Forum der Letteren. Jaargang 1995


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1995. Smits drukkers-uitgevers, Den Haag 1995


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 268]

Verschillen taal- en letterkundigen nu echt? Closing statements in Forum der Letteren
Els Andringa

Tientallen jaren heeft Forum der Letteren publikaties van taal- en letterkundigen ruimtelijk verenigd. Dit laatste nummer betekent het afscheid van een symbiotische existentie. Beide disciplines zullen gescheiden wegen gaan en in nieuwe initiatieven het eigen gezicht afzonderlijk profileren. Een reden om even stil te staan bij divergenties. Dat taal- en letterkunde inhoudelijk gezien verschillende onderwerpen behandelen is evident: Het is zonder meer mogelijk artikelen op grond van alleen de titel al te sorteren. Riskanter lijkt het echter om een onderscheid in manieren van wetenschap bedrijven aan de orde te stellen. Inhoeverre stellen beide disciplines een ander soort vragen, hebben zij andere taken in het veld van de letterenstudies, gaan zij op fundamenteel andere manieren te werk?

Een squib laat het breed uitmeten van deze vragen niet toe. Daarom zullen we zoeken naar concrete aanknopingspunten. Volgens klassiek stilistisch model zullen we proberen deze te vinden in de talige vorm waarin de disciplines hun resultaten presenteren. Er is enig onderzoek gedaan naar aspecten van wetenschapstaal. Letterkundig werk heeft het daarbij zwaar te verduren gehad. Vooral in de kritische jaren zeventig zijn studies verschenen die tot nadenken hebben gestemd. Fricke (1977) toonde aan dat het taalgebruik van letterkundigen neigt tot assimilatie aan literatuur, Kindt & Schmidt (1976) stelden het regelmatig ontbreken van heldere uitgangspunten vast, Harré (1990) liet zien hoe feitelijkheden en mogelijkheden soms verwisseld worden. Uitgaande van kenmerken in taal en structuur trok men uit dergelijk onderzoek kritische conclusies over wetenschapsopvattingen, werkwijzen en argumentaties. Onderzoek naar het taalwetenschappelijk discours is mij niet bekend. Het is echter niet onwaarschijnlijk dat taalkundigen, of het nu oudere descriptieve en lexicologische of moderne formeel-theoretische benaderingen betreft, gewend zijn stringentere werk- en presentatiewijzen te hanteren. Wellicht manifesteren zich verschillen tussen beide ‘alfa’-disciplines aan de oppervlakte van hun pennevruchten. Het volgende mini-onderzoekje geeft een aanzet.

Werkwijze

Voor deze gelegenheid leek het toepasselijk om de manieren waarop artikelen besluiten aan een nadere beschouwing te onderwerpen. Een ‘corpus’ werd als volgt samengesteld: Uit de jaargangen 1985-1994 van FdL werden op grond van de titel at random twee taalkundige en twee letterkundige artikelen gekozen (zie bijlage). Van de in totaal 40 artikelen dienden de slotpagina's als basismateriaal. Het materiaal werd op twee ‘kenmerken’ gescreend. Het eerste was van tekststructurele aard en optisch vast te stellen: Heeft het artikel een afsluitende paragraaf, die door een tussenkopje ‘Conclusie’, ‘Slotopmerking’, ‘Tot besluit’

[p. 269]

of iets dergelijks gemarkeerd is? Het tweede was van tekstlinguïstische aard en had betrekking op de soort afsluiting in de laatste alinea(s). Vier soorten afsluitingen + een restcategorie werden onderscheiden:

1.Een terugblikkende afsluiting [TERUG] waarin de auteur nog eens bondig terugverwijst naar wat z/hij gedaan of betoogd heeft. Deze categorie is vaak gemarkeerd door tekstdeiktische uitdrukkingen als ‘In het bovenstaande..’, en/of gebruik van voltooide tijd als ‘Er is dus gebleken dat..’.
Voorb: Ik heb geprobeerd te laten zien dat causale en teleologische verklaringen van taalverandering inadequaat en/of weinig zinvol zijn (Hüning 1993).
2.Een vooruitblikkende afsluiting [VOOR] waarin de auteur wensen of mogelijkheden voor toekomstig onderzoek formuleert. Deze categorie is veelal herkenbaar door werkwoorden van modaliteit: ‘Er zal dus... moeten’ of ‘Er zou dus..’, ‘Er kan dus...’.
Voorb: Wil men op deze complexe problematiek greep krijgen dan zal de exclusieve aandacht voor Nederlandse literaire teksten moeten worden losgelaten, en zal systematisch aandacht moeten worden geschonken aan uit het buitenland geïmporteerde literatuur (Ruiter 1993).
3.Een conclusie in strikte zin [CONCL]: De auteur leidt constateringen uit gepresenteerde resultaten of argumenten af. Indicaties zijn bijvoorbeeld argumentatieve connectoren als ‘dus’, ‘dan ook’, ‘daarom’, soms ook een aankondiging met ‘kortom’.
Voorb: Kortom, de Ilias is een verhaal waarin zeer veel verschillende gezichtspunten - Griekse, Trojaanse, goddelijke, menselijke, mannelijke, vrouwelijke - vertegenwoordigd zijn [...] (De Jong 1989).
4.Een restrictieve afsluiting [RESTR]: De auteur geeft beperkende factoren of alternatieve mogelijkheden voor de geboden resultaten of redeneringen. Concessieve (‘hoewel.. toch’, ‘weliswaar.. maar’) en adversatieve (‘Maar’, ‘echter’) constructies zijn kenmerkend.
Voorb: Hoewel het ontstaan en de verbreiding van reflexieve constructies in grote lijnen doorzichtig is, spelen als altijd toevallige ontwikkelingen een rol (Duinhoven 1988).
5.Er zijn ook afsluitingen die niet in de vier genoemde categorieën zijn onder te brengen [REST]. Soms is nauwelijks een vorm van afsluiting herkenbaar, soms gaat het om afsluitingen die met een generaliserend statement eindigen.
Voorb: Voorlopig roept de systeemtheorie waarschijnlijk meer vragen op dan ze kan beantwoorden. Misschien is dat een nadeel. Maar aan de andere kant: is wetenschap niet ook het steeds weer formuleren van nieuwe vragen om zo nieuwe antwoorden te kunnen zoeken? (De Berg 1992).

 

Met behulp van de linguïstische indicaties werd bekeken waar het hoofdaccent in de afsluitingen lag. Als vuistregel werd uitgegaan van maximaal de laatste 30 regels. Zoals meestal bij inhoudsanalystische categorieën was de indeling niet zonder problemen. Soms grijpen twee categorieën in elkaar, bijvoorbeeld TERUG en CONCL. Daarom werden soms twee, in een enkel geval zelfs drie classificaties toegekend.

[p. 270]

Resultaten

Ten eerste: Hoeveel bijdragen bevatten een gemarkeerde afsluitingsparagraaf? Bij de taalkundigen gaat het om 14 bijdragen met, en 6 zonder, bij de letterkundigen om 5 bijdragen met, en 15 zonder gemarkeerde afsluiting. De resultaten zijn significant verschillend (χ2 = 8.3, p < .01).

Ten tweede: De verdeling van de hoofdaccenten over de categorieën is weergegeven in onderstaande tabel.

Rangnr Soort Letterk Taalk Soort
1 REST 9 9 CONCL
2 VOOR/CONCL 6 7 RESTR/TERUG
3  
4 RESTR 4 6 VOOR
5 TERUG 3 1 REST

Eén gegeven is vooral opmerkelijk: De REST-categorie scoort het hoogst bij de letterkundigen, het laagst bij de taalkundigen. De andere verschillen zijn ondanks enige variatie niet overtuigend.

Discussie

De uitkomsten van beide soorten gegevens lijken te wijzen op een verschil in formaliteit van de opbouw. Een formeel gemarkeerde afsluitingssectie wijst op een sterk bewustzijn van de opbouw van een presentatie of betoog. Ook de eerste vier soorten afsluitingen zijn een indicatie van een formele structuur. Er blijkt bovendien samenhang tussen de beide soorten gegevens te bestaan: Van de tien auteurs in de REST-categorie hebben er negen geen gemarkeerde afsluiting. Een eerste stap in de interpretatie ligt voor de hand: De discipline die zich het meest intensief met formele structuren in de taal bezighoudt, is zich blijkbaar het sterkst van bouwconventies bewust en houdt zich in principe meer aan gevestigde regels voor het opstellen van wetenschappelijke verslagen.

Maar we kunnen nog een stap dieper gaan. Het gaat weliswaar om een conventioneel principe van tekstopbouw, maar dat heeft wel degelijk een functie: met een formele afsluiting dwingt een auteur zichzelf om de essentie van het onderzoek of betoog nog eens te ordenen en rekenschap af te leggen van mogelijke implicaties. Indien een artikel echter geen verslag doet van vastomlijnde resultaten of argumentatieve stappen, maar meer de neerslag is van een dialectisch denkproces, een associatieve groepering van bevindingen en ideeën of een interpretatief proces, zal een stringente afsluiting eerder problemen opleveren. We zouden zelfs kunnen vermoeden dat de vorm van verwoorden en betogen in dat geval een sterkere eigenwaarde krijgt die boven een puur instrumenteel gebruik van taal en tekststructuur uitgaat. Misschien - maar deze

[p. 271]

conclusie is erg boud - is ook in onze gegevens een symptoom te zien van assimilatie aan het object van onderzoek (zie Fricke 1977) bij een deel van de letterkundigen. In de literatuur zelf is het althans niet meer gebruikelijk om een werk als in ‘Tom Jones’ te besluiten met ‘A Farewel to the Reader’.

 

Een conclusie mag hier niet ontbreken: Ondanks de beperkte omvang van dit onderzoekje en de methodologische problemen van de inhoudsanalyse [RESTR], luidt voorlopig het antwoord op de titel-vraag: ja, er zijn aanwijzingen dat taal- en letterkundigen verschillen niet alleen in onderzoeksdomein, maar ook in onderzoeksaanpak [CONCL]. Omvangrijker en genuanceerder onderzoek naar stijl en structuur van artikelen zou deze aanwijzingen echter moeten versterken en de interpretatie in een breder wetenschapstheoretisch kader verdiepen [VOOR].

 

Els Andringa is verbonden aan het Instituut voor Literatuurwetenschap van de Universiteit Utrecht

Bibliografie

Fricke, H. 1977. Die Sprache der Literaturwissenschaft. Textanalytische und philosophische Untersuchungen. München: Beck.
Harré, R. 1990. ‘Some narrative conventions of scientific discourse’. In: Chr. Nash (ed.), The writing scholar. Studies in academic discourse. Newbury/London/New Delhi: Sage Publications, 81-101
Kindt, W. & S.J. Schmidt 1976. Interpretationsanalyse. Argumentationsstrukturen in literaturwissenschaftlichen Interpretationen. München: Fink.

Bijlage

Van de onderstaande auteurs zijn de artikelen gebruikt.

Taalkunde Letterkunde
1985 Dik 1985 Wolfs
  de Rooij   Briosi
1986 Proeme 1986 Bel
  Schouten et alii   Meijer
1987 Sassen 1987 Wesseling
  Moerdijk   Wolfs
1988 Duinhoven 1988 Groen
1989 de Haan   Zwart
  Gerritsen & Brussaard 1989 de Jong
  Keijsper   Mulder
1990 Verhagen 1990 van Stralen
  Aarts   van Luxemburg-Albers
1991 Pardoen 1991 Poelstra
  Koefoed   Wiersma
1992 Schultink 1992 de Berg
  van As   Steenmeyer
1993 Bakema et alii 1993 Ruiter
  Hüning   Kloek
1994 Honselaar 1994 Goedegebuure
  Cornips   van Alphen