Forum der Letteren. Jaargang 1987


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1987. Smits drukkers-uitgevers, Den Haag 1987


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 83]

Verlegen als hij is en Zo dik als ze is
J.M. van der Horst

Zo dik als ze is, de ANS is niet volledig. Niemand had dat verwacht. Wel verre van haar daarom een verwijt te willen maken, acht ik de reeds bereikte respectabele graad van volledigheid een uitnodiging om waar mogelijk het ideaal een stapje verder te helpen. Voor de tweede druk van de ANS wil ik hier twee constructies naar voren brengen die tot dusverre over het hoofd gezien zijn, althans ten onrechte ontbreken in de eerste druk van de ANS. Zelf beschouw ik deze kleine aanvulling als een blijk van respect voor wat de redactie reeds tot stand heeft gebracht.

Die twee constructies zijn:

I. Verlegen als hij is, ...
II. Zo dik als ze is, ...

Ik gebruik de term constructie hier zonder er een specifieke betekenis aan toe te kennen. De termen zinstype of type waren evenzeer bruikbaar geweest. Ik meen dat constructies als zodanig niets anders zijn dan een bepaalde constellatie van taaltekens, en dat de zogenaamde eigenschappen van constructies zijn terug te voeren op eigenschappen van de betrokken taaltekens. Maar het is hier niet de plaats om op dergelijke kwesties in te gaan.

Het lijkt me nuttig, de bedoelde constructies eerst met enkele citaten verder te tonen.

I. 1.‘Vies als hij was van de oude, trof hem de schrille tegenstelling tussen het afstotende beeld van verval en de koesterende zorg die een grote vrouw met een bol rood gezicht aan hem besteedde;...’ (Willem Brakman, De weg naar huis, 2e druk 1981, 44).
2.‘... meer van pas komen dan een beschrijving van mijn gemoedsgesteldheden die, veelvuldig wisselend als zij zijn, licht aanleiding geven tot geamuseerdheid over mijn persoon.’ (Louis Ferron, De keisnijder van Fichtenwald, 3e druk 1985, 9).
3.‘De heer Kielich, gerenommeerd vertaler als hij is, heeft ongetwijfeld gelijk.’ (Onze Taal 1984, 172).
4.‘Het station van de waarnemer daar is erg kou- en warmtegevoelig, gelegen als het is op droge zandgrond en bovendien aan de zoom van een bos.’ (Trouw 24 okt. 1983).
5.‘... hoe zij zelfs de khan hielpen een opstandige stad tot overgave te dwingen door belegeringswerktuigen voor hem te construeren naar Europees voorbeeld - handige Venetianen als zij waren, die alles konden aanpakken.’ (Eileen Power, Het dagelijks leven in de middeleeuwen, vert. door A.H.C. Meertens, 3e druk 1981, 59).
6.‘De arbeiders en de zoons zouden hem vanavond wel helemaal soldaat maken, uitgehongerd als ze waren!’ (Biesheuvel, De verpletterende werkelijkheid, 1979, 21).
7.‘Vermoeid als we waren, maakten we ons eten klaar, zetten koffie, sneden

[p. 84]

wat ham en openden een bus bonen.’ (Chr. v. Abkoude, Kruimeltje, 53ste druk, 36).
8.‘Hoe hij van zo'n gering loon denkt rond te komen, gewend als hij is aan vrij grote weelde, is me een raadsel.’ (Hans Warren, Geheim Dagboek VI, 1986, 26).
II. 1.‘Zo oud als-ie is houdt-ie z'n kamer toch maar netjes schoon, dacht Dobbe met waardering.’ (I.B. Singer, De Spinoza van Warschau, vert. door A. Polak-Lubbers, 1966, 20).
2.‘Fassbinder moet in zijn jeugd goed antisemitisch geïndoctrineerd zijn geweest en heeft, zo intelligent als hij overigens was, helaas aan deze waandenkbeelden vastgehouden.’ (NRC/Handelsblad 27 nov. 1985).
3.‘Zo machtig als hij is, tegen dit mysterie staat hij machteloos.’ (Levi Weemoedt, Daar komt de bruid, 1985, 34).

Deze citaten demonstreren voldoende, dat de twee bedoelde types allerminst tot de informele spreektaal beperkt blijven.

De betekenis die zij gemeenschappelijk hebben, laat zich parafraseren met (I) ‘aangezien ... nu eenmaal’, resp. (II) ‘hoewel... zeer ...’.

Damsteegt, In de doolhof van het Nederlands (9e druk 1975, 12) vermeldt overigens ook een, zijns inziens minder gelukkig concessief gebruik van I. Hij geeft als voorbeeld: ‘Goed zeiler als hij was, kon hij toch de boot niet in de koers houden’. Dit schijnt beperkt tot gevallen waarin in de hoofdzin woorden voorkomen als toch, niettemin en desondanks, kortom woorden die iedere voorzin een concessieve interpretatie meegeven. Omgekeerd komt ook het redengevend gebruik van II voor, blijkens het volgende citaat: ‘Ik meende het wèl, zo geïndoctrineerd als ik was door die Chinese bende hier.’ (Boudewijn Büch, Links, Amsterdam 1986, 173). Maar dit lijken mij uitzonderingen.

Constructie I kan een zin openen (zie vb. 1 en 7), in 't midden staan (zie vb. 2, 3 en 8) of een zin afsluiten (zie vb. 4, 5 en 6). Constructie II kan in ieder geval openen (zie vb. 1 en 3) en middenin staan (zie vb. 2). Of ze ook vaak een zin afsluit, kan betwijfeld worden, gezien ook de concessieve waarde ervan.

Wanneer I of II de zin opent, kan inversie optreden maar noodzakelijk is dit niet.

In tegenstelling tot ogenschijnlijk zeer verwante constructies als Gelachen dat we hebben en Koud dat het er was zijn de hier bedoelde I en II geen zelfstandige taaluiting maar altijd onderdeel van een grotere uiting.

Zonder aan beïnvloeding uit andere talen te denken, kan gewezen worden op parallelle constructies elders. Bijvoorbeeld ‘They must have many interesting savage things to say, raised as they'd been in the wilderness’ (vgl. I); ‘si délaissée qu'elle soit de notre intérêt ...’ (‘ook al staat het los van ons onderwerp’) (vgl. II).

De beide constructies roepen tal van vragen op en verdienen een aparte studie. Zo is in de allereerste plaats intrigerend, hoe het komt dat deze constructies onmiddellijk als onderdeel van een grotere uiting ervaren worden, terwijl dat bij Gelachen dat we hebben en Koud dat het er was niet zo is. Waarschijnlijk daarmee verbonden is de vraag hoe het komt dat het woord zo voor zo'n groot interpretatieverschil kan zorgen.

Maar ook zonder zo'n studie verdienen ze al een plaatsje in de tweede druk van onze terecht naar volledigheid strevende ANS.