringen voor de tegengestelde opvattingen.
| |
3.2.2.2 het androcentrisme en VB's
Een verdienste van de feministische wetenschapsbeoefening is zeker dat ze aan het licht gebracht heeft dat mannelijke wetenschappers soms niet vrij te pleiten zijn van een (meestal impliciete) androcentrische optiek (d.w.z. een optiek die de man als superieur aan de vrouw beschouwt). Het geeft trouwens te denken dat het typisch is voor de vorm waarin i.c. voor de taalwetenschap over ‘taal en sekse’ geschreven wordt, dat mannen zich geroepen voelen om op vaak ironiserende en zelfs paternalistische wijze te reageren op feministische artikelen of boeken (zie b.v. Kalverkämper 1979 of Van der Horst 1979). Het lijkt wel of ook bij de ideologieën de gemarkeerdheidsgedachte geldt: het is pas door de gemarkeerd-feministische ideologie dat de ongemarkeerde ideologie van de dominante groep geëxpliciteerd wordt...
Wat dan de beroepsnamen betreft: een typisch mannelijke reactie op feministische acties voor aanpassing van de beroepsnamen aan de veranderende sociale werkelijkheid lijkt die te zijn van het wegironiseren van de hele problematiek, waarbij de feministische taaleisen tot in het belachelijke doorgetrokken worden (vgl. Miller en Swift 1979, 102-104 of Yaguello 1979, 191-192). Hierachter schuilt wellicht een dieper liggend mannelijk verzet tegen de intrede van vrouwen in traditioneel mannelijke beroepen. Ik citeer even een stukje uit een lezersbrief uit de NRC (15/9/78), dat een voorbeeld is van zo'n mannelijke reactie; het is sterk ironisch, en vooral de onterechte uitbreiding van het bereik van moverende suffixen (vgl. vooral de titel) ridiculiseert de eis tot vervrouwelijking van beroepsnamen.
‘MINISTERETTE - Ons land dient het Kamerlid voor de PvdA, de heer Drenth, erkentelijk te zijn voor het door hem genomen initiatief een einde te maken aan het schrijnend onrecht dat wordt aangedaan
| | | | aan vrouwen die een functie bekleden waarvoor nog geen vrouwelijke naam bestaat. Blij ben ik ook, dat hij minister Wiegel mee heeft gekregen, hoewel ik het met diens beslissing niet eens ben om vrouwelijke geneesheren geneeskundige te noemen. Een vrouwelijke heer is een dame, derhalve zou ik de voorkeur hebben gegeven aan Geneesdame-directrice. Ik meen dat minister Wiegel er goed aan zou doen een staatscommissie ad-hoc te benoemen, geheel uit doorgefourneerde emancipeuses bestaande, onder voorzitterschap van een algemeen erkende expertesse op het gebied van de titulatuur, teneinde aan de door de heer Drenth gesignaleerde discriminatie voor eens en voor altijd een einde te maken. (..) Hier volgen (..) nog enige suggesties voor de commissie: ministerette, staatssecretaresse, secretaressegeneraal, directrice (generaal), (..).’
| |
4 Besluit
Een algemene en voor de hand liggende vraag die men zich naar aanleiding van de veelheid van de hier behandelde factoren zeker kan stellen is de volgende: ‘Mogen we in de toekomst steeds meer vrouwelijke beroepsnamen verwachten, of zal de moveringstendens afnemen of het zelfs af moeten leggen tegen de tendens naar het gebruik van sekse-neutrale beroepsnamen?’ Dat het beantwoorden van deze vraag niet zo eenvoudig is en zeker niet ongenuanceerd mag gebeuren, blijkt alleen al uit de soms totaal tegenovergestelde antwoorden erop (die uiteindelijk niet meer kunnen zijn dan hypotheses) door onderzoekers van andere talen. Voor het Frans bijvoorbeeld meent Connors (1971, 598) dat de moveringstendens zal afnemen naarmate er meer vrouwen de traditioneel mannelijke beroepen gaan uitoefenen, terwijl Boel (1976, 73) veronderstelt dat die tendens zal toenemen met het stijgende aantal vrouwelijke beroepsuitoefenaars.
Voor het Nederlands kan de vraag m.i. - op basis van alles wat hier besproken is - als volgt beantwoord worden. Zowel de tendens naar vervrouwelijking als die naar sekse-neutralisering zijn reëel, maar er zijn veel aanwijzingen dat de eerste tendens de sterkere is en dat nog wel een hele tijd zal blijven.
Vooreerst zijn er een paar morfologische aanwijzingen, die ik hier niet uitvoerig behandeld heb, maar die toch niet onvermeld mogen blijven. Van de vervrouwelijkende suffixen zijn er die weliswaar improduktief geworden zijn (vooral -es en -in), maar andere (i.c. -ster) zijn stevig in het systeem ingeworteld, en - wat hier vooral aandacht verdient - nog andere worden steeds belangrijker (vooral -e, maar ook -euse en -rice) en veroveren een vaste plaats in het Nederlandse taalsysteem. Een ander morfologisch fenomeen (het hangt samen met de opkomst van -e) dat duidelijk toont dat het maken van het sekse-onderscheid blijkbaar van belang is voor de taalgemeenschap, is de (recente!) opmars van het s-meervoud bij VB's op -e (b.v. logopedistes, assistentes, componistes). Vervolgens blijkt - o.m. uit beroepenlijsten - dat de moveringstendens een veel ruimer gebied van beroepsnamen bestrijkt dan de sekse-neutraliseringstendens (waardoor de eerste in 2 ook als hoofdtendens geschetst kon worden, en de tweede als een zich aan die
| | | | hoofdtendens onttrekkende neventendens). Daarbij komt nog dat de sekseneutrale beroepsnamen zich meestal door hun opbouw alleen al aan movering onttrekken (wat er ook een aanduiding voor kan zijn dat ze een soort restcategorie vormen): ze gaan b.v. uit op -e (bediende, beambte, verpleegkundige), of ze zijn van vreemde herkomst (professor, psychiater, consul).
Met dit laatste gegeven zijn we dan aanbeland bij de in 3 besproken factoren die vorming en gebruik van VB's beïnvloeden. De belangrijkste hiervan wil ik nog even kort overlopen met het oog op gegevens die de geformuleerde hypothese kunnen ondersteunen. De meeste van de moveringverhinderende factoren die betrekking hebben op een behoorlijk aantal beroepsnamen - dus niet homonymie of betekenisdiscrepanties - lijken mij zelf fenomenen te zijn die zo kunnen evolueren dat ze op den duur movering niet meer zullen verhinderen: vreemde suffixpatronen kunnen geleidelijk aan meer vaste voet krijgen in een taalsysteem, de syntactische diffusie leidt stilaan tot het gebruik van de gemoveerde vorm in alle verbindingen (weliswaar niet in de specifieke semantische constellaties die steeds de niet-gemoveerde vorm zullen blijven vereisen), en de toename van vrouwelijke beroepsuitoefenaars mede ten gevolge van de wet ‘Gelijke behandeling’ - is een kwestie van tijd. Verder verdient het vermelding dat ook het beroepsprestige voor evolutie vatbaar is: het blijkt te verminderen naarmate meer vrouwen in prestigieuze (mannen)beroepen werkzaam zijn (In 't Veld-Langeveld 1969, 56), zodat het op lange termijn movering niet meer verhindert. Zelfs als dat prestige de sterkste remmende factor blijft, dan nog heeft die slechts betrekking op een gering aantal beroepsnamen. En wat ten slotte de ideologische achtergronden betreft: in feministische kringen bestaat geen eensgezindheid over het al dan niet vormen van VB's; er is met name geen unanieme afwijzing van afgeleide beroepsnamen, die eventueel de tendens tot movering zou kunnen remmen. Kortom, m.i. mag aangenomen worden dat de bestaande moveringstendens ook in de toekomst zal leiden tot vorming, gebruik, en inburgering van
VB's, wat echter - ik herhaal het - de minder sterke tendens tot sekse-neutralisering niet uit hoeft te sluiten. Verder onderzoek van de Nederlandse moveringsproblematiek in het taalgebruik van de toekomst zal moeten uitwijzen in hoeverre hiermee een correcte voorspelling gedaan is.
| |
Bibliografie
| ADRIAENS, G. (1981) - Vrouwelijke beroepsnamen in het Nederlands. Een synchronisch overzicht en een taalevolutieve benadering. (Ongepubliceerde licentiaatsverhandeling). Leuven 1981. |
|
| ANDERSON, R. en P. KIPARSKY (eds.) (1973) - A Festschrift for Morris Halle. Holt, Rinehart & Winston, New York 1973. |
|
| BIERWISCH, M. en K.E. HEIDOLPH (eds.) (1970) - Progress in Linguistics. A Collection of Papers. (Janua Linguarum Series Maior 43). Mouton, The Hague-Paris 1970. |
|
| BOEL, E. (1976) - Le genre des noms désignant les professions et les situations féminines en français moderne. In Revue Romane 11 (1), 1976, 16-73. |
|
| BOOIJ, G.E. (1978) - Wanneer bestaat een woord? In De Revisor 5 (2), 1978, 55-61. |
| | | |
| BROUWER, D. (1980) - ‘Taal en Sekse’ als probleem voor de taalwetenschap. In Wetenschap en Samenleving 1980 (2), 27-30. |
|
| CONNORS, K. (1971) - Studies in Feminine Agentives in Selected European Languages. In Romance Philology 24, 1970-1971, 573-598. |
|
| GREENBERG, J.H. (1966) - Language Universals. With Special Reference to Feature Hierarchies. Mouton, The Hague-Paris 1966. |
|
| GRUBER, J.S. (1976) - Lexical structures in syntax and semantics. (I. Studies in Lexical Relations; II. Functions of the Lexicon in Formal Descriptive Grammars). North-Holland Publishing Company, Amsterdam 1976. |
|
| HOEKSTRA, T. en H. van der HULST (eds.) (1979) - Morfologie in Nederland, Glot Special. |
|
| HORST, J. van der (1979) - Vrouwentaal & Mannenpraat. (Recensie). In Onze Taal 48 (5), 1979, 29-30. |
|
| IN 'T VELD-LANGEVELD, H.M. (1969) - Vrouw -beroep-maatschappij. Analyse van en vertraagde emancipatie. Bijleveld, Utrecht 1969. |
|
| JAKOBSON, R. (1957) - Shifters, Verbal Categories, and the Russian Verb. Russian language Project, Department of Slavic Languages and Literatures. Harvard University, 1957. |
|
| KALVERKAMPER, H. (1979) - Die Frauen und die Sprache. In Linguistische Berichte 1979 (62), 55-71. |
|
| KOOIJ, J.G. (1979) - Morfologie en het Romaanse vocabularium van het Nederlands. In T. HOEKSTRA en H. van der HULST (eds.) 1979, 23-38. |
|
| MILLER, C. en K. SWIFT (1979) - Words and women. Language and the sexes. (Pelican Book). Perguin Books, Harmondsworth 1979. |
|
| NIEROP, M. van (1979) - Verklarend lexicon van nieuwe woorden deel 3. Heideland-Orbis, Hasselt 1979. |
|
| OKSAAR, E. (1976) - Berufsbezeichnungen im heutigen Deutsch. Sozio-semantische Untersuchungen. Mit deutschen und schwedischen experimentellen Kontrastierungen. (Sprache der Gegenwart. Schriften des Instituts für deutsche Sprache in Mannheim. Band 25). Pädagogischer Verlag Schwann, Düsseldorf 1976. |
|
| ROMEIN-VERSCHOOR, A. (1978) - Seksisme en taal. In Opzij 6 (2), 1978, 24-25. |
|
| ROTHSTEIN, R.A. (1973) - Sex, Gender and the October Revolution. In R. ANDERSON en P. KIPARSKY (eds.) (1973), 460-466. |
|
| SCHANE, S.A. (1970) - Phonological and Morphological Markedness. In M. BIERWISCH en K.E. HEIDOLPH (eds.) (1970), 286-294. |
|
| SCHULTINK, H. (1961) - Produktiviteit als morfologisch fenomeen. In Forum der Letteren 2, 1961, 110-125. |
|
| SIMONS, P.J. (1912) - Over enige faktoren bij de sexe-aanduiding. In De Nieuwe Taalgids 6, 1912, 273-292. |
|
| STEHLI, W. (1949) - Die Femininbildung von Personenbezeichnungen im neuesten Französisch. (Romanica Helvetica 29). Francke, Bern 1949. |
|
| TRUBETZKOY, N.S. (1939) - Grundzüge der Phonologie. (Travaux du Cercle Linguistique de Prague 7). Prague 1939. |
|
| YAGUELLO, M. (1979) - Les mots et les femmes. Essay d'approche sociolinguistique de la condition féminine. Payot, Paris 1979. |
|
1In dit artikel worden enkele resultaten behandeld van een onderzoek naar vrouwelijke beroepsnamen, waarover ik in mijn licentiaatsverhandeling (Adriaens 1981) verslag uitbreng. De studie bestaat uit twee delen: een synchronisch overzicht van de semantische en morfologische aspecten van vrouwelijke beroepsnamen, en een taalevolutieve benadering van die beroepsaanduidingen. In dit artikel komt vooral het tweede deel aan bod, met vooraf de noodzakelijke (semantische) begrippen uit het eerste deel; de morfologische aspecten - hoofdzakelijk een overzicht van de mogelijkheden om in het Nederlands hetzij door afleiding hetzij door samenstelling vrouwelijke beroepsnamen te creëren, met daarbij een onderzoek naar de produktiviteit van die procédés - komen hier nauwelijks aan de orde.
2Zie b.v. voor het Duits Oksaar 1976, en voor het Frans Stehli 1949 en Boel 1979.
3Voor een meer gedetailleerde beschrijving van dit materiaal, zie Adriaens 1981, 3-6.
4Vgl. verder voor de behandeling van de gemarkeerdheidstheorie Greenberg 1966, Schane 1970, Kalverkämper 1979 en Rothstein 1973.
5Op de grens tussen equipollente en privatieve oppositie staan de geslachtelijke pronomina van de derde persoon ( hij en zij e.s.): ze kunnen als respectievelijk [+ mannelijk] en [+ vrouwelijk] gekarakteriseerd worden (in dit opzicht zijn ze equipollent), maar toch is er nog het (afnemende?) generische gebruik van hij, dat hierdoor als de ongemarkcerde term van een i.e. privatieve oppositie beschouwd kan worden.
6Bij de bespreking is naar volledigheid gestreefd, maar dat sluit niet uit dat er nog meer factoren kunnen zijn dan deze die hier aan bod zullen komen.
7Ik laat hier de mogelijke evolutie tot sekse-neutrale beroepsnaam buiten beschouwing omdat de variatie van ongemarkeerde en gemarkeerde vorm om aan een vrouw te refereren bij die evolutie niet zo uitgesproken is (de gemarkeerde vorm is vrij zeldzaam, b.v. artse).
8Zie Adriaens 1981, 99-109. Het statistische materiaal dat daar te vinden is, is in de eerste plaats ontleend aan de gedetailleerde studie De werkende vrouw. Een
statistische analyse. Uitgave van de Gewestelijke Economische Raad voor Vlaanderen, Antwerpen 1976 (GERV-berichten 8) (voor Nederland heb ik geen vergelijkbare studie gevonden). Verder heb ik ook gebruik gemaakt van twee beroepenlijsten: de Systematische classificatie en alfabetische lijst van de beroepen. (Uitgave van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, Brussel 1974) en de Beroepenklapper (met Toelichting). (Uitgave van het Instituut voor Toegepaste Sociologie door WESTERLAAK, J.M.c.a., Nijmegen 1975).
9B.v. Oksaar 1976, 87;Connors 1971, 597; Boel 1976, 71 en Yaguello 1979, 122.
10Het gaat om de Beroepenklapper (zie noot 7), waarin de beroepen o.m. geclassificeerd zijn naar het niveau (hoog - middelbaar - laag); in de Belgische beroepenlijst (zie noot 7) is geen dergelijke classificatie gebruikt.
|
|