Forum der Letteren. Jaargang 1995


auteur: [tijdschrift] Forum der Letteren


bron: Forum der Letteren. Jaargang 1995. Smits drukkers-uitgevers, Den Haag 1995


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 278]

Het hybride karakter van pragmatische conventies
Douwe Fokkema

In de semiotiek wordt een onderscheid gemaakt tussen semantische, syntactische en pragmatische conventies, die in de produktie en receptie van teksten een rol spelen. Nu moet onmiddellijk worden toegegeven dat het onderscheid tussen deze drie soorten conventies niet bijzonder duidelijk is en dat met name de werking van pragmatische conventies nog weinig is bestudeerd. Voor deze onduidelijkheid zijn verschillende redenen aan te voeren.

1. Onvoldoende wordt beseft dat het zinvol is om in navolging van David Lewis in de literatuurwetenschap het begrip conventie op te vatten als een impliciete of expliciete overeenstemming tussen personen om onder bepaalde omstandigheden bepaalde taalverschijnselen op een bepaalde manier te interpreteren. Het conventiebegrip is een sociologisch concept, hoewel het door sociologen weinig wordt gebruikt, daar zij in de meeste gevallen waar literatuurwetenschappers over conventies spreken, het begrip ‘norm’ hanteren, overigens in een neutrale, niet normatieve betekenis. Dat heeft de socioloog W.C. Ultee tijdens de aio-cursus ‘Theorie en methoden van interdisciplinair onderzoek’ van de Onderzoekschool Literatuurwetenschap (14 juni 1995) duidelijk uiteengezet. Ik meen dat de term ‘norm,’ die in de literatuurwetenschap o.m. door de Tsjechische structuralisten Mukařovský en Vodička werd gehanteerd, in het literatuurwetenschappelijke onderzoek gemakkelijk tot misverstand aanleiding kan geven, omdat hij minder duidelijk impliceert dat de gedragsregel waarvan sprake is beperkt is tot de groep die zich erdoor laat leiden. Bovendien kan, juist in de bespreking van literaire communicatie, de term ‘norm’ ten onrechte aanleiding geven tot verwarring met een eventuele waardering door de onderzoeker.

2. Er bestaat onduidelijkheid over de onderlinge verhouding tussen de drie soorten conventies. Een tekst is een produkt dat op semantische en syntactische conventies berust. Het resultaat van de betekenistoekenningen en de tekstuele samenhang die de schrijver in gedachten had, ligt op controleerbare wijze voor ons. De lezer kan de toegekende betekenis van de woorden en hun onderlinge verband in veel gevallen met betrekkelijk grote zekerheid reconstrueren. In de jaren zeventig, toen de semiotiek een grote bloei doormaakte en de hoop op de ene adequate interpretatie of desnoods enkele duidelijk te onderscheiden interpretaties nog niet was opgegeven, had het zin de geïntendeerde betekenis en samenhang te reconstrueren of meerdere interpretatiemogelijkheden te construeren. Dit gebeurde steeds met verwijzing naar de tekst. Voor de reconstructie of constructie van pragmatische conventies was een dergelijk concreet aanknopingspunt niet aanwezig.

Pragmatische conventies bepalen het gedrag van schrijvers en lezers, waaronder hun omgang met taal en teksten. Pragmatische conventies bepalen onder welke voorwaarden welke semantische en syntactische conventies van toepassing zijn. Deze eenvoudige formulering was uitgangspunt in Modernist Conjectures (Fokkema en Ibsch 1988:31).

Posner komt na lang wikken en wegen tot een overeenkomstige conclusie:

[p. 279]

In conclusion I propose to call only those indicators and their messages ‘pragmatic’ that contribute to the process of interpretation which connects the signified of a given sign with the message intended in its production .... [Pragmatic are] all those features of the speaker's behavior that are not necessary parts of the communicated sign ... but can be used to interpret it.... Pragmatics studies the interpretant behavior of interpreters. (1991:136)

Duidelijker nog zegt Posner het twee jaar later in een artikel waarin hij de plaats van de semiotiek ten opzichte van het structuralisme en het poststructuralisme bespreekt. Hij schrijft dat pragmatische principes een additionele factor vormen die de tekeninterpretatie - die op basis van gecodeerde regels geschiedt - stuurt. (De oorspronkelijke tekst wordt onder punt 3 geciteerd.)

Er tekent zich nu een bepaalde hiërarchie af: pragmatische conventies legitimeren de keuze voor bepaalde semantische of syntactische conventies. Voorbeeld: in een winkel waarin kleding wordt verkocht kan het woord ‘pantalon’ nog wel gebruikt worden, daarbuiten in het geheel niet meer. De gebruikssituatie activeert bij de spreker een pragmatische conventie (waarvan hij of zij kennis heeft) op grond waarvan de keuze voor ‘broek’ dan wel ‘pantalon’ wordt gemaakt. Een bekend voorbeeld is ook de beleefdheidsvorm. De keuze tussen het afstandelijke ‘u’ en het vertrouwelijke ‘jij’ wordt door een pragmatische conventie bepaald. Pragmatische conventies beïnvloeden de activering van bepaalde semantische en syntactische conventies. De hiërarchische verhouding lijkt duidelijk, maar het feit dat de beslissingen op het hoogste niveau in de hiërarchie niet, of niet altijd, een aanleiding vinden in de tekst of het gebezigde taalgebruik heeft tot veel verwarring geleid, en onder meer tot de opvatting dat de tekstinterpretatie in het geheel niet door regels wordt gestuurd. Dit wordt onder punt 3 nader besproken.

3. Hoewel kennis van semantische en syntactische conventies niet voldoende is om te bepalen of een tekst op literaire dan wel zakelijke (journalistieke, wetenschappelijke enz.) wijze moet worden gelezen, is het een misverstand om te denken dat er geen conventies zijn die deze beslissing sturen. De esthetische conventie zoals S.J. Schmidt (1980) deze heeft geformuleerd is een pragmatische conventie, de literaire conventie in de omschrijving van Pagnini (1987) eveneens. Dat afhankelijk van reële of geconstrueerde contexten verschillende semantische en syntactische conventies van toepassing kunnen zijn betekent nog niet dat deze conventies in geen enkel opzicht geldig zijn. De regels voor betekenistoekenning worden niet ongedaan gemaakt door pragmatische conventies, maar erdoor geselecteerd en gelegitimeerd. Dit heeft Posner waarschijnlijk bedoeld toen hij enigszins lapidair de volgende stelling formuleerde:

Während die analytische Philosophie im Anschluss an Peirce und Morris eine Pragmatik ausgearbeitet hat, welche die Prinzipien und Maximen untersucht, die zusätzlich zu den Regeln des Kodes die Zeicheninterpretation leiten ..., vermischen die Poststrukturalisten die beiden Bereiche und benutzen pragmatische Prinzipien und Maximen, um Koderegeln zu relativieren und umgekehrt. (1993:225)

[p. 280]

Een overeenkomst tussen de poststructuralisten en de empirici is dat beide groeperingen erkennen dat interpretatie en andere vormen van tekstverwerking in principe totaal vrij zijn en tot de meest uiteenlopende resultaten kunnen leiden; het verschil tussen de twee groeperingen is dat de empirici tevens opmerken dat in de praktijk van de tekstverwerking blijkt dat bepaalde teksten vaker op een bepaalde manier of een beperkt aantal manieren worden geïnterpreteerd dan op andere manieren - die wel denkbaar zijn en in principe ook te effectueren maar waaraan kennelijk weinig behoefte bestaat. De verklaring van de betrekkelijk beperkte scala van gerealiseerde interpretaties van verreweg de meeste teksten ligt niet in Eco's intentio operis (1990), maar in de combinatie van geactiveerde semantische, syntactische en pragmatische conventies.

4. Het onderscheid tussen semantische, syntactische en pragmatische conventies stuit in de praktijk op moeilijkheden omdat de gebieden waarop zij van kracht zijn elkaar ten dele overlappen. Zo is het onjuist om te veronderstellen dat er nooit aanknopingspunten in een tekst zijn voor de activering van een bepaalde pragmatische conventie. Indien de eerste woorden van een tekst luiden: ‘er was eens,’ dan wordt hierdoor meteen de pragmatische conventie geactiveerd die de lezer vraagt om de tekst als een fictionele tekst te lezen. Ruth Ronen heeft gelijk als zij schrijft: ‘Fictionality is no longer defined as a property of texts’ (1994:3). Maar dit betekent niet dat er geen tekstkenmerken zijn die aanleiding kunnen vormen om tot een fictionele leeswijze te besluiten, of dat er geen tekstkenmerken zouden zijn die, als eenmaal de fictionele leeswijze is gekozen, die keuze met een meerwaarde aan informatie belonen. Onverlet blijft echter dat de keuze voor een fictionele leeswijze opgevat kan worden als de activering van een pragmatische conventie.

 

Pragmatische conventies worden door tekstkenmerken dan wel door contextkenmerken, met inbegrip van de intentie van de schrijver en/of de lezer, geactiveerd. Die activering kan dus ook geschieden op grond van bepaalde semantische en syntactische indicaties. Aangezien ook semantische en syntactische conventies soms verstrengeld zijn, bij voorbeeld in gevallen waar de woordbetekenis syntactische ambiguïteit moet opheffen, terwijl kennis van pragmatische conventies op haar beurt semantische ambiguïteit teniet kan doen, moet geconcludeerd worden dat de drie soorten conventies niet geheel onafhankelijk van elkaar opereren. Een dergelijke rigoureuze scheiding zou wel een fraai logisch systeem hebben opgeleverd, maar het communicerende en tekstverwerkende brein, zo moet ik concluderen, werkt niet altijd logisch. De overlappingen die zich in de praktijk in de drie conventiesystemen voordoen hebben vooral een economische motivering: met geringe middelen wordt het beoogde effect bereikt.

De vrijheid van interpretatie is niet zozeer in de semantische en syntactische conventies als wel in de pragmatische keuze voor een bepaalde leeswijze verankerd: fictioneel/zakelijk, literair/niet-literair, modernistisch/existentialistisch/postmodernistisch, enz. De pragmatische keuze voor één van deze leeswijzen heeft uiteraard gevolgen voor de interpretatie van de semantische en syntactische tekstkenmerken.

 

Douwe Fokkema is hoogleraar Literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht.

[p. 281]

Bibliografie

Eco, Umberto (1990). The Limits of Interpretation. Bloomington en Indianapolis: Indiana UP.
Fokkema, Douwe, en Elrud Ibsch (1988), Modernist Conjectures: A Mainstream in European Literature 1910-1940. London: C. Hurst.
Lewis, David K. (1969), Convention: A Philosophical Study. Cambridge, MA: Harvard UP.
Pagnini, Marcello (1987), The Pragmatics of Literature. Bloomington en Indianapolis: Indiana UP.
Posner, Roland (1991), ‘Research in Pragmatics after Morris,’ Dedalus: Revista portuguesa de literatura comparada 1:115-156.
Posner, Roland, (1993), ‘Semiotik diesseits und jenseits des Strukturalismus: Zum Verhältnis von Moderne und Postmoderne, Strukturalismus und Poststrukturalismus,’ Zeitschrift fur Semiotik 15:211-233.
Ronen, Ruth (1994), Possible Worlds in Literary Theory. Cambridge: Cambridge UP.
Schmidt, S.J. (1980), Grundriss der empirischen Literaturwissenschaft. 1: Der gesellschaftliche Handlungsbereich Literatur. Braunschweig en Wiesbaden: Vieweg.