De Franse Nederlanden / Les Pays-Bas Français. Jaargang 1997


auteur: [tijdschrift] Franse Nederlanden, De / Les Pays-Bas Français


bron: De Franse Nederlanden / Les Pays-Bas Français. Jaargang 1997. Stichting Ons Erfdeel, Rekkem 1997


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet


 i.s.m. 
[p. 214]



illustratie

Voorpagina van het handschrift van Corneel de Vriendt


[p. 215]

De schrijftaal van de Westhoek in Frankrijk. Onuitgegeven gedichten uit het handschrift van Corneel de Vriendt uit Noordpene (1767-1847)
Lexicon ● 22
C. Moeyaert

Watou (B)

1. Het handschrift

Het handschrift (32 × 20 cm) van Corneel de Vriendt telt 880 blz. gedichten, behalve 12 blz. inhoudstafel. Het berust in het archief van het Vlaams Comité van Frankrijk (Comité Flamand de France) in Hazebroek. We bedanken dit comité (met name dhr. Ph. Masingarbe, bibliothecaris) omdat het aan de Katholieke Universiteit van Kortrijk (KULAK) een kopie van dit afschrift afgestaan heeft waardoor we in staat waren om van de inhoud een studieobject te maken. Ook de KULAK wordt hier bedankt, voornamelijk de bibliothecaris-archivaris J. Tolleneer. Volgens het jaarschrift van de voorpagina (zie afb.) waren de meeste gedichten er voor 1841 in neergepend. Voor dit lexicon hebben we een keuze moeten maken en we hebben ons beperkt tot gedichten van of gericht tot rederijkerskamers of toneelgilden in de Frans- Vlaamse Westhoek alsook tot gedichten geschreven door Tisje Tasje(1) en tot liedteksten met een Nederlandse melodie.

2. De schrijver-samensteller

De Noordpenenaar Corneel de Vriendt (soms Cornelis of Cornelius) werd op 12 juli 1767 in z'n dorp geboren. Z'n vader was Pieter Jan, geboren in Zuidpene, en z'n moeder Marie Thérèse Pierens uit Noordpene zelf. Corneel is twee keer getrouwd: ‘Ik

[p. 216]

hebben zien begraven twee vrouwen die ik had uyt uyver min geecht’ (gehuwd). De eerste heette Maria Florentia Saison. Hij trouwde met haar op z'n negentiende in 1786. De tweede heette Victoria Bouve. Hij verloor verschillende kinderen. Volgens sommige gedichten was hij kleermaker, maar in z'n sterfakte staat hij vermeld als ‘crieur’ d.i. leurder. Hij woonde in de hoofdstraat van het dorp die Baezeville heette, dus in de buurt van Tisje Tasje. Corneel de Vriendt stierf op 80-jarige leeftijd op 14 november 1847. Hij had deel uitgemaakt van de ‘Konstminnaers van Noordpeene’.

3. Inhoud van het handschrift van Corneel de Vriendt

Volgens de inhoudstafel komen er 338 gedichten in voor. Naast gedichten van hemzelf, bevat dit handschrift van de Vriendt ook o.m. wel honderd bladzijden uit het werk van Michiel de Swaen en verder heel wat gedichten van Jacob Cats en Adriaan Poirters. Ook van tijdgenoten zoals Jan Baptiste van Grevelynghe (Tisje Tasje), Justinus van Damme en van de tot nog toe onbekende Rubroekse dichter Joannes Duyme heeft hij menig gedicht opgenomen. Er komen in dit handschrift ook treurgedichten, minneliederen, jubileumgedichten en lofliederen voor, vooral gericht tot de talrijke rederijkerskamers en toneelgilden in de Zuid-Vlaamse Westhoek tijdens de eerste decennia van de 19e eeuw. Verder ook nieuwjaarsgedichten, huwelijksverzen en gelukwensen voor nieuw aangestelde pastoors en ‘meiers’. De grens was toen zeker niet waterdicht, want een tiental gedichten zijn bestemd voor personen uit West-Vlaanderen, o.m. Roesbrugge, Ieper, Poperinge, Houtem, Veurne, Diksmuide, Staden, Hooglede, Kortemark, Izegem. Gedichten voor mensen uit Broekburg en Blaringem wijzen erop dat die plaatsen toen nog niet verfranst waren. Er komen ook enkele puntgedichtjes voor als bladvulling.

4. Vermelde Zuid-Vlaamse rederijkerskamers of toneelgilden. Vermelde toneelstukken

Heel wat gedichten zijn ‘eerbewijzen’ ter gelegenheid van een toneelopvoering. Zo is zo'n ‘eer-galm’ bestemd voor de ‘Retho-

[p. 217]

rijke van Banvinchove’, de ‘Rethorijke van Broxeele’, die van ‘Hondeghem’, die van ‘Arneke’ en een ‘lof-dicht’ voor de ‘Konst-minnaers van Ochtezeele’, die van ‘Lederzeele’, die van ‘Noordpeene’ zelf, die van ‘Rubrouck’ en die van ‘Houdezeele’ (Oudezele). Ten slotte krijgen ook de ‘Rethorijken van Putgham’ een eer-galm (Pitgam, volksetymologisch vervormd).

 

Ze spelen allemaal kennelijk oorspronkelijk Nederlands toneel: de ‘Tragedie van den heyligen Laurentius’ in Lederzele, de ‘Tragedie van den heyligen Sebastiaen en van het heylig bloed Christi’ in Ochtezele, de ‘Tragedie van de heylige Genoveva’ in Oudezele, ‘Cobonius en Peccavia’ in Bavinkhove en in Rubroek, het ‘Leven ende dood van den heyligen Rochus’ in Volkerinkhove, ‘D'onthoofdinge van heyligen Joannes Baptista’ in Buisscheure, ‘De dood en de passie van Jesus Christus’ in Pitgam, de ‘Tragedie van den Heyligen Wenceslaus’ in Bavinkhove, de ‘Konstredenrijke minnaeren binnen Nieuwerleet’ speelden ‘Den beklaegelijken dwang’; de ‘Tragedie van St. Joris’ werd opgevoerd in Hondegem, ‘Den rampzaligen ondergang van drahomira de Lukzo’ alweer in Bavinkhove, ‘De beproefde liefde ofte herstelde onnoselheyd van theodatus’ in Arneke, de ‘Tragedie van Vitus, Modestus en Cresentia’ door Buisscheure in Bavinkhove, de ‘Tragedie van de martelaeresse Catharina’ in Bollezele, ‘'t Spel van Bonaparte’ in Noordpene (in 1805 volgens het jaarschrift).

5. Melodieën

Hier volgen de Nederlandse melodieën van de liederen waartoe we ons beperkt hebben voor dit lexicon. ‘Ach! hemel hoort mijn klagt’ (265). ‘Joseph in egypten’ (372). ‘Van den bloemist’ (380). ‘Als ik in tafel was gezeten’ (355 e.a.). ‘Waer kan men beter zijn als in zijn moeders keuken’ (304) ‘God groete u herders’ (307). ‘Alzoo 't begint’ (409). ‘Cecilia van edel geslagte’ (423). ‘Van den poperingschen dal’ (434). ‘Op den Kers-nacht’ (446). ‘Van Albertina’ (438). ‘De cristalijne beke’ (522); ‘Gezang op eenen nieuwe conterdans’ (747). ‘Van den handel’ (759, het enigste lied dat ik ergens anders teruggevnden heb, nl. in ‘Chants populaires des Flamands de France’ door de Coussemaker, nr. LXI). ‘Van

[p. 218]

den Ermijt’ (860). Verder nog: ‘De nieuwen bon bon bon’ (399) en ‘Geluk te zaeme’ (364).

6. Taal en spelling

Het valt telkens op dat Frans-Vlaamse dichters en schrijvers uit het begin van de 19e eeuw helemaal geen dialect, zelfs geen erg dialectisch Nederlands schrijven. Zoals u kunt merken komen er weinig Zuid-Vlaamse woorden in het lexicon voor. Toch gebruiken de auteurs enorm veel Middelnederlandse woorden uit hun eigen schrijftaaltraditie alsook onder invloed van hun voorbeelden: Cats, Poirters, De Swaen enzovoort en misschien uit het eigen taalgebruik van toen. Rijk is z'n woordenschat wel en De Vriendt en de andere auteurs zijn erg bedreven in het rijmen. De meeste verzen zijn alexandrijnen, verzen die daarom nog geen poëzie betekenen. Vaak komen mythologische figuren voor.

De spelling, namelijk die van Des Roches, is vrijwel foutloos, maar er worden wel fouten gemaakt in het gebruik van de hoofdletters.

7. Besluit

Dit handschrift bevat heel wat informatie over de taaltoestand van de Westhoek in Frankrijk, de talrijke herleefde of nieuwe rederijkerskamers of toneelgilden, de vrij veelvoudige contacten met West-Vlaanderen, het vrij algemeen gebruik van hulde- of rouwgedichten, nieuwjaarsverzen enz.

Ook liedteksten werden veel gemaakt. Er blijkt ook een intens toneelleven bestaan te hebben.

Tot slot wil ik graat nog Mevr. J. Willencourt, secretaresse van Noordpene bedanken voor het opsporen van gegevens over C. de Vriendt, alsook Jan van Ormelingen uit Sint-Jan-ter-Biezen die me intens geholpen heeft met het opzoeken en ordenen van de passende woorden in dit lexicon.

[p. 219]

Lexicon

Afkortingen

-Mnl: Middelnederlands (Verdam)
-Zvl: Zuid-Vlaams: streektaal van de Westhoek in Frankrijk
-Wvl: West-Vlaams
-Stal: Stallaert, Glossarium, voortgezet door F. Debrabandere
-Lem.: Lemaire, Glossaire (1933-1974)
-VD: Van Dale, Groot woordenboek der Nederlandse taal (11e druk, 1984)

A

-adamszaed: om hier het adamszaed te helpen uit den nood (373), ‘het mensdom’
-adersluys: mijdas word overstroomt door 't nectars adersluys (198), ‘bronader’?
-aengeborentheyd: 'k heb maer het vernuft van d'aengeborentheyd (457), ‘aangeboren aanleg’, Mnl.
-aen geraeken: ik zag veel beursen aen en kond geen aen geraeken (844) ‘krijgen’, ‘er aan raken’
-aenkleving: ik zien een liefdevers alleen met de oogen zonder aenklevingen (829) ‘gehechtheid’, Mnl.
-aerdrijksch: van 't aerdrijksche zaed (434), ‘aards’.
-aensporren: hij werd staeg aengesport (575) ‘aanporren’ ‘aansporen’.
-alder-: alderbeste (305), alderhoogste (304), alderkostelijkste (886), alderleste (54), aldermeest (54), ‘aller-’, Mnl.
-alzegenaer: God en alzegenaer (513) ‘die alles zegent’
-appollos groen: ik heb een afgeplukt al van appollos groen (8), (bloem) van Apollo's ‘dichtersboom’.
-appollos zael: romweird appolos zael (310) ‘rederijkerskamer’.
[p. 220]

B

-bark: snijt bark in 't bosch en wilt gaen bessems maeken (844) ‘berkentakken’
-been: een graf van doode beens aenschouw ik in mijn mond (829), ‘beenderen’, Zvl meerv.
-beminder: die beminder was van 's weirelds ijdelheyd (55), ‘beminner’, Zvl.
-beploeven: een akker wel beploeft draegt schoone vrugten (312); wilt... den akker wel beploeven (870), ‘beploegen’, Zvl.
-berennen: die 't pas der deugd berennen (519), ‘bewandelen’, Mnl.
-beschijten: ik bescheet dat ambagt (844), ‘verfoeien’.
-bestieren: en 't rijk bestiert (372), ‘besturen’, Zvl.
-bestraeden: naer hij zijn rijp verstand nouwkeurig had bestraeden (618) ‘raadplegen’
-betaem: op dat ik naer betaem beschrijf (6) ‘vereiste’ Mnl.
-betoogen: het helsch serpent tragt ook de sieken te betoogen (56), ‘overtuigen’?
-beuselen: advocaet, procureurs, in 't beuselen ervaren (310) ‘onzin of leugens vertellen’
-bevaen: met wat pijnen nogtans den zieke is bevaen (54) ‘bevangen’ Mnl.
-bevlekken: (hij) weet den molder te bevlekken (308) ‘kwaad spreken van’.
-bijwezen: zonder het bijwezen van de rethorica (sic) ‘buiten de aanwezigheid’, Mnl.
-bijwesentheyd: terwijl gij zoud vertoonen uwe bijwesentheyd (521) ‘aanwezigheid’, Mnl.
-bloeysel: waer d'edel konste... het bloeysel komt ons geven (458), ‘bloesem, Mnl.
-blomtien: komt plukt het schoonste blomtien uyt de blaeren (312), ‘bloempje’, Zvl verkleinvorm
-boogen: wilt altijd voor uw overheden boogen (439) ‘buigen’, Mnl.
-borteld: bij het bortelde nat (841) ‘borrelende’ (Mnl. bortenen is ‘borrelen’)
-botte: liefdezaed... die heilzaem botten draegt (869) ‘knop’, Mnl. en Wvl.
-bril: verkoopen brils voor wie niet klaer en zien (844) Zvl. en Wvl. meerv.

C

-const-cransen: 't halfsten hoeymaend 't jaer als jonst const-cransen begeirde (840) ‘gedicht als krans’
-constrijk: mijnen loffelijken ende constrijken vrient (10) ‘kunstminnende’, ‘talentvol’, (constig is Mnl)

D

-derde deugd: rust en kontentement, den vred' en derde deugd (755) ‘rechtvaardigheid’? (Derdeman is ‘scheidsrechter’ Mnl.)
[p. 221]
-deugd-beglansd: deugd-beglansden heer De Lancez (417) ‘deugdrijk’
-diefte: zoo veel dieften bedreven (54) ‘diefstal’, Mnl.
-dikwels: van wie zoo menig mensch heeft dikwels troost verworven (617), ‘dikwijls’ fonetisch gespeld!
-dispensier: gods waeren dispensier (353) ‘hofmeester’, Mnl.
-doelen: terwijl Cobonius was met zijn lief in het doelen (843) ‘dolen’, Mnl.
-doen: doen ik in tafel ben gezeten (409), ‘toen’, Mnl.
-dog: wilt dog mijn breyn bestraelen (617), ‘toch’, Mnl.
-droef: droeve tochten, ‘slechte’, Zvl.
-duyzend duyst: daer zijn d'er duyzend duyst en meer naer d'hel gegaen (54) ‘miljoen’ (duyst is Wvl.)
-dwingen: dat hij zijn mast nog zyl niet en kan dwingen (311) ‘bedwingen’ Mnl.

E

-echten: twee vrouwen die ik had uyt zuyver min geecht (829) ‘trouwen’, Mnl.
-eendrachtelijk: die heeft eendrachtelijk het mijdas bloed verzaekt (515) ‘eendrachtig’, Mnl.
-eenig: dat hij mij eenig laet (356) ‘eenzaam’, Mnl.
-eenigheyd: hier in de stille eenigheyd (435) ‘eenzaamheid’ Mnl.
-eerbiedelijk: lof-galm eerbiedelijk voorgelezen (6) ‘eerbiedig’
-eerdom: terwijl dat 't eerdom u in prael vervoeren zal (841) ‘mensdom’ (?) of ‘de eer’?
-eer-galm: eergalm, die is u gunstelijk geschonken (456) ‘eerbetuiging’ (ook: eergalming (511))
-eeuwelijk: men moet zoo zuyver zijn om eeuwelijk te leven (620) ‘eeuwig’, Mnl.
-egt: tot egt gebragt Jan Baptiste Persijn met zijn bruyd (265) ‘huwelijk’
-egten: voor gods altaer zijn zij geegt beyde te gaer (868) ‘trouwen’, Mnl.
-ende: uw kinders ende vrouw (55), ‘en’ Mnl.
-ervarentheyd: wijsheyd, ervarentheyd (373) ‘ervaring’ Mnl.

F

-flux: flux met de duyvelen de ziel ter helle moet (57) ‘zonder verwijl’; fluks in VD
-fuyke: om deze lekker fuyken te duyken (307) ‘fopperij’

G

-galmen: door 't galmen van uw reden (457) ‘plechtig uitspreken’, VD
-gedenkbeeld: is het gedenkbeeld nog van als Sebastiaen, verduldig leet voor God (753) ‘herinnering’
[p. 222]
-geëngen: die mag zonder geëngen kroonen van lauwers brengen (521) ‘toestemming’, Mnl.
-geluk: den wensch van veel gelukken (860) ‘meevallers’
-geknogt: heeft.... mijn geest en hert geknogt (521) ‘geboeid’, Mnl. (vd van knopen)
-gekloesterd: kanonijken wel gekloesterd (309) ‘in een klooster opgenomen’, Mnl. (oe = oo)
-gemal: die jokken en gemal uyt de gedagten drijft (886) ‘dwaas gepraat’, Mnl.
-genucht: tot u gewis genucht (625) ‘genoegen’, ‘geneugte’ Mnl.
-geschien: die aen ons kan geschien (58) ‘gebeuren’ Mnl.
-gespan: hij kwaem hem niet te schaemen voor 't goddeloos gespan (619) ‘bende’ Mnl.
-gespel: met gespel en zoet geschal (7) ‘muziek’ Mnl.
-gesweind: gesweinde calioop, waer toe zijt gij gedreven (456), ‘gezwind’
-getoogen: nu dat ik ben getoogen tot mijnen ouden dag (829) ‘gegaan’, ‘gekomen’ (van tiegen), Mnl.
-getuylbant: parnassus zal zijn getuylbant gelauw'riert (192) ‘met een tulband versierd’
-gevoesterd: het nonneke wel gevoesterd (309) ‘gevoed’ Mnl.
-gewoonlijk: doende de gewoonlijke beloften (435) ‘gewoon’ Mnl. en Zvl.
-gulde choor: eendrachtig gulde choor (625) groep ‘gildeleden’
-gunstelijk: die is u gunstelijk geschonken (456) ‘goedgunstig’ Mnl.

H

-haest: dat zal men haest vergaeren (618) ‘vlug’ Mnl.
-harpeslag: in davids harpeslagen (669) ‘harpspel’
-heer vader: en wenscht geluk aen heer vader (355) ‘vader van een priester’, Zvl.
-hergedaent: zijn eerste hergedaent op tabor laeten zien (198) ‘gedaanteverandering’ (ook hergedaentenis 198)
-herkomen: deed hij... als uyt de slaep herkomen (575) ‘ontwaken’ (ook bijkomen na ziekte) Mnl.
-het gon: het gon hier dient geseid (617) ‘hetgene’
-heyl: een heyl geschenk (527), heyl vernuft (461) ‘gezegend’, ‘waardevol’ Mnl.
-hoeymaend: den 14en hoeymaend (840) ‘hooimaand’ (juli) (oe = oo)
-hypokrijn: als die met hypokrijn de letteren besproeyen (457) ‘tranen’

I

-in: in tafel (409) ‘aan’ Zvl.
-inblaezing: door Caliopas inblaezing (625) ‘inspiratie’
-intrede: over de intrede van d'heer Caesar Leurs (752) ‘toetreding’ (als lid)
-ijver-prangen: gij zijt onze ijver-prangen (459) ‘aanvuurders’
[p. 223]

J

-jegenwoordig: waer de gezalfde gods nog jegenwoordig staan (461) ‘tegenwoordig’ Mnl.
-jok: als u jok wat valt te zwaer (870) ‘juk’ Mnl., Zvl.
-jonst: uyt goede jonst (311) ‘genegenheid’ Mnl., Zvl.
-jonnen: mijn broeder jont mij dog dat ik uw redder wezen (443) ‘gunnen’, ‘vergunnen’ Mnl.
-jubilaer: ter eere van de jubilaeren (142) ‘jubilaris’

K

-kael: een kael hoverdig mensch (308) ‘pover’, ‘armelijk’ Mnl., Zvl.
-kaelheyd: om zijn kaelheyd te bedekken (308) ‘armoe’
-kannen: omdat ik niet kan, zoo kan ik, anders 'k zou niet kannen (830) ‘herbergier zijn’, geen inversie: Zvl.
-kanonijk: kanonijken wel gekloesterd (309) ‘kanunnik’ Zvl.
-kletten: doet zuyver liefde kletten (865) ‘beklijven’ - ‘knocht’: waer dien goddelijken schakel u hert aen herte knocht (516) ‘knoopte’, ovt van knopen, knocht, Mnl.
-krooster: ô kroosters van appol (484) ‘kind’?

L

-laes: zijn schaepen heeft hij laes! gelaten in den nood (576) ‘helaas’ VD
-langen: lang liefde tot malkaer (625) ‘aanreiken’ Mnl.
-lauwer: met lauwers in de handen (461) ‘lauwertak’ Mnl.
-lekker-vrouw: eerst zegt een lekker-vrouw... de molder is ontrouw (307) ‘hoer’ (lekker is in die zin Mnl.)
-levens-locht: een her die 't levens-locht te vroeg heeft afgeleid (574) ‘levensadem’
-liefdens ader: die tot ons met liefdens ader hier neerdaeld (305) ‘liefdesbron’?
-liefde-prang: gij zijt geecht door liefde-prangen (870) Mnl. prange is ‘klem’, hier ‘band’
-liefde-tocht: die was bezield met liefde-tocht (868) ‘minnedrift’, ‘minnevuur’
-lief-getal: wij zullen lief-getal de acteurs in ons herte dragen (410) ‘welgevallig’ Mnl.
-lofbaer: lofbaere schaer (865) ‘lofwaardig’ Mnl.
-lof-glansde: lof-glansde burgeren (460) ‘hooggeprezen’
-lucht-goddin: terwijl de lucht-goddin uw naem... de naneef voor zal blaezen (842) Fama?
-luk: een nieuwjaerswensch van luk en zaligheyd (513) ‘geluk’ Mnl.
-luymering: wilt mijn breyn ontvonken uyt zijn luymering (624) ‘sluimering’, lumericheit is Mnl. voor slaap
[p. 224]

M

-maege: broeders maegen zijt verheugd (438) ‘familielid’ Mnl.
-maegdeblom: gij hebt.... opgedraegen uw maegde-blom aen bruydegom (438) ‘maagdelijkheid’
-maele: den zoeker van de konst is vinder van de maele (844) ‘reistas’ ‘schat’? Mnl
-martel-stuk: gij komt het martel-stuk in de nateure geven (519) ‘toneelstuk over een martelaar’
-menschen-dom: spiegeld u menschens-dom om de vreeze van den heer te bewaeren (846) ‘mensdom’
-mids dezen: hoord bid ik u mids dezen (310) ‘mitsdien’
-minnetocht: den waeren minnetocht: (485) ‘liefdegloed’
-muyze: al waer de negen muyzen ontgrendelen de sluyzen (197) ‘muzen’

N

-naer: naer hij zijn rijp verstand nauwkeurig had bestraeden (618) ‘nadat’
-natrekken: het stuk dat gij vertoont, die trekt ons broeders na (519) ‘verbinden’ Mnl.
-negen rey: 't negen rey der musen (484) ‘de negen muzen’
-noeyt: noeyt van geen mensch beslapen (521) ‘nooit’ Mnl spelling (oe voor oo)
-nutbaer: dat hij het hof, zou werken met een nutbaer stof (417) ‘nuttig’, ‘voordelig’ Mnl.

O

-omvaen: dat ons herten zijn met teere liefde omvaen (575) ‘omgeven’, ‘omvatten’ Mnl.
-onderrechten: Komt Pallas wilt mij onderrechten (753) ‘inlichten’ Mnl.
-ongebiecht: wanneer hij... sterven zal gebiecht of ongebiecht (58) ‘zonder gebiecht te hebben’
-ongenuchte: o smert, wat ongenuchten! (574) ‘onbehaaglijk gevoel’ Mnl.
-onnuttelijk: den tijd onnuttelijk volbragt (57) ‘ondeugdelijk’, ‘slecht’ Mnl.
-ontfaen: wilt het in dank ontfaen (458) ‘ontvangen’ Mnl.
-ontsched'len: zelfs wil het breyn ontsched'len (841) ‘er de schedel van wegnemen’
-ontvonken: mijn calioop wilt gansch mijn breyn ontvonken (624) ‘ontsteken’ Mnl.
-opper-al: herkent van de opper-al (413) ‘God’
-oprechten: recht men een kermes op (625) ‘organiseren’ Mnl.
[p. 225]

P

-paele: de liefde zonder paelen (860) ‘grens’ VD
-pallas heyr: g'heel pallas heyr (484) ‘dichtersbent’
-pampier: om 't pampier vol te schrijven (142) ‘papier’
-parnas: die den top van parnas bekleed (310) ‘dichtkunst’
-pegasier: een pegasier... heeft toegeroeyd (841) ‘berijder van pegasos, het ros van de muzen’
-perrukier: 't ambt van perrukier (844) ‘kapper’ Zvl.
-persijn: leef persijn en barbier tot de heer u vraegd (830) ‘Pers’? ‘peterselie’? misschien ‘tuinder’?
-poste: hoe dat den tijd te poste draeft (829) ‘vlug rijden zoals de postkoets’ (Stal: gereden te poste)
-prang: 's duyvels looze prangen (423) ‘klem’ Mnl.
-putgham: tot lof der rethorijken van putgham (864) ‘Pitgam’ (volksetym.)

R

-razier: vijftig francs de razier (8) ‘inhoudsmaat’ (in St.-Winoksbergen 144 l) (Lem)
-redenaer: konstrijke redenaeren van volkerynckhove (484) ‘rederijker’ (ook ‘toneelspeler’ hier)
-reden-: redenzael (865), reden-schaer (461), redenhuys (198) ‘rederijkers-’, ‘toneelspelers-’
-rijpzinnig: rijpzinnig onderzogt (142) ‘scherpzinnig’
-rom: d'alderhoogste eer en rom (309) ‘roem’ Mnl.
-romweird: romweirde broederen (457) ‘lofwaardig’ Mnl.
-rusting: om d'eeuwig opper-al zijn rusting af te smeken (575) ‘rust’ Mnl.

S

-schietgeweir: om met ons schietgeweir de vogels af te toogen die op de perse staen (753) ‘boog’ (hier)
-schikken: naer 't vertoonen van 't Leven en de dood, geschikt aen... (484) ‘opgedragen aan’ Mnl.
-schrik-dier: 't schrick-dier 'k seg de dood (373) ‘monster’
-spa: vroeg en spa (869)f ‘laat’ Mnl.
-speelder choor: uw speelder choor (527) ‘toneelgroep’
-stemme: Stemme, als ik in tafel ben gezeten (868) ‘melodie’
-steuning: die menig mensch veel steuning heeft gegeven (575) ‘steun’
-stierman: waer Charon stierman is (310) ‘stuurman’ Zvl.
-stoken: door onverduldigheyd stookt hij den sieken zeer (54) ‘bestoken’, ‘tergen’, Mnl.
-strijken: ider een die kan oordeel strijken (754) ‘vellen’
[p. 226]
-strijn: lieven vriend kom ik dees strijn opdraegen (10) ‘nieuwjaarscadeau’ (eigenlijk ‘nieuwjaarswafeltje’) Zvl.

T

-tenteeren: den duyvel ook tenteert den zieken (55) ‘beproeven’
-tocht: men moet zijn droeve tochten snoeyen (521) ‘driften’ Mnl.
-toeëyschen: toegeeyscht op den 24 8ber (8) ‘eisen’ Mnl.
-trouwvers: zoo wel in trouwversen (829) ‘huwelijksvers’
-twee top: wilt van den twee top nederdalen (870) ‘Parnassos’ (dichtersberg)

U

-u: u achtbaar stuk: ‘uw’
-uw: aen uw een lesse geven (870) ‘u’
-uytboezemen: boezemd mij vlijtig uyt wat reden en wat lof (460) ‘voordragen’
-uytknoopen: (hij) weet leugens uyt te knoopen (308) ‘vertellen’, ‘verkopen’

V

-van: zij zijn van god geschraegd (865) ‘door’
-van gelijk: wat deed van gelijk 't sondaerig herte schroomen (575) ‘eveneens’, ‘insgelijks’
-verdwelmt: zoo dat ik nog verdwelmt ben (624) ‘verbijsterd’ Mnl.
-verkranken: ik voele mij verkrankt (829) ‘verzwakt’ Mnl.
-verlangen: als den heer niet meer uw dagen zal verlangen ‘verlengen’ Mnl.
-vermaeken: een boek in mijnen hand daer in heb ik vermaeken (143) ‘vermaak’, ‘genoegen’
-verzaeden: ook d'hongerigen mond, zoo menigmael verzaeden (576) ‘verzadigd’ (vd op -en) Mnl.
-verzaeminge: in de wettelijke verzaeminge (6) ‘band’ Mnl.
-vernoegd: met uwen staet vernoegd (515) ‘tevreden’ Mnl.
-voorleden: g'lijk 't voorleden jaer (52) ‘verleden’ Mnl.
-voor dezen: voor dezen leeraer (424) ‘voorheen’
-vroeylijkheyd: leven in vroeylijkheyd (625) ‘vrolijkheid’ Mnl.

W

-waer 't dat: waer 't dat een zondaer had zoo veel dieften bedreven (54) ‘ook als’, ‘zelfs als’
-wennen: de tooneel konste doet ons wennen tot de soete menschlieventheyd (309) ‘wenden’ Mnl.
-werken: dat hij het hof zou werken (417) ‘bewerken’ Mnl.
-woord-rijkheyd: de woord-rijkheden (841) ‘woordenschat’
[p. 227]

Z

-zaeyen: daer hij niet heeft gezaeyen (54) ‘gezaaid’ Zvl. volt. deelw. op -en
-zeemarmijn: de zeemarmijn door al haer geestig zingen (311) ‘zeemeermin’
-zielevoerder: Franciscus is een zielevoerder (355) ‘zielzorger’
-zijgen: dat uwe kunste zijgt een schoone wetenschap (461) ‘zijgen’, ‘laten zien’?
-zijn zelven: den zieken zoud' zijn zelven heel vergeten (56) ‘zichzelf’, Wvl. en Zvl.

Poèmes inédits du manuscrit de Corneel de Vriendt de Noordpeene (1767-1847)

1. Le manuscrit

Le manuscrit (32 × 20 cm) de Corneel de Vriendt compte 868 pages de poèmes et 12 pages de table des matières. Il se trouve dans la bibliothèque du Comité Flamand de France à Hazebrouck. Nous remercions le Comité, et tout particulièrement Monsieur Philippe Masingarbe, son bibliothécaire, d'avoir bien voulu céder un double de cette copie à la KULAK (antenne courtraisienne de l'Université de Louvain). Leur amabilité nous a ainsi permis d'en faire un objet d'étude. Nous tenons aussi à remercier la KULAK, et singulièrement Monsieur Tolleneer, son bibliothécaire-archiviste. Selon le chronogramme de première page (voir l'illustration), la plupart des poèmes y ont été notés avant 1841. Pour ce ‘Lexique’, nous avons été contraint de procéder à des choix: nous nous sommes limité aux poèmes émanant des chambres de rhétorique ou des guildes théâtrales du Westhoek français et aux poèmes qui leur étaient adressés, ainsi qu'aux poèmes écrits par Tisje Tasje(1) et aux textes de chansons composées sur une mélodie néerlandaise.

2. L'auteur-rédacteur

Le Noordpeenois Corneel de Vriendt (parfois prénommé Cornelis ou Cornelius) naquit dans son village le 12 juillet 1767. Son père était Pieter Jan, né à Zuydpeene, et sa mère Marie-Thérèse Pierens, originaire de Noordpeene même. Corneel se maria deux fois: ‘J'ai vu porter en terre deux femmes que j'avais épousées par pur amour.’ La première s'appelait Maria Florentia Saison. Il l'épousa en 1786; il avait alors dix-neuf ans. La seconde s'appelait Victoria Bouve. Il perdit plusieurs enfants. A en croire certains poèmes, il était tailleur, mais dans son acte de décès on le présente comme ‘crieur’, c'est-à-dire colporteur. Il habitait dans la rue principale du village, dite de Baezeville, et était donc voisin de Tisje Tasje.

Corneel de Vriendt mourut octogénaire le 14 novembre 1847. Il avait fait partie des ‘Konstminnaers (Amoureux de l'art) de Noordpeene’.

[p. 228]

3. Teneur du manuscrit de Corneel de Vriendt

Selon la table des matières, on y trouve 338 poèmes. De Vriendt y a notamment recopié au moins cent pages de l'oeuvre de Michiel de Swaen, plus bon nombre de poèmes de Jacob Cats et d'Adriaan Poirters. Il y a également rassemblé maints poèmes de contemporains comme Jan-Baptiste van Grevelynghe (Tisje Tasje), de Justinus van Damme et d'un poète de Rubrouck inconnu à ce jour, Joannes Duyme. On y trouve en outre des élégies, des chansons d'amour, des poèmes commémoratifs et des odes, surtout adressés aux nombreuses chambres de rhétorique et guildes théâtrales du Westhoek sud-flamand au cours des premières décennies du XIXe siècle. On y trouve aussi des poèmes de nouvel an, des vers écrits à l'occasion de mariages et des félicitations à des curés et à des maires nouvellement installés. A cette époque, la frontière n'était certainement pas étanche, car une dizaine de poèmes sont destinés à des personnes de Flandre-Occidentale belge, notamment de Rousbrugge, Ypres, Poperinge, Houtem, Veurne, Diksmuide, Staden, Hooglede, Kortemark, Izegem. Des poèmes écrits pour des habitants de Bourbourg et de Blaringhem montrent que ces localités n'étaient pas encore francisées. On trouve enfin dans le recueil quelques épigrammes destinées à remplir les pages.

4. Chambres de rhétorique et guildes théâtrales mentionnées. Pièces de théâtre évoquées

Bon nombre de poèmes sont des hommages rédigés à l'occasion d'une représentation théâtrale. C'est ainsi qu'une telle ‘sonnerie d'honneur’ est destinée à la ‘Rhétorique de Bavinchove’, à la ‘Rhétorique de Broxeele’, à celle de ‘Hondeghem’, à celle d'Arnèke, et qu'une ode est consacrée à la louange des ‘Konst-minnaers (Amoureux de l'art) d'Ochtezeele’, de ceux de ‘Lederzeele’, de ceux de ‘Noordpeene’ même, de ceux de ‘Rubrouck’ et de ceux d'‘Houdezeele’ (Oudezeele). Enfin les ‘Rethorijken van Putgam’ (Rhétoriques de Pitgam, déformation due à l'étymologie populaire), se voient elles aussi gratifier d'une ‘sonnerie d'honneur’.

Visiblement, à l'origine, elles jouent toutes un théâtre de langue néerlandaise: la ‘Tragedie van den heyligen Laurentius (Tragédie de saint Laurent)’ à Lederzeele, la ‘Tragedie van den heyligen Sebastiaan en van het heylig bloed Christi (Tragédie de saint Sébastien et du saint sang du Christ)’ à Ochtezeele, la ‘Tragedie van de heylige Genoveva (La tragédie de sainte Geneviève)’ à Oudezeele, ‘Cobonius en Peccavia’ à Bavinchove et à Rubrouck, ‘Leven ende dood van den heyligen Rochus (Vie et mort de saint Roch)’ à Volckerinckhove, ‘D'onthoofdinge van heyligen Joannes Baptista (La décapitation de saint Jean-Baptiste)’ à Buysscheure, ‘De dood en de passie van Jesus Christus (La mort et la passion de Jésus-Christ)’ à Pitgam, ‘De tragedie van den heyligen Wenceslaus (La tragédie de saint Venceslas)’ à Bavinchove, de ‘Konst-redenrijke minnaeren binnen Nieuwerleet’ (Les amoureux de l'art de rhétorique d'endéans Nieurlet) jouaient ‘Den beklaegelijken dwang’ (La déplorable

[p. 229]

contrainte); on représentait à Hondeghem la ‘Tragedie van Sint Joris (Tragédie de saint Georges)’, ‘Den rampzaligen ondergang van Drahomira de Lukzo (La désastreuse chute de Drahomira le Lukzo)’ encore une fois à Bavinchove, ‘De beproefde liefde ofte herstelde onnoselheyd van Theodatus (L'amour ou l'innocence restaurée de Théodat)’ à Arneke, Buysscheure donnait à Bavinchove la ‘Tragedie van Vitus, Modestus en Cresentia (Tragédie de Vite, Modeste et Crescence)’, on jouait la ‘Tragedie van de martelaeresse Catharina (La tragédie de la martyre Catherine) à Bollezeele, ‘'t Spel van Bonaparte (Le jeu de Bonaparte)’ à Noordpeene (en 1805 d'après le chronogramme).

5. Mélodies

Voici ci-après les mélodies néerlandaises des chansons auxquelles nous nous sommes limité pour ce ‘Lexique’. ‘Ach! hemel hoort mijn klagt (Las, ciel, écoute ma plainte!)’ (265). ‘Joseph in egypten (Joseph en Egypte)’ (372). ‘Van den bloemist (Du fleuriste)’ (380). ‘Als ik in tafel was gezeten (Quand j'étais attablé)’ (355 et autres). ‘Waer kan men beter zijn als in zijn moeders keuken (Où peut-on mieux être que dans la cuisine de sa mère?)’ (304). ‘God groete u herders (Dieu vous salue, bergers)’ (307). ‘Alzoo 't begint (Sitôt que cela commence)’ (310). ‘Alleluia’ (354). ‘Doen ik in tafel ben gezeten (Lorsque je suis attablé)’ (409). ‘Cecilia van edel geslagte (Cécile de noble lignage)’ (423). ‘Van de poperingschen dal (Du val de Poperinghe)’ (434). ‘Op den Kers-nacht (La nuit de Noël)’ (446). ‘Van Albertina (D'Albertine)’ (438). ‘De cristalijne beke (Le ruisseau cristallin) (522). ‘Gezang op eenen nieuwen conterdans (Chant sur une nouvelle contredanse)’ (747). ‘Van den handel (Du commerce)’ (759, le seul chant que j'aie pu retrouver ailleurs, à savoir dans les ‘Chants populaires des Flamands de France’ de de Coussemaker, no LXI). ‘Van den Ermijt (De l'ermite)’ (860). On y trouve encore ‘De nieuwen bon bon bon (Le nouveau bon bon bon)’ (399) et ‘Geluk te zaeme (Bonheur ensemble)’ (364).

6. Langue et graphie

On ne cesse d'être frappé par le fait que les poètes et écrivains de Flandre française du début du XIXe siècle n'écrivent pas en dialecte et même pas dans un néerlandais très dialectisant. Chacun pourra le remarquer, on rencontre peu de mots sud-flamands dans le lexique. L'auteur emploie toutefois énormément de termes moyen-néerlandais puisés à sa propre tradition scripturaire mais aussi imités de ses modèles: Cats, Poirters, de Swaen, etc. et peut-être empruntés à son propre idiolecte de l'époque. Son vocabulaire ne laisse pas d'être riche et De Vriendt et les autres auteurs sont des virtuoses de la rime. La plupart des vers sont des alexandrins, ce qui ne suffit pas à garantir leur qualité poétique. Les personnages mythologiques apparaissent à tout propos.

L'orthographe - il s'agit de celle de Des Roches - est pratiquement sans fautes, ce qu'on ne peut pas dire de l'emploi des majuscules.

[p. 230]

7. Conclusion

Ce manuscrit est une mine d'informations sur la situation linguistique du Westhoek français, les nombreuses chambres de rhétoriques et guildes théâtrales soit restaurées soit nouvelles, les contacts assez nombreux avec la Flandre-Occidentale, l'emploi presque général d'hommages poétiques ou funéraires, de voeux de nouvel an rimés, etc.

On écrivait aussi beaucoup de textes de chansons. Il existait également, de toute évidence, une intense vie théâtrale.

Pour conclure, je voudrais remercier encore Madame J. Willencourt, secrétaire de Noordpeene pour la recherche de données concernant C. de Vriendt, ainsi que Jan van Ormelingen de Sint-Jan-ter-Biezen qui m'a intensément aidé dans ma recherche et mon ordonnancement des mots susceptibles de convenir à ce lexique.

 

(Traduit du néerlandais par Jacques Fermaut)