De Franse Nederlanden / Les Pays-Bas Français. Jaargang 1979


auteur: [tijdschrift] Franse Nederlanden, De / Les Pays-Bas Français


bron: De Franse Nederlanden / Les Pays-Bas Français. Jaargang 1979. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem 1979


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 228]



illustratie

Eerste helft van bladzijde 123 uit het kasboek Verhille in Godewaarsvelde.


[p. 229]

De schrijftaal van de Westhoek in Frankrijk, eind van de 19e eeuw
Lexicon - 4
Cyriel Moeyaert

inspekteur Nederlands
leper (B)

De hierna volgende woordenlijst komt uitsluitend uit een kasboek van de wagenmakersfamilie Verhille in Godewaarsvelde tussen 1878 en 1895. Na deze laatste datum wordt alles op enkele woorden na in het Frans ingevuld, een Frans met sterk Vlaamse inslag natuurlijk.

August Verhille (gestorven ± 1900) had dit dikke kasboek (546 blz.) in Rijsel in de Rue de Paris gekocht, en heeft de traditie om het bij te houden in het Nederlands volgehouden tot hij de zaak aan z'n zoon Alidor Verhille (getrouwd op 17 november 1894) overgedaan heeft. Die zoon kon kennelijk ook nog Nederlands schrijven, maar vanaf 1895 wordt alles Frans. Ofschoon het Nederlands op school vanaf 1853 verboden was, zelfs als hulpmiddel om Frans te leren, behalve in en voor de katechisatie, blijken er hier en daar toch wel scholen geweest te zijn die verder Nederlandse les gaven. Zo werd er zeker Nederlands geleerd in de school van de Broeders Maristen in Kaaster, tot ongeveer op het eind van de vorige eeuw. Misschien was dat ook het geval in Steenbeke waar Broeder Dumolin (ps. van de Meule) les gaf in die tijd.

Zo'n Nederlands kasboek is zeker geen unikum; zo maakte smid Jules Deschodt van Zegerskappel z'n rekeningen (hier ‘nooten’ genoemd) in het Nederlands tot de jaren 1918-'19.

 

Het gaat in ons kasboek om technische taal natuurlijk, hoofdzakelijk zelfstandige naamwoorden, niet alleen landbouwgereedschappen, wagens en karren, maar ook meubels, weefgetouwen, huisraad kon deze fijne wagenmaker (veeleer een fijne timmerman) maken en herstellen. Uit de woordenlijst komt natuurlijk ook goed naar voren dat we in de hoppestreek zitten.

 

De taal zelf vervalt van het ene uiterste in het andere; schrijftaalwoorden zoals aardappel, weduwe, wederhebben (terugkrijgen), februarius, worden afgewisseld met pure dialektwoorden: den neld (helft), tus (thuis), bullige (kleine ‘bul’), heksche (hekje) enz. Dit is ook het geval met de spelling. Deze is gewoonlijk bij Desroches gebleven, maar is veel onvaster geworden als b.v. in de eerste bladzijden (1840) van het kasboek van de Rederijkerskamer van Eke, en dat is ook begrijpelijk. Zo vinden we ‘hekken’ en ook eeck (waar ‘hek’ bedoeld wordt), evenzo esschen en eysschen, stoel en stool, meulen, mulle en moelen, enz. U merkt dat de spelling door de plaatselijke uitspraak soms beïnvloed wordt. Zo wordt de h vaak weggelaten (arlequin, eeck, angaert, alf, anttave, voor harlekijn, hek, hangar, half,

[p. 230]



illustratie

Bladzijde 190 uit het kasboek Verhille in Godewaarsvelde.


[p. 231]

handhave) maar op z'n minst zo dikwijls hyperkorrekt toegevoegd (haenebelt, heffenhaere, hoolie, honderbolke, houde, voor aambeeld, effenaar, olie, onderbalk en oude). Plezierig zijn de uitspraakspellinggevallen: vooder, lofting, nasse, kleynsen, tans, voor: voorder, lochting ‘tuin’, as, verkleinen, tanden).

Graag wijs ik nog op twee kenmerken. Allereerst de ongewone rijkdom aan woorden, die vaak ook erg schilderachtig zijn zoals ‘everzwinoeselaere’, en verder het vrij grote aantal ABN-woorden en Middelnederlandse wendingen: verven, hek, smid, hamme, houweel zijn direkt Westvlaams van bij ons (of liever: niet meer), terwijl ook: tmynen huyse, tzynen huyse, staeye, koetse of kotse (voor: bij mij/hem thuis, stut, ledikant) bij ons zo goed als helemaal uitgestorven zijn. Het aantal Franse indringers blijkt wel toegenomen te zijn, maar was op dat ogenblik niet groter als bij ons: (conter)ressor (veer), trin (voorloper), bariere of bastiere zijn ook bij ons bekend; allleen batteuse (dorsmachine) kennen we hier niet.

Van harte dank ik de vele raadgevers en helpers van ter plaatse: allereerst de Z.E.H. Louis Verhille, zoon en kleinzoon van de ‘schrijvers’, verder Mevrouw Steenkiste (Meteren), Mevrouw E. Dordogne (Zermezele) en de Heren Vandevoorde (Steenvoorde) en Treutenaere (Zegerskappel), en de familie Terrier (Belle).

Lexicon.

Afkortingen.

De nummers tussen haakjes duiden de bladzij aan in het Kasboek van de wagenmakersfamilie Verhille in Godewaarsvelde (1878-1895).

Cav.: Dialogues flamands-français entre un cultivateur et ses domestiques, Duinkerke, 1844.
DB: De Bo, Westvlaamsch Idioticon.
Loq.: G. Gezelle, Loquela.
Mnl.: Middelnederlands (volgens Verdams Mnl. woordenb.).
Wvl.: Westvlaams.
Zvl.: Zuidvlaams, huidige streektaal van de Westhoek in Frankrijk.
Fr.: Frans.
Gal.: Gallicisme.
VD.: Van Dale's Groot Woordenboek.
spr.: spreek uit...
uitspraaksp.: uitspraakspelling.
westel. Wvl.: westelijk Westvlaams.
schrijft.: toen gebruikte schrijftaal in de Westhoek.

A

-abeel: hy heeft eenen abeel gekocht (13), Zvl. en ABN.
-aerdappel: 100 pont aerdappels (97), schrijft.
-affal: van het affal die ik verkocht hebbe (67); voor 18 francs affal verkocht (13), ‘afval’, uitspraaksp.
-agrinaege: 21 tans in de agrinaege (118), ‘tanden in het tandwiel’, spr.: aazje; Gal., Zvl.
-agterbart: een agterbart van de karre (76), ‘achterschot’.
-agterdeel: 2 speeken en 2 velgen in een agterdeel (33), ‘achtergedeelte van wagen’ of ‘agterwaegen’ (zie verder).
-agterschof: agterschof en voorschof (72); agterschof vermaekt (11), hetzelfde als ‘schofbart’ (zie s.v.) ‘plank, achterstuk van een wagen dat aangebracht of weggenomen kan worden’, Zvl.
[p. 232]
-agterste: agterste in schofbart van konder (10), ‘achterste stuk onderaan in “schofbart”’.
-agterwaegen: wiels vervelgt op den agterwaegen van den duwelwaegen (1), ‘soort aanhangwagen die op de langwagen van de zware wagen vastgemaakt wordt’, Zvl.
-agterwiel: agterwiels vermaekt (11), Zvl. en westel. Wvl. meervoudsvorm.
-agterwielzoole: agterwielzoole met houden steert (44), ‘ploeg op wielen achteraan’, Zvl., (met oude staart).
-allaem: al het allaem gemaekt, vrangen en ander werk (92), ‘gereedschap’, algemeen Znl.
-alf: eenen alven hectoliter kleyn graen (62), ‘half’, uitspraaksp.
-angaert: gevrocht om den angaert (123), ‘loods’, Zvl., uitspraaksp., klemtoon op an-,
-anthave: anthave om slipsteen (60), ‘handvat’ voor slijpsteen; uitspraaksp. voor Wvl. handhave (DB).
-anttave: anttave om de presse (93), ‘handvat’ voor pers (i.v.m. weefgetouw); id.
-apesteert, apsteert: 6 apesteerten (190), apsteert (150), ‘hakbijlsteel’, Wvl. uitspraaksp.
-arliquen: 6 arliquens (123), ‘handvatje aan touw van weefgetouw’ (naar ‘harlekijn’), Zvl.
-arrangeeren: van de waegens te arrangeeren en te helpen om de steenen te voeren (163), ‘in orde brengen’, ‘arrangeren’, VD.

B

-back: eenen back (26), eenen back om uyt te scheppen (41), eenen back om te pompen (102), ‘bak’, ‘aalbak’, ‘pompbak’.
-backwaegen: den backwaegen, zyn traemen (11), ‘kruiwagen’, zijn armen, nl. van een vroegere kruiwagen, Zvl.
-bachten: schof bachten in de karre (126), ‘van achter in de kar’ als bijw., vooral Zvl.
-babinestaen: scheermoelen en babinestaen (3), ‘standaard voor babijn, (zie DB, te onderscheiden van spoel en klos), term uit weverij., Wvl.
-baere: eene baere (163), 2 baeren op de waegkasse (163), ‘houten balk’, Gal.
-bak: bakken gemaekt om de koeyen (64), ‘eetbakken’, opvallend moderne spelling.
-bakwaegen: bakwaegen met houd wiel, zyn traemen (55), ‘kruiwagen’ (zie backwaegen).
-bank: den bank en zes naegels (13), ‘werkbank’.
-bariere: de bariere vermaekt (4), ‘hek’, Wvl.
-barre: 2 barres om het gaeren daerop te doen (102), ‘afgeronde staven’, spr. bare, Gal.
-bart: bart om de bitteraepmoelen (41), grond in den waegen, haer bart (43), ‘plank’, ‘bord’, Wvl.
-bastierhoupel: bastierhoupel voor 2 fr. 50 (65), ‘huifhoepel voor huifkar’, Wvl.
-bateuse: een wiel om de bateuse (90), ‘dorsmachine’, Gal. in Zvl. Westhoek ('t gaat om een riemschijf).
-baudt: back om baudt te tappen (6), ‘beer’, ‘aalt’ (bak onder de beerkar om de beer erin te tappen), Zvl.
-baudback: baudback (30), zie hiervoor.
-baudberie: baudberie met houde scheen (18), ‘stel met zijbalken waarop de beerton gezet kan worden, samen hiermee wordt ze op het onderstel van een kar gezet’.
[p. 233]
-baudcarlamoen: baudcarlamoen (1, 11), ‘zijbalk van beerkar’ (zie verder ‘lamoen’).
-baudcraene: eene baudcraene (31), ‘kraan voor beerton’.
-baudpompe: seule om baudpompe (30), ‘houten beerpomp’.
-baudroeder: baudroeder (32), ‘beerroerder’, uitspraaksp.
-benootbolke: benootbolke (14), ‘aanaardploegbalk’, Cav.
-benoote: een voetie op benoote (15), ‘aanaardploeg’, DB.
-benootkaeken: 2 benootkaeken (42), ‘zijkanten van aanaardploeg’, DB s.v. kaak, kake.
-benootsteert: twee benootsteerten (34), ‘staart van aanaardploeg’, DB s.v. steert.
-berlyne: eenen bak op de berlyne (55), ‘laddervormig voertuig voor biervaten’ (nl. voor Arthur Thuilliez ‘brasseur’ = brouwer), Zvl.
-berlynwiel: berlynwiels gevorven (55), zie hiervoor, Zvl. (de wielen waren dicht).
-berie: een berie om het bautcarteel (139), zie s.v. baudtberie; een berie voor op de tolle (36), ‘zitting op de rol’, Zvl.; 2 berien (160), ‘draagstel’ of ‘soort slee’, Zvl.
-bierboom: eenen bierboom (55), is ABN (gedragen door 2 mannen).
-bitteraepmoeleln: bitteraepmoelen, paeten uytgelangt (117), ‘bietenmolen’, Wvl., spr. bitteraapmulle(n).
-blok: blokken om: onder de getauwen (101), ‘houten steunblokken’; schofbart van de carre, 2 mekanik blokken (83), ‘houten blok als rem’, de blok in het Wvl.
-boekboomen: eene planke boekboomen hout (118), ‘beuk’.
-boerwaegen: eenen langwaegen in den boerwaegen (2), ‘boerenwagen’.
-bolke: bolke in de plof (8), ‘ploegbalk’, Wvl.
-boogzaege: eene boogzaege gelevert (32), ‘spanzaag’, Znl.
-boom: boom om de moelen om te boomen (129), ‘houten rol voor de molen om de ketting op te bomen’ (wev.); boom met hooge (129), ‘spaboom met oog’.
-boomen:...om te boomen (129), zie hiervoor: ‘opbomen’.
-boommoelen: boommoelen verdaen (124).
-boonmecanik: boonmecanikken (86), klein machientje om bonen te zaaien, DB (Wvl.).
-booten: booten doen houden (4), booten gedaen in de wiels (30), ‘ijzeren ring om de as’, Zvl.
-booranttave: booranttave (86), ‘handvat voor “hommelboor”’.
-bootersteert: bootersteert (18), ‘handvat van boothamer om vlas te boten’, Wvl. Misschien ‘zeisbooter’?
-bosse: voorwiels, houde bosse (144), (oude) ‘naaf’, Wvl.
-bost: 42 voet droge bost om de deuren (50), ‘halfronde bies’ vgl. DB. ‘bosting of bosse’ (Zvl.?).
-boum: wiel en boum in den steenput (100), ‘planken ronde “bodem” voor onder in de gemetselde put’ (het vermelde wiel heeft natuurlijk geen spaken), Wvl., Mnl. (in het Zvl. spr. boime).
-bout: 143 bouten gelevert (18), ‘moerbouten’.
-branckaer: branckaers voor 17 fr. (16), ‘sjeeslamoen’, Gal.
-branthout: branthout voor 1 fr. (118), ‘brandhout’.
-breedagterwiel: breedagterwiel vermaekt met 12 speeken (12), ‘achterwiel van breedwielwagen’, Wvl. (DB).
-breekarwiel: breekarwiels meter hooge (10), ‘breed wiel’.
-breevoorwiel: 2 breevoorwielen gemaekt en gevorven (6), ‘breed voorwiel’.
-broodpaele: broodpaele, nieuwen steert (97), ‘ovenpaal’ Wvl. (niet in DB of Loq.).
[p. 234]
-brugge: 5 bruggen, 1 fr. (1), ‘lat voor stoelzitting’, Zvl.
-bul: esschen bul (33), tolberie en bul gelapt (116), ‘boomstam’, ‘als rol gebruikte boomstam’, Zvl. (het bul).
-bullige: het bullige is erby gerekent (123), ‘boomstammetje’, westel. Wvl. en Zvl. verkleinvorm.
-bulster: bulster en verve (44), ‘kwast en verf’ (?); bulster in de wielzoole (44), ‘soort dwarshout in de ploeg’ (?), misschien soort grondverf telkens.
-bultoore: wiel gekleynst om de bultoore (118), ‘zeef bij de molenaar om te builen’ (onderdeel van windmolen), Zvl. (kleynsen betekent ‘verminderen’).
-bushausteert: bushausteert (45), ‘handvat van houw om een bos uit te roeien’, Zvl.
-busse: carwiel vermaekt met busse (39), ‘naaf’, Wvl.; busse om de tragter van den keern (75), waarschijnlijk ‘buis’ van de trechter v.d. karn, Wvl., spr. buze; het was een leren trechter (Steenvoorde).
-bustelaeresteert: twee frottersteerten, eenen bustelaeresteert (134), ‘bezem- of vegersteel’, Wvl., DB.

C

-calutwiel: calutwiels sprietschee (141), 2 calutwiels vermaekt (17), (?) vaag vervoermiddel.
-carette: carette (120), tweewielig carretje, met de hand of door hond of muilezel getrokken, Zvl.
-carettewiel: carettewiels vermaekt met 2 velgen (22).
-carthaemersteert: carthaemersteert (23), ‘steel van grote houten hamer’, Wvl., DB.
-carteel: carteel gevorven (10), ‘beerkar’, Wvl., DB.
-Catsberg: De Trappisten Casberg (120), ‘Katsberg’, landbouwgereedschap van de Trappistenabdij van de Katsberg op Godewaarsvelde werd hier hersteld.
-casin: stuk hout voor het casin boven bachten (101), ‘vensterkozijn’, spr. kassien, Zvl. (Wvl. de kassiene).
-chatte: eene chatte (122), 5 chatten, 2 regels om het getauw (101), chachten (122), ‘schachten of schaften van een weefgetouw’.
-charre: charre gepast op het inspit, riesterhouten en lap (137), ‘schaar’, ‘ploegschaar’, spr. sjarre, Wvl.
-charblok: charblok (113), ‘blokje om schaar op vast te maken’.
-cheviere: bart om de cheviere (50), zie ‘schiviere’, ‘soort berrie’, Zvl., niet in DB of Loq.
-clapet: een clapet op de wielzoole (10), ‘handvat’ (elders: clapit vermaekt [8]).
-clavie: clavie, zyn hout (32), ‘stuk hout in de vorm van een 8 om onder aan de wagen de reep aan vast te binden’, DB s.v. klavie (klemtoon op 1e lettergr.).
-conterleere: conterleere (7), ‘achterste ladder van een dubbele ladder’, niet in DB of Loq., Zvl.
-conterressor: een stuk om de conterressor in de carette (120), ‘deel van de veer van een hondekar om te voorkomen dat die te ver door zou buigen’, Zvl. spr. koenterressoor.

D

-diessel: eenen diessel, zyn hout (46), ‘dissel’, Wvl., uitspraaksp.
-distelsteert: distelsteert, 2 zesie strykers (92), ‘steel van een “dissel”, d.i. een erg schuine hak met tamelijk zwaar uitstekend hoofd’, spr. disselsteert (verkeerde spelling), Zvl. Zie hieronder?
[p. 235]
-disteltrekker: disteltrekker, inspit riesterhout (11), ‘gereedschap om distels te trekken, bestaande uit twee benen’, niet in DB of Loq., Zvl.
-dobbel: dobbelen hoeselaere vertant (70), ‘dubbel’, Wvl.
-dobbelleere: dobbelleere (54), ‘dubbele ladder’, Wvl.
-draeybanck: den draeybanck verdaen, staekhout gelevert (86), ‘draaibank’, ABN.
-draeyschamel: draeyschamel (3, 6; passim), ‘stuk hout waarop de voorkant van de wagen rust en dat kan draaien’, DB s.v. draaischamel, ook Mnl.
-draeystok: draeystok in de karre (7) wat DB ‘oelstok’ noemt (in Zvl. woelstok of wolstok).
-dry: dry hondert pont stroey (98), ‘drie’, Brabantse spellinginvloed; spr. drie.
-dryarnas: dryarnas (99), ‘zwengel voor drie paarden’, niet in DB of Loq.; zie DB s.v. harnas. Zvl.
-dryhaeksteert: 3 haeksteert (126), steel voor ‘drietand (mestvork)’, zie Loq. s.v. driehaak. Wvl.
-drykante: eene eegde drykante gemaekt (58), ‘driehoekig’; zie DB s.v. driekantte; Wvl.
-dueyer: dueyer om houpels te leggen (129), ‘voorwerp om te duwen’; spr. duuier; duwer of duiger in DB heeft een andere betekenis.
-duwel: langwaegen op duwel (4), ‘toestel om de naaf te draaien’ (L.V.), Zvl.; 5 scheen om duwel te rollen (123), ‘soort handwagentje’ (? i.v.m. weverij); in Steenvoorde heet een haktoestelletje (Wvl. braakmachientje) ook duwel.
-duwelwaegen: den agterwaegen van den duwelwaegen (2), wiels van den duwelwaegen (101), ‘zware wagen met kleine wielen om zware lasten te vervoeren’, Zvl.

E

-eegde: eegde vermaekt en de kruyne ingelaeten (139), ‘eg’ (de ‘kruyne’ verlaagd); eene eegde voor het saisoen (48),, ‘speciale erg voor de zaaitijd van de tarwe’ (Steenvoorde), ‘voor herfst of lente’ (Godewaarsvelde), Wvl.
-eegdeberie: eegdeberie (24), ‘wagentje op 2 wielen om de eg naar het veld te brengen’, Zvl.
-eegdetans: 10 fine eegdetans (2), ‘dunne egtanden’, Westel. Wvl. en Zvl. meervoud van ‘tand.
-eyken: eene eyken planke van 8 voet (26), ‘eiken’, spr. eeëken; schrijftaalspelling; eyken eynde gekocht aen hem (134), ‘eind eiken hout’, Wvl.
-eyschen: eyschen stuk om de bolke (100), ‘stuk essenhout’, Zvl. uitspraaksp.
-esschen: ik hebbe 144 fasseel esschen en olmen hout (93).
-everzwinouselaere: een everzwinouselaere, 5 bolken (93), ‘gereedschap om het land slingerend te eggen of te slepen’, beeldrijk verduidelijkt door het eerste stuk van de samenstelling ‘egel’, Wvl., zie DB s.v. oeselaar.

F

-fasseel: ik hebbe eenen boom gekocht... aen tien sols en alf het fasseel, rond de hondert fasseel (13), ‘houtmaat ong. 30 cm3’, zie DB s.v. fasceel.
-februarius: gerekend den 6 februarius 1877 (68), ‘februari’.
-fien: fine eegde gescherpt (126), ‘fijn’, Wvl., uitspraaksp.
-fleche: eene fleche in den trukbael (13), flesche en kip (12), ‘lange staaf, onder de wagen vastgemaakt, met haak om paarden in te spannen’, Zvl., waarschijnl. Gal. (zie Gallas s.v. flèche).
[p. 236]
-fonte: fonten ingedaen te Steenvoorde (12), ‘gietijzeren ring in de naaf om de as’ (‘indoen’ is ‘erin aanbrengen’), Zvl.
-Fransbroodpaele: Fransbroodpaele (32), ‘brede ovenpaal’ waarmee ‘broodjes’ of ‘lange broodjes voor in de soep’ in de oven geschoten worden’, Zvl.
-frottersteert: 2 frottersteerten (134), ‘grove-bezemstelen’, Zvl., Gal.

G

-gaerenboom: gaerenboom verdaen met barres op de eynden (102), ‘boom van het getouw waarop kettingdraden gewonden zijn’, Zvl. en ABN (garenboom).
-gaerenwinde: gaerenwinde verdaen (102), ‘voorwerp waarop garen gewonden is’, ‘haspel’, Zvl. en Mnl.
-geettekot: hout gedaen om geettekot (45), ‘geitenhok’.
-getauw: 10 latten om het getauw (101), de blokken om onder de getauwen (101), ‘getouw’.
-gereed: grooten zyngel, valeye gereed, van zyn hout (45), ‘“reeën” = klaarmaken’, Zvl. en Mnl.
-graenback: graenback vermaekt (118), ‘haverkist’.
-greepsteert: greepsteert (61), greepesteert (11), ‘greepsteel’, Wvl.
-grond: grond in de karre (4), ‘bodem’.
-grondschee: grondschee en twee zydscheen (60), ‘balk waarop de bodem vastgemaakt is’. Zie DB s.v. schee.
-grys: een pont en alf gryse verve aen 14 sols (130), ‘grijs’, Zvl. (Wvl. is griesde), spr. grieze.

H

-haek: haek om de baudkarre (18), ‘haak’.
-haeksteert: 2 haeksteerten (9), ‘mesthaakstelen’, Zvl.
-haemer: back om de haemers (118), ‘hamerbak’.
-haenebelt: eenen blok om het haenebelt (106); ‘aambeeld’, Zvl. volksetymologie: beeld van een haan...
-hamersteert: hamersteert, raekelsteert (45), ‘hamersteel’.
-hamme: eene hamme gekocht (46), ‘ham’, Zvl. en ABN.
-hapsteert: hapsteert (6), ‘haksteel’, Cav. happesteert.
-hauwmis: antave om een hauwmis (170), ‘hakmes’, Zvl. en Wvl. ‘hammes’ zie DB.
-hauwsteert: 6 hauwsteerten (190), ‘houwsteel’, Wvl. Cav.
-heffenhaere: eenen heffenhaere (100), heffenhaere vermaekt, getauw verdaen (124), ‘soort ladder om de keten van de “boomerie” uit mekaar te houden’, zie DB en Loq. s.v. effenaar.
-hek: schermoelen gemaekt met 8 houde hekken (102), ‘wiek’, Zvl.
-heksche: hout gelevert om het heksche (90), ‘hekje’, Zvl.
-hesch: de hesschen van Steenvoorde gebrocht (13), ‘es’.
-hoene: hoenen en zweeke (8), ‘de armen waartussen de dissel zit’, Wvl. zie DB s.v. oene.
-hoeselaere: hoeselare vertant met yseren tans (93), eenen hoeselaere met 105 tans (8), ‘slingerende sleepeg’, zie DB s.v. oeselaar.
-hoeyraekel: 2 hoeyraekels vertant (25), ‘hooihark’, Wvl. met merkwaardige Mnl. spelling van hoey.
-hoilie: stoop hoilie (18), ‘olie’, Zvl. uitspraaksp.; ‘stoop’ is 2 liter (zie: kanne en pinte).
-hommelboorvrange: hommelboorvrange (26), ‘kruk waarmee een boor gaten in de grond graaft om de hoppestaken te kunnen planten’, zie DB s.v. hommelboor.
-hommeleegde: hommeleegde (4), ‘eg voor hoppeveld’.
[p. 237]
-hommelhoeselaere: hommelhoeselaere vertant (32), ‘speciale sleepeg voor het hoppeveld’, niet in DB.
-hommelkarwiels: hommelkarwiels (50), ‘hoppekarwiel’, Zvl. meerv.
-hommelleere: hommelleere (5), ‘ladder voor hoppeveld’.
-hommelwupstaen: hommelwupstaen (11), ‘steunpunt voor ‘hommelwuppe’, zie hierna, Zvl.
-hommelwuppe: hommelwuppe (7,9), ‘soort hefboom om de hoppestaken uit de grond te wippen’, zie Loq.
-honderbolke: strobbeleegde vermaekt met honderbolke (41), ‘onderbalk’.
-honderschaliere: lasch in de honderschaliere (10), ‘onderste balk van een wagenladder’, zie DB s.v. onderschaliere’, Wvl.
-hoolie: 3 stoopen hoolie aen 10 sols de pinte (102), ‘olie’; stoop = 2 liter; pint = een halve liter.
-hooft: hooft en voorstuk in de groote karre (102), lif op de wielzoole en hooft (8), ‘voorste deel waar het paard ingespannen wordt’ (Godewaarsvelde); beter nog ‘hout waaraan zowel de ploegstaart als de ploegschaar vastzit’ zie DB zoolhoofd, VD, kip.
-hoofdbart: backwaegen vermaekt met hoofdbart (117), ‘voorste plank’.
-houck: houck in een eegde en 2 tans (3), ‘hoek’.
-houd: backwaegen, houd wiel (7), ‘oud’.
-houtbanck: eenen houtbanck (117), ‘schaafbank’? of ‘houtdraaibank’.
-houweelsteert: houweelsteert (8), ‘haksteel’, of ‘houweelsteel’.
-hoyeback: een hoyeback (203), ‘hooibak’.
-hulle: eene hulle op eenen pot (102), ‘deksel’, Wvl.; hulle op den put en leggers (102), ‘deksel’, Wvl.
-huys: hy heeft de kroone gebrocht tmynen huyse (13), ‘bij mij thuis’, Zvl., Mnl.; tzynen huyse (12), id.

I

-indoen: 15 tans ingedaen (5), ‘tanden aanbrengen’, Wvl.
-inlaeten: eegde ingelaeten met 5 tans (2), ‘de versleten eggetanden lager laten komen’, Zvl.
-inslaen: de voeten van de karre moeten ingeslaen zyn (59), vd. ‘ingeslagen’, Zvl. vd van inslaan.
-inspit: inspit, scheebart op den plof (5), ‘onderdeel waaraan de ploegschaar vastgemaakt is en waardoor dieper of minder diep geploegd wordt’, Wvl., DB.
-inverven: eenen plof ingevorven (38), ‘inverven’, Zvl. vd.

J

-jok: een jok voor 2 fr. (16), ‘juk’, Wvl., 2 jokken (113).

K

-kaffiemoelen: kaffiemoelen vermaekt (91), ‘koffiemolen’, Wvl., spr. kaffiemulle.
-kam: kammen ingedaen (19), ‘kam van weefgetouw'’.
-kanne: kanne houlie (126), ‘liter’, levend Zvl.
-kapmes: kapmes-anttaven (45), ‘hakmes’, Wvl. (anttaven zijn handvatten).
-kapback: eene kapback (17), ‘bak om vlees in te hakken’.
-karback/karbak: karback (31), nieuwe karbak met vlaeken, en verven (9), ‘bak van de kar’, niet in DB.
-karette: 2 voeten op de carette (23), zie carette.
-karhooft: karhooft in eene andere karre (103), ‘2 ronde schijven op mekaar, vooraan’, Zvl. (ook: draaihoofd).
[p. 238]
-karlamoen: een karlamoen, van zyn hout (10), zie: lamoen.
-karnasse: karnasse (63), ‘karas’, zie ‘nasse’.
-karte: 3 francs betaelt van karten aen den smidt (6), ‘ijzeren ringen voor karthamer’, zie DB: kerte.
-karthaemer: karthaemer (15), ‘beukhamer’, DB, Cav.
-karwaegen: karwaegen vermakt (4), ‘kruiwagen’, Zvl.
-karwiel: 2 karwiels (31), ‘karrewiel’, Zvl. meerv.
-kassche: het kassche verdaen (101), ‘kasje’. Eigen sp.
-kasse: kasse op den waegen (8), ‘wagenbak’, Wvl.; kasse vermaekt (110), ‘kast’, Wvl.
-keerenstaen: keerenstaen (11), ‘onderstel voor karn’, Wvl.
-keper: myn kepers, eenen van 17 fasseel (93), Zuidn.
-kemmelpat: 130 fasseel in den abeel van by het kemmelpat, zaegen betaelt (545), plaatsnaam?
-kinderwaegen: kinderwaegen, hommelwuppe vermaekt (45), ‘laag karretje’.
-kip: op het kip (4), een lif, flesche en kip (12), bij ploeg: zoolbalk of -hoofd (zie VD), bij wagen: ‘dwarsbalk boven achterwielen’, zie DB.
-kiste: 52 voet kisten (50), kisten, al bart (26), ‘kist’?
-klamp: 4 klampen en roenen (3), ‘spie’, ‘houten deurklink’, ‘houten belegstuk’ (b.v. klampen en lasch in het lamoen).
-kleynsen: eegde gekleynst (7), ‘verkleinen’, Zvl., Wvl.
-klopper: klopper op den steen (119).
-koetse: eene koetse gedaen (67), ‘beddekoetse’ = ledikant, Zvl. en Mnl.
-koeybak: 2 koeybakken (9), ‘voerbak voor koeien’, Wvl.
-kullen: 3 persen gekult (93), ‘op maat brengen’, Zvl.
-koeye: 20 koeyen aen 8 fr. yder (51), 5 koeyen (51), ‘kooi’? Mnl. spelling.
-konterleere: hommelleere en konterleere (181), zie ‘conterleere’.
-koolbak: koolbak (4), ‘kolenbak’, Wvl.
-koolzaetstecker: koolzaetstecker voor 1 fr. (141), ‘koolzaadgreep’?, Zvl.
-koppel: koppel voor wiels en gevorven (10), ‘band’.
-kortebondel: kortebondels gehad (2), ‘bundel van los, verward stro’.
-kotse: kotse gemaekt voor 27 fr. (27), ‘ledikant’, Zvl., Mnl.
-koyeblock: 2 koyeblocken (127), ‘blok aan “koeband”’.
-kraenetap: kraenetap (49), ‘tap van een kraan’.
-kroone: hy heeft eene kroone gekocht (13), ‘boomkruin’, Wvl.
-kruyne: de kruyne ingelaeten (139), ‘versterkte hoek van een eg waaraan het paard ingespannen wordt’, Zvl.
-kruyper: kruyper vermaekt (29), ‘soort stoppelploeg’ DB.
-kruyshooft: kruyshooft (28), 2 kruyshoofden (5), ‘vervangstuk voor dissel, om met één paard te rijden’, Wvl.
-kruyssen: 10 kruyssens op de manden (100), ‘twee gekruiste latten in het onderste van een mand’, Zvl.

L

-lae: stukken wulgen hout om eene lae (101), ‘raam in een weefstoel’, ‘la’, VD.
-lamoen: lamoen verhoogt (9), ‘zijbalken van onderstel van een wagen, waarop de berrie vastgemaakt wordt’, Zvl. (zeker niet het ABN ‘lamoen’).
-langwaegen: langwaegen gedaen in den grooten waegen (39), ‘de grote middelste onderbalk waarop de wagen rust’, Wvl. zie DB.
-lap: eenen lap om het bauwcarteel (17), lappen in den voorwaegen (9), ‘stuk hout om te lappen’, Wvl.
-lasch: lasch in een sterkhout (58), ‘las’, spr. lasj, ABN.
-legger: leggers op den waegen (144), ‘ligger’, ‘dwarsbalk’.
[p. 239]
-lif: karlamoen en lif (138), kip en lif in den grooten waegen (144), waegen vermaekt met 2 livens (96), ‘stuk van het lamoen’, spr. lief (met korte ie).
-lindzaedeegde: lindzaedeegde vertant met 25 tans (8) ‘eg gebruikt vóór het zaaien van lijnzaad’, hyperkorrekte spelling.
-loftingeeck: eene staeke om het loftingeeck (3), ‘tuinhekje’, uitspraaksp.

M

-macksteert/maksteert: 12 macksteerten (121), maksteert (144), ‘herdersschopje-steel’, Wvl. DB (mak).
-malkwaegen: malkwaegen verdaen (121), ‘melkwagen’, uitspraaksp. in streek van Belle (elders: melkwaegen [121]).
-mandekruyssen: 22 mandekruyssens (3), zie kruyssen.
-mastikken: barrière gemastikt met 2 pont mastik (126), ‘met stopverf bestrijken’, spr. mastieken, Wvl., Gal.
-mecanik/mecaniek: mecanik voeten (2), mecanik stuk en voeten op de karette (121), ‘rem’, DB, Gal.; mecanik om boonen te braeken (66), ‘schoffelmachientje’; mecanik om boonen te zaeyen (176), zie: boonmecanik.
-merschberie: merschberie (8), ‘mestberrie’, zie: berie, hyperkorrekte sp. (uitspraak is ‘mesj’).
-meschhaeksteert: meschhhaeksteert (5), mesthaaksteel’ (niet in DB), spr. mesj. Cav. kent mesthaek.
-meschwaegen: langwaegen in den meschwaegen (110), ‘mestwagen’, spr. mesj.
-meulen/mulle: den meulen verdaen van de berline (121), (waegen) verdaen met nieuwe mulle (116), ‘draaischamel’.
-middelwaegen: kasse op den middelwaegen (91), er is ook sprake van ‘den kleynen waegen’.
-moernaegel: 125 moernaegels gelevert (50), ‘moerschroef’ (grote spijkers met koppen door de smid gemaakt).
-monteren: zaege gemonteert (107), ‘in mekaar zetten’.
-mourrebout: 6 mourrebouten (190), ‘moerbout’.

N

-naegel: betaelt aen Weens van naegels en bouten (28), ‘spijker’, Weens was de smid.
-naer; hy heeft gegaen om boomen naer Bouscheper (sic) (49), Zvl. zinsstruktuur: niet -ww rest naar de uitloop.
-nasse: nieuwe nasse (3), nasse verpast (65), ‘as’, typisch geval van voorvoeging ofte protesis.
-nassebun: 2 planken om de nassebuns (7), waarschijnlijk ‘nassebul’ = stuk hout waarin de as loopt.
-nettoyeur: wiel om de nettoyeur (119), i.v.m. windmolen, Gal.
-nouvembre: 14 nouvembre (5), ‘november’, uitspraaksp.

O

-olmen: 4 voet olmen bart (148), ‘olmen’.
-om: staeke om het loftingeeck (4), ‘voor’ (passim), Zvl., Mnl.
-onderbolke: eene onderbolke (120), ‘balk in een eg’.
-onderhoute: onderhoute in de karre (30), ‘dwarshout’.
-onderschaliere: 2 lasschen in de onderschaliere (4), ‘onderzijbalk van de wagenladder = zijkant van de wagenbak’, Wvl. DB.
-ontfaen: ontfaen 34 fr. (42), ‘ontvangen’, Mnl.
-ooge: spaeboom met ooge (37), ‘oogvormig handvat’; oogen voorlooper (113), ‘hoge’, uitspraaksp.
[p. 240]
-opperhoute: eene karrebak gemaekt met houde opperhouten (22).
-opperschaliere: eene houde opperschaliere (23), bovenzijbalk van de wagenladder’ (zie onderschaliere), DB.
-ousselaere, ousselaere (148), zie hoesselaere.

P

-paele: paele om francs brood (139), zie fransbroodpaele; groote paele en kleyne paele (32), ‘ovenschop’, Wvl.
-paet: paeten (10), ‘(stoel)poot’, Zvl.
-passagie: 2 passagie defendue (139), ‘bordje met verboden toegang’, Gal.
-paterie: 3 karwaegens voor de paterie (130), ‘klooster’ (hier van Trappisten), Zvl.
-perdeback: den perdeback den neld gedaen (55), ‘eetbak voor paard’, Wvl.
-perse/persche: persen gescherpt (6), ‘hoppestaak’, Wvl.; perschen gescherpt (117), id.
-pikhaeksteert/pekhaeksteert: pikhaeksteert (86), pekhaeksteert (9), ‘handvat van haak bij zeis’, Wvl.
-piksteert: 2 piksteerten (86), ‘zeishandvat’, Wvl.
-pikwerf: 2 pikwerven (14), ‘steel van een zeis’, Wvl. DB.
-pinne: pinne gedaen in de ander schee (15), ‘pin’, Wvl.
-pinsesteert: pinsesteert (4), ‘koevoetsteel’, ‘gereedschap om een zwaar gewicht te pinsen’ = ‘op te kruien’, Zvl.
-pinte: 4 pinten olie (82), ‘halve liter’, Zvl. zie: kanne.
-pissine: 18 latten pissine (101), ‘urinoir’, Wvl.
-plantsoen/plansoen: plantsoenentoppen (40), ‘eiken’ of ‘jonge eiken, boompjes’ (hier de toppen ervan), zie DB.
-p(latschamel: hoenen, platschamel (12), ‘hout onder draaischamel’, DB.
-plof: bolke in den plof (8), ‘aanaardploeg’, Zvl.
-plofblokie: 25 oust, plofblokje 5 fr. (141), ‘ploegblokje’, spr. blokje.
-plofbolke: plofbolke (15), ‘ploegbalk’.
-plofsteert: plofsteert (6), ‘ploegstaart’.
-plofvoetie: plofvoetie (8), ‘houten onderstel waarop het voorste van de ploeg sleept’, zie DB voetjesploeg; spr. voetje.
-pointe: pont pointen (27), ‘dunne spijker’, ‘met de machine gemaakt’, een ‘nagel’ werd gesmeed.
-poorte: poorten en barieren gevorven (8), ‘hek met volle panelen’, Zvl.
-pompherte: een pompherte (14), ‘zuiger’, Zvl.
-pompesteert: pompesteert (119), ‘pompzwengel’, Wvl.
-presse: stuk om de presse (122), anttave om de presse (93), ‘pers’, o.m. voor het weven’? (1e geval).
-pupegaele: pupegaele vermaekt (54), ‘kruiwagen’, westel. Wvl.

R

-raekelhoute: raekelhoute (14), ‘dwarshout van hark’, Zvl.
-rasion: 35 rasions stroey (98), ‘rantsoen’, ‘bundel’, Zvl.
-rattetraepe: rattetraepe (58), ‘ratteval’, Wvl.
-rechterhoute: instel rechterhoute op wielzoole (140), ‘stuk hout om te richten’?
-regel: karbak vermaekt met zweeke, bart en regels (25), ‘als 't ware de sporten van wagenladder’, zie: onderschaliere; 2 regels om het getauw (102), ‘zelfde zijversterkingen aan het weefgetouw’.
-reken: gerekend en voldaen (91), ‘afrekenen’, bussen niet te reken (13), ‘rekenen’, Wvl., Mnl.
-riesterblok: riesterblok (98), riester = ‘stuk ijzer achter de schaar’, ‘blok waaraan riester vastzit’, DB.
[p. 241]
-riesterhoute: inspit, riesterhouten (8), id., Zvl.
-riestertap: riestertap (40), ‘verstelbaar voetje waardoor al dan niet dieper geploegd kan worden’, Zvl.
-riet: regel om een riet van het getauw (123), ‘riet’ (het Zvl. riet is een de-woord), ‘raam met staafjes om weefsel aan te drukken’, zie VD.
-roefel: eenen roefel (9), ‘grove hark’, DB en Kiliaen.
-roeme: den waegen vermaekt met kip, schaere, sterkhout, lasch, roeme, schalierelasch (24), ‘houten stang op draaischamel en kip van vrachtwagen’, zie DB ‘ronge’, Wvl.
-rolle: rolle om den gaerenboom (122), rolle om te boomen (122), ‘spoel om schering op de garenboom te winden’.
-rolwaegen: rolwaegen vermaekt (135), ‘rolwagen’ (om kinderen te leren lopen), VD, of ‘handkarretje’.
-ronde: ronde op het wiel van de bultoore (119), ‘ronde schijf’?
-Roukrushille: gegaen naer Roukrushille (48), wijk Rouckelooshille (in Vleteren), volksetymologie (de naam staat op een transformatorhuisje).

S

-saevel: 4 saevels om de getauwen (12), ‘plat hout met handvat om de inslag aan te slaan’, ‘sabel’ (volgens VD).
-schacht/schaecht/schat: 8 schachten... om de getauwen (102), 8 schaechten (3), 4 schatten (102), ‘soort kam om de ketting te verdelen’, zie VD, schacht, 4e.
-schaefbank: schaefbank (129), ‘schaafbank’.
-schaere: kip; lif en schaere (4) (wagen), ‘twee kromme houten die de achteras met het midden van langwagen verbinden’, DB, Wvl.
-schaliere/saliere: de schaliere geleegt in eenen dag (5), waegen vermaekt met lasschen in de salieren (90), ‘wagenladder’ (ook kake), Wvl. DB (geleegt = verlaagd).
-scharblok: inspit, scharblok (15), ‘waaraan de ploegschaar vastzit’, zie charblok.
-schee: 3 scheen (9), schee in den spriet (6), ‘verbinding tussen grotere stukken, b.v. opper- en onderschaliere’, ‘regel’, ‘vertikale lat in wagenladder’, Wvl., DB.
-scheebart: scheebart in de benoote (9), scheebert op den plof (5), ‘schee tussen zoolhoofd en ploegbalk’, Wvl., DB.
-scheermoelen/schermoelen: scheermoelen en babinestaen (3), grooten schermoelen gemaekt met 8 houde hekken (102), ‘molentje waarmee de schering (ketting) klaargemaakt wordt’ (hekken = wieken), Zvl. (ABN scheerraam?), spr. schèèrmulle.
-scheurraekel: scheurraekel zonder steert (01), ‘schuurhark om het korte stro te scheiden van het kaf’, Zvl. (niet in DB of Loq.).
-scheurraekelhoute: scheurraekelhoute, 2 tans (107), ‘stuk hout waarin de tanden van de hark vastzitten’, Zvl.
-schiviere: schiviere vermaekt (50), ‘berrie’, Zvl.
-schof: 3 schof gevrocht (37), ‘4e deel van een dag’, ‘tijd tussen 2 rusttijden’, Wvl. DB, VD (Zn.), na bep. hoofdtelwoord is er geen meervoudsvorm, zoals bij jaar, uur, kwartier...
-schofbart: schofbart in de karre (13), schofbart vooren op den grooten waegen (2), zie: agterbart, voorbart, Zvl. (niet in DB of Loq.).
-schootelsteert: 3 schootelsteerten (180), ‘steel van baudschotel’ = ‘beerlepel’, Zvl. ‘sjuttel’.
-schoppesteert/schopsteert: schoppesteert (45), 3 schopsteerten (2), ‘schopsteel’, (Wvl. veeleer: schuppe of schippe).
-schraege: schraege (3), ‘schraag’.
[p. 242]
-schrooden: voorwiels geschroot (144), DB zegt ‘afsnijden rond de kant’, Westel. Wvl. e., Zvl. schrooyen bij Kiliaen.
-schudder: 4 schudders om de bateuse (138).
-schudvorksteert: 3 schudvorksteerten (132), ‘steel voor vork om te schudden’ (korte houten vork), niet zoals in DB.
-schufloop: 4 schufloopen 8 tans (107), ‘schijfloop’, spr. sjuuf, Wvl.
-schuve: eene schuve (75), ‘houten grendel’ of iets anders wat geschoven kan worden... (VD, schuif).
-schuvewiel: een schuvewiel (24), ‘schijfloop’, Wvl. (niet in DB).
-seule. seule om de pompe (148), ‘zuigertje’, Wvl.
-sierse: de wielen verkocht van hunne sierse (59), ‘sjees’ (tweewielig), hyperkorrekte spelling.
-siersewiel/seersewiel: siersewiels (59), eene speeke in het seersewiel (16), ‘sjeeswiel’, spr. sieze.
-sinter: sinter verdaen (1), een nieuw sinter gemaekt (1), ‘half rond bolvormig deksel voor boven op de beerput’, Zvl. Gal. (vgl. cintre).
-slaeder/sladder/selaeder: eenen slaeder (102), 6 slaeders om de getauwen (124), 7 sladders (123), eenen selaeder om het groot getauw (122): ‘slaglat of slagstang van een weefgetouw’, Zvl. E. Dijkmeyer spreekt ook van een ‘slagstok’ die maakt dat de schietspoel naar de andere kant vliegt (Textiel II, p. 93).
-slee: slee vermaekt, ander kruyshooft (10), ‘slee’.
-sleeper: sleeper (5), zie: sleephout, niet in DB.
-sleephout: een sleephout (141), ‘eg met korte schuine tanden’, Wvl., DB.
-sleepraekel: sleepraekel (14), ‘soort hark’ (niet in DB), deze hark is zowat 1,50 m breed, heeft lange tanden en dient om de korte halmen op het veld op te harken.
-slipback: slipback in eyken hout (45), ‘slijpsteenbak’, spr. sliepbak.
-slipblok: eenen slipblok (108), ‘uitgehold blok hout waarin de slijpsteen ronddraait’, spr. sliepblok.
-slipsteen: slipsteen voor 3 fr. (10), ‘slijpsteen’.
-slipsteenblock: slipsteenblock (72), hetzelfde als slipblok; spr. sliepsteenblok.
-smissekot: 30 voet bart om het smissekot (101), ‘smissehok’, Wvl. = smesse, Zvl. = smisse.
-snipeert/snypeert: snipeert vermaekt (119), het snypeert verdaen (8), ‘toestel om stro te snijden’, Wvl., DB.
-spaeboom: eenen spaeboom (24), ‘spasteel’, Wvl., DB.
-spaesteert: spaesteerten met krikken, spaesteert met ooge (45), ‘spasteel’ met kruk of oog als handvat.
-speeke: 2 speeken (2), speeke (27), ‘spaak’, Wvl.
-spietschee: sprietschee (8), soort ‘schee’.
-sprinkel: sprinkels (2), 16 stoelen, paeten en zyden, sprinkels gelevert (10), ‘sport van ladder of stoel’, Zvl., vager in DB s.v. sprenkel/sprinkel.
-staen: staen om te boomen (101), ‘stander voor de zgn. boomerie die vastzit in de grond’; staen om de hommelwuppe (7), ‘steunpunt’, Wvl.
-staender: staender om de hommelwuppe (7), ‘steunpunt’, Wvl.
-staeye: eene staeye in eycken hout (102), (weverij), ‘stut’, Zvl. en Mnl. (Fr. étai komt hiervan).
-staf: vril en staf (63), zie vrilstaf.
-steen: steen (meerv.) gedaen rond de bitteraephoop (43).
-steenback: eenen steenback op den waegen (34), ‘steenbak’.
-steert: eenen steert om de pompe (25), ‘pompzwengel’, Wvl.
-sterckhout: lasch in sterckhout (2), ‘steunpunt onder in aanaardploeg, onder de kaken’, Zvl.
[p. 243]
-sterklasch: sterklasch bachten 2 blokken (145), ‘sterke las’?
-stikstok: stikstok (103), ‘stok van knotwilg voor de haag’, ‘z'(h)ee(f)t haar lyk stiekstoks’ (Meteren).
-stoel/stool: stoels vermaekt (6), stools vermaekt (7); 6 stoelen om hommel te plokken (63), stoel, Zvl. meervoud.
-stok: 8 stokken om de getauwen (123), ‘stok’.
-striekbael: wiel striekbaels (12), ‘boomezel’, Zvl. zie briekbaelwiel.
-strobbeleegde: 3 kante strobbeleegde (144), ‘stoppeleg’, westel. Wvl.
-stuper: stuper, scheebart (9), ‘hout dat langs de grond strijkt’ (vgl. Wvl. stuipen), Zvl.
-suikerboontop: 100 suikerboontoppen (93), ‘rijsje’, Zvl. (sic: ui, niet: uy).

T

-tafel: tafel vermaekt om koolen te meeten, en schraege (3), ‘soort werktafel’.
-tap: tap om de bautkraene (116), tap om den tragter (59), tap om keern (59), ‘tap’; tappen om het wiel van de presser (92), ‘spil’.
-terve: hy heeft dry hectoliters terve gelevert (62), ‘tarwe’, Zvl.
-Thieuwshouck: 8 gehaelt naer Thieuwshouck (13), wijknaam in Kaaster.
-thus/tus: eegde ingelaeten tzynen thus (141); tus gevrocht voor 3 fr. (126), ‘thuis’, spr. tuus.
-toebehoorte: grooten scheermoelen en toebehoorte (101), ‘wat erbij hoort’, Zn. volgens VD.
-tolbul: een tolbul (45), ‘boomstam als rol’, Zvl.
-tolkaeke: tolkaeken gelapt (150), ‘zijkanten van rol’, Zvl.
-tolle: eene tolle en kaeken (42), ‘rol’, westel. Wvl.
-tolleschee: tolleschee (11), ‘verbinding tussen kaken’ (zie: schee), ook in DB.
-tragter: tap om den tragter (59), ‘trechtervormig achterdeel van de wagen’.
-travaliestok/travaillestok: travaliestok (129), travaillestokken (129), ‘stok in hoefstal om voet van paard op te leggen’, Wvl.
-trikbaelwiel: trikbaelwiels (15), ‘boomezelwiel’, Wvl., DB.
-trin: trin van den melkwaegen (180), ‘voorloper’, Gal.
-trog: eenen trog gemaekt (59), ‘trog’.
-trukbaelnasse: trukbaelnasse (12), ‘boomezelas’, Wvl.
-tween: dag gevrocht met tween (13), ‘tweeën’, Wvl.

U

-uytlangen: karre uytgelanht met sterkhouten en bart (82), ‘langer maken’, Wvl.

V

-vaan: back om baudt te vaan (34), ‘vangen’, Zvl., Mnl., uitspraaksp.
-valeye: eene valeye (2), ‘zware zwengel’, Wvl., Gal., DB.
-velge: houde velgen (88), (oude) ‘velg’, Wvl.
-verbussen: voiturewiel verbus (sic) (108), ‘nieuwe naaf aanbrengen’, spr. verbust, Zvl.
-verspeken: agterwiel verspikt (108), calutwiel verspekt (83), ‘nieuwe spaken aanbrengen’, Wvl., DB.
-versprinkelen: karwaegen versprinkelt, boom gekult (97), ‘nieuwe latten aanbrengen’ (elders: nieuwe sporten), Zvl.
-vertanden: eene eegde vertant (39), ‘nieuwe tanden aanbrengen’, Wvl., Cav., DB.
[p. 244]
-verve: verve (3), ‘verf’, Zvl. (Wvl. = verwe).
-vervelgen: wiels vervelgd (2), ‘nieuwe velgen aanbrengen’.
-verven: gevorven (6 en passim), Zvl. verven is sterk ww. verven, vorf, gevorven (niet in Wvl.).
-vierkante: nog een stuk 40 vierkante (118), ‘vierkant’, Wvl., DB.
-4-dumers: betaelt van de 4-dumers (12), ‘soort wiel’ (4 duim breed) (er bestaan ook 5-dumers [12]).
-vilbanck: vilbanck (101), ‘vijlbank’, spr. vielbank.
-vilen: zaege verdaen en gevilt (117), ‘vijlen’.
-vlaeke: vlaeken verpast (28), ‘zijkant van wagen’, boven de ‘schalieren’, Wvl., DB.
-voet/voetie: voetie, houde schee (34), ‘voetje’, ‘steunhout’.
-vooder: vooder op 88 (13), ‘verder’, uitspraaksp.
-voorbart: een voorbart in den back (75), ‘voorschot’, Wvl.
-voorlooper: hoogen voorlooper (30), ‘midden-voorwiel’, DB.
-voorroeme: voorroeme (9), voorroemen (9), zie: roeme, Wvl.
-voorschee: karbak vermaekt met grond, voorschee en lasch (130), ‘plankje op voeg’, tegenover achterschee (eronder), Wvl., zie DB.
-voorschof: waegen vermaekt met... voorschof (28), ‘voorschot’, vergelijk met: afterschof, Zvl.
-voorwaegen: voorwaegen voor 30 fr. (91), ‘voorwielen + vooras’, Wvl., DB.
-vouture: vouture om den brouwer (122), ‘koets’, ook: voiture, uitspraaksp., Gal.
-vorksteert: vorksteert (41), ‘vorkesteel’, Wvl.
-vrange: vrange om de bitteraepmoelen (127), ‘kruk’, Wvl.
-vril: eenen vril (11), ‘vlegel’, Zvl. (vrei in Loq.).
-vrilstaf: vrilstaf (144), ‘vlegelsteel’, -staf = Zn., DB. (meervoud: 2 vrilstaffen (91), hyperkorrekt?).
-5-dumwaegen: den grooten 5-dumwaegen vermaekt (88), ‘wagen met wielen van 5 duim breedte’, Zvl.

W

-waegekasse: lasch in waegekasse (25), ‘wagenbak’, Wvl.
-waschmachine: eene waschmachine voor 25 fr. (4).
-waterkuk: eene kraene om het waterkuk (113) ‘grote kuip’ (regenton).
-weder:...om weder te hebben (46), ‘terug te krijgen’, schrijft. voor: were t'(h)en.
-weduwe: aen de weduwe Verschaeve (11), schrijft.
-weerde: het hoyt dat hy gebrocht heeft is my in weerde 20 fr. (46), ‘is mij zoveel waard’, Zvl.?
-wemelyser: wemelyser, 20 (92), ‘ijzer van spijkerboor’, Zvl. Mnl.
-werf: 4 werven gelascht (10), zie: pikwerf.
-werflasch: werflasch (6), ‘las’, spr. lasj, Zvl. (niet in DB).
-wiel: wiel en boum om de steenpit (100), ‘wiel zonder spaken’.
-wielzoole: wielzoole (8), ‘wielploeg’, Zvl.
-wielzoolhooft: wielzoolhooft (44), zie: hooft. (Ook: wielzoolsteert = ploegstaart).
-winde/wynde: winden vermaekt (129), ‘soort klos’ (weverij: de draad komt van de haspel op de winde); wynde om yserdraed (93), ‘grote klos om de draad van de hoppestaken op te winden na de oogst’, DB.
-windmoelen: windmoelen vermaekt (102), ‘wanmolen’, DB, spr. mulle.
-windmoelenblok: windmoelenblok (24), misschien ‘blok waarin de wieken van de wanmolen vastzitten’?
-winkel: gevrocht in mynen winkel (13), ‘werkwinkel’, ABN.
-weuwde: gaeten gekapt in de weuwde (41)?
[p. 245]
-wulgen: wulgen planke (86), ‘wilgen’, ook: wilgen (46).
-wuppe: eene wuppe om den waegen te smouten (130), ‘wip om wielen, naaf, assen, enz. te kunnen smeren’, Wvl.
-wupslot: wupslot (101), ‘slot van een wipkar’?

Y

-yeder: 12 hauwsteerten aen 12 sols yeder (163), ‘ieder’.
-yeseren: de yeseren berline (163), ‘ijzeren’.
-yserwerk: betaelt aen Vanpeene van yserwerk (22); ‘ijzerwerk’ (Vanpeene is de smid).

Z

-zaedeegde: eene zaedeegde (42), ‘zaaieg’, Zvl. (Loq. zaaieegde).
-zaegestellinge: zaegestellinge (17), ‘raam voor een zware boomzaag’, zie DB s.v. stellingzaag, Wvl.
-zeegols: grooten zeegols (130), ‘zeis’ of ‘sikkel’?
-zesbolker: 6-bolker vertant met 49 tans (9), ‘eg met 6 balken’, Zvl.
-zesie: 2 zesie strykers (92)?
-zet: 6 zetten om de getauwen (122), ‘zitting’, ‘plank om: op te zitten’; drie eyken zetten om in den steenput (122), ‘steunbalk’?
-zigter: een zigter om de bateuse (151), ‘zeef’.
-zittebart: zittebart (139), ‘zitplank in een sjees’, Zvl.
-zolderwaegen: zolderwaegen 5 fr. (101), ‘wagentje om op zolder zakken te vervoeren’, Wvl., niet in DB, Loq.
-zoolbolke: zoolbolke (115), ‘ploegbalk’, zie VD: V. kip.
-zoolhooft: zoolhooft (33), hetzelfde als kip, VD. ibid., DB.
-zoolwiel: zoolwiels gevorven (150), ‘ploegwiel’.
-zoolzyngel: zoolzyngel (5), ‘ploegzwengel’.
-zydbart: waegekasse... oud zydbart (23), ‘ziyschot’, Wvl.
-zydbolke: zydbolke, zyn hout (58), ‘zijbalk’.
-zyde: ander zyde 12 (144), ‘z.o.z.’ Zvl. omgangstaal. Ook: ‘zijbalk van een ladder’, zie: sprinkel.
-zydedeel: zydedeel van een plofsteert (6), ‘zijkantdeel’.
-zydschee: 2 zydscheen (wagen) (12), ‘sport wagenladder’.
-zyneback: zyneback (11), ‘kooi om een zwijn in te vervoeren’, Zvl., spr. zwienebak.
-zynegetug: het zynegetug vermaekt en verpast (46), zie: ‘schee’ (hierna: zynescheel)? spr. zwienegetuug.
-zynekot: zynekot vermaekt (36), ‘varkenshok’, spr. zwienekot.
-zynescheel: 4 zynescheels (32), ‘raam van drie stokken om de hals van een varken, om het te beletten uit te breken’, zie DB s.v. schiedel, Zvl., spr. zwienescheel.
-zyngel: grooten zyngel (23), ‘zwengel’, spr. zwiengel, Wvl.
-zweeke: zweeke in den grooten waegen (13), ‘stuk hout boven de vooras waarop de draaischamel rust’, DB geeft alleen ploegzweeke aan. Syn. is platschamel.
-zwingel: eenen zwingel (4), ‘zwengel’, Cav.

Résumé:

Le lexique qui suit a été établi exclusivement à l'aide d'un livre de caisse de la famille Verhille, charrons à Godewaersvelde entre 1878 et 1895. A quelques exceptions près, tout est écrit en français après cette date, un français bien sûr fortement influencé par le flamand.

 

August Verhille (décédé vers 1900) avait acheté un gros livre de caisse

[p. 246]

(546 pages) dans la rue de Paris à Lille. La tradition de tenir à jour le livre de caisse en néerlandais a été maintenue jusqu'au jour où il a cédé l'affaire à son fils Alidor Verhille (marié le 17 novembre 1894). Le fils maîtrisait apparemment quelque peu le néerlandais écrit, mais dès 1895, tout est écrit en français. On sait qu'à l'exception toutefois des leçons de catéchisme, le néerlandais était interdit à l'école dès 1853, même comme moyen pour apprendre le français. Malgré cette mesure, il semble que ci et là quelques écoles aient continué à enseigner le néerlandais. Ainsi, il est presque certain que les Frères maristes de Caestre ont continué à enseigner le néerlandais jusque vers la fin du siècle dernier. Il n'est pas exclu que ce fut aussi le cas à Steenbecque où, à l'époque, le frère Dumolin (pseudonyme de Van de Meule) assurait l'enseignement.

 

Ce livre de caisse ne constitue pourtant pas l'unique témoin dans son genre: à Zegerskappel, le forgeron Jules Deschadt a rédigé ses comptes (appelés ici des ‘notes’) en néerlandais jusqu'en 1919.

 

Dans ce livre de caisse, il s'agit essentiellement de langue technique et plus particulièrement de noms communs. Notre charron était plutôt un excellent menuisier, qui réparait et frabriquait aussi bien des outils pour l'agriculture, des charrettes et des chariots que des meubles, des métiers à tisser et du mobilier divers. Le lexique fait clairement apparaître que nous nous trouvons dans la région du houblon.

 

La langue même du livre de caisse est fort divergente: nous trouvons aussi bien des mots de la langue écrite comme aardappel, weduwe, wederhebben, februarius, que des mots ou des termes purement dialectaux tels den neld (helft), tus (thuis), bullige (kleine ‘bul’), heksche (hekje), etc. C'est aussi le cas pour l'orthographe. Elle correspond généralement à celle de Desroches, mais elle est devenue bien plus instable que dans les premières pages (1840) du livre de caisse de la Chambre de rhétorique d'Eke - ce qui se comprend. On trouve ‘hekken’ à côté de ‘eeck’ (pour signifier ‘hek’), ‘esschen’ et ‘eysschen’’, ‘stoel’ et ‘stool’, ‘meulen’, ‘mulle’ et ‘moelen’, etc. On note que l'orthographe est souvent influencée par la prononciation locale. Ainsi il arrive qu'on omette le h (arlequin, eeck, angaert, alf, anttave pour harlekijn, hek, hangar, half, handave), mais à côté de cela, il arrive aussi qu'on l'ajoute par hypercorrection (haenebelt, heffenhaere, hoolie, honderbolke, houde pour aambeeld, effenaar, olie, onderbalk et oude). Nous trouvons aussi quelques cas amusants d'orthographe phonétique: vooder, lofting, nasse, kleynsen, tans pour voorder, lochting ‘tuin’, as, verkleinen, tanden.

 

Il faut encore noter deux particularités. Tout d'abord le lexique se caractérise par une richesse énorme et un pittoresque amusant, notamment dans des termes comme ‘everzwinoeselaere’. Ensuite, il y a de nombreux termes et tours issus de la langue standardisée et du moyen néerlandais: verven, hek, smid, hamme et houweel ne sont pas - ou plutôt ne sont plus - des termes ouest-flamands; de même des tours comme tmynen huyse, tzynen huyse, staeye, koetse ou kotse (pour bij mij/hem thuis, stut, ledikant) ont disparu chez nous. Le nombre d'emprunts au français semble avoir grandi, mais à l'époque, ces emprunts ne devaient pas être plus nombreux que chez nous: (conter)ressor (veer), trin (voorloper), bariere ou bastiere sont également connus chez nous; seul batteuse (dorsmachine) fait exception.

 

Je tiens à remercier de tout coeur tous ceux qui m'ont conseillé et aidé sur place: tout d'abord le réverend Louis Verhille, fils et petit-fils des ‘auteurs’, et ensuite madame Steenkiste (Meteren), madame E. Dordogne (Zermezele) et messieurs Vandevoorde (Steenvoorde) et Treutenaere (Zegerskappel).