Forum der Letteren. Jaargang 1982


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1982. Uitgeverij Smits, Den Haag 1982


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 248]

Prototypes en stereotypes D. Geeraerts

In aansluiting op een suggestie van Verkuyl (1981) wordt de theoretische positie van de lexicografie verduidelijkt tegen de achtergrond van de door Putnam geïntroduceerde stereotypetheorie en de door Rosch gepresenteerde prototypetheorie. Beide opvattingen worden ook op zichzelf vergeleken en geevalueerd.

1. Inleiding

In zijn recente artikel Taalkundige en logische semantiek; enkele tendensen suggereert Henk Verkuyl dat het door Hilary Putnam gemaakte onderscheid tussen een betekenistheorie en een waarheidstheorie een theoretische basis kan verschaffen aan de lexicografie (1981:153). Ik zal deze (onder voorbehoud geopperde) suggestie vanuit het standpunt van de lexicografie zelf bespreken, doch niet zonder Putnams theorieën an sich van enig commentaar te voorzien. In het bijzonder wil ik wijzen op de overeenkomsten en de verschillen tussen Putnams stereotypetheorie, en de door Rosch geïntroduceerde prototypetheorie (zie o.a. Rosch 1977).

Ik zal in drie fasen tewerk gaan. Als eerste stap zal ik aangeven waarom Verkuyl meent in Putnams opvattingen een basis voor de lexicografie te hebben gevonden, en zal ik die opvattingen nader omschrijven door ze te contrasteren met die van Rosch c.s. Als volgende stap zal ik enige aanzetten geven voor een onderlinge evaluatie van die theorieën. Als derde stap zal ik op basis van de voorgaande overwegingen de theoretische positie van de lexicografie proberen te bepalen. Verkuyls voorbehoud zal daarbij zonder meer verantwoord blijken: ik zal betogen dat de lexicografie een dusdanig meervoudig karakter heeft, dat alleen bepaalde vormen van lexicografie met Putnams opvattingen verbindbaar zijn, terwijl andere een adequatere basis vinden in de prototypetheorie.

Mijn verder liggende bedoeling betreft de integratie van theoretische semantiek en lexicografische praktijk. Aan de ene kant stelt men vast dat de belangstelling van linguïsten voor de lexicografie gering is, occasionele uitzonderingen als R. Lakoff (1973) en Labov (1973) daargelaten. Aan de andere kant is de aandacht van de lexicografen zelf tot nu toe in hoofdzaak gegaan naar de verbinding van de strukturalistisch geïnspireerde linguïstische vernieuwingen en de woordenboekspraktijk; naar de recentere ontwikkelingen is nog nauwelijks een weg gevonden (zie Geeraerts 1982 a). Het is daarom belangrijk van de geboden gelegenheid tot verder onderzoek gebruik te maken wanneer een linguïst als Verkuyl vanuit een contemporaine tendens in de semantiek lijnen ziet uitgaan naar de lexicografie.

2. Stereotypes en prototypes: overeenkomsten en verschillen.

Putnams opvatting over betekenis en verwijzing (die ik bekend veronder-

[p. 249]

stel en die ik slechts ter ondersteuning van het geheugen samenvat1) bevat twee hoofdpunten. Aan de ene kant verdedigt hij de niet-intensionalistische theorie van de rigide verwijzing: ‘natural kind terms’ zoals water, tijger, beuk refereren op een gefixeerde manier, en niet in functie van een psychologisch-cognitieve intensie. Aan de andere kant is er binnen de taalgemeenschap een principe van linguïstische arbeidsverdeling aan de gang. De precieze kenmerken van een stof als goud zijn aan een aantal specialisten bekend, die bijv. het verschil met pyriet zonder veel moeite kunnen maken. De gewone taalgebruiker hoeft al die gespecialiseerde gegevens niet te kennen: voor het goed functioneren van de taalgemeenschap volstaat het dat hij over een aantal kerngegevens beschikt, zo bijv. dat goud een geelachtig blinkend edel metaal is dat een belangrijke rol speelt als standaard in de geldeconomie en waarvan dure juwelen worden gemaakt. Deze kernkennis noemt Putnam een stereotype: een sociaal bepaalde verzameling gegevens m.b.t. de extensie van een woord, die een individuele taalgebruiker moet bezitten wil hij geacht worden de betekenis van dat woord te kennen.

Verkuyl merkt nu op dat het onderscheid tussen deze twee aspekten van Purnams benadering, ook een onderscheid tussen een betekenistheorie en een waarheidstheorie fundeert. Putnams stereotypietheorie hoort bijv. thuis in de eerste theorie, omdat ze aangeeft wat voor iedere individuele taalgebruiker de betekenis van een term is. De ‘rigid designation theory’ daarentegen is een referentie- en waarheidstheorie, die niet op de individuele, maar op de sociale kanten van het taalgebruik de nadruk legt (de kennis m.b.t. de precieze extensies van termen - ‘is stof x pyriet of goud?’ - is volgens het principe van de linguïstische arbeidsverdeling het bezit van de taalgemeenschap als geheel). Schematisch vallen aldus te onderscheiden binnen Verkuyls opvatting:

referentie- en waarheidstheorie betekenistheorie
 
sociale aspecten individuele (cognitiefpsychologische) aspecten
 
starre verwijzing naar extensies intensionele stereotypes

Verkuyl meent dat de lexicografie aan de sociale kant kan worden ingepast. Het wordt niet helemaal duidelijk hoe hij dat in concreto ziet, maar het betekent waarschijnlijk dat de lexicografie een sociale rol vervult m.b.t. het weergeven van de extensies van de woorden der natuurlijke taal. Naast de stereotypes maakt Putnam gewag van extensionele beschrijvingen: is het stereotype van water dat dit een kleurloze, smaakloze, transparante, dorst-verdrijvende vloeistof is, dan beschrijft de formule H2O de extensie van die term. Omdat Verkuyl de lexicografie niet ziet als een

[p. 250]

beschrijving van stereotypes, mogen we aannemen dat het woordenboek in zijn visie aangeeft wat de extensies van de termen der natuurlijke taal zijn.

Voor de vraag naar de precieze lexicografische relevantie van Putnams opvattingen kan worden beantwoord, moet iets worden gezegd over de prototypetheorie van Rosch. Prototypes en stereotypes vertonen immers een sterke overeenkomst, een vaststelling die terloops reeds door een aantal mensen werd gemaakt; zelf heb ik beide theorieën ook elders (1981: par. 1.4.3.) vergeleken. Ook hier zal ik me niet te buiten gaan aan een uitvoerige weergave van de benaderingswijze van Rosch; de daarstraks vermelde artikelen kunnen ter kennismaking dienen. Zowel prototypes als stereotypes bevatten de voor de hand liggende, meest saillante informatiegegevens die met een begrip uit de natuurlijke taal te verbinden zijn. In beide gevallen gaat men er bovendien van uit dat het prototype/stereotype niet een extensiebepalende intensionele definitie van het begrip in kwestie is. Rosch meent inderdaad dat er geen unieke bepaling van de ‘essentie’ van een kategorie mogelijk is: de onderling verschillende referenten van een term zijn daarentegen verbonden door familiegelijkenissen (Wittgensteins ‘family resemblances’) en flexibele nuanceringen van kernbegrippen. De kategorieën van de natuurlijke taal zijn niet scherp afgelijnd en in een unieke definitie bepaalbaar, maar ze hebben vage grenzen en meervoudige toepassingsmogelijkheden. De meest centrale toepassingen (en tegelijk de meest typische vertegenwoordigers van de kategorie in kwestie) worden gedekt door het prototype, maar niet-typische leden van de verzameling kunnen kenmerken uit deze reeks prototypische gegevens missen. Het prototype is als zodanig niet op alle referenten van een term zonder meer toepasbaar; het is daarom ook niet een unieke definitie ervan (zo is de mogelijkheid te vliegen een prototypisch kenmerk van de kategorie vogel; niet-typische vogels zoals kippen en pinguïns kunnen echter niet vliegen). Putnam van zijn kant heeft zich eveneens afgezet tegen de intensionalistische opvatting dat kategorieën unieke definities hebben die hun extensie bepalen. Niet alleen kunnen stereotypes, doordat zij slechts een gedeelte van de gegevens in de extensionele beschrijving van een kategorie bevatten, onmogelijk intensionele definities zijn, maar ook de extensionele beschrijvingen zijn dat niet, omdat de gefixeerdheid van de referentie niet afhangt van onze kennis over de referent. Putnam gaat ervan uit dat we met water in principe alleen naar H2O verwijzen, zelfs al is deze chemische struktuur i.e. de extensionele beschrijving) nog niet bekend.

Deze dubbele overeenkomst mag nochtans niet verbergen dat tussen stereotypes en prototypes ook twee principiële verschillen bestaan. In de eerste plaats zijn prototypische concepten cognitief-psychologisch van aard, terwijl stereotypes ook een sociale kant hebben. De prototypietheorie is een hypothese over de organisatie van betekenissen in de individuele cognitie: ze geeft aan hoe de onderscheiden toepassingen van eenzelfde begrip georganiseerd zijn rond flexibel toepasbare prototypische kernbetekenissen. De stereotypietheorie daarentegen is in de eerste plaats een hypothese over de verdeling van de kennis in de taalgemeenschap; slechts

[p. 251]

in tweede instantie zegt ze iets over de individuele kennis (en dan nog alleen van de gewone taalgebruiker). Dat het stereotype een sociaal begrip is, wordt door Putnam sterk benadrukt: ‘What I contend is that speakers are required to know something about (stereotypical) tigers in order to count as having acquired the word “tiger” .... English speakers are required by their linguistic community to be able to tell tigers from leopards’ (1975:168). De hele bedoeling van de linguïstische arbeidsverdeling is communicatief: om de onderlinge communicatie efficiënt te laten verlopen, zijn (sociaal bepaalde) normen voor het taalgebruik noodzakelijk; stereotypes zijn zulke normen op semantisch vlak. Het zijn de minimumeisen waaraan iemands semantische kennis dient te voldoen wil hij op een efficiënte manier communiceren met de andere leden van de taalgemeenschap. Het psychologische aspekt van stereotypes blijkt zo secundair te zijn: stereotypes zijn een sociale standaard waaraan het individuele begrip moet voldoen, maar hoe dit verder georganiseerd is valt buiten de theorie. De prototypetheorie aan de andere kant maakt duidelijk dat deze organisatie er een is van soepele toepassing van de prototypische kernen. Het prototypiebegrip definieert zo de organisatorische efficiëntie van de kennis, het stereotypiebegrip de sociale efficiëntie ervan.

Het tweede onderscheid tussen prototypes en stereotypes berust in de bijbehorende opvatting over de werking van de natuurlijke taal. Putnam gaat er van uit dat de referentiële relatie van de kennis tot de buitenwereld star is: een kategorie als water verwijst naar H2O en naar niets anders. Hij gaat zelfs zover te spreken van een ‘common hidden structure’, een gemeenschappelijke essentie die eigen is aan alle leden van de denotatie van de term (1975:159)2. De introductie van het linguïstische-arbeidsverdelingsprincipe en het stereotypiebegrip doet in principe niets af aan deze gefixeerde referentie. De stereotypische kennis die met water te verbinden is, is kennis over water, maar laat niet toe de term water met een ander referentieel domein te gebruiken dan die welke door de vaste-verwijzing wordt gefixeerd. Wat men over water weet, kan van individu tot individu verschillen.

Dat water echter aan H2O refereert, ligt onverbiddelijk vast3. In de theorie van Rosch is van starre verwijzingsrelaties daarentegen geen sprake: essentieel is hier juist de mogelijkheid om de kategorieën van de natuurlijke taal op een zo soepele manier te gebruiken, vertrekkend van een centrale toepassing, dat afwijkende referenten toch nog met de kategorie kunnen worden benoemd. Zoals gezegd is het in principe niet mogelijk alle referenten van een term onder een unieke overkoepelende definitie (een beschrijving van hun essentie) te vatten. I.v.m. kategorieën die een familiegelijkenisstruktuur bleken te bezitten schrijven Rosch & Mervis (1975:

[p. 252]

580): ‘The salient attribute structure of these categories tended to reside, not in criterical features common to all members of the category which distinguished those members from all others, but in a large number of attributes true of some, but not all, category members’.

De hieruit blijkende bedrieglijkheid van de overeenkomsten tussen stereotypes en prototypes roept twee problemen op. In aansluiting bij het daarnet behandelde punt van onderscheid (m.b.t. de referentiële werking van de taal) rijst de algemene vraag welke van beide opvattingen, de starre of de soepele, het best de werking van de natuurlijke taal weet te beschrijven. Ik zal deze vraag in de volgende paragraaf proberen te beantwoorden. In aansluiting bij het andere punt van onderscheid (m.b.t. de cognitief-psychologische of sociale aard der stereotypes) moet Verkuyls inschatting van de lexicografie worden beoordeeld. De voorgaande overwegingen hebben immers duidelijk gemaakt dat Verkuyls klassifikatie van het stereotypiebegrip als cognitief-psychologisch op z'n minst misleidend te noemen is: stereotypes zijn in de eerste plaats sociale gegevenheden, terwijl pas de prototypes van Rosch (die Verkuyl niet vermeldt) echt cognitief-psychologisch zijn. Het onderscheid dat Verkuyl wil maken is er niet één tussen individuele en sociale aspekten van de kennis, maar tussen de niet-gespecialiseerde minimumkennis die van alle volwaardige leden van de taalgemeenschap wordt geëist, en de gespecialiseerde (wetenschappelijke) kennis van de experts die de gefixeerde referenties van de kategorieën exact kennen of kunnen bepalen (bijv. de schei- en natuurkundigen die pyriet van goud weten te onderscheiden). Dit onderscheid blijft volledig op het sociale vlak, m.n. dat van de sociale arbeidsverdeling in taalkundig opzicht (Putnam zelf spreekt van een ‘sociolinguïstische’ benadering). Dit betekent dat we de lexicografie t.a.v. drie mogelijke begrippen zullen moeten situeren: primo, als een beschrijving van cognitief-psychologische prototypes; secundo, als een beschrijving van de sociale minimumeis t.a.v. de semantische taalkennis, zoals die in stereotypes vervat ligt, en tertio als een extensionele beschrijving van gefixeerde referenten zoals die door de experts in de taalgemeenschap worden gekend in hun verborgen struktuur.

3. Rosch en/of Putnam?

De verbinding van het prototypie- en het stereotypiebegrip hoeft in principe geen problemen op te leveren: omdat het gaat om twee verschillende perspektieven op eenzelfde fenomeen, kunnen beide als complementair worden opgevat. Stereotypes beschrijven dan de sociale conventies, prototypes de psychische organisatieprincipes die gelden t.a.v. de cognitieve aspekten van de natuurlijke taal. Of ze inhoudelijk samenvallen is daarbij een zaak voor verder onderzoek; het lijkt in ieder geval intuïtief aannemelijk dat de sociaal het belangrijkst geachte kennisgegevens in de cognitieve organisatie een centrale rol zullen innemen (met de nodige ruimte voor individuele verschillen). De rigiditeit van Putnams referentietheorie en het

[p. 253]

soepele gebruik van prototypische concepten zijn echter minder gemakkelijk te verzoenen. Ik meen in de volgende overwegingen argumenten te vinden voor de stelling dat beide van belang zijn, maar dat het prototypische principe een voornamere rol speelt dan de rigide verwijzing.

In empirisch opzicht is er een overvloed aan feiten (inz. ook lexicografische: zie de volgende paragraaf) die wijzen op de flexibele toepasbaarheid van de taal. Men denke daarbij niet alleen aan de door Rosch verzamelde gegevens, maar bijv. ook aan overdrachtelijk woordgebruik: noemt men een moedig iemand een leeuw, dan doet men dat op grond van de prototypische kenmerken van het begrip leeuw, en wel in deze zin dat men op flexibele wijze slechts een gedeelte van het totale prototype realiseert. Men verwijst dan naar een andere referent dan die waarnaar leeuw volgens de rigide theorie dient te verwijzen. Deze flexibiliteit wordt ook erkend door Putnam (1975:158) wanneer hij over de contextuele variabiliteit van betekenissen spreekt, en door Kripke (die een referentietheorie verdedigt die analoog is aan die van Putnam) wanneer hij toegeeft dat woorden ‘loosely speaking’ op een niet-rigide manier kunnen verwijzen (1972:332). Aan de andere kant is de rigide referentiële interpretatie vrijwel steeds op te roepen: men kan bijv. vragen of Jan ‘eigenlijk’ wel een leeuw is. De aanwezigheid van deze ‘hedge’ wijst op een mogelijke verbinding van beide benaderingen. G. Lakoff (1973) heeft ‘hedges’ als eigenlijk immers geanalyseerd in aansluiting bij de opvattingen van Rosch: verschillende ‘hedges’ selecteren specifieke toepassingen van het prototypische geheel. Op analoge wijze kan men de rigide, ‘eigenlijke’ toepassing van het woordbegrip zien als één van vele prototypisch georganiseerde gebruiksmogelijkheden, die afhankelijk van de context (bijv. in verbinding met zekere ‘hedges’ of in een wetenschappelijke tekst) geselecteerd worden. De precieze modaliteiten van deze inschakeling moeten ongetwijfeld grondig uitgediept worden, maar het blijkt in ieder geval in principe mogelijk de rigide spreekwijze in de flexibele in te passen. Het omgekeerde is niet zo gemakkelijk: Putnam schenkt weliswaar de nodige aandacht aan de mogelijkheid de gefixeerde referentie als basis te nemen voor minder strakke spreekwijzen (1975:157), maar hij maakt niet duidelijk hoe deze min of meer afwijkende toepassingen referentieel functioneren. In zijn metaforische toepassing kan leeuw onmogelijk op de rigide wijze referen die Putnam aan ‘natural kinds terms’ toeschrijft: een moedig man is niet een echte leeuw. Putnam laat de mogelijkheid van andere betekenissen dan de star verwijzende open, maar specificeert niet hoe ze dan wel refereren. De klaarblijkelijke soepelheid van de natuurlijke taal, ook in referentieel opzicht, lijkt mij alleen te verenigen met een als basis aangenomen rigide-verwijzingstheorie, als de flexibiliteit als een afwijking wordt beschouwd. Tegenover het eigenlijke, rigide wetenschappelijke spreken zou de pathologische soepelheid van de natuurlijke taal staan4.

[p. 254]

Omdat het althans uit linguïstisch oogpunt raadzaam is een uitgangspunt te kiezen waarin de natuurlijke taal niet als een abnormaal, afwijkend geval wordt benaderd, en omdat de starre-verwijzingsgevallen gemakkelijker in het prototypische geheel zijn in te passen dan omgekeerd, ligt een initiële keuze voor de soepelheid van de prototypetheorie voor de hand.

Deze keuze wordt kracht bijgezet door het feit dat Putnams theorie uitgewerkt werd m.b.t. ‘natural kind terms’, maar dat nog moet worden aangetoond of de rigide-referentietheorie uitbreidbaar is tot andere kategorieën. Voor de prototypetheorie zijn er alleszins aanwijzingen dat dit wel het geval is: zie bijv. Coleman & Kay (1981) en mijn eigen toepassing van de prototypetheorie op lexicografisch materiaal (zie de volgende paragraaf voor referenties). Een bijkomend argument voor de theorie in kwestie is haar overeenkomst met een aantal recente theorieën over de menselijke kennis die in andere cognitieve disciplines dan de linguïstiek zijn ontwikkeld. Ik denk hier m.n. aan de mediërende rol van cognitieve representaties in psychologische theorieën als die van Bruner en Piaget, en aan de rol van richtinggevende paradigma's in de hedendaagse wetenschapsfilosofie à la Kuhn en Lakatos. In deze theorieën leiden bestaande cognitieve strukturen de vorming van nieuwe kennis, zodat nieuwe gegevens bij voorkeur als varianten van de bestaande kennis optreden; op analoge wijze zijn in het semantische kennissysteem licht afwijkende varianten rond centrale, richtinggevende prototypes georganiseerd. (Voor meer details, zie Geeraerts 1981, inz. paragrafen 1.6., 1.7. en 2.1.).

Ik meen geenszins dat deze argumenten het laatste woord over de rigideverwijzingstheorie en de prototypetheorie zeggen. Misschien wijst toekomstig onderzoek uit dat de uitwerking van de prototypetheorie onoverkomelijke moeilijkheden kent, of dat starre verwijzingsverschijnselen t.a.v. een groot aantal kategorieën van de taal een zo centrale rol spelen dat de theorie van de rigide referentie het meest geschikte uitgangspunt voor de analyse van de natuurlijke taal vormt. In het huidige stadium van het onderzoek geloof ik echter dat bovenstaande argumenten de keuze van de prototypetheorie als uitgangspunt verantwoorden.

4. De grondslagen van de lexicografie.

Aan het einde van paragraaf 2 kwam ik tot de vaststelling dat de lexicografie t.o.v. de beschrijving van drie verschillende begrippen moet worden gesitueerd: is zij de descriptie van prototypes, van stereotypes, of van extensies? Als antwoord op deze vraag wil ik laten zien dat met ieder van deze descriptieve mogelijkheden een bijzondere vorm van lexicografie overeenstemt, zij het met bepaalde nuanceringen.

Als extensiebeschrijving zou de lexicografie de gespecialiseerde, veelal wetenschappelijke kennis moeten weergeven van de experts die aan de top staan van de hiërarchische linguïstische arbeidsverdeling. Zij zou dan zo adequaat mogelijk onze kennis over de ‘hidden structure’ van natuurlijke-taalkategorieën weergeven. Het is onmiddellijk duidelijk dat dit niet

[p. 255]

het geval is in de courante handwoordenboeken (type Van Dale of Verschueren); de encyclopedische lexicografie valt echter wel onder deze omschrijving. Men moet hierbij in hoofdzaak aan twee groepen van lexicografische produkten denken: de algemene encyclopedieën van het type Winkler Prins, Larousse, Oosthoek, en de terminologische vakwoordenboeken. In beide gevallen wordt encyclopedische, wetenschappelijke kennis weergegeven, met dit verschil dat de vakwoordenboeken zich beperken tot één vakgebied (of een gering aantal daarvan), en zich in het algemeen richten tot een gespecialiseerder publiek dan de algemene encyclopedieën. Dit laatste wijst op een nuance t.a.v. het onderbrengen van algemene encyclopedieën bij de ‘extensionele’ benadering: omdat zij zich tot een algemeen publiek richten, is hun niveau van specialisatie niet helemaal gelijk aan dat van de wetenschappelijke experts. Hun pedagogische opzet houdt in dat zij de wetenschappelijke informatie die zij willen overbrengen, selecteren en verpakken in een voor een ruim publiek van ontwikkelde lezers begrijpelijke vorm. Meer in het algemeen blijft de extensiebeschrijving zoals Putnam die bedoelt, steeds in de eerste plaats een zaak van het wetenschappelijk vakonderzoek. Encyclopedische woordenboeken kunnen een hulpmiddel bij of een popularizering van dit onderzoek zijn, maar ze dragen niet zelf het voornaamst gewicht daarvan.

Het onderscheid tussen encyclopedische en niet-encyclopedische woordenboeken wordt in geschriften over lexicografie vaak beschreven als een onderscheid tussen zaakwoordenboeken en betekeniswoordenboeken (bijv. Zgusta 1971:198). Dat daar tegen in te brengen valt dat ook niet-encyclopedische woordenboeken steeds gegevens over benoemde zaken in hun definities opnemen, neemt niet weg dat het onderscheid met encyclopedische werken wel op andere manieren te maken valt (zie Haiman 1980 en de reactie daarop van Frawley 1981, en vergelijk ook Rey-Debove 1971: 32-33). De aard van de definitionele conceptuele gegevens is natuurlijk een der voornaamste onderscheidingspunten. Welnu, er valt veel voor te zeggen dat die in de handwoordenboeken (de meest typische leden van de groep der niet-encyclopedische woordenboeken) stereotypisch is, de daarin opgenomen informatie bevat de sociale norm t.a.v. betekeniskennis, d.w.z. het (hand)woordenboek specificeert wat de gemiddelde taalgebruiker in semantisch opzicht weten moet over de woorden van de taal. Terecht beschouwen Dubois & Dubois (1974) het woordenboek als een socio-cultureel gegeven met een pedagogische funktie: in Putnams visie is het de vastlegging en overdraging van de stereotiepe kennisnormen die in een bepaalde kultuur gelden. Dit verklaart ook het inherent normatieve karakter dat het gebruik van woordenboeken meestal kenmerkt, ook wanneer de bewerkers de nadruk leggen op hun descriptieve bedoelingen: handwoordenboeken beschrijven weliswaar, maar wat ze beschrijven is een stereotypische norm t.a.v. het taalgebruik. Het is juist hun funktie deze norm (hoe veranderlijk ook) aan alle leden van de taalgemeenschap ter beschikking te stellen, en zo de communicatie binnen die gemeenschap te bevorderen.

Nu zijn ook hierbij enige nuanceringen te vermelden. In de eerste plaats

[p. 256]

bevat het woordenboek ook termen waarvan de mogelijke analyseerbaarheid in funktie van stereotypes en gefixeerde referenten nog niet volledig bepaald is, gezien het eerder vermelde feit dat Putnams benadering voorlopig beperkt is gebleven tot ‘natural kind terms’. Ongetwijfeld heeft het woordenboek ook t.a.v. die andere termen een sociaal-pedagogische normverspreidingsfunktie, maar dat hoeft nog niet te betekenen dat het met de descriptie van zo'n sociaal stereotype ook een gefixeerde referent à la Putnam veronderstelt. In de tweede plaats neemt het woordenboek ook semantische informatie op waarvan de plaats in Putnams analyse niet duidelijk is, bijv. informatie m.b.t. overdrachtelijke toepassingen van een term. In Van Dale vinden wij bij tijger bijv. de vermelding dat het woord ook wordt gebruikt als figuurlijke benaming voor een wreedaardig mens. De positie van dergelijke metaforische stereotypes in Putnams theorie moet nader worden onderzocht voor we kunnen besluiten of de lexicografie ook hier aansluit bij zijn stellingen. In de derde plaats is de positie van het handwoordenboek ook niet zuiver stereotypegericht als we ons beperken tot Putnams begrippenkader zelf. Bij tijger vermeldt Van Dale niet alleen dat het een katachtig tropisch roofdier met een geelachtige huid en donkere vlekken of strepen is, maar ook dat het gaat om de soort Felis tigris. De aanwezigheid van de ‘extensionele’ aanduidingen wordt door Putnam zelf vermeld: hij wijst er op dat het woordenboek de ‘core facts’ van een term moet weergeven, en onder deze kernfeiten verstaat hij het stereotype plus de extensie. De taalgebruiker moet immers niet alleen weten welke stereotiepe kennis hij m.b.t. een bepaalde soort verondersteld wordt te kennen, maar hij moet ook die soort zelf kunnen identificeren. De opname in het woordenboek van tekeningen en foto's van ‘natuurlijke soorten’ is dan ook geen euvel, maar een noodzakelijk aspekt van de extensie-identificerende funktie van het woordenboek (1970:117-118). Volgt uit deze nuanceringen in het algemeen dat de descriptie van stereotypes wel een belangrijk en aanwijsbaar, maar zeker niet het enige kenmerk van handwoordenboeken blijkt te zijn, dan valt daarnaast in het bijzonder op dat Verkuyls plaatsing van de lexicografie aan die kant van zijn schema die hij op misleidende manier de sociale kant noemt, indruist tegen Putnams eigen uitlatingen over de positie van de lexicografie: die wijzen er nl. op dat het woordenboek ook stereotypes vermeldt.

Is er bij dit alles nog een plaats voor een lexicografische beschrijving van prototypes? Daarnet reeds bleek het handwoordenboek oog te hebben voor de prototypische flexibiliteit van de taal, m.n. door de opname van overdrachtelijke varianten. Er bestaat echter ook een vorm van lexicografie die nauwer aansluit bij de prototypetheorie, nl. de descriptieve wetenschappelijke lexicografie. Ik heb elders het prototypische karakter van de semantische bevindingen van de wetenschappelijke lexicografie uitvoerig besproken (1981: paragraaf 1.3.; 1982 b). Ik wil me daarom beperken tot de algemene vaststelling dat de grootschalige wetenschappelijke lexicografie (waarvan een historisch woordenboek als het Woordenboek der Nederlandsche Taal als voorbeeld kan dienen) een zo volledig mogelijke beschrijving tracht te geven van de verschillende betekenissen en nuances die in

[p. 257]

de onderscheiden toepassingen der woorden gerealiseerd worden. Zij beperkt zich niet tot de meest frequente (stereo- of prototypische) concepten, en evenmin dient zij het sociaal-pedagogische doel van de handwoordenboeken. Wel kan zij aan deze laatste een wetenschappelijke beschrijving van de woordenschat ten grondslag leggen, maar haar bedoelingen zijn in de eerste plaats wetenschappelijk-descriptief, en niet sociaal. Overziet men dan het geheel van begripstoepassingen dat de wetenschappelijke lexicografie uit haar materiaalverzameling afleidt, dan blijkt de onderlinge organisatie van deze toepassingen er een te zijn van marginale afwijkingen en nuances rond prototypische kernen. De wetenschappelijke lexicografie past dan ook in een prototypisch kader, niet omdat zij alleen de meest prototypische betekenisaspekten zou beschrijven, maar omdat zij de flexibele dynamiek van het taalgebruik op basis van die prototypes blootlegt, en omdat haar pragmatische funktie niet de overdracht van sociale normen maar de wetenschappelijke descriptie van de cognitieve aspekten van het taalgebruik in al zijn variëteit beoogt.

5. Conclusies

De voornaamste conclusies uit het voorgaande zou ik als volgt willen formuleren. Primo, ondanks hun grote overeenkomsten verschillen stereotypeen prototypetheorie op essentiële punten, m.n. het sociale of psychologische perspektief vanwaaruit zij de cognitieve verschijnselen benaderen, en de starre of soepele verwijzingsopvatting waarmee ze verbonden zijn. Secundo, met de huidige stand van het onderzoek lijkt de flexibele prototypeopvatting een geschikter uitgangspunt voor de analyse van de natuurlijke taal dan de rigide referentietheorie, met dien verstande dat de starre verwijzingsverschijnselen in de prototypische concepten kunnen worden geïntegreerd. Tertio, in plaats van de tweedeling tussen encyclopedische en taalkundige woordenboeken moet men een drievoudig onderscheid aannemen tussen de lexicografische weergave van wetenschappelijke extensionele beschrijvingen, sociale stereotypes en puur descriptieve prototypes. Met deze trits krijgt de bestaande variëteit van lexicografische benaderingswijzen een theoretische grondslag in de meest recente ontwikkelingen in de semantiek. Het valt te hopen dat deze verbinding gevolgd zal worden door een verdere toenadering.

Bibliografie

Bartsch, R. (1978) - ‘Semantiek en Montaguegrammatica’. In: Algemeen Nederlands Tijdschrift voorWijsgebeerte, 70: 117-136.
Coleman, L. & P. Kay (1981) - ‘Prototype semantics: the English word lie’. In: Language 57: 26-44.
Dubois, J. & C. Dubois (1971) - Introduction à la lexicographie: le dictionnaire (Paris).
Frawley, W. (1981) - ‘In defense of the dictionary’. In Lingua 55: 53-62.
Geeraerts, D. (1981) - Paradigma en paradox. Een onderzoek naar een paradigmatische betekenistheorie en haar kentheoretische achtergronden (diss. K.U. Leuven; Eng. vert. verschijnt 1983).
[p. 258]
Geeraerts, D. (1982 a) - ‘Recente ontwikkelingen in de lexicografie’. Te verschijnen in Jaarboek INL.
Geeraerts, D. (1982 b) - ‘Lexicografie en linguïstiek: Reichling gerehabiliteerd’. Te verschijnen in TNTL.
Haiman, J. (1980) - ‘Dictionaries and encyclopedias’. In: Lingua 50: 329-357.
Kripke, S. (1972) - ‘Naming and necessity’. In: Davidson D. & Harman G. (eds.), Semantics of natural language (Dordrecht).
Labov, W. (1973) - ‘The boundaries of words and their meanings’. In: Bailey C.I. & Shuy R. (eds.), New ways of analyzing variation in English (Georgetown).
Lakoff, G. (1973) - ‘Hedges: a study in meaning criteria and the logic of fuzzy concepts’. In: Journal of philosophical logic 2: 458 - 508.
Lakoff, R. (1973) - ‘Lexicography and generative grammar’. In Mc David R.I. & Duckert A.R. (eds.), Lexicography in English (New York).
Putnam, H. (1978) - Meaning and the moral sciences (London).
Putnam, H. (1975) - ‘The meaning of “Meaning”’, In: Gunderson K. (ed.), Language, mind and knowledge (Minneapolis).
Putnam, H. (1970) - ‘Is semantics possible?’ In: Kiefer H.E. & Munitz M.K. (eds.), Language, belief and metaphysics (New York). Geciteerd uit de reprint in Schwartz S.P. (ed.), Naming, necessity and natural kinds (Ithaca 1977).
Rey-Debove, J. (1971) - Etude linguistique et sémiotique des dictionnaires francais contemporains (Den Haag).
Rosch, E. (1977) - ‘Human categorization’. In: Warren N. (ed.), Studies in cross-cultural psychology I (New York).
Rosch, E. & C.B. Mervis (1975) - ‘Family resemblances: studies in the internal structure of categories’. In: Cognitive Psychology 7: 573-605.
Verkuyl, H.J. (1981) - ‘Taalkundige en logische semantiek; enkele tendensen’. In TTT 1: 139-156.
Zgusta, L. (1971) - Manual of lexicography (Den Haag).