Forum der Letteren. Jaargang 1987


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1987. Smits drukkers-uitgevers, Den Haag 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 77]

Voetzoekers

[p. 79]

HEBBEN een koppelwerkwoord?
A.M. Duinhoven

Zoals algemeen gebruikelijk, wordt er in de ANS (§ 8.2.1.) ten aanzien van de werkwoorden een driedeling gemaakt: er zijn zelfstandige werkwoorden, koppelwerkwoorden en hulpwerkwoorden:

‘Koppelwerkwoorden komen voor in naamwoordelijke gezegdes. Semantisch onderscheiden ze zich duidelijk van zelfstandige werkwoorden: ze vormen niet op zichzelf, maar samen met een naamwoordelijk deel de betekeniskern van een naamwoordelijk gezegde.’ (p. 412)

Wat is dan een naamwoordelijk gezegde?

‘In het algemeen kan gezegd worden dat het naamwoordelijk gezegde een “toestand” aanduidt: een hoedanigheid, een eigenschap, een functie e.d. [...]. Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit een werkwoordelijk en een naamwoordelijk deel.’ (p. 806)

Bevreemdend in deze traditionele indeling is het feit dat er transitieve en intransitieve zelfstandige werkwoorden zijn, dat in oorsprong transitieve en intransitieve werkwoorden als hulpwerkwoord dienst doen, maar dat als koppelwerkwoorden uitsluitend intransitiva worden genoemd: zijn, worden en blijven en werkwoorden die in essentie met deze werkwoorden op één lijn gesteld kunnen worden.1 Deze asymmetrie kan op twee wijzen worden vermeden. Men kan de categorie der koppelwerkwoorden geheel laten vallen en slechts zelfstandige werkwoorden onderscheiden, die het enige of het belangrijkste werkwoord in de zin vormen, naast hulpwerkwoorden, die aan een ander werkwoord ondergeschikt zijn.

Hoewel we ten aanzien van de werkwoorden meer onderscheidingen verwaarlozen,2 beschouw ik deze vereenvoudiging als een schijnoplossing. Elders heb ik al eens geopperd,3 dat parallel aan de overgankelijke koppelwerkwoorden ook hebben, krijgen en (be)houden als overgankelijke koppelwerkwoorden beschouwd kunnen worden. Eenzelfde suggestie is ook eens door Paardekooper gedaan.4 Me beperkend tot het paar zijn en hebben wil ik hier overwegen of er voldoende reden is om hebben in bepaalde gevallen van gebruik een koppelwerkwoord te noemen.

Gaan we af op de bovengeciteerde omschrijvingen van de ANS, dan is er alle aanleiding om in (1) en (2) van koppelwerkwoord en naamwoordelijk gezegde te spreken:

(1) ik heb angst (d.i. ‘ik ben bang’)
(2) ik heb honger (d.i. ‘ik ben hongerig’)

Hebben is semantisch gezien onzelfstandig, het werkwoord vormt tezamen met een naamwoordelijk deel het predicaat. Angst hebben en honger hebben duiden toestanden aan. Dus of de definitie moet scherper worden gesteld, of hebben (o.m.) moet een koppelwerkwoord worden genoemd. Dat laatste is voor de geciteerde zinnen intuïtief bevredigend op grond van de synonymie met ik ben bang resp. ik ben hongerig. Bang (< b-ang) en hongerig (< honger-ig) kunnen als ‘met angst’ resp. ‘met honger’ worden omschreven, dus ‘ik ben [met angst]’ resp. ‘ik ben [met

[p. 80]

honger]’. Daarnaast kunnen (1) en (2) worden geparafraseerd als ‘ik [ben met] angst’ resp ‘ik [ben met] honger’.

Dat betekent niet, dat er geen verschil zou zijn tussen ik heb angst en ik ben bang. Het zou al vreemd zijn, wanneer de oorspronkelijke transitieve resp. intransitieve verhouding niet nog zou doorwerken in de gereduceerde betekenis der werkwoorden. Synoniemen hebben wel een gemeenschappelijke betekeniskern waardoor ze in sommige contexten uitwisselbaar zijn, maar daarnaast hebben ze ook eigen betekenisaspecten.

Het betekenisverschil tussen ik heb angst en ik ben bang kan worden verduidelijkt door de vergelijking van (3) en (4):

(3) Jan heeft het koud
(4) Jan is koud

De zinnen kunnen niet als synoniemen worden beschouwd. In (3) is Jan niet koud; het is Jan koud. Zo zouden ook (1) en (2) kunnen worden omschreven: ‘er is angst bij mij’ resp. ‘er is honger bij mij’, of zoals men vroeger zei: mi hongert. Het gaat in zinnen met hebben wel om een toestand, maar niet om een gesteldheid of eigenschap van het subject. De toestand betreft slechts het subject. Wil men zijn en hebben onder dezelfde noemer van ‘copula’ brengen, dan moet het feit dat het predicaatsnomen al dan niet een eigenschap van het subject noemt, als secundair worden beschouwd; in de ANS wordt er terecht geen punt van gemaakt.

Van beide werkwoorden kan worden gezegd, dat ze in semantisch-lexicaal opzicht onzelfstandig zijn. Voor zowel zijn als hebben geldt, dat we met sterk gereduceerde werkwoorden te doen hebben. In het graduele ligt echter het probleem. Alleen absoluut gebruikte werkwoorden zonder enige bepaling zijn geheel zelfstandig. Elke toevoeging tast de zelfstandigheid van het werkwoord aan en engt de betekenis in. Vergelijk (5) en (6)

(5) Jan rijdt in de stad
(6) Jan koopt een paard

In de stad modificeert het rijden, en het kopen van een paard is wel te onderscheiden van het kopen van een brood. Toch kunnen we rijdt en koopt nog als syntactische en lexicale kern van het predicaat beschouwen.

In (7) en (8)

(7) Jan is in de stal
(8) Jan heeft een paard
is dat problematischer. Hebben en zijn worden bijna altijd gevolgd door een specificatie, daar het enkele feit dat het subject bestaat dan wel iets bezit, vanzelfsprekend is. De mededelingen Jan is en Jan heeft maken ons niet veel wijzer. Zijn en hebben bevatten niet slechts te weinig informatie om zelfstandig te worden gebruikt, zonder specificatie zijn de werkwoorden zelfs niets-zeggend. Toch spreekt men algemeen in (7) en (8) van ‘zelfstandige’ werkwoorden; en dat kan men ook doen op grond van het feit, dat in de stal en een paard invullingen zijn van de plaatsbepaling en het object, die al in zijn resp. hebben zijn begrepen:
(7a) Jan is [ergens, nl.] in de stal
(8a) Jan heeft [iets, nl.] een paard

Dat geeft de werkwoorden hier nog een zeker, syntactisch, overwicht. Ze zijn te beschouwen als de syntactische kern van het predicaat.5

[p. 81]

In de stal en een paard zijn ondergeschikt aan het werkwoord en bepalen via het werkwoord het subject, het zijn secundaire bepalingen:

(9) S[V specificatie]

We kunnen (7) en (8) als volgt beschrijven:

(7b) Jan [is ergens, nl. in destal]
(8b) Jan [heeft iets, nl. een paard]

Hierin verschilt dit type zin wezenlijk van zinnen als (10) en (11):

(10) Jan is boer
(11) Jan is boers

De parafrase ‘Jan [is iets, nl. boer/boers]’ lijkt me dubieus. In elk geval kan iets zijn niet als een omschrijving van zijn worden beschouwd. De hoedanigheid/eigenschap ligt niet in zijn (oorspronkelijk ‘bestaan’, ‘zich bevinden’) besloten, anders dan de plaatsbepaling zoals in (7). Dat het om een hoedanigheid/eigenschap gaat, kan worden afgeleid uit de aard van het nomen en wordt niet door het werkwoord aangekondigd. Boer/boers is geen bepaling bij het werkwoord, maar wordt direct op het subject betrokken. Het niveauverschil, de gelaagdheid, is uit de zinsstructuur verdwenen. Daarmee is er een nieuw syntactisch patroon ontstaan:

(12) S V specificatie

Het is goed dat dit verschil in de grammaticale terminologie tot uitdrukking komt, en zijn in deze gevallen een ‘koppelwerkwoord’ wordt genoemd. De vraag is nu of een vergelijkbare syntactische breuk zich ook ten aanzien van hebben heeft voorgedaan.

In Jan heeft angst is de parafrase met ‘bezitten’ zoals in (8) niet toepasselijk. Hebben heeft van de oorspronkelijke betekenis weinig behouden. Net als in Jan is bang wordt uitgedrukt, dat de angst Jan behoort. Het verschil met de constructie met zijn is echter, dat het object nog steeds als een specificatie kan worden gezien van hebben, ook al is de betekenis gereduceerd tot een flinterdun ‘zijn met’. Ook in angst hebben, honger hebben kan ondanks de reductie der betekenis nog steeds de syntactische structuur (9) worden onderkend:

(13) Jan [heeft angst]

We moeten vaststellen, dat er naast [S + zijn + predicaatsnomen] geen constructie [S + hebben + predicaatsnomen] bestaat. Hebben in zinnen als (1) en (2) is weliswaar lexicaal ‘leeg’, doch wordt syntactisch nog steeds door een object gespecificeerd. De oude syntactische hiërarchie is gehandhaafd. De veronderstelde parallellie tussen zijn en hebben lijkt te ontbreken. De vraag in de titel moet naar het schijnt ontkennend worden beantwoord. Maar misschien zoek ik op de verkeerde plaats. [S + zijn + predicaatsnomen] is voortgekomen uit [S + zijn + bijwoordelijke bepaling], waarbij zijn van zelfstandig werkwoord tot koppelwerkwoord werd. Aangezien hebben altijd een object bij zich heeft, moeten we uitgaan van de constructie [S + hebben + 0 + bijw. bep.] en onderzoeken of zich daaruit een constructie [S + hebben + 0 + predicaatsnomen] heeft ontwikkeld.

Doorslaggevend moet wederom niet de betekenisreductie van het werkwoord zijn, maar het wegvallen van de hiërarchische structuur. In (14) bijvoorbeeld

(14) Jan kweekt rozen in kassen
vertelt in kassen ons iets over de rozen via en in combinatie met het werkwoord: [Jan ← kweekt → rozen] in kassen; d.i. Jan kweekt rozen, en wel in kassen. In (15) daarentegen

[p. 82]

(15) Jan heeft het werk klaar
wordt er een direct verband gelegd tussen het object en het bijw./bijv.nw. Bedoeld is niet dat Jan zijn werk heeft en wel klaar; Jan heeft [het werk klaar]. In deze constructie is het werkwoord niet slechts lexicaal weinigzeggend, maar ook in syntactisch opzicht niet langer overheersend.

In zinnen waarin het predicaatsnomen een voltooid deelwoord was, een bijwoordelijke afleiding van het werkwoord,6 hebben zich de samengestelde werkwoorden ontwikkeld. Op gelijke wijze is uit het naamwoordelijk gezegde (als in hij is gewond) het perfectum ontstaan. Ook deze parallellie pleit ervoor niet alleen van intransitieve (zijn, worden, blijven), maar ook van transitieve koppelwerkwoorden (hebben, krijgen, houden) te spreken.

 

Vatten we het bovenstaande samen:

1.Of we al dan niet met een koppelwerkwoord te doen hebben, wordt niet bepaald door de semantische (on)zelfstandigheid (ANS p. 412),
2.noch door de vraag of er al dan niet een toestand wordt aangeduid (ANS p. 806), al spelen deze aspecten een rol.
3.Doorslaggevend is het verdwijnen van de hiërarchische structuur waarbij een oorspronkelijke bijwoordelijke bepaling niet langer via het werkwoord het nomen (subject of object) bepaalt, doch daarmee direct is verbonden. Er is een overgang van secundaire naar primaire bepaling.
4.Zo gedefiniëerd is hebben als in hij heeft de handen vrij; hij heeft het koud; hij heeft het werk klaar wel degelijk een koppelwerkwoord. De veronderstelde parallellie tussen intransitieve en transitieve werkwoorden is geen illusie.7