Forum der Letteren. Jaargang 1990


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1990. Smits drukkers-uitgevers, Den Haag 1990


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 104]

Over de betekenis van zgn. ‘doorzichtige’ samenstellingen
F.J. Heyvaert*

De aanleiding tot deze bijdrage is het probleem wanneer een samenstelling het voorwerp hoort te zijn van lexicografische beschrijving. Hiervoor bestaat er een standaardoplossing vanuit de linguïstiek: een samenstelling hoort alleen in het woordenboek thuis wanneer ze niet doorzichtig is. Aan deze oplossing ligt de assumptie ten grondslag dat doorzichtigheid semantische regelmatigheid is. In het kader van een beperkt onderzoek naar nieuwgevormde samenstellingen bleek dat werkelijk doorzichtige samenstellingen veel minder frequent waren dan samenstellingen die een bepaald type afwijking van de doorzichtigheid vertoonden: de aanwezigheid van initiële betekenisspecialisatie. O.m. daarom zal er worden gepleit voor een radicaal pragmatische benadering als alternatief, waarin de samenstellingsbetekenis een bij conventie bepaald concept is.

1. Doorzichtigheid en regelmatigheid

Het is een al te bekend feit dat de lexicograaf die een woordenboek van het Nederlands met hanteerbare proporties wil maken, drastisch moet snoeien in het aanbod van samengestelde woorden. Het criterium voor die selectie is uiteraard de woordenboekgebruiker. Woorden waarvan het waarschijnlijk is dat een gebruiker er ooit spellingsproblemen, grammaticale of semantische problemen mee zal hebben, komen uiteraard eerder in aanmerking dan woorden waarvoor de waarschijnlijkheid gering tot onbestaande is. Maar als er geen objectieve maatstaf is waarmee de lexicograaf de noden van zijn publiek kan voorspellen, blijft het oordeel over die waarschijnlijkheid ten dele een gok over de taalvaardigheid van dat publiek. Eigen intuïties van de lexicograaf zijn overigens gevaarlijk: hij moet niet in eerste instantie rekening houden met de modale gebruiker maar met de meest taalonzekere.

Voor het semantische aspect van samenstellingen kan zo'n objectieve maatstaf worden betrokken uit het linguïstische onderscheid tussen idiomaticiteit en doorzichtigheid. Wanneer de betekenis van complexe uitdrukkingen, zoals samenstellingen, niet voorspelbaar is uit de betekenis van hun constituerende delen, maar bepaald wordt door een conventie die deze voorspelbaarheid ongedaan maakt, zijn deze uitdrukkingen idiomatisch, net zoals ongelede woorden dat zijn. Deze uitdrukkingen horen thuis in het woordenboek, dat volgens de bekende definitie van Bloomfield de lijst van alle uitzonderingen in een taal bevat.

Naast deze idiomatische samenstellingen zijn er ‘doorzichtige’ die niet in het woordenboek thuis horen omdat hun betekenis door de taalgebruiker kan worden achterhaald door toepassing van regels. Doorzichtigheid, i.v.m. samenstellingen, is interpreteerbaarheid volgens het principe van Frege dat de betekenis van het geheel een functie is van de betekenissen der samenstellende delen.

Twee uitdrukkingen, α en β, vormen een doorzichtige constructie αβ indien

[p. 105]

(1o) deze constructie het resultaat is van de toepassing van een grammatische - synctactische of morfologische - regel R;

(2o) α en β een welbepaalde conventionele of compositionele - door toepassing van het principe van Frege verkregen - interpretatie hebben, of, bij ambiguïteit, een verzameling welbepaalde interpretaties;

(3o) R een welbepaalde interpretatie, of, bij ambiguïteit, een verzameling welbepaalde interpretaties heeft;

(4o) de interpretatie van αβ identiek is met die regel R toegepast op de interpretaties van α en β.

 

Ambiguïteit is, zoals blijkt uit het voorgaande, niet onverzoenlijk met doorzichtigheid, althans indien ze volgt uit de interpretatie van α, β of R of van meerdere van deze samenstellende delen tezelfdertijd. Evenmin is het een bezwaar dat de samenstellende delen een specifieke interpretatie krijgen door de contextuele invloed van het geheel van de constructie: ook die informatie kan door interpretatieregels uit de constructie worden afgeleid. Wat wel onverzoenlijk is met doorzichtigheid is dat de interpretatie van αβ enig gegeven zou bevatten dat niet blijkt uit de compositionele afleiding. Dit soort gegevens, gaande van eenvoudige toevoeging van een betekeniskenmerk tot radicale betekenisverandering, zoals bij metaforische toepassing, maakt de constructie steeds in mindere of meerdere mate idiomatisch.

De onderliggende gedachte bij de toepassing van het onderscheid tussen doorzichtigheid en idiomaticiteit op samenstellingen heeft te maken met de in principe quasi onbeperkte produktiviteit van de vorming van samenstellingen, die leidt naar de gedachte dat ze, op een wijze die vergelijkbaar is met de vorming van syntactische constructies, wordt beregeld door een gewone grammatische regel in het synchronische taalsysteem en dat de interpretatie ervan op dezelfde manier verloopt als de interpretatie van andere grammatische taalbouwsels.

Het onderwerp van deze bijdrage wordt in eerste instantie de vraag of deze gedachte legitiem is. De consequenties van het antwoord voor het boven vermelde probleem van de lexicograaf horen eigenlijk het onderwerp van een aparte studie te zijn.

In wat volgt zal worden betoogd dat het compositionele principe als basis voor de interpretatie van samenstellingen enerzijds leidt tot talrijke onnodige complicaties, vooral in termen van ambiguïteit (sectie 2) en anderzijds niet leidt tot descriptieve resultaten die overeenkomen met intuïties omtrent wat normaal en wat afwijkend is (sectie 3). In sectie 4 wordt een vaak voorkomende vorm van afwijking ten opzichte van het compositionaliteitsprincipe geïllustreerd die toch niet zonder bezwaren idiomatisch genoemd kan worden. In sectie 5 tenslotte wordt een alternatieve - pragmatische - behandeling van samenstellingen voorgesteld waarin de door de compositionele aanpak opgeroepen problemen zich niet voordoen.

[p. 106]

2. Doorzichtigheid en ambiguïteit

2.1. Ambigue componenten

De mogelijke meerzinnigheid van de samenstellende delen vormt een complicerende factor voor de interpretatie van samenstellingen, zij het mogelijk de geringste. Dit probleem doet zich uiteraard niet alleen voor bij samenstellingen; in elke grammaticale constructie kunnen ambigue uitdrukkingen voorkomen. Maar wel is het zo dat bij ‘expliciete’ constructies de mogelijkheden tot ontambiguïsering veel groter zullen zijn dan bij samenstellingen met hun compacte structuur waarin vaak gegevens die onontbeerlijk zijn voor de ontambiguïsering niet zijn uitgedrukt. Dit kan worden geïllustreerd met een voorbeeld uit de verzameling in sectie 4, waarover later overigens meer: basisvertrouwen. In principe kan dit woord worden geïnterpreteerd met verschillende lezingen van basis (de polysemie van vertrouwen wordt buiten beschouwing gelaten):

(a)in de zin van: datgene waarop iets berust, hetzij ruimtelijk, hetzij figuurlijk;
(b)plaats, ruimte gebruikt als vertrekpunt en punt waarnaar men kan terugkeren;
(c)groep van personen die op zo'n plaats verblijven;
(d)‘achterban’, groep van personen die door iemand of iets worden vertegenwoordigd;
(e)in een min of meer adjectivische betekenis als ‘fundamenteel, elementair’, een betekenis die alleen maar voorkomt wanneer het woord wordt gebruikt als eerste lid van een samenstelling, en die overigens nauw aansluit bij de betekenis (a).

Met al deze lezingen van basis kan er een betekenis voor basisvertrouwen worden afgeleid. Basisvertrouwen is, indien zijn betekenis compositioneel wordt afgeleid, minstens zovele malen ambigu als er betekenissen van basis zijn die compatibel zijn met vertrouwen. Deze meerzinnigheid is niet aanwezig in de explicietere parafrase vertrouwen dat als basis vereist is. De context van het woord basis in deze uitdrukking maakt elke lezing behalve (a) ‘fundament, in figuurlijke zin’ (corresponderend met lezing (e) in de samenstelling) onwaarschijnlijk tot onmogelijk. Het is het ontbreken van dit soort context dat het voorkomen van ambiguë woorden in samenstellingen veel schadelijker maakt dan in explicietere uitdrukkingen, waar de kansen dat de ambiguïteit geneutraliseerd wordt veel groter zijn. Uiteraard werd daarbij wel geabstraheerd van de mogelijkheid om te ontambiguïseren op basis van de externe context.

2.2. De relatie tussen de componenten

De mogelijke polysemie of homonymie van de samenstellende delen vormt slechts een beperkte bron van ambiguïteit bij de compositionele interpretatie van samenstellingen. Door een ander verschijnsel wordt deze ambiguïteit quasi oneindig: de niet uitgedrukte relatie tussen de samenstellende delen die moet worden verondersteld bij een samenstelling van het specificans-specificatumtype. Het probleem is nog vrij gering wanneer het specificatum een predikaat is, zoals bij nominale samenstellingen met een deverbativum als specificatum. In dat geval zal

[p. 107]

het specificans in de regel een argument van dat predikaat uitdrukken of de een of andere modificerende bepaling, zoals bijvoorbeeld een objectfunctie in beenbekleding, een bepaling van middel in rietbekleding. Maar ook daar is de precieze aard van dat argument of van die bepaling vaak niet meteen duidelijk, omdat informatie ontbreekt die anders zou worden opgeleverd door de plaats van het argument of door voorzetsels e.d. (bekleding van het been, bekleding met riet). Wel kan de eigen betekenis van het specificans een aanwijzing zijn, maar net zo goed kan de taalgebruiker daardoor misleid worden. Zo is bij steenbekleding de keuze tussen ‘bekleding van steen’ en ‘bekleding met steen’ niet meteen evident.

Voor samenstellingen die bestaan uit twee nomina zijn de problemen veel groter, omdat beide nomina dan argumenten of bepalingen zijn bij een verzwegen predikaat, en de verzameling mogelijke verzwegen predikaten - die niet alleen lexicale maar ook complexe uitdrukkingen kan omvatten - in principe oneindig is. De nood om dit impliciete predikaat te expliciteren is inherent aan de compositionele opvatting van de samenstellingsbetekenis, om de eenvoudige reden dat het er een essentieel onderdeel van is. Het moet dus op een onderliggend niveau ‘uitgedrukt’ zijn of minstens moet de cognitieve inhoud ervan duidelijk zijn. Het is vanuit dit perspectief dat opvattingen die vanuit de huidige stand van het onderzoek bijna belachelijk primitief lijken, zoals die in Lees (1960) moeten worden begrepen waar samenstellingen het resultaat zijn van een deletie op een expliciete onderliggende structuur. Dit leidt, zoals bekend, tot in theorie oneindige ambiguïteit van deze samenstellingen, in een niet te verantwoorden wanverhouding tot de reële meerzinnigheden in het taalgebruik. Overigens wordt in deze hypothese de betekenis van de samenstelling afhankelijk gemaakt van de betekenis van het gedeleerde. Maar uit de praktijk van het lexicografisch definiëren blijkt dat het niet uitgedrukte stuk kan worden weergegeven door verschillende formuleringen, ook door formuleringen die onderling niet synoniem zijn. Zo kan betonmolen worden omschreven als ‘molen voor het mengen van bestanddelen van beton’ of als ‘molen voor het vervaardigen van beton’ en er bestaat geen semantische implicatie tussen ‘de bestanddelen van iets mengen’ en ‘iets vervaardigen’, behalve de wereldkennis dat er voor het vervaardigen van sommige zaken, zoals cake en beton, bestanddelen gemengd moeten worden. Vergeleken met synctactische constructies die hetzelfde uitdrukken zijn samenstellingen ellipsen, en ellipsen kunnen alleen maar verklaard worden in termen van deletie wanneer ze de echo zijn van een expliciete linguïstische context. Vaak zijn ze dat echter niet, en in dat geval is de formulering van het niet uitgedrukte stuk van de uiting relatief arbitrair (vgl. Droste & Heyvaert 1981). Het weggelaten stuk - dat bij samenstellingen haast nooit terug te vinden is in de voorafgaande linguïstische context - kan in dat geval beter worden gedefinieerd als de verzameling uitdrukkingen waarvoor de toepassingscondities of het concept van de elliptische uitdrukking gelijk blijven.

 

Een middel om de bovengenoemde onoverzienbare theoretische ambiguïteit van samenstellingen in te dammen is een drastische reductie van het aantal mogelijke relaties tussen specificans en specificatum tot een aantal basispredikaten die zouden functioneren als een soort algemene noemers voor de verschillende specifieke

[p. 108]

relaties. Dit wordt o.m. voorgesteld in Lees (1970), Motsch (1970) en Levi (1978). De consequentie daarvan is, zoals Van den Toorn (1982) stelt, ‘een niet onaanzienlijke vaagheid’, waardoor de betekenisomschrijving dermate algemeen blijft dat het toepassingsgebied van het woord er niet door afgebakend kan worden, en waardoor bovendien reële ambiguïteiten niet kunnen worden onderscheiden. Zo voert Levi (1978) als basispredikaat VOOR (FOR) in. Aan een samenstelling als watermeter kan hiermee de onderliggende structuur

meter VOOR water
worden toegekend. Onder deze omschrijving ressorteren evenwel alle uiteenlopende - en niet tot hetzelfde concept te herleiden - toepassingen van het woord, waarvan er minstens twee gestandaardiseerd zijn: ‘meter voor de stroomsnelheid van het water’ en ‘meter voor het verbruikte water in een waterleiding’. Dit zijn twee volkomen verschillende zaken en het woord watermeter is bijgevolg ambigu; in de behandeling van Levi worden de beide betekenissen echter ten onrechte tot hetzelfde concept gereduceerd. Het meest storende hieraan is dat een reëel betekenisonderscheid niet gemaakt kan worden op een onderliggend niveau dat speciaal gecreëerd is om o.m. te ontambiguïseren. Problemen als dat met watermeter kunnen in de compositionele aanpak alleen worden opgelost met de hierboven genoemde methode van Lees (1960). De kwaal en de remedie zijn even erg.

Er zijn compromissen tussen beide stellingen mogelijk, maar het is evident dat ook die dezelfde gebreken zullen vertonen. In de mate dat de precisering van het gedeleerde groter wordt, zullen er meer niet in het taalgebruik bestaande ambiguïteiten in de semantische descriptie moeten worden opgenomen; in de mate dat het gedeleerde algemeen wordt, zal de descriptie minder adequaat worden als voldoende voorwaarde voor een betekenisdefinitie. Weliswaar kan ter verdediging van beide standpunten worden ingeroepen dat ze abstraheren van het concrete gebruik en dat ze een theoretische verantwoording willen geven van de potentiële betekenissen die samenstellingen kunnen hebben in het taalsysteem. Dat standpunt maakt evenwel de hele aanpak empirisch oncontroleerbaar. In plaats van door hun empirische correctheid de compositionele aanpak te rechtvaardigen, moeten de descripties voor de rechtvaardiging van hun empirische inadequaatheid een beroep doen op het compositionele axioma.

2.3. Constructiebetekenis en samenstellingsbetekenis

In De Caluwe (1988) wordt voor samenstellingen een onderscheid gemaakt tussen twee betekenislagen. De eerste is de constructiebetekenis: de semantische interpretatie zoals die kan worden afgeleid uit de wijze waarop de samenstelling gevormd is (ter illustratie een eigen voorbeeld van De Caluwe: voor straattaal is die constructiebetekenis ‘taal zoals ze op straat wordt gebruikt’). De tweede laag is de eigenlijke samenstellingsbetekenis: de wijze waarop de samenstelling concreet wordt gebruikt (voor straattaal is dat ‘platte, vulgaire taal’). De juistheid van dit

[p. 109]

onderscheid wordt geïllustreerd door de compositionele benadering. In beide besproken varianten hiervan is de semantische descriptie gebaseerd op de constructie en kan er een kloof worden geconstateerd tussen de constructiebetekenis en de reële toepassingsmogelijkheden van de samenstelling. Correcties en aanvullingen zouden kunnen gebeuren door toevoeging van een pragmatische - want op wereldkennis en taalgebruik gerichte - interpretatiecomponent aan die semantische component die de constructiebetekenis bepaalt. Deze ingreep is echter alleen maar verantwoord indien die pragmatische component geen essentiële betekenisinformatie moet toevoegen, en kan volstaan met een specificatie van de betekenis in functie van het gebruik. Dit bleek echter al niet zo te zijn in het geval van watermeter waar de pragmatische component uit een vage aanduiding twee concrete concepten zou moeten afleiden. En in sectie 3 zal blijken dat de pragmatische component met name voor nominale samenstellingen nog zoveel meer wezenlijke betekeniskenmerken moet toevoegen dat hij in feite het grootste deel van de semantische informatie bepaalt.

3. Initiële betekenisspecialisatie

Betekenisspecialisatie is een verschijnsel van betekenisverandering waarbij aan de oorspronkelijke betekenis nog andere specificerende semantische kenmerken worden toegevoegd, zodanig dat de groep der mogelijke referenten bij de gespecialiseerde betekenis een deelgroep is van de referenten bij de oorspronkelijke betekenis. Een voorbeeld van dit verschijnsel is het werkwoord verslaan, dat eertijds als één van zijn betekenissen had ‘mededelen, zeggen, vertellen’; in haar algemeenheid is deze betekenis verdwenen, maar er bestaat nog wel een gespecialiseerde toepassing: ‘een reportage, een verslag maken (van evenementen als sportwedstrijden, congressen e.d.)’. (Zie het WNT, XX,II,273). Betekenisspecialisatie, vaak ook ‘betekenisvernauwing’ genoemd, is dus niet echt een afwijking ten opzicht van de oorspronkelijke betekenis, zoals metaforen of metoniemen dat zijn. Het is alleen maar een toepassing van die oorspronkelijke betekenis met bijkomende restricties.

Met name bij nominale samenstellingen gebeurt het meermaals dat de samenstelling reeds vanaf de vorming een gespecialiseerde betekenis heeft ten opzichte van de constructiebetekenis, zonder dat daaraan gebruik in de algemene zin is voorafgegaan. Dit verschijnsel kan bijvoorbeeld worden geconstateerd bij woorden als strandbal en tennisbal. Een strandbal is een bal waarmee op het strand wordt gespeeld, maar niet elke bal waarmee op het strand wordt gespeeld is een strandbal: een op het strand gebruikte tennisbal is dat zeker niet. Omgekeerd wordt een door een racket beroerde strandbal niet meteen een tennisbal. De betekenissen van strandbal en tennisbal moeten o.m. worden gedefinieerd in termen van restricties omtrent de vorm van de aangeduide zaken. Die vormkenmerken zijn overigens primair ten opzichte van de functionele kenmerken: een strandbal blijft een strandbal en een tennisbal een tennisbal, ook als ze nooit op een strand c.q. op een tennisbaan gebruikt worden. De meest wezenlijke betekeniskenmerken van strandbal en tennisbal vallen dus buiten de

[p. 110]

constructiebetekenis. Bijna hetzelfde verschijnsel doet zich voor bij blikopener. Het is waar, zoals wordt gesteld in De Caluwe (1988: 255), dat een aantal zaken met verschillende vormen zo kan worden benoemd: het klassieke instrument met een cirkelvormig mesje en een schroef, een doosvormig electrisch toestel of een onderdeel van sommige zakmessen. Maar daartegenover staat dat andere zaken die worden gebruikt om blikken te openen niet door dit woord kunnen worden benoemd. Een kampeerder die met een schroevedraaier bij zijn ravioli probeert te komen, kan dat instrument alleen maar met enige ironie blikopener noemen. Zelfs sommige zaken die als unieke functie hebben blikken te openen, hebben niet de naam blikopener het lipje van een bierblik. Ook hier blijken de formele kenmerken, die in de samenstelling niet uitgedrukt zijn, zwaarder te wegen bij de betekenisdefinitie dan de functionele kenmerken. Blikopener onderscheidt zich van strandbal alleen hierin dat de formele kenmerken een disjunctieve verzameling vormen: er zijn verschillende soorten objecten die onder het concept ‘blikopener’ vallen, maar dat concept heeft hoedanook een kleiner bereik dan aangegeven wordt door de functionele omschrijving ‘instrument om blikken te openen’: de betekenis van blikopener is gespecialiseerd.

In deze gevallen wordt de afstand tussen de constructiebetekenis en de samenstellingsbetekenis dermate groot dat ze voor de compositionele benadering feitelijk als idiomatisch afgedaan moeten worden (vgl. Van den Toorn 1982), hoewel de samenstellingsbetekenis niet echt afwijkt van de constructiebetekenis: de formulering van deze laatste is hoedanook waar voor de samenstelling, alleen is ze verregaand onvoldoende voor een betekenisdefinitie.

Het is overigens maar de vraag of die beoordeling als idiomatisch terecht is. Er kan niet in de eigenlijke zin van het woord sprake zijn van betekenisspecialisatie, aangezien er geen echte samenstellingsbetekenis als basis voor de specialisatie is. Er is alleen de constructiebetekenis als vergelijkingspunt. De betrokkenheid van de constructiebetekenis bij de samenstellingsbetekenis als semantische kern of zelfs als secundair onderdeel is echter alleen maar een theoretische stelling, een consequentie van de compositionele hypothese. Het oordeel dat strandbal en blikopener min of meer idiomatisch zijn, wordt vereist door het theoretische uitgangspunt. Of die woorden ook idiomatisch zijn voor de linguïstische intuïtie is een andere vraag. Uit gesprekken voorafgaand aan dit artikel bleek wel dat vakgenoten verwonderd waren over de bewering dat deze samenstellingen niet helemaal doorzichtig waren, en bleek er een verklaring nodig over de elementen waaruit de idiomaticiteit precies bestond. Als die intuïtie veralgemeend kan worden, mag worden vermoed dat initiële specialisatie geen empirisch probleem is, maar een probleem dat door de theorievorming wordt gecreëerd.

Hetzelfde werd reeds in 2.2. opgemerkt omtrent de kwestie van de impliciete semantische relatie tussen de samenstellende delen.

4. De frequentie van de initiële specialisatie bij nieuwvormingen

De semantische intuïties omtrent de ‘regelmatigheid’ van samenstellingen als strandbal en blikopener zijn op zichzelf een zwak argument. Een onderzoek naar

[p. 111]

de frequentie van samenstellingen met initiële betekenisspecialisatie tegenover die van vormingen die werkelijk doorzichtig zijn op de wijze zoals werd uiteengezet in sectie 1 kan meer duidelijkheid brengen. Voor dit onderzoek komen nieuwgevormde samenstellingen het meest in aanmerking; voor oudere woorden zou immers een bijkomend historisch onderzoek nodig zijn of de betekenisspecialisatie werkelijk van meet af aan aanwezig was.

Een frequentieonderzoek zou geen bezwaar opleveren voor een aanduiding van het type strandbal als afwijkend, indien slechts een marginaal percentage nieuwgevormde samenstellingen ertoe zou behoren; indien het verschijnsel echter vaak zou optreden in verhouding tot echt compositioneel interpreteerbare samenstellingen, zou de geldigheid van de compositionele interpretatie als criterium voor de semantische regelmatigheid van samenstellingen wel verdacht worden.

Om van deze verhouding enig idee te krijgen heb ik van 31 juli tot 4 augustus 1989 De Volkskrant geëxcerpeerd op nominale samenstellingen van het specificansspecificatumtype die me nieuw of recent gevormd leken. Dat oordeel over de recentheid werd gecheckt aan de hand van de meest recente druk van Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal. Samenstellingen die daarin reeds voorkwamen, werden niet gehonoreerd, ook wanneer ze in De Volkskrant werden gebruikt in een andere betekenis: staatsbelang in de zin van ‘aandeel, participatie van de staat’ was het enige woord dat om die reden afviel. Ook woorden die op een andere manier afweken van de constructiebetekenis dan door initiële specialisatie, werden niet in de lijst opgenomen: daardoor viel alleen het - initieel - metaforisch gebruikte aanlooproute, toegepast op het begin van een beroepsloopbaan, af. De overblijvende oogst bestond uit - slechts - 42 woorden, hetzij doorzichtige samenstellingen in de zin van sectie 1, hetzij vormingen waarvan de betekenis meerinformatie bevatte ten opzichte van de constructiebetekenis. Bij de beoordeling werden de volgende criteria gehanteerd:

(a)Complicaties die kunnen worden toegeschreven aan de polysemie van de samenstellende delen werden niet in het oordeel betrokken. Zo wordt algenexplosie, met explosie in de afgeleide betekenis ‘explosieve vermenigvuldiging’ tot de doorzichtige gevallen gerekend.
(b)Voorwaarde voor doorzichtigheid was dat de samenstellingsbetekenis kan worden omschreven met een formulering waarin het specificans in een grammatische basisrelatie (min of meer vergelijkbaar met de basispredikaten van Levi 1978) tot het specificatum staat, zoals die van subject, bepaling van middel, doel, herkomst e.d.
(c)Zodra deze relatie verduidelijkt moest worden door lexicale informatie, specifiek in functie van de betekenis van een afzonderlijke samenstelling, werd deze als niet doorzichtig beschouwd.
(d)Samenstellingen met initiële betekenisspecialisatie werden uiteraard als niet doorzichtig beschouwd.

 

Het leek overbodig een onderscheid te maken tussen (c) en (d) omdat het resultaat van beide hetzelfde is: het creëren van een semantische kloof tussen constructiebetekenis en samenstellingsbetekenis. Overigens is ook (c) een vorm

[p. 112]

van betekenisspecialisatie ten opzichte van de genoemde grammatische basisrelatie. Daarenboven is het onderscheid vaak vrij moeilijk te maken en lijkt het soms een vrij arbitraire presentatiekwestie. Dat is bijvoorbeeld het geval met pakkans. Als we de betekenis van het woord omschrijven als ‘kans om overtreders te pakken’, is de ‘ondoorzichtigheid’ toe te schrijven aan verschijnsel (c); als we de niet uitgedrukte informatie formuleren als selectierestrictie, zoals in ‘kans om te pakken; toegepast met betrekking tot overtreders’, behoort de afwijking tot de categorie (d). Hetzelfde geldt bijvoorbeeld voor drugsoverlast, waar de respectieve omschrijvingen ‘overlast veroorzaakt door het gedrag van gebruikers van drugs’ en ‘overlast door drugs, met name door het gedrag van gebruikers’ de afwijking in het eerste geval in de categorie (c) en in het tweede in de categorie (d) onderbrengen. Om die redenen wordt in de onderstaande lijst geen onderscheid gemaakt tussen ‘ondoorzichtige’ samenstellingen van de categorieën (c) en (d).

 

Kolom A van de lijst bevat de in De Volkskrant aangetroffen samenstellingen. In kolom B wordt de vindplaats vermeld; 31-3-4 moet worden gelezen als 31 juli, pagina 3, kolom 4; de cijfers 1, 2, 3 en 4 verwijzen wanneer ze voorop staan naar resp. 1, 2, 3 en 4 augustus. In kolom C wordt de betekenis van de samenstelling omschreven. In kolom D wordt aangegeven of de samenstellingsbetekenis initiële specialisatie in de zin van (c) en/of (d) vertoont. Deze specialisatie wordt overigens inhoudelijk gespecificeerd door cursivering in kolom C.

A B C D
1 algenexplosie 31-3-4 Explosieve vermenigvuldiging van algen. -
2 algenplaag 31-3-3 Plaag bestaande uit een te grote hoeveelheid algen. +
3 algenpopulaties 31-3-2 Populaties van algen. -
4 arbeidsmarkttoets 1-1-6 Toets of er plaats is op de arbeidsmarkt. +
5 basisrust 2-3-4 Psychische rust als basis. +
6 basisvertrouwen 2-3-4 Vertrouwen als psychologische basis. +
7 behandelingsovereenkomst 31-3-1 Contractuele overeenkomst omtrent een medische behandeling +
8 beleggingspotentieel 1-2-4 Potentieel van een eigendom als voorwerp van belegging +
9 braaklegregeling 1-6-2 Regeling strekkend tot periodieke braaklegging omwille van de vruchtbaarheid van de grond. +
10 computeractiviteiten 1-2-1 Activiteiten met behulp van een computer. -
11 dijkverbod 1-7-1 Verbod om de Zeedijk (en bij uitbreiding ook andere plaatsen) te betreden. +
12 donoreicellen 3-3-2 Eicellen afkomstig van een donor en bestemd voor fertilisatie langs een andere dan de natuurlijke weg. +
13 drugsoverlast 1-7-2 Overlast veroorzaakt door het gedrag van druggebruikers. +
14 eiceldonatie 4-1-4 Donatie van een eicel voor kunstmatige fertilisatie. +
15 formatiebevriezing 2-1-5 Bevriezing ‘verhindering van verdere uitbreiding’ van een formatie ‘vastgesteld vereist personeel’. -
16 formatieoverschot 2-1-5 Overschot, overtollig personeel boven het aantal van de formatie. (?)+
17 handelingsfout 31-10-4 Fout gemaakt bij of door handelingen. -
18 hinderwetvergunning 13-6-2 Vergunning voor activiteiten die hinder kunnen veroorzaken, vereist door de hinderwet. +
19 inspraakronde 31-6-4 Ronde voor inspraak. ?

[p. 113]

20 kathedraaltent 1-7-2 Tent gebruikt als kathedraal. -
21 kwelverschijnselen 31-3-6 Verschijnselen van kwel. -
22 mensenrechtenactivisten 1-5-7 Activisten voor de naleving van de mensenrechten. +
23 muziekdochter 2-2-2 Dochtermaatschappij die muziekpublikaties verhandelt. +
24 olievlekwerking 3-3-5 Werking als olievlek ‘zaak die zich geleidelijk uitbreidt’. -
25 overnamebedrag 2-2-2 Bedrag betaald voor de overname van een bedrijf. +
26 overnamegevechten 3-2-2 Gevechten (fig.) voor en/of tegen de overname van een bedrijf. +
27 overschotformatie 2-1-5 Deel van een formatie dat overtollig is. +
28 pakkans 2-1-2 Kans dat een overtreder gepakt wordt. +
29 plofkoffer 2-1-1 Geldkoffer die o.m. door te ‘ploffen’ beveiligd is tegen overvallen. +

A B C D
30 projectafdeling 2-2-6 Afdeling belast met het ontwikkelen van projecten. -
31 reparatiewetje 31-3-2 Wetje ter reparatie van een andere wet. +
32 repertoirecentra 2-2-4 Centra waar het repertoire vandaan komt. -
33 schoonmaakprogramma 3-4-3 Programma tot schoonmaak. -
34 slagproduktie 31-10-4 Omvang van de produktie van slagen in honkbal. +
35 smoezenfolder 3-9-2 Bep. folder waarin smoezen worden behandeld die worden verzonnen om geen rekening te moeten houden met het besmettingsgevaar door AIDS. +
36 stadsboer 31-6-1 Boer die zijn vak in specifieke omstandigheden uitoefent in de stad. +
37 toestemmingssysteem 31-3-5 Systeem waarbij het uitvoeren van een bepaalde handeling afhangt van een bepaalde toestemming. +
38 trottoirrisico 2-1-1 Risico dat men loopt op het trottoir om het slachtoffer van criminele handelingen te worden. +
39 verkeersontsluiting 1-1-5 Ontsluiting voor het verkeer. -
40 vijandbeeld 3-6-6 (Onterecht) beeld dat men zich vormt over andere naties als (potentiële) vijand. +
41 wegenbouwpoot 3-2-4 Poot ‘bedrijfstak’ die zich bezighoudt met wegenbouw. -
42 wijnperceel 3-2-3 Perceel waarop voor de wijnproduktie bestemde druiven worden verbouwd. +

Het materiaal is te beperkt in omvang en de basis waaruit het werd betrokken te smal om wat volgt conclusies te noemen. Maar zeer zeker wordt de indruk gewekt dat initiële betekenisspecialisatie vrij frequent zou kunnen zijn bij nieuwgevormde samenstellingen. Van de 42 aangetroffen gevallen zijn er slechts 12 die aan de bovengenoemde voorwaarden voor doorzichtigheid voldoen. Voor de omschrijving van de overige 30 moeten aan de ‘doorzichtige’ parafrase eenvoudige tot vrij complexe en idiosyncratische specificaties worden toegevoegd.

Overigens wordt door het materiaal ook gesuggereerd dat vorming van nieuwe samenstellingen niet zo enorm frequent is als benoemingsprocédé. 42 Exemplaren op vijf dagen krant is geen hoge score. Dit aantal verdwijnt overigens in het niets wanneer het wordt vergeleken met het aantal syntactische constructies die een vergelijkbare benoemende functie hebben. Bij de 42 zijn er bovendien nog enkele die geen echte nieuwvormingen zijn. Pakkans, de twee samenstellingen met overname, vijandbeeld, hinderwetvergunning gaan al een tijdje mee, maar haalden de woordenboeken nog niet, zodat ze toch aan de opnamecriteria beantwoordden.

Indien deze impressies door een onderzoek op grotere schaal bevestigd zouden

[p. 114]

worden, zou die bevestiging de idee dat de compositionele opbouw het criterium is voor de regelmatigheid van samenstellingsbetekenissen wel heel erg suspect maken. Met een algemene regel die slechts een kleine minderheid van de feiten voorspelt, valt hoedanook moeilijk te leven.

5. Een pragmatisch alternatief

5.1. Een niet samengestelde samenstellingsbetekenis

Wat werd geconstateerd bij de verzameling samenstellingen in 4 kan ook op een andere wijze worden bekeken. Specificans en specificatum blijken op verschillende manieren betrokken te zijn bij de samenstellingsbetekenis.

Het specificatum maakt in de regel deel uit van die samenstellingsbetekenis. Het noemt de ruimere klasse waarbinnen het door de samenstelling aangeduide ding gesitueerd moet worden, het genus proximum: basisrust is rust, een braaklegregeling is een regeling, enz. In het materiaal werd één uitzondering daarop aangetroffen: overschotformatie (28). Een overschotformatie is geen formatie maar een deel ervan. Overigens is men wel meteen geneigd om te interpreteren als ‘overtollige formatie’. De context moest duidelijk maken dat die interpretatie onjuist was. Overschotformatie is ongetwijfeld een semantisch legitieme samenstelling, maar toch een wat minder ‘handige’ vorming dan de andere woorden in de verzameling. De aanvankelijk foute interpretatie ervan kan mogelijk worden verklaard doordat er bij de vorming een gewoontepatroon doorbroken is. Een andere soort afwijking wordt aangetroffen bij woorden als pillendraaier. Het specificatum kan daar niet echt als genus proximum voor het aan te duiden ding (apotheker) worden opgevoerd; het krijgt die rol slechts in functie van het gekozen specificans. Dit type zal hier evenwel verder niet behandeld worden.

Het specificans heeft niet dezelfde noodzakelijke rol in de betekenisdefinitie van de samenstelling. Bij de betekenis van drugsoverlast (13) is de specificatie drugs slechts in tweede instantie betrokken. Het gaat om overlast veroorzaakt door personen (dealers en junkies); de informatie in het specificans is in de eerste plaats relevant met betrekking tot die personen en wordt als zodanig slechts indirect betrokken bij de overlast. Een ander relevant geval is trottoirrisico (38), waardoor uiteraard niet alleen het risico wordt aangeduid dat men loopt op trottoirs, maar ook de gevaren die men loopt op het zebrapad, in de wandelstraat, in het park, kortom waar men in de stad loopt en niet veilig is voor criminaliteit door de bescherming die bv. een auto biedt. De specificatie trottoir geeft niet de plaats aan waarvoor het risico geldt, maar noemt slechts een typische plaats waarvoor het geldt.

Het specificans heeft dus niet de waarde van een differentia specifica in de betekenisdefinitie van de samenstelling. Het vormt alleen maar een aanwijzing bij het bepalen van die differentia specifica. Door diegene die de (nieuwgevormde) samenstelling interpreteert moet, met behulp van deze aanwijzing, worden uitgezocht wat in de betekenis van de samenstelling de echte differentia specifica

[p. 115]

is. Dit laatste is overigens slechts in tweede instantie correct, omdat het een activiteit in de orde van de taalbeschouwing is, en dus veel meer het probleem van de lexicograaf dan van de taalgebruiker. Wat de gebruiker in eerste instantie hoort te doen, is op basis van de genoemde aanwijzing het ding identificeren waarvoor de samenstelling als naam bedoeld is. En door die identificatie wordt de betekenis van de samenstelling bepaald. Het zijn de kenmerken van het ding, die zaken waardoor het zich onderscheidt van verwante dingen in een classificatie in termen van natuurlijke taal, die de betekenis van de samenstelling uitmaken.

Initiële betekenisspecialisatie bestaat dan ook niet. De betekenis van het woord wordt afgeleid uit de kenmerken van de referent en aangezien de constructiebetekenis slechts een aanwijzing daarvoor is, is een tussenliggend interpretatieniveau waarop beide met elkaar geïdentificeerd worden onnodig en onjuist, en is er ook geen specialiserende pragmatische aanvulling nodig.

De keuze van de referent als basis voor de betekenisbepaling en de vaak louter aanwijzende of suggererende rol van het specificans maken ook de opvatting van een samenstellingsbetekenis als een samengestelde betekenis onjuist.

Compositionele interpretatie is onterecht omdat het specificans niet in zijn eigenlijke, refererende functie gebruikt is. Dat laatste blijkt ook al uit de constatering dat, wanneer het specificans een nomen is, in de samenstelling niet langer over dat nomen kan worden gequantificeerd; het verlies van die valentie gaat samen met verlies van het vermogen om aan dingen in de werkelijkheid te refereren. Het specificans is opgenomen in een uitdrukking waarover men alleen in haar totaliteit kan quantificeren. Daardoor kan een samenstelling als strandbal nooit, zoals dat wel het geval is voor echt compositionele uitdrukkingen, worden gelezen als de doorsnede van de verzameling referenten van bal en die van zaak om mee op het strand te spelen. Een strandbal is alleen maar een lid van de verzameling der strandballen. De betekenis van een nominale samenstelling is net zo min samengesteld als die van een ongeleed substantief.

De hierboven gehanteerde notie van referent kan worden opgevat als ‘individuele referent, extensie’ én als ‘concept, intensie’. Individuele referenten kunnen in eerste instantie betrokken zijn bij de interpretatie van nieuwvormingen, wanneer degene die interpreteert geconfronteerd wordt met het nieuwe woord en een enkel exemplaar van het bedoelde begrip. De stap naar de tweede opvatting volgt automatisch. Op basis van de kenmerken van de individuele referent wordt meteen besloten tot de reconstructie van een concept waarvan de individuele referent een vertegenwoordiger is, door scheiding van de individuele en de systematisch geachte eigenschappen van de referent.

Hiervoor zijn echter geen systematische gegevens voorhanden. Er zijn geen door linguïstische conventies bepaalde regels om af te leiden wat de door de vormer van de samenstelling bedoelde referent is noch om individuele van conceptuele kenmerken te scheiden. De betekenis van de samenstelling wordt niet intern linguïstisch vastgesteld, maar is een nieuwe conventie tussen vormer en interpreteerder, waarbij de vormer een niet expliciet voorstel doet ter oplossing van een naamgevingsprobleem waarmee in eerste instantie hijzelf wordt geconfronteerd, en de interpreteerder dat voorstel accepteert - hij kan het ook verwerpen - en het impliciete gedeelte ervan invult in functie van de bedoelingen

[p. 116]

die hij raadt bij de vormer, en waaromtrent hij in mindere of meerdere mate beschikt over linguïstische en andere informatie.

Als zodanig behoort het toekennen van een betekenis aan een samenstelling niet tot het synchronische semantische systeem in de Saussureaanse zin van dat begrip. Het volgt niet uit de axiomata van het systeem, het is een ingreep in dat systeem. Er wordt een nieuwe conventie toegevoegd, een element dat niet voorspelbaar is door de systematiek. Het toekennen van een betekenis aan een nominale samenstelling is een diachronische act. Daaruit volgt overigens dat samenstellingen, in tegenstelling tot compositioneel interpreteerbare uitdrukkingen, bij hun vorming onmiddellijk en automatisch worden gelexicaliseerd. Meteen na de hierboven geschetste interpretatie fungeert de samenstelling verder gewoon als een conventionele aanduidende naam voor een begrip, op dezelfde wijze als een ongeleed woord (voor sommige doorzichtig lijkende samenstellingen werd deze opvatting overigens reeds verdedigd in Zimmer 1971).

‘Lexicalisatie’ moet in dezen wel worden opgevat als een gradeerbaar begrip. Het kan zowel betekenen dat het woord door de taalgemeenschap wordt geaccepteerd, als dat het een kortstondig bestaan kent binnen een beperkte textuele eenheid. Essentieel voor lexicalisatie is aanvaarding als conventie. Het bereik van de conventie heeft voor het feit van de lexicalisatie geen belang.

5.2. Samenstellingsbetekenis, conventie en co-ordinatie

5.2.1. Impliciete conventies

De betekenis van een nieuwgevormde samenstelling is, zoals in het voorgaande gesteld werd, een linguïstische conventie. Het Saussureaanse aspect van dat begrip conventie werd reeds genoemd: conventies zijn het resultaat van diachronische operaties op het taalsysteem. Het vormen van een nieuwe samenstelling verloopt dus - althans wat het semantische aspect betreft - niet volgens de regels van een synchoon taalsysteem, maar het is een operatie op dat taalsysteem: het systeem wordt gewijzigd door toevoeging van een lexicale conventie.

Als conventionele notie onderscheidt de samenstellingsbetekenis zich niet van de betekenis van ongelede woorden en hoort ze geen andere soort descriptie te krijgen dan die ongelede woorden. Het onderscheid is er wel in de diachronische orde: in de wijze waarop de conventie tot stand komt of wordt aangeleerd.

De conventie kan expliciet worden gesloten. Zo kan een samengesteld woord voor een nieuw begrip openlijk worden voorgesteld aan de taalgemeenschap door een in taalzaken gezaghebbende instantie. Deze procedure is echter de uitzondering. In de regel komen conventies over nieuwvormingen en nieuwe begrippen impliciet tot stand.

Een impliciete linguïstische conventie, zoals ze is gedefinieerd in Lewis (1969), is een habitus die bij de verschillende participanten in die conventie is ontstaan door een succesvolle oplossing, of een reeks identieke succesvolle oplossingen van een co-ordinatieprobleem.

De onderliggende idee is dat de afzonderlijke taalgebruiker die zijn taal leert

[p. 117]

(wat zo veel is als: aanpast aan die van de taalgemeenschap), dat moet doen zonder dat hem wordt uitgelegd wat de regels en de afspraken zijn waaraan hij zich moet houden om die taal correct te hanteren. Die regels en afspraken moet hij raden, wat zo veel betekent als: een hypothese maken omtrent wat ten grondslag ligt aan de waarneembare gedragingen van die taalgemeenschap, en op die hypothese moet hij zijn eigen gedrag afstemmen. Succes of mislukking van de communicatie die op deze hypothese gebaseerd is, maakt duidelijk of de oplossing die door de taalgebruiker aan het co-ordinatieprobleem gegeven is, correct is of niet. Als de communicatie mislukt, is die oplossing fout; als de communicatie slaagt, blijft de oplossing correct tot het tegendeel bewezen is: tot de gekozen oplossing bij een nieuwe toepassing toch een communicatieprobleem blijkt op te leveren. In die gevallen wordt het co-ordinatieprobleem opnieuw gesteld en moet er een nieuwe hypothese worden gevormd die rekening houdt met wat er is misgelopen. Anderzijds kan de afzonderlijke taalgebruiker wanneer hij dat nodig acht, zelf nieuwe conventies aan de taalgemeenschap voorstellen. Dat gebeurt bijvoorbeeld wanneer hij een woord in een nieuwe betekenis gebruikt: die betekenis vormt dan voor de taalgemeenschap (of voor elke afzonderlijke taalgebruiker die kennis neemt van de nieuwe toepassing) een semantisch co-ordinatieprobleem (vgl. Heyvaert 1984).

5.2.2. De naamgeving als co-ordinatieprobleem

Ook het invoeren van een nieuwe samenstelling, in de meeste gevallen het vaststellen van een nieuwe impliciete conventie, kan worden geanalyseerd als de oplossing van een co-ordinatieprobleem. De participanten in het spel zijn de Vormer en de Interpreteerder. Beiden zijn abstracties voor hetzij individuen hetzij groepen, in dat laatste geval mogelijk de taalgemeenschap in haar geheel. De posities van Vormer en Interpreteerder in het spel zijn eveneens variabel: ze kunnen een grotere of kleinere mate van gezag hebben die mede bepalend is voor de uitkomst van het spel, aangezien een grotere mate van spraakmakend gezag makkelijker een nieuwvorming zal (doen) accepteren of afwijzen.

 

Voor beide participanten doet het co-ordinatieprobleem zich overigens op een verschillende wijze voor.

Voor de Vormer is de motivatie voor het spel de behoefte om bij conventie een nieuwe categorie van dingen in te voeren, omdat hij geconfronteerd wordt met een nog niet gecategoriseerd ding, omdat hij het noodzakelijk acht om in een bestaande categorie een subcategorie met specifieke of afwijkende kenmerken te onderscheiden, of omdat hij om de een of andere reden een bestaande categorie wil onderbrengen in een andere indeling. Categorieën worden onderscheiden door ze verschillend te benoemen. Het probleem voor de Vormer is een naamgevingsprobleem. De categorisatie zelf maakt geen deel uit van dat probleem, aangezien ze er voor de Vormer aan voorafgaat. Wel moeten er twee andere deelproblemen worden onderscheiden. Het eerste is hoe de naam voor de categorie gevormd moet worden om de mogelijkheid tot identificatie van die categorie voor de

[p. 118]

Interpreteerder optimaal te maken. Het tweede probleem is of de Interpreteerder die categorie als zodanig en de voorgestelde naam ervoor ook zal accepteren. De kans daartoe is afhankelijk van de mate waarin de categorie en de naam passen in conventionele verwachtingspatronen inzake categorievorming en naamgeving, en van het gezag dat de Vormer en de Interpreteerder kunnen laten gelden in naamgevingskwesties. In dat opzicht is het tweede facet van het naamgevingsprobleem niet louter een co-ordinatieprobleem. Ook conflictelementen spelen een rol. Zuivere co-ordinatie is er alleen maar in gevallen waar de verwachtingspatronen van Vormer en Interpreteerder volkomen in harmonie met elkaar zijn.

Voor de Interpreteerder ontstaat het probleem door confrontatie met het nieuwe woord. Ook voor hem is het probleem tweeledig. Het eerste onderdeel is de identificatie, het tweede de vraag of de categorie wel past in de eigen categorisering van de wereld en of de voorgestelde naam aanvaardbaar is voor die categorie. Ook voor de Interpreteerder kunnen er bij de oplossing van het tweede probleem naast de pogingen tot co-ordinatie elementen van conflictspel optreden.

Wanneer het co-ordinatieprobleem door beide partijen met succes wordt opgelost, mondt dat, zoals reeds gesteld werd, uit in een conventie omtrent de categorie en het daarvoor gebruikte woord.

Het voorgaande geldt voor ieder naamgevingsprobleem, onafhankelijk van de wijze waarop het wordt opgelost: door een samenstelling, een afleiding, een ontlening, betekenisverandering van een bestaand woord of invoering van een nieuw ongeleed woord.

Wat bij de oplossing van een naamgevingsprobleem specifiek is voor samenstellingen, moet worden geformuleerd in termen van spelregels en spelstrategieën.

Spelregels zijn bindend. Een vorming die ze doorbreekt, zal überhaupt worden verworpen (hoewel soms door die doorbreking een nieuwe regel kan ontstaan en geaccepteerd worden). De spelregels voor de vorming van samenstellingen zijn vrij beperkt in omvang. De grammatica's specificeren welke woordklassen met welke andere woordklassen gecombineerd kunnen worden, maar over andere vormverschijnselen heerst er veel minder duidelijkheid: de mogelijke verbindingsklanken. Esthetische en pragmatische (standaardizering!) motieven lijken daarbij vaak meer doorslaggevend dan grammaticale regels. Een andere spelregel, waarin semantische overwegingen betrokken zijn, is dat het specificans moet voorafgaan aan het specificatum.

Een strategie is een keuze die wordt gemaakt bij een dilemma van het coordinatieprobleem met het oog op wat men verwacht dat de andere partij zal doen.

Strategieën kunnen conventioneel zijn, wat in dit geval betekent: bij herhaling beproefd en succesvol gebleken, maar ze kunnen ook eenmalig zijn. Om deze reden zijn ze onmogelijk te inventariseren; alleen voor frequent toegepaste strategieën is dat mogelijk.

5.2.3. Een optimaal conventionele strategie

Voor één (maar waarschijnlijk wel het meest voorkomende) type van

[p. 119]

naamgevingsprobleem, nl. datgene waarbij een subcategorie uit een groter geheel moet worden onderscheiden, wordt over die strategieën een hypothese vanuit het standpunt van de Vormer geformuleerd in Moerdijk (1987) (een analoge hypothese over de werkwijze van de Interpreteerder kan worden gevonden in Moerdijk 1988).

Het uitgangspunt bij de vorming van de samenstelling is het specificatum en het concept dat ermee verbonden is (op het mogelijke bestaan van synonieme of quasi-synonieme kandidaat-specificata wordt door Moerdijk niet ingegaan. Dat is vaak overigens geen wezenlijk probleem voor de Vormer; belangrijk is vooral dat de categorie door het woord duidelijk wordt genoemd).

Het bij het specificatum horende concept moet worden opgevat als een complex van kenmerken waarin, met verschillende graden van saillantheid, het geheel van kennis over het door het woord aangeduide ding wordt weergegeven, niet alleen de louter distinctieve kenmerken, maar ook het geheel van wereldkennis omtrent dat ding (vgl. voor deze opvatting ook Wierzbicka 1985). Het concept omvat alle relevante specificaties in termen van basiscategorieën als vorm, functie, tijd, plaats, wijze enz., in de mate dat die categorieën relevant zijn voor het concept. Het naamgevingsprobleem ontstaat doordat sommige leden van de categorie dezelfde supplementaire of afwijkende kenmerken ten opzichte van het basisconcept hebben en die kenmerken voldoende relevant zijn voor de Vormer om die leden in een aparte subcategorie onder te brengen. Die supplementaire of afwijkende kenmerken zullen zich steeds voordoen ten opzichte van een bepaalde geleding van het basisconcept of althans op de meest opvallende wijze ten opzichte van die geleding. De keuze van het specificans door de Vormer moet dan duidelijk maken in welke geleding de subcategorie van de basiscategorie afwijkt en op welke wijze ze daarvan afwijkt. Zijn taak is het dus een specificans te kiezen dat op een zo saillant mogelijke wijze aan de Interpreteerder aanwijzingen omtrent deze beide aspecten suggereert.

Wat Moerdijk voorstelt, lijkt eerder te moeten worden opgevat als een (overheersende) tendens dan als een wetmatigheid bij de vorming van samenstellingen. Voor de Vormer is het een (preferentiële) optie, overigens een optie die haast onontkoombaar is wanneer de volgende drie voorwaarden vervuld zijn:

(1)er is een gevestigde conventie tussen Vormer en Interpreteerder over het concept van het genus proximum waartoe het te benoemen ding behoort;
(2)er is een gevestigde conventie over de geprefereerde naam voor dat genus proximum (wat vooral belangrijk is wanneer men kan kiezen uit een verzameling synoniemen of bijna-synoniemen);
(3)de Vormer heeft de intentie zo conventioneel mogelijk te vormen: hij wil een naam voorstellen die voor de Interpreteerder optimaal begrijpelijk en acceptabel is.

Deze drie voorwaarden zijn bijvoorbeeld optimaal vervuld in het geval van het centrale voorbeeld uit Moerdijk (1987): het vormen van een Nederlandse samengestelde naam voor het Engelse leenwoord skeeleren.

(1) Dat er een conventie over het concept van het genus proximum bestaat is evident: het verschijnsel is bedacht als zomers substituut voor ijsschaatsen en is ook op allerhande wijzen als zodanig voorgesteld aan wie ermee geconfronteerd

[p. 120]

werd. Conceptualisering van het ding als ‘een wijze van schaatsen’ en plaatsing in de ruimere categorie ‘schaatsen’ is zonder meer aan de Vormer en de Interpreteerder opgedrongen. (2) Het woord schaatsen kent geen concurrentie van even ‘gewone’ synoniemen. (3) In een enquête bij verschillende Vormers werd schaatsen systematisch genoemd als specificatum (en dus als genus proximum).

 

Ook voor een groot gedeelte van de materiaalverzameling in sectie 4 lijken de drie genoemde voorwaarden optimaal vervuld, maar er komen ook samenstellingen in voor waarvoor dit niet zo is, zonder dat daardoor de induk wordt gewekt dat die vormingen ongewoon of afwijkend zijn. In plaats van een volledige behandeling van de lijst moeten hier enkele voorbeelden volstaan.

De voorwaarde (1) wordt niet vervuld wanneer er geen duidelijk conventie is over één enkel genus proximum. Dat is o.m. zo voor wijnperceel (42). Een wijnperceel - in een wat meer gedetaillleerde omschrijving dan in 4 - is een stuk van een in percelen verdeelde wijngaard dat kan worden gekocht van een wijnbouwer hoewel deze de grond blijft bewerken; de koper wordt eigenaar van de oogst op het aangekochte stuk, of hij ook eigenaar van de grond wordt, blijkt niet duidelijk uit de context. De notie ‘perceel’ als genus proximum is voor dit begrip echter alleen maar relevant voor de wijnbouwer; voor de koper is het meest relevante gegeven de grond (zonder de gedachte dat die deel uitmaakt van een groter geheel) of de oogst.

Er zijn dus bij de conceptvorming drie genera proxima mogelijk, en indien de Vormer miniatuurwijngaard of (wijn)oogstkavel (of het wat meer ‘bijzondere’ wijntuintje) had voorgesteld, was dat voor de Interpreteerder net zo informatief en acceptabel geweest. Het concept van een wijnperceel blijft onder al die benamingen constant, alleen wat wordt beschouwd als centraal gegeven in dat concept is verschillend; het is de voorkeur van de Vormer die bepalend is voor het uiteindelijke woord. Ook de naamgeving door samenstellingen blijkt binnen zekere grenzen arbitair te zijn.

Een ander verschijnsel in verband met de voorwaarde (1) kan worden vastgesteld bij concreta die semantisch gedefinieerd moeten worden in termen van vorm én functie. Bij deze woorden (kathedraaltent (20), plofkoffer (29), smoezenfolder (35)) wordt in het materiaal steeds de formele categorie geselecteerd als genus proximum. Een omgekeerde strategie, met het functionele als basis, is evenwel ook denkbaar: voor datgene dat wordt genoemd in kathedraaltent zijn er ook namen mogelijk met kathedraal, de naam van de functie van de tent, als specificatum. Aanduidingen als veldkathedraal, noodkathedraal e.d. zouden die functie kunnen vervullen. De overwegende strategische tendens lijkt echter een vorming te zijn op basis van de formele categorie (tent, folder, koffer) waartoe het te benoemen ding behoort, althans wanneer er over het lidmaatschap van die categorie een duidelijke conventie bestaat.

Dit wordt zijdelings bevestigd door de volgende observatie naar aanleiding van de behandeling van samenstellingen met mes in Moerdijk (1988). Een blikopener en een patatsnijder hebben dezelfde functie als een mes. Wat hun vorm betreft wijken ze sterk af van het - prototypische - mes. Dat geen van beide zaken wordt benoemd door een samenstelling met mes kan worden verklaard door

[p. 121]

onzekerheid tegenover of afwijzing van de idee dat ze tot de categorie der messen behoren. Het gebruik van een functieaanduidend specificatum in blikopener en patatsnijder wijst op de afwezigheid van een conventie omtrent de formele categorie.

In principe is de keuze tussen de formele en de functionele categorie als genus proximum vrij, en is de voorwaarde (1) dus niet vervuld. De voorkeur voor de formele categorie is een bijkomende, in hoge mate conventionele strategie waardoor dit wordt hersteld en de vorming van dit type concreta geconventionaliseerd wordt.

 

Voorwaarde (2) heeft betrekking op het mogelijke bestaan van meerdere synonieme aanduidingen voor het genus proximum. Zo was voor boer in stadsboer (36) ook het synonieme landbouwer mogelijk geweest. Maar deze woorden zijn slechts bijna-synoniemen: boer behoort tot een minder formeel register dan landbouwer. In een informele context blijft boer dus de enige op basis van de semantische conventies verwachte keuze. Twee synonieme specificata kunnen alleen dan allebei optimaal conventioneel zijn wanneer de synonymie absoluut is en het ene woord niet meer gebruikelijk is dan het andere, of wanneer het betekenisonderscheid tussen beide onbelangrijk is voor het concept dat door de samenstelling moet worden aangeduid. In al de andere gevallen zal de ene vorming verder verwijderd zijn van het conventionele verwachtingspatroon dan de andere, en dus tegenover die andere ‘gemarkeerd’ zijn.

 

Voorwaarde (3) wordt doorbroken wanneer de Vormer doelbewust anders vormt dan volgens het verwachtingspatroon dat hij bij de Interpreteerder veronderstelt. Dat zou het geval kunnen zijn voor reparatiewetje (31), gesteld dat de Vormer voor het aangeduide in dit woord bij de Interpreteerder een ‘neutrale’ opvatting veronderstelt als ‘aanvullende wet bij een andere wet’, en hijzelf door de naamgeving dat aangeduide anders, in dit geval negatief, wil classificeren met de wat bagatelliserende term wetje.

 

De drie genoemde condities bepalen een norm voor een optimaal conventionele vorming van samenstellingen, althans voor de selectie van het specificatum. Met die norm correspondeert een strategie voor de Vormer:

(1')hij kiest als genus proximum het concept waarvan hij aanneemt dat het door hemzelf en door de Interpreteerder als zodanig wordt beschouwd;
(2')hij benoemt dat concept met de naam waarvan hij aanneemt dat die voor hemzelf en de Interpreteerder de gewone naam is;
(3')door te kiezen voor een conventionele vorming heeft de Vormer ook gekozen voor de vervulling van voorwaarde (3).

5.2.4. Alternatieve strategieën

Naast deze vormstrategie zijn er voor de Vormer andere strategieën mogelijk en soms nodig. Indien de voorwaarden voor werkwijze (1')-(2') niet vervuld zijn moet

[p. 122]

hij van het te benoemen ding een eigenschap selecteren waarvan hij kan aannemen dat ze voldoende saillant is voor de Interpreteerder om hem dat ding te laten herkennen. Daarbij kan hij uitgaan van de gedachte dat de Interpreteerder in eerste instantie dat ding zal zoeken bij de leden van de categorie die in het specificatum wordt genoemd, en van de hoop dat de meest opvallende kenmerken van dat ding dat ook zijn voor de Interpreteerder.

De Vormer kan ook verkiezen de werkwijze (3') niet te volgen en daarom af te wijken van (1') en (2'). Hij kan een concept invoeren waaraan de Interpreteerder geen behoefte heeft, hij kan een concept anders classificeren dan door de Interpreteerder wordt verwacht of hij kan een bestaand en benoemd concept op een andere manier classificeren.

Voorbeelden van het eerste geval, waarbij aan de Interpreteerder een concept wordt opgedrongen, zijn er legio in de reclametaal. Geurvreter (voor een geurwerende inlegzool) is er zo eentje: door die naamgeving wordt de Interpreteerder een concept aangepraat van iets dat zeer intens geuren doet verdwijnen, een concept dat overigens mogelijk niet in overeenstemming is met zijn eigen appreciatie van de aangeduide zaak.

De vormer kan ook bewust een andere dan de verwachte naam vormen. Dat is bijvoorbeeld zo geweest met praatpaal, waar iets als autowegentelefoon veel dichter zou aansluiten bij het conventionele verwachtingspatroon. Wat hier gebeurd is, is dat de Vormer in plaats van het meest saillante kenmerk van het te benoemen ding (‘telefoon’) een minder saillant (de paalvorm) als basiscategorie genomen heeft. De onderliggende motivering kan een louter formeel verrassingseffect zijn maar ook een eigen inzicht van de Vormer in de te benoemen zaak, dat hij op die manier wil meedelen.

Een voorbeeld van het derde type afwijking - herclassificering van een bestaande klasse - zou lesboer kunnen zijn, als alternatieve benaming voor docent (hoewel het woord vooral wordt gebruikt voor een bepaald soort docenten).

 

De strategieën die tot deze vormingen leiden, zijn uiteraard in veel mindere mate vaste patronen dan bij conventionele samenstellingen; het zijn vaak eerder eenmalige ingevingen. Hun doel hebben ze wel gemeen: ingrijpen in het wereldbeeld dat verondersteld wordt dat van de Interpreteerder te zijn, hem overtuigen om dat wereldbeeld aan te passen aan een nieuwe, er op het eerste gezicht niet in thuishorende conventie.

 

De strategieën die gebruikt worden bij de keuze van het specificans worden hier buiten beschouwing gelaten. Zowel de keuzemogelijkheden als de factoren waarmee bij de keuze rekening moet worden gehouden zijn zoveel talrijker dan voor het specificatum dat alleen een uitgebreide studie aan deze problematiek enig recht kan doen. Ook de strategieën die ter beschikking staan van de Interpreteerder worden hier niet verder behandeld. Zij vormen het spiegelbeeld van de strategieën van de Vormer, en om die reden zou een uitwerking ervan grotendeels bestaan uit een lichtjes aangepaste herhaling van het voorgaande.

[p. 123]

6. Conclusies

In de secties 2 en 3 werden drie problemen genoemd waarmee de compositionele behandeling van samenstellingen wordt geconfronteerd en waarvan de status als empirisch probleem twijfelachtig is. Bij de in sectie 5 voorgestelde pragmatische benadering doen deze problemen zich niet voor.

Er is geen sprake meer van een gedeleerde relatie tussen specificans en specificatum en van de ongewenste consequenties daarvan. Het vaststellen van de relatie tussen de samenstellende delen gebeurt op basis van hun betekenissen en hun valenties en van de gebruikscontext van de samenstelling en behoort tot de pragmatiek; overigens is een precieze bepaling van die relatie niet eens noodzakelijk essentieel voor de betekenisbepaling van de samenstelling.

Er is ook geen sprake meer van een oneindige verzameling samenstellingen in de taal. Een samenstelling als woord met een vorm en een betekenis komt tot stand in de diachronische orde, en wordt in het synchronische taalsysteem ingebracht als een conventie; bijgevolg zijn alleen die vormingen die werkelijk in het taalgebruik aangetroffen zijn samenstellingen; grammatisch correcte vormingen waaraan geen referenten in de werkelijkheid zijn toegekend, kunnen hoogstens worden beschouwd als potentiële samenstellingen.

Ook twijfelachtige oordelen over idiomaticiteit, met name bij initiële betekenisspecialisatie, doen zich niet voor. De samenstellingsbetekenis is niet de constructiebetekenis, en wordt daar ook niet uit gededuceerd. De constructiebetekenis geeft de Interpreteerder aanwijzingen omtrent de samenstellingsbetekenis, maar vormt er niet eens noodzakelijk een analytisch kenmerk van.

 

Een extreme consequentie van deze benadering is dat ook initieel metonymische of metaforische samenstellingen niet idiomatischer zouden zijn dan ‘letterlijke’. Dit wordt wel afgezwakt door de eerder vermelde vaststelling dat de betekenis van het specificatum meestal wel als genus proximum deel uitmaakt van de samenstellingsbetekenis. De samenstelling kan dus wel als idiomatisch worden beschouwd ten opzichte van de betekenis van het specificatum.

Een tweede consequentie is dat wanneer een samenstelling werkelijk doorzichtig is volgens de compositionele criteria, dit niet te verklaren is als regelmatigheid maar als een gevolg van een strategie van de Vormer waardoor een zodanige samenstelling gekozen wordt dat ze als voldoende voorwaarde voor een betekenisdefinitie kan gelden. Het spreekt vanzelf dat deze strategie niet in alle gevallen mogelijk is, ook al omdat de mate van doorzichtigheid omgekeerd evenredig lijkt aan de conceptuele complexiteit van het woord.

 

Zeker deze laatste observatie en daarnaast de bedenking dat echt doorzichtige samenstellingen mogelijk een kleine minderheid vormen, maken de problemen voor de lexicograaf niet eenvoudiger. Maar, zoals al eerder opgemerkt werd, hoort dat probleem het voorwerp van een aparte studie te zijn.

 

F.J. Heyvaert, Instituut voor Nederlandse Lexicologie te Leiden

[p. 124]

Bibliografie

De Caluwe, J. (1988), Nederlandse nominale composita in functionalistisch perspectief. Bouwstoffen voor een benoemingspragmatiek, proefschrift, Rijksuniversiteit Gent.
Droste, F.G. en F. Heyvaert (1981), ‘A note on ellipsis’, in Leuvense Bijdragen 70, 41-47.
Heyvaert, F. (1984), Woordbetekenis als axioma en als co-ordinatieprobleem, proefschrift, Katholieke Universiteit Leuven.
Lees, R.B. (1960), The grammar of English nominalizations, Bloomington, The Hague.
Lees, R.B., (1970), ‘Problems in the grammatical analysis of English nominal compounds’, in M. Bierwisch en K.E. Heidolph (eds.), Progress in linguistics, The Hague, 174-186.
Levi, J.N. (1978), The syntax and semantics of complex nominals, New York.
Lewis, D. (1969), Convention, Cambridge (Mass.).
Moerdijk, A. (1987), ‘Lexicale semantiek en compositavorming’, in Forum der Letteren 28, 3, 194-213.
Moerdijk, A., (1988), ‘Lexicaal-semantische vormingspatronen voor samenstellingen’, in Jaarboek van de Stichting Instituut voor Nederlandse Lexicologie. Overzicht van het jaar 1987, Leiden 49-65.
Motsch, W. (1970), ‘Analyse von Komposita mit zwei nominalen Elementen’, in M. Bierwisch en K.E. Heidolph (eds.), Progress in Linguistics, The Hague, 208-223.
Van den Toorn, M.C. (1982), ‘Het onderzoek van samenstellingen’, in Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 98, 33-52.
Wierzbicka, A. (1985), Lexicography and conceptual analysis, Ann Arbor.
Zimmer, K.E. (1971), ‘Some general observations about nominal compounds’, in Working papers on language universals, Stanford University 5, C1-C21.