|
|
|
| |
| | | |
Splitsen of niet-splitsen van voornaamwoordelijke bijwoorden
J.M. van der Horst
This paper deals with the grammar of adverbial pronouns in Dutch. These may in principle occur in two forms: with the adverbial and the prepositional parts separated or not - e.g. as daarmee (‘therewith’), or as daar...mee (‘there...with’) with other sentence elements intervening. The hypothesis is put forward that the factor responsible for the possibility of separation is the degree of cohesion between the adverbial pronoun and the verb.
| |
1. Inleiding
De grammatica van de voornaamwoordelijke bijwoorden in het Nederlands, van woorden dus als ervan, hiermee, daardoor en waaruit, is nog weinig onderzocht en beschreven. Vooral de vraag wanneer ze gesplitst en wanneer ze ongesplitst gebruikt worden, is voor zover mij bekend nog nauwelijks onderzocht (paragraaf 2).1. Mijn methodisch uitgangspunt is dat taaltekens, eenheden van vorm en betekenis, in de grammatica centraal staan (vgl. vdHorst 1986). Ik hoop in paragraaf 3 te laten zien dat splitsing samenhangt met de mate waarin het tweede element van het voornaamwoordelijke bijwoord verbonden is met het werkwoord van de zin. Daarbij blijkt dat splitsing zeer zeker geen vrije
stilistische variant is (als zoiets al bestaat) maar alleszins informatief. Waarschijnlijk zijn, op enkele uitzonderingen na, de keuze van het eerste element (daar-, hier- enz.), van het tweede element (-in, -op, -naar enz.) en de factor schrijftaal van geen belang (paragraaf 4). Als splitsing informatief is, roept dat de vraag op of het een taalteken genoemd mag worden (5.1). Voordat ik die vraag kan beantwoorden, onderscheid ik in 5.2 eerst drie types informatieve volgordeverschijnselen en concludeer vervolgens in 5.3 dat splitsing van vnw.bw.'s niet een taalteken is maar de resultante van enkele ook elders in de grammatica werkzame principes.
| |
2. Stand van het onderzoek.
2.1. De ANS
De ANS zegt over splitsing van voornaamwoordelijke bijwoorden2. het volgende:
‘De samenstellende delen van een voornaamwoordelijk bijwoord kunnen door andere elementen in de zin van elkaar gescheiden worden. Deze splitsing brengt geen betekenisverschil met zich mee, maar kan als een stilistische variant van niet-splitsing beschouwd worden.’
(ANS 1984, 390).
Ofschoon het er niet expliciet staat, wordt toch minstens de indruk gewekt, dat
| | | | splitsing steeds mogelijk is. De gesplitste en de ongesplitste vorm zijn steeds beide mogelijk en het zijn qua betekenis gelijkwaardige varianten, aldus de ANS. Men kan er althans niet in lezen dat splitsing soms geboden is (en de ongesplitste dan min of meer uitgesloten) noch dat splitsing soms hoogst ongewenst is (en de gesplitste dan min of meer de enige mogelijkheid).
De opvatting van de ANS komt overeen met wat in de meeste grammatica's impliciet of expliciet over splitsing van vnw.bw.'s gezegd wordt.3.
| |
2.2. Van Riemsdijk (1978)
Bij Van Riemsdijk (1978) vinden we een heel andere opvatting. In deze studie naar ‘prepositional phrases’ worden onder andere de mogelijkheden en onmogelijkheden van ‘extraction’ vanuit een PP onderzocht. Een gesplitst vnw.bw. is in Van Riemsdijks kader een geval van extractie. Hij onderzoekt echter niet welke vnw.bw.'s wanneer splitsbaar zijn, doch wil slechts extractie überhaupt verantwoorden binnen zijn algemenere theorie over PP's. Toch is hij zich ervan bewust, dat binnen de theoretische mogelijkheden die hij aanneemt, in de praktijk niet alle mogelijkheden zich voordoen. Hij zegt daarover het volgende:
‘With regard to the difference in extraction possibilities, there appears to be a parameter that ranges from the most loosely connected sentence (or S') adverbials via several intermediate stages, such as verb phrase adverbials, strictly subcategorized prepositional phrases, idiomatic prepositional phrases to prepositional particles. Extraction possibilities correlate with this parameter: the more closely a prepositional phrase is connected with the verb, the easier it is to extract elements from such a prepositional phrase.’ (Van Riemsdijk 1978, 26).
Het splitsgedrag heeft dus volgens Van Riemsdijk te maken met de mate waarin het voorzetsel/bijwoord/PP ‘is connected with the verb’. Dit lijkt me een interessante aanzet, maar Van Riemsdijk gaat er helaas niet verder op in.
| |
2.3 Overdiep (1928)
Voor zover mij bekend is Overdiep (1928; zie ook Overdiep 1949, 662-664) niet alleen de eerste maar ook de enige die iets verder ingaat op de factoren die splitsing vergen of juist ongewenst maken. Weliswaar spreekt hij alleen over het betrekkelijk vnw.bw., maar zijn observaties kunnen van algemener belang zijn (zie par. 4.1). Hij zegt dan:
‘De twee woorden [in de door mij gekozen terminologie: het eerste en het tweede element van het vnw.bw.;vdH.] zijn in den zin gescheiden: vooral in de omgangstaal en ingeval het adverbium [oftewel: het 2e element van het vnw.bw.;vdH.] een locale bepaling is. In litterairen en ambtelijken stijl en vooral wanneer het adverbium géén concrete, locale aanduiding is, is de neiging tot verbinding der twee woorden groot. Dit in 't algemeen.
| | | |
1 - De scheiding kan bovendien in de hand gewerkt worden door omvangrijken vorm van het adverbium...’.[]
‘2 - Niet-locale adv. vinden we in litterairen en ambtelijken stijl in 't algemeen bij voorkeur verbonden met het voegw. [oftewel: het 1e element van het vnw.bw.;vdH.] Er zijn bovendien nog bijzondere aanleidingen tot de verbinding. Wanneer de bijzin omvangrijk is, bevordert de vooropplaatsing van voegw. + adv. de overzichtelijkheid (). En verder: wanneer de bijzin zuiver attributief is, d.w.z. enkel en alleen het subst. antecedent bepaalt, is er geen aantrekking tusschen het adv. en het werkwoord. Dit is vooral duidelijk bij het genetivische van.’ (Overdiep 1928, 281-282).
Misschien wel de belangrijkste opmerking geeft Overdiep in zijn voetnoot 3:
‘Dat het locale adv. minder gemakkelijk met het voegw. verbonden raakt, ligt voor een deel aan de nauwe verbinding van locale adv. met het werkwoord (dat aan 't einde van den zin staat):...’(Overdiep 1928, 281).
Ik meen dat deze gedachte inderdaad de sleutel is voor de oplossing van de splitsingskwestie, zoals ook door Van Riemsdijk gesuggereerd is, overigens zonder verwijzing naar Overdiep.
| |
2.4 Commentaar
Het gangbare standpunt zoals verwoord in de ANS: ‘splitsing brengt geen betekenisverschil met zich mee, maar kan als een stilistische variant van nietsplitsing beschouwd worden’, is vanuit mijn taalkundig uitgangspunt (zie vdHorst 1986) niet erg waarschijnlijk.
De opvatting van Van Riemsdijk (1978), ook al is ze volstrekt niet uitgewerkt, schijnbaar terloops genoteerd en afkomstig vanuit een heel andere taalkundige aanpak, biedt mijns inziens betere vooruitzichten.
Overdiep (1928) was hem hierin voorgegaan, maar diens altijd nog tamelijk beknopte uiteenzetting vertoont ook enige tekortkomingen. In de eerste plaats spreekt Overdiep zich helaas niet uit over de andere vnw.bw.'s, de persoonlijke, aanwijzende, vragende en onbepaalde (zie hier par. 4.1). Vervolgens moet zijn uitspraak over vnw.bw.'s met -heen, -naartoe enz. bijgesteld worden (zie par.4.2). Maar bovenal valt er op zijn uitspraak over niet-splitsen een en ander af te dingen.
Zijn observatie dat, als het tweede element van het voornaamwoordelijk bijwoord locale betekenis heeft, splitsing mogelijk is, lijkt me in essentie juist. Vgl.
| 1a |
de stoel waarop ik zit |
| 1b |
de stoel waar ik op zit |
| 2a |
de manier waarop hij werkt |
| 2b |
? de manier waar hij op werkt |
| 3a |
Daarnaast staan meestal enkele bomen |
| 3b |
Daar staan meestal enkele bomen naast |
| 3c |
Meestal staan daarnaast enkele bomen |
| | | |
| 3c |
Meestal staan daar enkele bomen naast |
| 4a |
Daarnaast is hij een verdienstelijk amateurgeoloog (=‘bovendien’) |
| 4b |
? Daar is hij een verdienstelijk amateurgeoloog naast |
| 4c |
Hij is daarnaast een verdienstelijk amateurgeoloog |
| 4d |
? Hij is daar een verdienstelijk amateurgeoloog naast. |
Helaas maakt Overdiep (1928, 281) ook de omkering: ‘vooral wanneer het adverbium (oftewel: 2e element van het vnw.bw.;vdH.) géén concrete locale aanduiding is, is de neiging tot verbinding der twee woorden groot’. Dit is beslist onjuist, hetgeen blijkt uit de volgende voorbeelden:
| 5a |
Dat is iets waar ik op sta (=‘eis’) |
| 5b |
? Dat is iets waarop ik sta |
| 6a |
het podium waar ik op sta |
| 6b |
het podium waarop ik sta |
In zin (5) is op ‘geen concrete, locale aanduiding’ en toch wordt er gesplitst. En splitsing is niet alleen mogelijk maar zelfs min of meer geboden. Zin (5b) lijkt me erg ongebruikelijk. In (6) daarentegen, met op in concrete, locale betekenis, is splitsing weliswaar goed mogelijk, misschien zelfs wel beter, maar de ongesplitste is veel acceptabeler dan (5b). Hetzelfde is te demonstreren met
| 7a |
de erfenis waar ik op reken |
| 7b |
? de erfenis waarop ik reken |
| 8a |
het papier waar ik op schrijf |
| 8b |
het papier waarop ik schrijf |
In zin (7), met op in niet-locale betekenis, gaat mijn voorkeur uit naar de gesplitste vorm (7a), terwijl in zin (8) (met op in locale betekenis) de twee mogelijkheden me min of meer equivalent lijken. Vergelijk tenslotte nog:
| 9a |
Daar kan je op rekenen (=‘vertrouwen’) |
| 9b |
? Daarop kan je rekenen |
| 10a |
Daar kan je op schrijven |
| 10b |
Daarop kan je schrijven |
Zowel in (9) als in (10) geef ik de voorkeur aan de gesplitste vorm, maar in (9) is de ongesplitste vreemder dan in (10), terwijl toch zin (10) een ‘concrete locale aanduiding’ bevat.
Het lijkt me niet ondenkbaar dat Overdieps juiste observatie van de mogelijkheid tot splitsen bij locale betekenis van het tweede element zo weinig aandacht heeft gekregen door zijn niet-houdbare toevoeging van de omgekeerde stelling dat bij niet-locale betekenis er liever niet gesplitst wordt.
| |
3. Splitsing en niet-splitsing.
3.1 Beperking van het onderzoek.
Uitgaande van de traditionele enumeratieve definitie van vnw.bw.'s (zie noot 2) wil ik dit onderzoek naar hun splitsgedrag aan twee kanten begrenzen.
In de eerste plaats wil ik de zogenaamde persoonlijke voornaamwoordelijke bijwoorden hier buiten beschouwing laten. Het is vrij zeker dat zij in veel sterker
| | | | mate splitsen dan de overige voornaamwoordelijke bijwoorden, misschien zelfs altijd gesplitst optreden zodra de zin voldoende elementen bevat om splitsing mogelijk te maken (vdHorst 1990).4.
De tweede begrenzing die ik in dit onderzoek wil maken is dat ik mij beperk tot die voornaamwoordelijke bijwoorden die in de traditionele grammatica zinsdeel genoemd worden: adverbiale bepalingen, voorzetselvoorwerpen (bij werkwoordelijke gezegdes) en indirect objecten. Buiten beschouwing blijven dus de vnw.bw.'s die ‘afhankelijk zijn van’ of ‘verbonden met’ substantieven, adjectieven, voorzetselgroepen enz. De overweging daarbij is dat in bijvoorbeeld
| de gevolgen daarvan |
| daar bang voor |
| hiermee in zijn sas |
de positie van het vnw.bw. in de zin minstens medebepaald wordt door de positie van gevolgen, bang en in zijn sas. Van vnw.bw.'s die adverbiale bepaling, voorzetselvoorwerp of indirect object zijn, komt bij splitsing het tweede element bijna altijd pal voor de werkwoordelijke eindgroep, of als die er niet is, dan staat het aan het zinseinde of voor de uitloop (zie o.a. vBakel 1967, 229; vdLubbe 1968 154; ANS 1984, 1010; zie verder par. 5.3). De ‘afhankelijke’ of ‘verbonden’ vnw.bw.'s daarentegen krijgen bij splitsing hun tweede element bijna altijd bij of in de buurt van het substantief, het adjectief, de voorzetselgroep enz.
| |
3.1 Splitsing geboden of gewenst
Wie de eventuele factoren wil zoeken die splitsing of niet-splitsing bepalen, moet zich niet blind staren op gevallen waarin inderdaad de beide mogelijkheden naast elkaar, en zonder duidelijk merkbaar betekenisverschil voorkomen, zoals in
| 11a |
het mes waarmee ik snij |
| 11b |
het mes waar ik mee snij |
Interessanter zijn dan situaties waarin slechts een van beide acceptabel is of waarin de intuïtie6. een duidelijke voorkeur heeft, of als er merkbaar betekenisverschil is.
In paragraaf 2.4 zijn we in zin (5) al een situatie tegengekomen waarin splitsing min of meer geboden is. Daar zijn meer voorbeelden van te geven.
| 12a |
Daar komt het op neer (= ‘dat is de kern’) |
| 12b |
?? Daarop komt het neer |
| 13a |
Je moet zeggen waar het op staat (= ‘ronduit spreken’) |
| 13b |
?? Je moet zeggen waarop het staat |
Naast zin (13) komt (14) voor, met letterlijke betekenis:
| 14a |
Je moet zeggen waar het op staat (= bv ‘op welk kastje’) |
| 14b |
Je moet zeggen waarop het staat. |
Ik spreek welbewust van ‘min of meer’ geboden en niet van ‘verplicht’ of ‘regel’: niet alleen omdat ik niet in zulke regels geloof (vgl. vdHorst 1986) maar ook omdat ervaring met corpusonderzoek mij geleerd heeft dat nagenoeg niets uitgesloten is. Alles komt wel eens voor, maar niet alles komt even vaak voor.
Naast situaties als in de zinnen (5), (12) en (13) zijn er ook waarin het ongesplitste voornaamwoordelijk bijwoord weliswaar mogelijk is, maar de
| | | | gesplitste vorm toch merkbaar beter is:
| 15a |
Daar heb ik lang naar uitgezien |
| 15b ? |
Daarnaar heb ik lang uitgezien |
| 15c |
Ik heb daar lang naar uitgezien |
| 15d ? |
Ik heb daarnaar lang uitgezien |
| 16a |
een boek waar veel mensen van gehoord hebben |
| 16b ? |
een boek waarvan veel mensen gehoord hebben |
| 17a |
Hier had ik nog nooit van gehoord |
| 17b ? |
Hiervan had ik nog nooit gehoord |
Zinnen als (15b), (15d), (16b) en (17b) zullen ongetwijfeld wel eens voorkomen. Denkt men slechts in termen van mogelijke en onmogelijke zinnen, dan behoren (15b), (15d), (16b) en (17b) tot de mogelijkheden. Toch ervaar ik een duidelijke voorkeur voor de gesplitste vorm als in (15a), (15c), (16a) en (17a). Deze voorkeur, zo stel ik mij voor, moet zich bij corpusonderzoek ook in getallen laten uitdrukken.
| |
3.2 Splitsing uitgesloten of minder gewenst
In sommige zinnen is splitsing nagenoeg uitgesloten:
| 18a |
...werd het Wilhelmus aangeheven. Daarop verliet zij de vergadering |
| 18b ?? |
...... Daar verliet zij de vergadering op. |
| 18c |
....., waarop zij de vergadering verliet. |
| 18d ?? |
....., waar zij de vergadering op verliet. |
| 19a |
Daarna hebben we het Rijksmuseum bezocht. |
| 19b ?? |
Daar hebben we het Rijksmuseum na bezocht. |
| 20a |
We hebben hierna weinig meer te doen. |
| 20b ?? |
We hebben hier weinig meer na te doen. |
| 21a |
Waarom ga je niet met ons mee? |
| 21b ?? |
Waar ga je niet met ons om mee? |
| 21c ?? |
Waar ga je niet om met ons mee? |
Van den Toorn (1984, 233) beschouwt waarom in zin (21) (en wellicht daarop, waarop, daarna en hierna in (18), (19) en (20)) niet als voornaamwoordelijk bijwoord. Hij zegt erover:
‘Wanneer een bijwoord de hier beschreven - principiële - scheidbaarheid mist, noemt men het geen voornaamwoordelijk bijwoord (maar zonder meer: bijwoord). Dit is o.m. het geval bij daarom (als redengevend bijwoord), waarom (als vragend bijwoord) enz. Men vergelijke:
| - | Waarom heb je dat touwtje gewonden? |
| - | Waar heb je dat touwtje om gewonden? |
| - | Waarom ben je niet weggebleven? |
| - | * Waar ben je niet om weggebleven?’ |
| (vdToorn 1984, 233). |
Liever dan woorden als waarom en daarom uit te sluiten, zou ik willen uitvinden waarom ze in de ene betekenis niet of nauwelijks splitsen, en in andere betekenissen wel. Vgl.:
| | | |
| 22a |
Waar zou ik het om laten? |
| 22b |
Waarom zou ik het laten? |
| 23a |
Waarom ben je weggebleven? |
| 23b |
Waar ben je om weggebleven? |
Vergelijk verder daarop in (9), (10), (12) en (18), en waarop in (1), (2), (5), (6), (7), (8), (13) en (14).
Naast de zinnen waarin splitsing van het voornaamwoordelijk bijwoord nagenoeg uitgesloten is, zijn er ook waarin splitsing weliswaar mogelijk is maar toch minder gewenst. Met andere woorden: in die gevallen geniet de ongesplitste variant onmiskenbaar de voorkeur. Vgl.:
| 24a |
het kamertje waarin hij zijn laatste roman schreef |
| 24b ? |
het kamertje waar hij zijn laatste roman in schreef |
| 25a |
de periode waarin hij zijn laatste roman schreef |
| 25b ?? |
de periode waar hij zijn laatste roman in schreef |
| 26a |
het boek waarin hij zo veel aantekeningen schreef |
| 26b |
het boek waar hij zo veel aantekeningen in schreef. |
Mij dunkt dat in zin (25) het gesplitste vnw.bw. nagenoeg uitgesloten is, in zin (26) daarentegen volkomen acceptabel, en in zin (24) iets daartussenin: (24b) is slechter dan (26b) maar niet zo slecht als (25b).
Andere voorbeelden van ‘splitsing minder gewenst’ vinden we in de mate waarin, de manier waarop, de handigheid waarmee, de snelheid waarmee, de stijl waarin, de wijze waarop, gevallen waarin enz.7. Vgl.:
| 27a |
de snelheid waarmee hij schrijft |
| 27b ? |
de snelheid waar hij mee schrijft |
| 28a |
de pen waarmee hij schrijft |
| 28b |
de pen waar hij mee schrijft |
| 29a |
de stijl waarin hij componeert |
| 29b ? |
de stijl waar hij in componeert |
| 30a |
het huis waarin hij woont |
| 30b |
het huis waar hij in woont |
Het zijn waarschijnlijk dit soort zinnen geweest die Overdiep de gedachte ingaven dat bij niet-concrete betekenis er liever niet gesplitst wordt. Inderdaad is splitsing in (27) en (29) bezwaarlijker dan in (28) en (30). De bepalende factor is echter niet concreet versus niet-concreet, zoals uit paragraaf 2.4 bleek.
| |
3.3 Splitsing en niet-splitsing even bruikbaar
Tenslotte bestaan er naast zinnen waarin splitsing geboden, gewenst, minder gewenst of nagenoeg uitgesloten is, ook nog zinnen waarin splitsing en nietsplitsing even bruikbaar zijn. Grammatici die betogen dat het voornaamwoordelijk bijwoord steeds zowel gesplitst als ongesplitst te gebruiken is, citeren bij voorkeur uit deze groep. Zo zijn in het voorafgaande al ter sprake gekomen:
| 11a |
het mes waarmee ik snij |
| 11b |
het mes waar ik mee snij |
| 1a |
de stoel waarop ik zit |
| 1b |
de stoel waar ik op zit |
| | | |
| 3a |
Daarnaast staan meestal enkele bomen |
| 3b |
Daar staan meestal enkele bomen naast |
| 3c |
Meestal staan daarnaast enkele bomen |
| 3d |
Meestal staan daar enkele bomen naast |
Zo ook (6), (8), (26), (28) en (30).
Merk op dat een zin als (31a) twee lezingen toelaat:
| 31a |
Daarvoor zijn we nog in Keulen geweest |
namelijk 1: ‘voordien’ en 2: ‘daartoe’. Naast (31a) is ook (31b) en (31c) mogelijk:
| 31b |
Daar zijn we nog in Keulen voor geweest |
| 31c |
Daar zijn we nog voor in Keulen geweest |
De zinnen (31b) en (31c) laten slechts één lezing toe, namelijk ‘daartoe’. De tijdsbepaling splitst niet; de bepaling van doel kan zowel gesplitst als ongesplitst optreden.
Een vergelijkbare situatie met twee lezingen en ongelijk splitsgedrag hebben we in
| 32a |
Daardoor werden we nogal afgeleid |
alleen liggen de twee lezingen hier minder ver uiteen. Vergelijken we (32a) met zijn pendant met gesplitst vnw.bw.:
| 32b |
Daar werden we nogal door afgeleid |
dan dringt bij (32b) de interpretatie met passieve door-bepaling zich op, terwijl (32a) twee lezingen toelaat: ofwel passieve door-bepaling ofwel algemene bepaling van oorzaak. Mij dunkt dat de passieve door-bepaling bij voorkeur splitst (en dus eigenlijk in paragraaf 3.1 thuishoort) en dat de bepaling van oorzaak niet splitst (en dus in paragraaf 3.2 thuishoort). Bijgevolg is de situatie in zin (33), waar geen passieve constructie is, zodanig dat alleen een ongesplitst vnw.bw. bruikbaar is:
| 33a |
Daardoor heb ik nog niet kunnen eten |
| 33b ?? |
Daar heb ik nog niet door kunnen eten |
Uit het feit dat in sommige zinnen zowel de gesplitste als de ongesplitste vorm een goed resultaat oplevert, mag niet afgeleid worden dat daartussen dus geen betekenisverschil is. Nu we weten dat splitsing en niet-splitsing maar al te vaak geenszins willekeurig zijn, is het veel waarschijnlijker dat ook in zinnen als (1), (3), (6), (8), (11), (26), (28) en (30) er betekenisverschil is tussen de gesplitste en de ongesplitste vorm. Ik hoop daar binnenkort in een andere publikatie op terug te komen.
| |
3.4 Samenvatting en bespreking
Als ik de voorgaande nu samenvat, resulteert dat in het volgende overzicht:
a. splitsing geboden
| 13a |
Je moet zeggen waar het op staat |
(= ‘ronduit spreken’) |
| 5a |
Dat is iets waar ik op sta |
(= ‘eis’) |
| 12a |
Daar komt het op neer |
(= ‘dat is de kern’) |
b. splitsing gewenst
| 15a |
Daar heb ik lang naar uitgezien |
|
| 9a |
Daar kan je op rekenen |
(= ‘vertrouwen’) |
| | | |
| 16a |
een boek waar veel mensen van gehoord hebben |
| 32b |
Daar werden we nogal door afgeleid |
| |
(=passieve door-bepaling.) |
c. splitsing en niet-splitsing even bruikbaar
| 11a |
het mes waarmee ik snij |
| 11b |
het mes waar ik mee snij |
| 31a |
Daarvoor zijn we nog in Keulen geweest (= ‘daartoe’) |
| 31c |
Daar zijn we nog voor in Keulen geweest |
d. splitsing minder gewenst
| 2a |
de manier waarop hij werkt |
| 24a |
het kamertje waarin hij zijn laatste roman schreef |
| 27a |
de snelheid waarmee hij schrijft |
| 29a |
de stijl waarin hij componeert |
e. splitsing uitgesloten
| 31a |
Daarvoor zijn we nog in Keulen geweest (=‘voordien’) |
| 21a |
Waarom ga je niet met ons mee? |
| 32a |
Daardoor werden we nogal afgeleid (=bep.v.oorzaak) |
Terwille van de overzichtelijkheid heb ik hier een indeling in vijf rubrieken gemaakt maar deze rubrieken moeten niet als scherp te onderscheiden categorieën opgevat worden. Veeleer meen ik dat er een continuüm is met a (splitsing geboden) en e (splitsing uitgesloten) als uitersten en alle gradaties daartussen. En het is waarschijnlijk dat de absolute uitersten (splitsing absoluut dwingend voorgeschreven; splitsing 100% uitgesloten) niet bestaan. De rubrieken a t/m e zijn slechts etiketten voor de lezer om zich te oriënteren binnen dit continuüm.
Wat kennelijk bepalend is voor splitsen is de mate waarin het tweede element van het voornaamwoordelijk bijwoord verbonden is met het werkwoord van de zin.
De rubrieken a en b bevatten de zg. voorzetselvoorwerpen. Duinhoven (1989) en Schermer (1991) hebben er onlangs nog op gewezen hoe ongelijk binnen deze traditionele categorie de band is tussen werkwoord en voorzetsel. Dat komt ook tot uitdrukking in de sterkere of minder sterke neiging tot splitsen van het vnw.bw. dat als voorzetselvoorwerp fungeert. Sommige werkwoorden zullen hun vnw.bw. doen aansluiten bij rubriek a, andere juist bij rubriek c.
Het verschil tussen rubriek a en rubriek b lijkt mij, dat in zinnen van rubriek a werkwoorden voorkomen waarbij in die betekenis het voorzetsel onweglaatbaar is (staan op, neerkomen op) of die zonder steun van het voorzetsel heel anders geïnterpreteerd worden (staan, neerkomen). Dat impliceert een nauwere band met het voorzetsel dan bij bijvoorbeeld genieten (van), kijken (naar) en wachten (op), wat traditioneel weliswaar ‘werkwoorden met vast voorzetsel’ genoemd worden maar die ook zonder dat het voorzetsel in de buurt is, in dezelfde betekenis geïnterpreteerd kunnen worden. Met andere woorden: de spreker kan zich bij kijken, genieten en wachten c.s. meer permitteren dan bij staan op (= ‘eisen’) en neerkomen op (= ‘dat is de kern’). Onder andere kan hij zich een voorzetselvoorwerp als ongesplitst vnw.bw. permitteren, waardoor het tweede element van het vnw.bw. niet in de directe omgeving van het werkwoord komt. In het algemeen is het niet handig om zo'n voor de hand liggend middel om de
| | | | relatie tussen tweede element en werkwoord uit te drukken, onbenut te laten. Vandaar de voorkeur voor splitsing in rubriek b. Maar uitgesloten is een ongesplitst vnw.bw. in rubriek b niet.
Rubriek c bevat onder andere instrumentele bepalingen en allerlei plaatsbepalingen. vdHoek (1971) heeft eens een poging gedaan een hiërarchie op te stellen van adverbiale bepalingen naar de mate waarin zij op het werkwoord betrokken zijn. (Vgl. ook Koster 1973). Ofschoon deze poging niet erg succesvol was, is zoveel toch duidelijk dat instrumentele bepalingen en allerlei plaatsbepalingen als predicaatsbepaling nauwer bij het werkwoord betrokken zijn dan bijvoorbeeld tijdsbepalingen en causale bepalingen, die men veeleer als zinsbepaling beschouwt. Ook als men rekening houdt met de nuanceringen die Verhagen (1986) op dit punt aangebracht heeft, kan men zeggen dat in het algemeen de zg. zinsbepalingen minder met het werkwoord verbonden zijn dan de zg. predicaatsbepalingen. Hoe deze hiërarchie ook precies uitgewerkt moet worden, men zal het erover eens zijn dat er een dergelijke hiërarchie is. En het is deze hiërarchie welke mijns inziens weerspiegeld wordt door de rubrieken b t/m e. Hoe minder de bepaling op het werkwoord betrokken is, hoe moeilijker de splitsing van het vnw.bw. Beter gezegd: hoe meer de spreker zijn vnw.bw. als zinsbepaling bedoelt, hoe minder hij geneigd is om te splitsen: hij zou anders tegenstrijdige informatie verschaffen.
Het zal niet nodig zijn om uitgebreid toe te lichten dat het overzicht onvolledig is, inzoverre dat lang niet alle soorten adverbiale bepalingen en prepositionele complementen bij het werkwoord genoemd zijn en een plaats toegewezen kregen. Een dergelijke volledigheid is echter niet nodig voor hetgeen hier betoogd wordt, nl. dat splitsen of niet-splitsen van het voornaamwoordelijk bijwoord primair bepaald wordt door de mate waarin het tweede element (zo men wil: het vnw.bw. of de PP) verbonden is met het werkwoord.
| |
4. Andere factoren? Drie hypotheses
Men zou kunnen veronderstellen dat splitsing of niet-splitsing tevens bepaald wordt door de keuze van het eerste element (daar-, hier-, waar-, enz.), van het tweede element (-in, -op, -door enz.) of door de vraag of het om schrijftaal of om spreektaal gaat. Vandaar dat deze voor de hand liggende factoren nu een korte bespreking verdienen.8.
| |
4.1 Het eerste element
In het voorgaande heb ik zonder onderscheid voorbeelden gebruikt met aanwijzende (daar..., hier...), betrekkelijke (waar...) en vragende (waar...) vnw.bw.'s. Ik ben daarbij uitgegaan van de hypothese dat hun splitsgedrag gelijk is. Tot nu toe ben ik namelijk geen aanwijzingen tegengekomen dat zij op dit punt zouden verschillen. Daarom wil ik dat nu ook expliciet als hypothese formuleren voor daar..., hier... vragend waar en relatief waar....9.10. Minder duidelijk vind ik vooralsnog het gedrag van de zg. onbepaalde voornaamwoordelijke bijwoorden:
| | | | formaties met ergens, nergens en overal. Ze zijn zeer schaars en en ik zou er op dit moment nog geen uitspraken over durven doen.
| |
4.2 Het tweede element
Een tweede hypothese die in voorgaande paragrafen impliciet reeds een rol speelde en die thans expliciet gemaakt moet worden, is dat het splitsgedrag evenmin beïnvloed wordt het voorzetsel/bijwoord dat als tweede element optreedt. Door elkaar heb ik voorbeelden gebruikt met -op, -mee, -in enz., want ook hier heb ik geen enkele aanwijzing dat deze verschillen van invloed zijn. Met dien verstande dat sommige van hen een tamelijk exclusieve toepassing hebben: -na is meestal tijdsbepaling en -om is vaak causale bepaling, en dat tijdsbepalingen en causale bepalingen als zinsbepaling doorgaans niet splitsen. Maar het niet-splitsen zit 'm niet in -na of -om (zoals vdToorn 1984, 233 meent), maar in de functie van het voornaamwoordelijk bijwoord binnen de zin.
Van deze tweede hypothese dienen uitgezonderd te worden de formaties met -overheen, -naartoe, -tegenaan enz. Overdiep (1928) signaleerde dat bij bijvoorbeeld -overheen en -tegenaan als tweede element, de neiging tot splitsen groot is. Zijn voorbeelden zijn:
| 36 |
...waar een flobertgeweer tegenaan leunde |
| 37 |
den grond naakt en bruin latend waar ze overheen gegaan zijn |
In zijn eigen woorden: ‘De scheiding kan bovendien in de hand gewerkt worden door omvangrijken vorm van het adverbium...’ (Overdiep 1928, 281).
We kunnen met hem eens zijn, dat de zinnen (36) en (37) niet of nauwelijks een ongesplitste variant naast zich hebben. We zouden ze dus moeten onderbrengen in rubriek a, of hooguit b. Toch gaat het hier niet om werkwoorden met een nauwe band met overheen of tegenaan.
Overdiep dacht dat het in de lengte zat. Nu zijn overheen en tegenaan inderdaad langer dan bijvoorbeeld in, op, naar of van. Maar een ‘kort’ tweede element als -heen vertoont dezelfde sterke neiging tot splitsen:
| 38a |
Waar gaan jullie heen? |
| 38b ? |
Waarheen gaan jullie? |
terwijl een ‘lang’ tweede element als -tegenover niet die splitsneiging heeft:
| 39 |
Daartegenover staan de boeken over geschiedenis. |
Ik denk daarom dat de grotere geneigdheid tot splitsen van vnw.bw.'s met -tegenaan, -overheen, -naartoe, en -heen niet zozeer samenhangt met hun lengte als wel met het feit dat tegenaan en heen c.s. exclusief bijwoord (of achterzetsel, of omzetsel) zijn terwijl in, op, naar en van, en ook tegenover, tevens als voorzetsel kunnen functioneren. Dit op zichzelf vooralsnog verre van duidelijke onderscheid lijkt me op de een of andere wijze beslissend voor de grotere neiging tot splitsen van daaroverheen en hiertegenaan c.s. Men zou kunnen kunnen denken aan een sowieso sterkere betrokkenheid van adverbia bij werkwoorden dan van voorzetsels bij werkwoorden. Hoe dit ook zij, er is in ieder geval voldoende reden om ze hier van de hypothese dat het tweede element geen rol speelt in het splitsgedrag, uit te zonderen.
| |
| | | |
4.3 Schrijftaal
Er wordt vaak gezegd dat in schrijftaal meer ongesplitste vnw.bw.'s worden aangetroffen dan in spreektaal. Ook meer ongesplitste dan gesplitste. Zie onder andere ANS (1984, 390) en vdHorst & Marschall (1989, 115). In vdHorst (1990, 50) heb ik enkele tellingen gepresenteerd, gebaseerd op gegevens van het Frequentiewoordenboek van Uit den Boogaart. In schrijftaal was de verhouding 3820 ongesplitst tegen 2038 gesplitst (65,2% en 34,8%). In spreektaal respectievelijk 357 en 608 (37,0% en 63,0%). Daarbij dient aangetekend te worden dat het aantal tokens in het schrijftaalcorpus van het Frequentiewoordenboek ongeveer vijf maal zo groot is als dat van het spreektaalcorpus.
Het aantal ongesplitste vnw.bw's is echter sterk overtrokken. Men zou daarvan eigenlijk af moeten trekken al die gevallen waarin niet valt uit te maken of er gesplitst is, doordat de zin te weinig overige woorden bevat, waardoor eerste en tweede element van het vnw.bw. als het ware ‘toevallig’ naast elkaar komen te staan (vdHorst 1990). Daardoor wordt het verschil tussen schrijftaal en spreektaal aanmerkelijk teruggebracht.
Wanneer desondanks de schrijftaal meer ongesplitste vnw.bw.'s bevat dan de spreektaal, denken velen (zo is mij in gesprekken met studenten en collega's wel gebleken) al gauw aan schrijftaalconventie. Dat wil zeggen dat in overigens gelijke omstandigheden waar spreektaal zou splitsen, de schrijver de ongesplitste vorm kiest. Nu bestaat er inderdaad een schoolmeestersregel van die strekking (Jansen, te versch.).11. Als deze conventie werkelijk verantwoordelijk is voor een bepaalde hoeveelheid ‘extra’ ongesplitste vnw.bw.'s, dan zou ook de factor ‘schrijftaal’ erkend moeten worden. Misschien is dat zo. Maar het is van belang om te beseffen dat een hoger percentage ongesplitste vnw.bw.'s in schrijftaal (als dat een feit is) nog allerminst een bewijs is dat er ‘dus’ een schrijftaalconventie in het geding is. Een eventueel hoger percentage ongesplitste vnw.bw.'s in schrijftaal zou namelijk heel goed ook door andere oorzaken teweeg gebracht kunnen worden.
Zo valt te overwegen, dat de schrijftaal met zijn gemiddeld langere zinnen naar verhouding meer adverbiale bepalingen bevat dan spreektaal; dat wil zeggen meer vnw.bw.'s in de rubrieken c t/m e. Spreektaal, met kortere zinnen, bevat minder adverbiale bepalingen maar per werkwoord evenveel voorzetselvoorwerpen (rubriek b en a) en dus relatief meer gesplitste vnw.bw.'s. Ook zal het hoger percentage bijzinnen van de schrijftaal verantwoordelijk zijn voor meer ongesplitste vnw.bw.'s uit rubriek d.
Of dit soort verschillen tussen schrijftaal en spreektaal werkelijk verantwoordelijk is voor een (nog vast te stellen) hoger percentage ongesplitste vnw.bw.'s in schrijftaal is niet zeker, maar het lijkt me een reële mogelijkheid. In ieder geval behoeven we het eventuele verschil in frequentie vooralsnog niet zondermeer toe te schrijven aan schrijftaalconventie. De voorlopige uitkomsten van mijn corpusonderzoek wijzen althans volstrekt niet op een schrijverskeuze voor ongesplitste vnw.bw.'s in situaties waarin de spreektaal een gesplitst vnw.bw. zou gebruiken. Veeleer lijkt mij te gelden dat de factoren die splitsen of niet- | | | | splitsen bepalen, in spreektaal en schrijftaal gelijk zijn. En daarom zou ik dit als mijn derde hypothese willen presenteren.
| |
5. Is splitsing en/of niet-splitsing een taalteken?
5.1 Over de informatieve waarde van splitsing
Uit paragraaf 3 moge duidelijk geworden zijn dat splitsing en niet-splitsing van voornaamwoordelijke bijwoorden geen willekeurige varianten zijn, maar nauwkeurig samenhangen met de mate waarin het tweede element betrokken is op het werkwoord van de zin. Daardoor is splitsing of niet-splitsing informatief voor de luisteraar, de volgorde levert een bijdrage tot de interpretatie van de zin. Deze nog zeer algemeen geformuleerde uitspraak vergt thans een nadere uitwerking. Wat is de bijdrage die zij leveren? Doen splitsing en niet-splitsing dat in gelijke mate? En ten slotte: zijn zij taalteken, dat wil zeggen: arbitraire eenheid van een waarneembare vorm en een daarin gecodeerde betekenis?
Het zou stellig onjuist zijn om te zeggen dat niet-splitsen als betekenis heeft: ‘tijdsbepaling’ of ‘bepaling van reden’ of iets van dien aard. Want niet alleen zouden we daarmee allerlei homoniemen in huis halen, ook blijken de meeste plaatsbepalingen, instrumentele bepalingen en zelfs wel voorzetselvoorwerpen ongesplitst te kunnen optreden. Als niet-splitsing betekenis heeft, dan is die abstracter van aard. Men zou dan kunnen denken aan iets als ‘niet nauw bij het werkwoord betrokken’. De concrete interpretatie als juist een tijdsbepaling of een bepaling van reden wordt dan verder gestuurd door vooral de lexicale inhoud van het tweede element (-na, -op, -om enz.).
Toch lijkt me niet aannemelijk dat niet-splitsing zo bijdraagt tot de interpretatie. Veeleer lijkt mij dat splitsing een positieve bijdrage levert, terwijl niet-splitsing neutraal is. Uit splitsing kan de luisteraar iets afleiden, uit niet-splitsing niet. Uiteraard moeten we ons ook bij splitsing die bijdrage niet te concreet voorstellen. Splitsing betekent niet: ‘voorzetselvoorwerp’ of iets dergelijks, maar het is wel aannemelijk dat splitsing een interpretatie als ‘nauw bij het werkwoord betrokken’ stimuleert. De concretere interpretatie als juist een voorzetselvoorwerp, passieve door-bepaling of instrumentele bepaling wordt dan gestuurd door onder andere de lexicale inhoud van het tweede element (-door, -mee enz.). Uit het feit dat voorzetselvoorwerpen toch wel eens ongesplitst voorkomen, leid ik af dat niet-splitsen niet beduidt: ‘geen binding met het werkwoord’. Bij een ongesplitst vnw.bw. geeft de volgorde geen informatie over een eventuele nauwe betrokkenheid bij het werkwoord. In sommige situaties kan die betrokkenheid namelijk ook wel uit andere gegevens afgeleid worden. Met andere woorden: bij een ongesplitst vnw.bw. wordt een eventuele nauwe betrokkenheid bij het werkwoord niet ontkend, er wordt slechts geen aanwijzing voor gegeven.
Is althans splitsing van het voornaamwoordelijk bijwoord nu een taalteken te noemen? Is deze alleszins waarneembare volgorde een taalvorm waarin betekenis gecodeerd ligt? Misschien lijkt de vraag overbodig, nu aannemelijk gemaakt is
| | | | dat splitsing een duidelijke bijdrage levert tot de interpretatie van de zin, nu we zelfs een eerste ruwe omschrijving van die bijdrage geleverd hebben. Toch is de vraag of splitsing een taalteken is, daarmee geenszins beantwoord. Lang niet alle volgordeverschijnselen die aanwijzingen geven voor de interpretatie van zinnen, mogen taalteken genoemd worden. Omdat hierover veel misverstand bestaat, wil ik in de volgende paragraaf eerst ingaan op verschillende soorten volgordeverschijnselen (par. 5.2) om pas daarna de vraag opnieuw te stellen of splitsing een taalteken is (par. 5.3).
| |
5.2 Drie soorten volgorderegelmaat
Voor zover ik nu kan overzien, dienen er in een Vorm/Inhoud-kader drie soorten volgorderegelmaat onderscheiden te worden. Uit alle drie kan de luisteraar informatie putten voor de interpretatie van de zin, maar hun grammaticale status is ongelijk.
a. In de eerste plaats zijn er de volgordeverschijnselen die taalteken zijn: in bepaalde volgordes ligt betekenis gecodeerd. Vermoedelijk zijn er maar zeer weinig zo. Een voorbeeld in het Nederlands is waarschijnlijk de plaats van de persoonsvorm (vdHorst 1984, Daalder 1983, vdHorst 1986). Misschien mag in het Nederlands hierbij ook de volgorde x-y genoemd worden, waarbij x de bepaling is bij y mits de aard van de elementen zich daartoe leent. Taaltekens zijn arbitrair en conventioneel, en daardoor taalspecifiek.
b. In de tweede plaats zijn er de volgordeverschijnselen die rechtstreeks voortvloeien uit de menselijke psychologische gesteldheid. Hiertoe zijn waarschijnlijk te rekenen het feit dat pronomina doorgaans voorafgaan aan nomina, en bepaalde nomina doorgaans aan onbepaalde; kortom: volgorderegelmaat of althans volgordetendensen die men wel samenvat onder aanduidingen als functioneel zinsperspectief, thème-propos-verhouding, topicalisatie enz. De algemeen menselijke trek om bijvoorbeeld de informatie in de zin doorgaans zo te verdelen dat het bekende voorafgaat aan het nieuwe, leidt tot enkele bijna universele volgordetendensen. Het verschil tussen de onder a bedoelde volgordes die taalteken zijn en de onder b bedoelde volgordes die rechtstreeks voortvloeien uit onze psychologische gesteldheid, is niet alleen dat de eerste taalspecifiek zijn en de tweede universeel, maar ook dat de eerste arbitrair zijn terwijl bij de tweede de ‘vorm’ in zekere zin de ‘betekenis’12. weerspiegelt of zelfs is.
c. Naast de twee zojuist genoemde types van volgorderegelmaat is er nog een belangrijk en frequent voorkomend derde type: volgorderegelmaat die geen taalteken is noch rechtstreeks onze psychologische gesteldheid weerspiegelt maar die resultante is van een aantal factoren, bijvoorbeeld van de onder a en b bedoelde factoren. Waarschijnlijk is een voorbeeld van dit derde type het feit dat in het Nederlands indirecte objecten meestal voorafgaan aan directe objecten. Deze constateerbare en voor de luisteraar informatieve volgorderegelmaat zou als volgt geanalyseerd kunnen worden: doordat indirecte objecten vaker naar personen refereren dan objecten en doordat personen vaker bekend zijn in de gesprekssituatie dan levenloze voorwerpen en doordat bekende referenten vaker
| | | | met pronomina aangeduid worden dan met substantieven en doordat pronomina doorgaans voorafgaan aan substantieven, daardoor komt het dat indirecte objecten meestal voorafgaan aan directe objecten. Als deze analyse juist is, is deze volgorderegelmaat een goed voorbeeld van wat ik met het derde type bedoel. Ook het feit dat subjecten in het Nederlands zo vaak eerste zinsdeel zijn,13. is hoogstwaarschijnlijk een volgordeverschijnsel van dit derde type.
Wellicht ten overvloede wijs ik erop, dat een bepaalde volgorderegelmaat, eenmaal geconstateerd zijnde, veelal intensieve taalkundige analyse vergt voordat hij met enige waarschijnlijkheid gerubriceerd kan worden onder een der types. Het is dus bepaald niet zo, dat men aan een volgorderegelmaat simpel zou kunnen afzien van welke aard hij is. Het is zelfs mogelijk dat de hier gegeven voorbeelden van elk der types bij voortgezet onderzoek zouden blijken anders van aard te zijn dan hier door mij verondersteld is. Dan moet ik andere voorbeelden zoeken; het gemaakte onderscheid in drie types volgorderegelmaat wordt daardoor niet aangetast. Wel is duidelijk dat de hier gegeven omschrijvingen veel nadere precisering behoeven.14.15.
| |
5.3 Splitsing is geen taalteken
Het vnw.bw., of het nu een woord is of een woordgroep of zelfs dat niet, is als een slecht huwelijk: de partners willen niet bij elkaar zijn. Elk naar zijn aard wil een andere kant op. Het eerste element (daar-, hier-, waar-) treedt liefst ergens vooraan in de zin op; het tweede element (-op, -in, -van, -heen enz.) daarentegen neigt veelal naar een plaats aan het einde van de zin. Hiermee is feitelijk niets nieuws gezegd.
Wat de elementen daar en hier betreft, kunnen we verwijzen naar bijvoorbeeld de ANS (1984, 999): ‘De aanwijzende bijwoorden van plaats hier, daar, ginder, ginds, staan meestal zo ver mogelijk vooraan, maar achter de voornaamwoordelijke elementen’. Algemeen wordt aangenomen dat dit samenhangt met hun ‘pronominale’ soort betekenis: ze verwijzen zonder te noemen. Voor waar, zowel het vragende als het relatieve, geldt nog sterker dat het meestal vooraan staat. De plaatsing van het eerste element van vnw.bw.'s lijkt zich in niets te onderscheiden van die van het ‘gewone’ daar, hier en waar.
De positie van het tweede element van een gesplitst vnw.bw. is bijna altijd onmiddellijk voor de werkwoordelijke eindgroep, of als die er niet is, dan staat het aan het zinseinde danwel voor de uitloop.16. Alleen inherente bepalingen kunnen wel eens tussen het tweede element van een gesplitst vnw.bw. en de werkwoordelijke eindgroep staan:
| 34. |
dat hij daar niet voor naar huis wilde gaan |
| 35. |
...waar hij mee in Keulen geweest is |
Zonder uitgebreid in te gaan op de volgorde in het middenveld, kunnen we hier verwijzen naar bijvoorbeeld Koster (1973, 601): ‘wat nauwer op het werkwoord betrokken is staat er dichter bij’. ‘Met andere woorden, dergelijke reeksen constituenten (in het middenveld; vdH.) hebben een oriëntatie, en wel naar het werkwoord toe’ (idem, 603); ‘De constituentenhiërarchie is () achterwaarts gericht’ (idem, 614).17. Eenzelfde geluid uit heel andere hoek: ‘...dat elementen
| | | | die inhoudelijk nauw met de werkwoordelijke “kern” samenhangen zo ver mogelijk naar rechts staan,...’ (Schermer 1991, 252). In de ANS (1984, 1009-1011) wordt opgesomd welke elementen vlak voor de ‘tweede pool’ staan: inherente bepalingen en delen van scheidbaar samengestelde werkwoorden en achterzetsels. De inherente bepalingen worden door de ANS als volgt uitgelegd: ‘woorden of woordgroepen die semantisch een sterke eenheid vormen met het werkwoord’ (ANS 1984, 1009). Namelijk:
| 1. | naamwoordelijke delen van het gezegde; |
| 2. | bepalingen van gesteldheid; |
| 3. | noodzakelijke richtings- of plaatsbepalingen; |
| 4. | noodzakelijke bepalingen van hoedanigheid bij werkwoorden als behandelen, bejegenen e.d. ze hebben me daar voortreffelijk behandeld; |
| 5. | maataanduidingen
Jan beweerde dat het boek 31 gulden gekost had; |
| 6. | allerlei elementen die deel zijn van een vaste verbinding: de draak steken; in gebruik nemen. |
En bijna in één adem noemt de ANS dan ook het voorzetselvoorwerp: ‘Voorzetselvoorwerpen gedragen zich op overeenkomstige wijze. Als ze in het middenstuk staan, komen ze vlak vóór de tweede pool’ (ANS 1984, 1010).
Stellig moeten we ook in dít verband begrijpen wat de ANS enkele bladzijden eerder zegt: ‘De bijwoordelijke bepaling van tijd gaat gewoonlijk aan de andere bijwoordelijke bepalingen (dus ook die van plaats) vooraf’ (ANS 1984, 998). De ANS geeft er geen verklaring voor, maar in het licht van Kosters hiërarchische ordening ligt die positie van de meeste tijdsbepalingen wel voor de hand: ze behoren als zinsbepaling tot de minst nauw met het werkwoord samenhangende bepalingen.
Ook al valt op het gebied van de woordvolgorde in het middenveld nog veel te onderzoeken, op grond van wat daarover nu bekend is, is op z'n minst aannemelijk dat het gedrag van het tweede element van een gesplitst vnw.bw. geenszins uniek is doch bepaald wordt door dezelfde factoren als die welke voor alle elementen in het middenveld gelden. Ook voor het tweede element van een vnw.bw. geldt, dat zijn positie nauw samenhangt met de mate waarin het op het werkwoord betrokken is. Dat wil zeggen: bij bijvoorbeeld voorzetselvoorwerpen meestal direct voor de werkwoordelijke eindgroep en bij bijvoorbeeld tijdsbepalingen er meestal ver vandaan.
Als het juist is, dat splitsing en niet-splitsing, hoezeer ook informatief voor de luisteraar, resultante zijn van het complex van factoren dat de volgorde in het middenveld bepaalt, dan zijn zij geen taalteken maar een volgordeverschijnsel van type c uit paragraaf 5.2.
| |
6. Slot
De hier geboden schets van het splitsgedrag van vnw.bw.'s is weinig meer dan een eerste stap, waar er nog vele op moeten volgen. Maar duidelijk is wel dat splitsen
| | | | en niet-splitsen geen vrije stilistische varianten zijn doch bijdragen tot de interpretatie van de zin. Hoe sterker de band tussen het tweede element van het vnw.bw. en het werkwoord van de zin, hoe groter de kans dat er gesplitst wordt. Of vanuit de luisteraar gezegd: splitsing mag geïnterpreteerd worden als aanwijzing van sterke band tussen tweede element en werkwoord. Toch is splitsing hoogstwaarschijnlijk geen taalteken, geen arbitraire vorm waarin betekenis gecodeerd ligt. Het is veeleer aannemelijk dat splitsing, hoezeer ook informatief voor de luisteraar, samenhangt met precies dezelfde factoren als die welke bij andere elementen in het middenveld de onderlinge volgorde bepalen.
Buiten beschouwing bleven de vnw.bw.'s die geen zinsdeel zijn maar afhankelijk zijn van bijvoorbeeld een nomen of adjectief. Hoewel ik verwacht dat hun splitsgedrag is essentie hetzelfde is als van de hier wèl behandelde vnw.bw.'s, is het netto resultaat anders doordat hun splitsing of niet-splitsing zich afspeelt in het krachtenveld van de nominale groep, de adjectivische groep enz.
Ook van de hier niet behandelde persoonlijke vnw.bw.'s (er...) vermoed ik dat zij niet wezenlijk anders zijn, maar door het fonetisch en semantisch zwakkere er tegenover daar, hier en waar ziet het feitelijke patroon van splitsing er anders uit.
Niet behandeld zijn enkele fundamenteler zaken zoals de vraag naar de grammaticale status van het voornaamwoordelijk bijwoord (woord, woordgroep of zelfs dat niet?) en de daarmee samenhangende kwestie van de definitie (met o.a.: wat valt wel en wat niet onder deze groep of categorie?). Naar mijn mening moet eerst veel meer bekend zijn over voornaamwoordelijke bijwoorden voordat daaraan begonnen kan worden. Zo meen ik bijvoorbeeld dat naast de klassieke vraag hoe splitsing überhaupt mogelijk is, waarbij een zekere eenheid verondersteld wordt (bv. bij Van Riemsdijk 1978), minstens de tegenhanger ook aandacht verdient: van welke aard is deze ‘eenheid’, want het ongesplitst vnw.bw. is niet vanzelfsprekender dan het gesplitste.
Het lijkt mij tenslotte wenselijk de hier geleverde analyse te toetsen aan een corpus van hedendaags taalgebruik.18. Daarbij kan dan ook nader ingegaan worden op betekenisverschillen tussen zinnen met gesplitst en ongesplitst vnw.bw. als beide gelijkelijk mogelijk zijn (zoals in rubriek c van par. 3.4).
J.M. van der Horst, Universiteit van Amsterdam5.
| |
| | | |
Literatuur
| ANS 1984 Algemene Nederlandse Spraakkunst, red. G. Geerts, W. Haeseryn, J. de Rooij e.a., Groningen/Leuven 1984. |
| vBakel 1967 E. Rijpma en F.G. Schuringa, Nederlandse spraakkunst bewerkt door Jan van Bakel, 24e druk Groningen 1967. |
| vdBerg 1957 B. van den Berg, Comparatisme op structurele grondslag, Groningen 1957. |
| Czochralski 1982 Jan Czochralski, ‘Een voor Polen moeilijk hoofdstuk van de Nederlandse grammatica’, in: Linguistische en socio-culturele aspecten van het taalonderwijs. Handelingen van het 22e Fakulteitscolloquium, Gent 1982, 273-280. |
| Daalder 1983 S. Daalder, ‘Aspects of grammatical meaning: the positioning of the Dutch finite verb’, in: Sprache, Diskurs und Text, Akten des 17. Ling. Koll. (Brüssel 1982) Bnd. 1, Tübingen 1983, 60-69. |
| Duinhoven 1989 A.M. Duinhoven, ‘Het voorzetselvoorwerp; een zinspatroon in wording’, NTg. 82 (1989), 40-55. |
| Haeseryn 1989 W. Haeseryn, ‘Gesplitste en ongesplitste voornaamwoordelijke bijwoorden’, Neerlandica extra muros, 52 (1989), 12-18. |
| Den Hertog 1973 Nederlandse Spraakkunst, ed. H. Hulshof, Amsterdam 1973. |
| vdHoek 1971 Th. van den Hoek, ‘Woordvolgorde en konstituentenstruktuur’, Spektator 1 (1971-1972), 125-136. |
| Holmlander 1979 I. Holmlander, Zur Distribution und Leistung des Pronominaladverbs. Das Pronominaladverb als Bezugselement eines das Verb ergänzenden Nebensatzes/Infinitivs, Uppsala 1979. |
| vdHorst 1984 J.M. van der Horst, ‘Over vorm en inhoud van bijzinnen’, in: Vorm en funktie in tekst en taal, Leiden 1984, 154-179 (ook in vdHorst 1986). |
| vdHorst 1986 J.M. van der Horst, Historische grammatica en taaltekens, Alblasserdam 1986. |
| vdHorst 1988 J.M. van der Horst, ‘Over relatief dat en wat’, NTg. 81 (1988), 194-205. |
| vdHorst 1990 J.M. van der Horst, ‘Weg ermee? Over gesplitste en ongesplitste persoonlijke voornaamwoordelijke bijwoorden’, in: Jaarboek Instituut voor Nederlandse Lexicologie 1989, Leiden 1990, 46-57. |
| vdHorst & Marschall 1989 J.M. van der Horst en F.J. Marschall, Korte geschiedenis van de Nederlandse taal, Amsterdam 1989. |
| vdHorst & Storm 1991 J.M. van der Horst en R. Storm, ‘Over de geschiedenis van het betrekkelijke voornaamwoordelijke bijwoord’, TNTL 107 (1991), 105-119. |
| Jansen, te versch. F. Jansen, ‘De houding ten opzichte van gesplitste voornaamwoordelijke bijwoorden’. |
| Klein 1987 M. Klein, ‘De ANS en het voornaamwoordelijk bijwoord’, Forum der Letteren 28 (1987), 97-100. |
| Koster 1973 J. Koster, ‘Het werkwoord als spiegelcentrum’, Spektator 3 (1973-1974). 601-618. |
| Leys 1979 O. Leys, ‘De bepaling van het voornaamwoordelijk bijwoord en de systematisering van ndl. er’, NTg 72 (1979), 240-246. |
| vdLubbe 1968 H.F.A. van der Lubbe, Woordvolgorde in het Nederlands, 3e druk Assen 1968. |
| Overdiep 1928 G.S. Overdiep, Moderne Nederlandsche grammatica, Zwolle 1928. |
| Overdiep 1949 G.S. Overdiep, Stilistische grammatica van het moderne Nederlandsch, 2e druk verzorgd door G.A. van Es. Zwolle 1949. |
| Paardekooper z.j. P.C. Paardekooper, Beknopte ABN-syntaxis, 7e druk Eindhoven z.j. |
| Van Riemsdijk 1978 H.C. van Riemsdijk, A case study in syntactic markedness; the binding nature of
|
| | | |
| prepositional phrases, Lisse 1978. |
| Schermer 1991 E.C. Schermer-Vermeer, Substantiële versus formele taalbeschrijving. Het indirect object in het Nederlands, z.p. 1991. |
| vdToorn 1984 M.C. van den Toorn, Nederlandse Grammatica, 9e druk, Groningen 1984. |
| Verhagen 1986 A. Verhagen, Linguistic theory and the function of word order in Dutch; a study on interpretive aspects of the order of adverbials and noun phrases, Dordrecht 1986. |
| De Vriendt 1979 S. de Vriendt, ‘Voorzetselconstituenten en zgn. voornaamwoordelijke bijwoorden’, Brussels Preprints in Linguistics, nr.2, september 1979. |
|
1.In feite zou de onderzoeker van vnw.bw.'s graag vooraf een aantal wellicht fundamenteler vragen beantwoord willen zien. De belangrijkste daarvan is wel de vraag naar de grammaticale status van formaties als ervan, hiermee, daardoor en waaruit. Zijn het woorden? Zijn het woordgroepen of constituenten? Of zelfs dat niet? (Vgl. ANS 1984, 382; Czochralski 1982; Haeseryn 1989; Jansen, te versch.; Klein 1987; Leys 1979; Paardekooper z.j., 578; De Vriendt 1979). Verder: is de grammaticale status van de gesplitste formaties dezelfde als van de ongesplitste? En nauw verbonden met de grammaticale status is de vraag naar de definitie: wat valt wel onder deze groep en wat niet? Mogen of moeten de zgn. persoonlijke vnw.bw.'s als ermee c.s. op één lijn gesteld worden met daarmee, hiermee en waarmee c.s. (vgl. vdHorst 1990)? Geldt dat ook voor ergens mee, nergens mee en overal mee? Zijn formaties als waarheen en daarnaartoe van precies dezelfde aard als waarin en daarop? Het is onvermijdelijk dat deze vragen voorlopig onbeantwoord blijven: ze zijn waarschijnlijk pas beantwoordbaar na en op basis van veel praktisch onderzoek als in dit artikel uitgevoerd.
2.Voorlopig zal ik onder vnw.bw.'s verstaan wat ook de traditionele grammatica zo noemt en wat de ANS als volgt omschrijft: formaties ‘gevormd uit één van de bijwoorden er, daar, hier, waar, ergens, nergens, overal en een voorzetsel (bijwoord)’ (ANS 1984, 382). Dat meer dan de helft van alle Nederlandse voorzetsels niet kan optreden in een vnw.bw., laten we hier buiten beschouwing. De omschrijving van de ANS is inclusief formaties als hierheen en daarnaartoe.
Met mijn aansluiting bij de terminologie van de ANS bedoel ik nadrukkelijk geen standpunt ten aanzien van hun grammaticale status (vgl. noot 1). Als ik spreek over vnw.bw.'s, gebruik ik deze traditionele term louter opdat duidelijk is waarover ik spreek. Het gebruik van zo'n in wezen enumeratieve definitie voldoet in de praktijk zolang we niet weten wat het is waarover we spreken.
Om dezelfde reden gebruik ik ook de conventionele benamingen persoonlijk, aanwijzend, vragend, betrekkelijk, en onbepaald vnw.bw. zonder daarmee te erkennen dat deze subcategorieën onderscheiden moeten worden. Wat betreft vragende en betrekkelijke vnw.bw.'s meen ik althans dat het onderscheid niet gewettigd is (vgl. vdHorst 1988).
Tenslotte gebruik ik ook de termen gesplitst en ongesplitst uit de gangbare terminologie zonder daarmee te willen impliceren dat de gesplitste vorm op enigerlei wijze afgeleid of secundair is ten opzichte van de ongesplitste. Met gesplitst bedoel ik louter dat bij bv. daar en uit het element uit in een bepaalde zin niet onmiddellijk volgt op daar maar pas na een of meer andere woorden. ‘Los’ en ‘bijeen’, of ‘onverbonden’ en ‘verbonden’ zouden in dit stadium van het onderzoek en met dezelfde oppervlakkige descriptieve betekenis evenzeer kunnen dienen. In zo'n geval geef ik de voorkeur aan de gangbare terminologie.
3.Vgl. Den Hertog (1973, III, 224): ‘...een kwestie van smaak: niet-scheiden is strenger, wel scheiden wat losser. Het een of het ander kan op zijn tijd de voorkeur verdienen.’
4.Waarschijnlijk heeft dit te maken met de fonologisch zwakkere vorm van er tegenover daar, hier en waar en een navenant betekenisverschil. Hoe dit ook zij, het splitsgedrag van de persoonlijke vnw.bw.'s wordt kennelijk (mede)bepaald door andere factoren dan dat van de overige vnw.bw.'s en daarom lijkt het me beter ze voorlopig apart te onderzoeken.
6.Intuïties over de aanvaardbaarheid van splitsing en niet splitsing van vnw.bw.'s lopen soms uiteen. Wat de één een kromme zin noemt, vindt de ander prima. Een voorbeeld daarvan is zin (4a) uit de ANS (1984, 390):
- Hij zei, dat hij daarmee heel erg inzat.
De ANS wil hiermee demonstreren dat een ongesplitst vnw.bw. mogelijk is naast het gesplitste in:
- Hij zei, dat hij daar heel erg mee inzat.
Mijn eigen intuïtie zegt dat de eerste zin (met ongesplitst vnw.bw.) nauwelijks aanvaardbaar is, althans veel minder goed dan de pendant met gesplitst vnw.bw. Ik heb zulke verschillen in oordeel in de loop van dit onderzoek in gesprekken met studenten en collega's dikwijls opgemerkt. Waar het door komt dat de beoordeling soms uiteenloopt, weet ik niet zeker. Ik vermoed dat er ook regionale voorkeuren in het spel zijn. Maar belangrijker oorzaken lijken me in de eerste plaats de slechte gewoonte van veel taalkundigen om slechts onderscheid te maken tussen goede en foute zinnen, een vergroving die afstompt voor tussenliggende nuances. Daarnaast is er bij sommigen de tegen de taal indruisende schoolregel om het vnw.bw. in schrijftaal liefst niet te splitsen (vgl. Jansen, te versch.). Zie verder ook noot 11 en noot 18.
7.Vgl. ook Overdiep (1928, 282): ‘wanneer de bijzin zuiver attributief is () is er geen aantrekking tusschen het adv. en het werkwoord’.
8.Zie bv. de opmerking van Overdiep (1928, 282): ‘Er zijn bovendien nog bijzondere aanleidingen tot de verbinding. Wanneer de bijzin omvangrijk is, bevordert de voorop-plaatsing van voegw. + adv. de overzichtelijkheid ( open zinsvorm)’. Ik weet niet of dit juist is, maar wil de mogelijkheid niet uitsluiten.
9.In par. 3.1 heb ik de zgn. persoonlijke vnw.bw.'s (formaties met er...) buiten dit onderzoek gehouden, op grond van hun grotere geneigdheid tot splitsen. Wellicht ten overvloede wijs ik erop, dat deze persoonlijke vnw.bw.'s dus vooralsnog niet onder de hier bedoelde hypothese vallen.
10.In dit verband wil ik een observatie ter sprake brengen van De Vriendt (1979). Hij heeft erop gewezen, dat het betrekkelijke vnw.bw. meer toepassings-mogelijkheden heeft dan de overige vnw.bw.'s. Dat wil zeggen dat er naast iedere zin met een aanwijzend, persoonlijk of vragend vnw.bw. een corresponderende zin te maken is met een betrekkelijk vnw.bw. maar lang niet altijd andersom. Vgl.
- ?? Waaronder heeft hij gewerkt?
- ?? Daaronder heeft hij gewerkt
- de omstandigheden waaronder hij gewerkt heeft
- de maand waarin zij geboren is
- ?? Ik ben er ook in geboren
- ?? Hierin zijn veel mensen geboren
De Vriendt verklaart dit als volgt: ‘Wat de grotere valentie van de relativa betreft, deze kan toegeschreven worden aan het feit dat het pronominale element (in dit geval waar) de steun geniet van het antecedent, dat meestal onmiddellijk aan het relativum voorafgaat.’ (De Vriendt 1979, 24). Deze observatie van De Vriendt, die mij juist lijkt, ondergraaft geenszins mijn hypothese. Daarin wordt immers over het splitsgedrag gesproken, niet over de toepassing van een vnw.bw. als zodanig. Het relatieve vnw.bw. is weliswaar ruimer toepasbaar dan het aanwijzende en het vragende, maar ook in die ‘extra’ situaties wordt splitsing of niet-splitsing door dezelfde factoren bepaald als bij de aanwijzende en de vragende vnw.bw.'s, aldus de hypothese.
11.Wel moet hierbij aangetekend worden dat van deze regel in de meeste gangbare normatieve boeken hoegenaamd niets terug te vinden is; zie Jansen (te versch.). Zie voor twee 19de-eeuwse getuigenissen van deze norm, Bilderdijk en Weiland: vdHorst&Storm (1991, 113).
12.Ik reserveer de term betekenis liefst voor taaltekens.
13.Niet vaak genoeg om van een subjectsplaats te spreken, zoals sommige grammatici doen. Het subject staat in het Nederlands, zoals bekend, in circa 60% van de Vf2-zinnen vooraan. Dit percentage vloeit heel zeker mede voort uit het feit dat het subject, als we afzien van het gezegde, veruit het meest frequente zinsdeel is. In zinnen met naast het subject en het gezegde nog een of meer zinsdelen, daalt het percentage zgn. ‘rechte volgordes’ tot onder de 50%.
14.De hier door mij gepresenteerde driedeling is opvallend parallel aan de in de semiotiek bekende driedeling van Ch.S. Peirce: symbool, icoon en index. Bij een nadere uitwerking van mijn onderscheiding in drie soorten volgorderegelmaat zal deze parallellie nauwkeurig onderzocht moeten worden. Ik vermoed dat dat veel zal verduidelijken in de vaak moeizame discussies rondom ‘één-op-één-principe, Von Humboldtprincipe, iconiciteit, etc. Vergelijk hierover ook Verhagen (1986,5-10).
15.Het zijn vooral de volgordeverschijnselen van type b en type c, die ik op het oog had, toen ik schreef dat de grammatica kleiner moet worden, en dat niet alle feiten een plaats in de grammatica verdienen (vdHorst 1986, 193 en 195-196). Een overeenkomstige gedachte is te vinden in vdBerg (1957, 18-19).
16.Het is vooral op dit punt dat de in paragraaf 3.1 buiten beschouwing geplaatste vnw.bw.'s zich anders gedragen. Zie voor literatuur ook par.3.1.
17.Het zal duidelijk zijn dat ik wel Kosters observatie deel maar niet zijn verantwoording ervan. In Kosters kader is de oriëntatie gericht op het werkwoord in de onderliggende structuur. In het Nederlands als SOV-taal is dat achteraan. Is er in een oppervlaktestructuur geen werkwoord aan het einde van de zin, dan blijft de oriëntatie in tact. Inderdaad doen de hier genoemde verschijnselen zich ook voor wanneer er geen werkwoordelijke eindgroep is. In een Vorm/Inhoud-kader, waarin geen onderliggende structuur aangenomen wordt, zal deze oriëntatie dus op een andere manier verantwoord moeten worden. Vgl. reeds Verhagen (1986).
18.Naast de oorzaken die in noot 6 al genoemd zijn voor de soms verrassende verschillen in oordeel, wil ik nog op het volgende wijzen. Verschillen in oordeel zouden ook wel eens het gevolg kunnen zijn van het feit dat met name bij de voorzetselvoorwerpen de hechtheid van de relatie tussen werkwoord en voorzetsel niet bij alle sprekers gelijk is. Wat de een ervaart als de enige mogelijkheid, kan voor de ander een uit meerdere mogelijkheden zijn. O.a. Duinhoven (1989) heeft erop gewezen dat het voorzetselvoorwerp ‘een zinspatroon in wording’ is. Er kunnen dus zeer zeker per werkwoord verschillen zijn in hoe hecht men de binding met net voorzetsel ‘beleeft’. Zoiets is in een situatie van taalverandering niets bijzonders.
Hoe lastig deze verschillen in beoordeling in de praktijk van het onderzoek ook zijn, ze tasten de uitkomsten van mijn onderzoek niet aan. Want ook al zullen sommigen bepaalde zinnen anders klasseren in het schema van par.3.4, mijn claim is in feite slechts dat er zo'n schema is. Ik heb het gestoffeerd met voorbeelden op basis van mijn intuïtie. Anderen zullen wellicht een ietwat andere schikking maken. Ik betoog slechts dat ook dan de schikking bepaald wordt door de mate waarin het tweede element betrokken is op het werkwoord van de zin.
5.Overigens is dit mijns inziens noodzakelijke onderscheid in de praktijk verre van eenvoudig. Tenminste twee groepen van wat traditioneel wel zinsdelen genoemd worden, heb ik toch buiten beschouwing gelaten: voorzetselvoorwerpen bij naamwoordelijke gezegdes als bang zijn (voor), op zijn hoede zijn (voor), in zijn sas zijn (met), de baas zijn (over), en voorzetselvoorwerpen bij werkwoordelijke uitdrukkingen als antwoord geven (op), blijk geven (van). Want ook al zou men ze zinsdeel moeten noemen, ze zijn toch meer met het nomen (resp. het adjectief, de voorzetselgroep) verbonden dan met het werkwoord. En precies dat kon wel eens hun positie in de zin afhankelijk maken van de positie van dat nomen (resp. dat adjectief, die voorzetselgroep).
|
|