Gemeenschap. Jaargang 6


auteur: [tijdschrift] Gemeenschap, De


bron: De Gemeenschap. Jaargang 6. De Gemeenschap, Utrecht 1930


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 368]

Hagel

De verraderlijke vriend.

Op 14 Maart 1912 maakte Léon Bloy in zijn dagboek, Le Pèlerin de l'absolu, de volgende aanteekening: ‘Lettre oocasse d'un jeune Hollandais qui ambitionne mon amitié. Il se dit espérantiste, homme de commerce et veut devenir prêtre.’

Deze jonge Hollander is inmiddels priester geworden en laat niet na, dat zeven maal te manifesteeren bij de onderteekening van artikels, waarmee hij een door hem zelf gesticht en uitgegeven tijdschrift vult. Léon Bloy bedoelde namelijk den eerwaarden heer Wouter Lutkie, toenmaals handelsman, nu geestelijke. Het is mij niet bekend, hoever diens ‘ambitie’ in de vriendschap van Léon Bloy is geslaagd, maar blijkens een bijdrage in het tweede nummer van ‘Aristo’ rekent hij zich tot de vrienden van den schrijver.

Nu is er geen bezwaar tegen, dat twee schrijvers bevriend zijn. Maar zulk een vriendschap gaat wat ver, wanneer men komt tot lyrismen van den navolgenden aard:

 

‘Tijdens het leven van Leon Bloy vroeg ik eens aan René Martineau zijn oordeel over enkele moderne schrijvers, toen in de mode. En zijn antwoord was een criterium: “Ce sont des auteurs qui ne connaissent pas Léon Bloy et que Léon Bloy ne connait pas”.

Ik had een oordeel gevraagd, ik kreeg een sleutel.

Een sleutel dien ik sindsdien in menig slot heb moeten steken.... en hij paste!’

 

Ook zulk een cultus latriae ware te vergeven, wanneer ze niet werd aangewend om de ‘vriendschap’ van Léon Bloy te monopoliseeren op een wijze, die zelfs niet verantwoord zou zijn, wanneer Léon Bloy zijn leven lang geen enkelen anderen vriend had bezeten dan den eerwaarden heer Wouter Lutkie, priester. Deze jong-gewezen Hollander decreteert in zijn artikel over ‘de verraderlijke vrienden van Léon Bloy’, dat men in naam van Léon Bloy de schrijvers Cocteau, Mauriac en De Montherlant eenvoudigweg heeft te verfoeien als ‘nulliteiten en mediocriteiten’. Zulk een dictatuur over den smaak vraagt persoonlijke garanties, die de eerwaarde Wouter Lutkie tot heden toe niet heeft gegeven.

Van de menschen, die in Nederland

[p. 369]

doorgaan voor ‘vrienden van Léon Bloy’ (met of zonder hun eigen goeddunken) ontwerpt deze priester vervolgens een karakterschets, die één lange beschuldiging is. Hij schrijft:

 

‘Zij brullen van pijn, zonder gekweld te worden. Zij schreeuwen honger bij de gesmeerde boterham. Zij jammeren van ellende en nood tusschen den walm hunner sigaretten. In onverbiddelijke aanklachten richten zij zich op tegen mishandelaars die hun den kost geven, beschuldigen zij bitterlijk van mediocriteit hunne zielsgelijken die hen onderhouden, die hun èn de stof om te schrijven èn het schrijfpapier én het lezerspubliek èn het honorarium leveren. Zij achtervolgen met hun “integraal katholicisme” en met hun prachtigen zin voor “het absolute” de onschuldigen die hen met meewarig schuddend hoofd begapen.

Zij verheerlijken en imiteeren de houding van Léon Bloy tegenover de preutschheid, om hun eigen viezigheidjes en plebejische platheden te maskeeren; zijn uitvaren tegen de onzelieveheerigheid, om hun eigen goddeloosheid te vermoffelen; zijn van-leer-trekken tegen het farizeïsme, om de aandacht van hun eigen onoprechtheden af te leiden. Zij verontwaardigen zich met een edele verontwaardiging over de barre miskenning, die hun deel is, vanaf de redactiezetels van populaire kranten en tijdschriften, vanwaar zij de samenzweringen uitspinnen tegen al degenen, die niet van hunne geestelijke dwerggestalten zijn en geen deel uitmaken van hun, door kwalijk verholen wederkeerige adoratie samengepapte, kliekjes’.

 

In dit fraaie staaltje van priesterlijke waardigheid wordt geen enkele naam genoemd. Al deze aanklachten schijnt het publiek zonder verder onderscheid te moeten toepassen op al degenen die in Nederland hun bewondering hebben uitgesproken over het geheel of over gedeelten van Léon Bloy's werken.

Nij zijn er twee mogelijkheden: de priester Lutkie mist den algemeen menschelijken moed, om namen te noemen en dekt zich dan later door tegen iedereen te zeggen, dat hij een ander bedoelde. In dat geval is hij een intrigant. Of de eerwaarde Lutkie wil de menschen zachtzinnig behandelen en hun namen niet uitleveren aan het publiek, maar verkiest liever, iedereen, die ‘voor Bloy voelt’ zwart te maken. In dat geval is hij minstens een domoor. In elke der beide gevallen is hij, bewust of onbewust, een lasteraar. Immers men laat niet aan het publiek over, te besluiten, wie zich schuldig maken aan ‘viezigheidjes, plebejische platheden, goddeloosheid, onoprechtheid en samenzweerderij’ zonder de kans open te stellen, dat er lieden zijn, die in vergefelijke voorbarigheid hun keuze van den misdadiger verkeerd doen uitvallen.

De reeks insinuaties van gemeenheden, die de eerwaarde Lutkie opsomt, mogen niet genoemd worden, zonder dat men de schuldigen met name aanwijst en instaat voor zijn aanklacht. Dat wist Léon Bloy.

[p. 370]

Maar zijn eerwaarde navolger is minder ingelicht. Hij schrijft trouwens zelf:

 

‘Ook hierin deelt de arme Léon Bloy het lot van alle groote lijders, mystici of verschoppelingen: zijn kreten worden nageroepen door kleine zieltjes, die alléén maar die kreten kunnen nadoen, dat is naapen’.

 

Bij beschuldigingen is een zekere duidelijkheid niet slechts een eisch van vermolmde conventies, maar van de eenvoudigste naastenliefde. De eerwaarde Lutkie brengt openbaar menschen in opspraak en laat zijn lezers maar uitvisschen, wie die menschen zijn. Zoo verstaat hij waarschijnlijk den programma-zin van ‘Aristo’, dat een tijdschrift gedeeltelijk leiding ontvangt van zijn lezers. Indien het er inmiddels op aan komt, Léon Bloy te verraden, is er geen veiliger methode dan klakkeloos te verdoemen, zonder te zeggen wie.

Doch de verraden vriend had vaak een zeer juisten eersten indruk van personen en verontschuldigde zijn jongen Hollander lieftallig door te spreken van een ‘lettre cocasse’. De vriend bedenke, dat men met cocasserie het heilige vuur niet ontsteekt.

ANTON VAN DUINKERKEN.

Brief van de hopjeskoning

De Heer Rademaker, over wiens hopjesbeevaart onze grijze medewerker Simon Druyf de lezers in een der vorige nummers onderhield, schrijft ons een brief van vier foliobladzijden, om ons te bewijzen, dat hij niet gek is.

Wij nemen uit zijn missive de volgende vier regels over:

‘Om bij het cadeau te blijven, diene verder, dat een en ander in overleg met den consul-generaal tevoren werd vastgesteld, en dat de doos bonbons geheel afzonderlijk voor dit doel werd vervaardigd en opgemaakt met het portret van den Duce’.

Wij kunnen dit nog aanvullen met de mededeeling dat in de doos de gansche Giovinezza in suiker was neergelegd, en op de verpakking een aapje in zwart hemd was vastgeprikt. Het pak Lauda Sion-nougat dat aan de H. Vader zou. worden aangeboden, is in een bar blijven liggen.

KUYLE.

Processie vrijheid.

Dezelfde katholieke bladen, die de laatste weken avond aan avond het ideaal der kristelijke samenwerking, om het woord coalitie niet te gebruiken, met meer of minder duidelike smeekbeden weer over onze hoofden afroepen in de vage, wellevende en langdradige stijlloosheid der hoofdartikelen, hebben tijdens deze zomerdagen geestdriftige beschrijvingen opgenomen van openbare processies in het Zuiden. Op een andere pagina natuurlik, om niemand te kwetsen. Het is eigenlik tergend dat een zo voor de hand liggend iets als de vrijheid om de processies buiten het kerkgebouw te houden, niet ge-

[p. 371]

noemd kan worden zonder dat men het gevoel krijgt met politieke kwesties bezig te zijn. Maar wij zijn zo gewend geworden aan argumenten voor of tegen de coalitie; er is zo vaak en zo volhardend bepleit dat men voor de goede zaak kleine groepsverlangens moest onderdrukken; er is zo zachtzinnig gesust dat men niet op de bijkomstigheden maar op het wezen alleen moest letten, - tot nu het houden van een processie bijna onmogelik zou worden zonder er een betoging van te maken. De record-kampioen van de coalitie, die de Aartsbisschop niet wist te huldigen zonder zijn versleten stokpaard hartroerend te berijden en die in Friesland opnieuw ridderlik met open vizier maar met blinde ogen zijn klepper van stal haalde moet het betreuren in de onmogelikheid te zijn geweest om een andere voorname voorman ‘ergens’ te horen getuigen in deze zaak.

‘Ik vraag het u’, - de ogen bliksemden, de vuist verhief zich reeds, de psychologie der pauze werd toegepast, de herhaling kwam, luider en suggestiever:

 

‘Vergadering, ik vraag het u! Wat is mooier - ja, wat is mooier: een vrije processie in het zuiden, óf.....’ - de ogen stonden zeker van de overwinning, de vuist daalde ingehouden om niet ontijdig neer te komen - ‘óf.... de stille omgang in Amsterdam!’

Er waren tientallen priesters, die hun handen stuk klapten om deze vuurpijl, deze sissende, mislukkende, walmende vuurpijl. Priesters, die de stille omgang, waarvan zij 't ontstaan dienen te kennen, mooier vonden als 'n openbare processie.

 

Waarom is de kerk uit de katakomben te voorschijn gekomen? Waarom hebben wij Onze Lieve Heer niet op zolder gelaten? Waarom lopen de priesters niet meer verkleed als reizende kooplui?

Het applaus van priesters, na zo'n verpolitiekte - op de kop gezette - vraag, klonk pijnlik. Zij hebben straf verdiend, en waarschijnlik reeds ontvangen. Want sinds die hoera-roeperij hebben ze wellicht de feestpredikatie gehouden op een der feestdagen die tenminste kerkelik zijn bewaard gebleven. (Ik vraag het u! Wat is mooier - een vrije dag met luiheid en tijdverlies en dronkenschap, of een werkdag met trouwe mannen 's morgens voor het werk in de H. Mis? En hebben de R.K. werkgevers er geen ƒ 35 per jaar en per arbeider aan verdiend?1) En de preek uit het preekboek schildert de pracht der processie zo oncalvinisties, dat de arme werkelikheid van een door de gangen kronkelende ‘ommegang’ voor de goede verstaander de bron van de vurige welsprekendheid verraadt.

 

Wij laten de lieden, voor wie het geloof een vlag is of een luidspreker of een strijdwagen, hùn processie-vrijheid; wij blijven veilig binnen de muren.

De propaganda voor de R.K. Staats-

[p. 372]

partij vraagt het niet. En daarom vergeten we, dat ons geloof die vrijheid eist.

‘Christus heerse, ook in het openbare leven’, herhaalt de leider van onze katholiekendagen, en met hem de duizenden sprekers van overal. ‘Als Hij maar binnen blijft’, hoopt hun coalitie-gemoed onrustig daarna. En zij vinden een lange reeks argumenten die tot de altijd eendere conclusie moeten voeren: het is beter voor de goede zaak.

Misschien willen zij deze woorden van Hilaire Belloc eens overwegen: ‘Eer de natie en ge moogt er iedere minder gewichtige mening op na houden, die ge wilt.

Daarom wordt het Geloof behandeld als een van de vele sekten binnen de natie: en we zijn genegen met die positie genoegen te nemen. De hedendaagse protestante leer, dat sekten, d.i. meningen, een heilig recht van bestaan hebben, “zolang ze de wet gehoorzaam”; de idee, dat de Staat een recht van wetgeving heeft waar geen moreel beroep tegen mogelik is - laat staan nog de wetgevende macht der Kerk -; het feit, dat zij, die zo denken, maar niet in staat zijn in te zien, hoe deze verdraagzaamheid en overeenstemming met iedere wet een contradictio in terminis is: dat alles schept de sociale sfeer, waarin wij thans leven’.

 

(Overschot en Aanvoer, p. 38).

 

H.K.

Dickens en de kanaaltunnel (en dergelijke aangelegenheden).

In Dickens' ‘Little Dorrit’ vonden wij de volgende bladzijde, die ook op hedendaagsche toestanden van toepassing is. Wij denken hier in het bijzonder aan het Kanaaltunnelgeval, waarmede misschien sommige aangelegenheden in ons eigen land vergeleken kunnen worden.

 

‘Het Omslachtigheidsbureau was het voornaamste Departement van de regeering. Geen enkele openbare zaak, van welken aard dan ook, kon ooit worden afgehandeld zonder toestemming van het Omslachtigheidsbureau. Ook was het onmogelijk het grootste recht te verschaffen, of het grootste onrecht weg te nemen, zonder de uitdrukkelijke machtiging van het Omslachtigheidsbureau.

Deze roemrijke inrichting was haantje de voorste, toen de ééne sublieme grondregel, die heel de moeilijke kunst van een land te regeeren in zich bevat, voor de eerste maal aan de staatslieden als een licht was opgegaan. Wat er ook te doen viel, het Omslachtigheidsbureau was alle andere Departementen vóór, in de kunst om te zien: Hoe het niet te doen.

Door het klare inzicht, door de flair, waarmede dàt steeds gevat werd, door het genie, waarmede altijd in dien zin gehandeld werd, was het Omslachtigheidsbureau al de openbare Diensten boven het hoofd gegroeid, en was het openbare leven gestegen.... tot wat het was.

[p. 373]

Nu is het waar, dat ‘Hoe het niet te doen’ het voorwerp was van al de zorg der Departementen en politiekers van beroep rondom het Omslachtigheidsbureau. Waar is, dat iedere nieuwe eerste minister en ieder nieuw gouvernement, die in de Kamers waren gekomen, omdat ze beweerd hadden, dat er iets noodzakelijk gedaan moest worden, er nauwelijks waren, of ze spanden al hun krachten in om te zien: Hoe het niet te doen. Waar is, dat van het oogenblik, dat de algemeene verkiezingen voorbij waren, ieder herkozene, die op het podium geraasd had ‘omdat het niet gedaan was’, en die de vrienden der Hoogedelgestrenge Heeren, die het tegenovergestelde belang voorstonden, op straffe van aanklaging gevraagd had, hem te zeggen ‘waarom het niet gedaan was’, en die beweerd had, dat het gedaan moest worden, en die plechtig beloofd had, dat het gedaan zou worden, begon te overwegen: Hoe het niet te doen.... Waar is, dat de Troonrede bij de opening der Kamers feitelijk hierop neerkwam; ‘Mijne Heeren, U hebt zeer veel werk te doen, en U zult naar uw onderscheidene Kamers gelieven te gaan om te beredeneeren: Hoe het niet te doen.’ Waar is, dat de Troonrede bij het einde van het Parlementsjaar feitelijk luidde: ‘Mijne Heeren, U hebt gedurende meerdere vermoeiende maanden, met groote eerlijkheid en vaderlandsliefde bestudeerd: Hoe het niet te doen, en U hebt het gevonden; en met Gods zegen over den oogst (den stoffelijken, niet den politieken) laat Ik U nu heengaan.’

Dat alles is waar, maar het Omslachtigheidsbureau ging nog verder. Want Omslachtigheidsbureau hield dit wonderbaar wiel van Staatsbeleid, dat overal goed voor is, het ‘Hoe het niet te doen’, iederen dag in beweging. Want het Omslachtigheidsbureau wierp zich op iederen, verkeerd ingelichten staatsdienaar, die het ging doen of die door één of ander wonder toeval in het meest verwijderd gevaar was het te doen, met minuten, memorandums en een instructiebrief, die hem uitdoofden.... that extinguished him.

D.S.C.

De autocraat in de kou.

De heer F.J.A.L. Cordens is mij tot nu toe als schrijver alleen bekend uit de Katholieke Illustratie. Getraind in de Zondagsschool van H.B.v.d. Sande sloeg hij kortelings zijn adelaarsvlerken tot machtiger breedte uit in een roman, verschenen in de Luxe Romanreeks van het Nederlandsch Boekhuis te Tilburg, (een serie onbelangrijke boeken op bulkingpaper). Ik wil, om tevoren een verwijt dat men mij: zou kunnen maken, af te weren, vertellen dat ik dit boek vroeger reeds in copie onder oogen had. Ik vond het toentertijd onbelangrijk: nu vind ik het wel belangrijk. In dien zin, dat mij bij deze lezing gebleken is, met welk een verkapt liberaal tractaat we hier eigenlijk te doen hebben, en, al lezen het misschien maar

[p. 374]

duizend menschen, er zouden er onder kunnen zijn die dit ongerezen brood voor zoetekoek opaten. De uitgever heeft iets van de beroerde inhoud van het boek aangevoeld toen hij het boek tusschen twee hekjes plaatste: een inleiding van den Delftschen, nogal vrijmoedigen pater Vrijmoed, en een naschrift, waarin de heer Cordens himself iets zegt over het Nederlandsch Episcopaat en de katholieke organisatie.

Dit boek zal schrijver en uitgever een desillusie brengen. Ik kan me dat als uitgevend schrijver en schrijvend uitgever uitstekend voorstellen. Dit zou dan de roman zijn, heeft men gedacht, (ik ken die opwindende gesprekken) die het sociale conflict van de laatste jaren naar de slag-ader greep. Het zou commentaren ontlokken aan werkgevers en werknemers. Kortenhorst zou er op wijzen als op een waarachtig en magistraal boek, A.C. de Bruijn zou er een aanslag in zien op de rechten en de eer van het hem toevertrouwde deel dezer gemeenschap. Er is niets gebeurd. Het pl.m. 6 c.M. dikke boek is niet opgemerkt. Kortenhorst is een te klein-burgerlijke geest om te zien hoe in dit boek zijn troebel katholiek liberalisme neersloeg tot een vorstje van een nacht, en de Bruijn heeft het waarschijnlijk iets te druk met belangrijker dingen.

 

De heer Cordens heeft het een paar jaar aangezien. Hij heeft het met ingezonden stukken onder de signatuur: ‘Uw trouwe abonnee X’ of ‘Insider’ geprobeerd. Hij zal een of tweemaal hebben geprobeerd op het filiaal van de R.K.St.P. in de plaats zijner inwoning het woord te voeren. Misschien heeft hij vlak na zijn aanhef ‘Mijnheer de Voorzitter’ gehikt, misschien sloeg zijn tong dubbel en sprak hij alsof hij zandtaart at tegelijkertijd. Men heeft toen misschien gelachen en geroepen ‘ga maar zitten’. Dat heeft zijn familie de volgende avond van kennissen gehoord, die er ook aan doen, of in een al te waarheidlievend verslag gelezen. Ik zeg niet dat het zoo gebeurd is, maar zoo kan het gebeurd zijn. En dan kan ik me alles begrijpen. Zooiets stemt hard en bitter. Zooiets treft pijnlijk. Zooiets vervormt het koerakter. Zooiets maakt van F.J.A.L. Cordens, medewerker aan de Katholieke Illustratie kortweg ‘Cordens, sociaal strijder’. Is het laatste woord niet immer aan de kunstenaar? Is hij het niet die het ongetemperd licht, zoeklicht, eener meedoogenlooze, driftige overtuiging, eener door dik en dun de Waarheid zoekende geest en persoonlijkheid hoog uit laat schijnen over de hoofdenzee van het gemeenebest?

Toen heeft Cordens, de litterator, zijn ‘Nachtvorst’ geschreven.

 

‘Nachtvorst’ is een verrot boek. Dit is ongeveer wat Vrijmoed ook dacht, toen hij. in zijn zeven pagina's inleiding slag leverde met de 290 pagina's liberale onbeschoftheden die hij wist dat gingen volgen.

Om ieder misverstand uit den weg te ruimen, zeg ik tevoren duidelijk

[p. 375]

dat het hier niet gaat over de kwaliteiten van dit boek als roman. Die komen niet eens in aanmerking om in dit tijdschrift besproken te worden. Het is door en door stom en lamlendig, gehannes van iemand die wel eens een voetbalverslag heeft gemaakt voor een blaadje in de diepste negorij.

We hebben hier dus met het idiote geval te doen dat een inleiding van een boek, het boek dat volgt volstrekt aanvalt, en misschien te niet doet. Het is ook een sterk staaltje om iemand als Vrijmoed een inleiding te vragen voor dit boek. Was daar niet een van de heeren Geestelijken, die altijd de aan de kranten gezonden schitterende recensies van Boekzaal en Het Blad voor Ouders en Opvoeders plegen, voer te vinden? Hoe het zij, pater Vrijmoed heeft het boek gelezen en het stuitte hem tegen de borst. Hij had graag aan de uitgever terug geschreven, geef dit prul niet uit, maar vreesde misschien dat het dan heelemaal zonder commentaar aan het geloovige Roomsche volk zou worden verkocht. Ten einde raad schreef hij toen een inleiding, die een volkomen afkeuring van het in te leiden boek inhoudt.

Het in te leiden boek.... U wilt weten waarover het handelt. Een fabrikant, Rudolf Bleydenburg, met drie kinderen, Eddy, een advocaat voor kwade zaken, twee carricaturen van dochters, een versleten en onbeduidende vrouw, en een lanterfantend stelletje daarom heen, dat is de partij van het boek, waarbij zich de heer Cordens heeft geschaard. De andere kant dat zijn de arbeiders van 's heeren Bleydenburgs fabriek, de vrijgestelden van deze arbeiders, een geestelijke adviseur enz. Deze moest de heer Cordens hebben. (Ik druk me, om ook door den schrijver verstaan te worden, zoo populair mogelijk uit.) Toen dit eenmaal vaststond was het een kwestie van volhouden. De patroon werd een ‘vader’ voor zijn ondergeschikten, de bekende ‘oude meesterknecht’ werd frisch opgepoetst, de opgekomen ‘trouwe boekhouder’ geleend, verder was een stel baarden en dieventronies noodig voor de arbeiders in het stuk, groote gele schoenen en bonte stropdassen voor de vrijgestelden, een klein kapelaantje als vertegenwoordiger van de ‘kerk’ in de sociale strijd. Klaar was Cordens. Deze heerlijke patroon wil zich niet organiseeren, daar strijden al zijn principes van vrijheid en eer tegen, hij ‘wil baas blijven in eigen huis’. Hij stelt zich aan als een waanzinnige als er een klein herrietje tusschen een paar nageljongens ontstaat, hij behandelt de vrijgestelden, die gemaskerd en met Rerum Novarumbommen bij zich, hem komen aanspreken, onbeschoft en laatdunkend, heeft ondertusschen tijd om met vrienden en papzakken champagne te drinken en op een doordeweeksche dag uit zijn zaken te loopen om met een slecht bespraakte pastoor moezelwijn te hijschen. (Hij is van het soort menschen dat zich een gesprek met een geestelijke niet

[p. 376]

zonder wijn kan voorstellen.) De arbeiders begint de dwarsdrijverij van de patroon te vervelen, en nadat ze hem nog eens, veel te netjes, op zijn elementaire plichten hebben gewezen, verlammen zij het verder, en leggen er het bijltje bij neer. Een klein stelletje genadebroodeters, van niet tot iet gekomen lummels, (ik refereer me bij al deze krachttermen aan de koerakterteekening van de heer Cordens, ik condenseer alleen) durven niet weg blijven en helpen mee om de machines van deze gare baas te laten draaien. Verder, och wat heeft U er aan.

U kunt me gelooven als ik zeg dat alles naar een vast schema: heerlijke bazen, en rasschurken van arbeiders, ineen is gezet.

De heer Bleydenburg: ‘Al ben ik niet georganiseerd, ik mag toch altijd nog hopen op een bescheiden plaatsje in den Hemel, nietwaar?’ ‘Ik zou niet graag het tegendeel beweren,’ lachte de geestelijke. (Dat is een zinsnede uit een gesprek met een pastoor, terwijl zij beiden Moezel drinken.)

‘Houd je dan aan St. Franciscus,’ zei de pastoor, ‘dan ben je altijd in goed gezelschap.’

‘Prosit,’ zei de fabrikant, en dronk zijn gast toe met het nieuwgevulde glas. (Nog altijd uit het Moezelgesprek.)

De intree van een vrijgestelde: Scherrewijk trad binnen, heel wat arroganter dan bij zijn eerste bezoek, maar ondanks zijn triomfeerende blik zoo mogelijk nog linkscher en nog meer onbeholpen. Met zijn grooten deukhoed wist hij geen raad, enz..... (U weet, dat Cordens de bekendste goedgekleede man uit het zuiden is, en nooit iets met C. en A. wil te maken hebben.) Nog van de vrijgestelde: Hij had inmiddels zijn hoed op een kaartenkast gelegd en keek naar den leegen feauteuil, die hem niet gepresenteerd werd. (De heer Bleydenburg biedt alleen stoelen aan menschen waaraan hij wat verdient en nooit aan menschen met minder inkomen dan hij.)

 

Enfin, ik heb honderd en drie citaten, die bewijzen dat de schrijver kwaadwillig is, een en tachtig dat hij dom is, zeventien dat hij de R.K. Werkgever leest, twee en negentig dat hij een benepen autocraatje en een vulgaire rententrekker is, en nog maar vier regels ruimte.

Wie dus de mentaliteit van het kleine fabrikantje en de kankeraar tegen de Drift wil kennen, hij wage er een paar gulden aan, Later kan hij dan altijd de zes pagina's van Vrijmoed alleen bewaren.

 

KUYLE.

[p. 377]

Hieronder volgt een gedeelte van de rubriek Hagel, dat niet meer op de gewone wijze kon worden geplaatst. Wij laten het achter het reeds afgesloten nummer volgen:

De vondel-komiek.

Toen het eerste nummer der ‘Vondel-Kroniek’, onder redactie van Lector B.H. Molkenboer O.P., verschenen was, wijdde ik daaraan in het dagblad ‘De Tijd’ van Zaterdag 14 Juni j.l. de volgende beschouwing:

 

‘De “Vondel-Kroniek” is “wetenschappelijk” in dien hatelijk zelfbewusten zin van het woord, waarin het alleen door verwaande hoogleeraren wordt gebezigd. Wat de inleiding zegt over de Vondel-appreciatie bij den “werkenden stand” kan volkomen door feiten gewettigd zijn: indien zulk een appreciatie bestaat, dankt men haar zeker niet aan wat de schijnbaar “werkelooze stand” van menschen, die zich alleen met de Vondelarij bezig houden, ten berde brengt. Vondel was een dichter. Wij, menschen, lezen een dichter om ontroerd te worden, daar het een genoegen geeft, te worden aangedaan met hoogere menschelijkheid en met schoonheid. Men leest hem niet om zich te vervelen en het is niet goed, noch voor u zelf, noch voor hem, dat hij alleen gelezen wordt uit plichtsbesef. Deze doodnuchtere waarheid schijnen de Vondel-croniqueurs bijster weinig te hebben overdacht in hun leven. Zij laten ons een hoogen berg rijstenbrij van professorenhersens voor de oogen rijzen, maar vergeten, dat de weg naar het verhevenste lui-lekkerland door velen lichter begaan wordt dan die naar het platste, ja, dat voor menigeen het genot van de schoonheid des lands juist vergald is, als zij er binnentrekken met een maagoverlading aan rijst.

Vondel was een Nederlandsch dichter, die onze eigen taal sprak en haar schoon wist te spreken. De menschen van dit nieuwe tijdschrift doen allemaal zoo vreemd met hem, of hij eigenlijk een onbegrijpelijk monster ware geweest. Zij restaureeren hem uit beeldspraakmethoden, roes-theorieën, zangwijzen, notarieele acten en andere bijkomstigheden, zooals men een ichtiosaurus restaureert uit een kakebeen, een staartwervel en de vermoedelijke restanten van een versteenden lintworm. Het is mij nooit gelukt den indruk te krijgen, dat zooveel restauratie noodig was met een zoo levend wezen als Vondels poëzie.

Doch dit is de grond van het kwaad. Vondel was een mensch met een menschenziel en die ziel heeft men te verstaan uit den bundel teksten, welke hij naliet, of deze is even waardeloos als de hervonden opschriften op een zeventiend' eeuwsch suikerzakje. Thijm verstond die ziel, en Verwey, die wetenschappelijk genoeg is in zijn opstel over “Vondels vers” verstaat haar ook. Dirk Coster en Jan Engelman verstaan haar en ze spreken erover met waarachtige ontroering, zonder grootscheepsch gebral, maar ook zonder slakkenzoekerij om het zout van allerlei wijsheden daarop te kunnen verkwisten.

[p. 378]

Deze Vondel-Kroniek had een botanische revue of een maandschrift van perkamenthandelaars kunnen zijn, zonder dat hij maar iets behoefde te veranderen van toon, van accent, van zegswijze of van overtuigdheid.

Ik laat den lezer zelf het oordeel, of hij dit een afdoend bezwaar acht of niet.’

 

Deze eenvoudige woorden waren voldoende om lector B.H. Molkenboer O.P. te overtuigen van mijn ‘ondeskundigheid’. In de komieke wrevel, die zij hem bezorgden, vergat hij volkomen, mij in Januari 1930 een ‘dringende’ uitnoodiging te hebben gezonden om ‘als erkend beoefenaar van de studie van Vondel’ medewerking te verleenen aan zijn periodiek. Ik antwoordde daarop:

 

Amsterdam, 23-1-'30.

 

Zeer Eerwaarde Pater,

 

Op Uw schrijven betreffende een te stichten ‘Vondel-Kroniek’ deel ik U mede, dat zulk een uitgave mij persoonlijk niet in het werkelijk belang van de nagedachtenis van Vondel lijkt. Alleen reeds de noodzaak tot maandelijksche copie over zijn werk zal haarkloverijen uitlokken, die ongewenscht zijn en de weinig goede artikelen, die thans in algemeene periodieken verschijnen over Vondel, zullen, verzameld in een speciaal tijdschrift, niet meer een zoo breede lezerskring verwerven als voorheen. Er bestaan volop tijdschriften, die gaarne goede studies over letterkundige onderwerpen plaatsen. En er bestaan vakbladen voor philologen, waarin men naar believen twistvragen kan stellen en oplossen. Zoodat ieder, die iets behoorlijks over Vondel schrijft, even goed onder dak kan als iemand, die iets goeds schrijft over Marsman. Vondel te isoleeren van de levende literatuur in een speciaal blad trekt me niet aan, en daarom zal ik eventueele publicaties over zijn persoon of werk liever afstaan aan rubrieken, waarvoor een ruimer belangstelling bestaat dan alleen die van Vondel-geleerden.

 

Zoo ondeskundig waren mijn bezwaren niet, of de ‘inleiding’ tot het eerste nummer der ‘Vondel-Kroniek’ reageerde daar duidelijk op. Maar de ontstemming maakt sommige menschen vergeetachtig en na mijn minder gunstige beoordeeling van zijn uitgave kwam Lector B.H. Molkenboer O.P. dan ook tot de plotseling gemaakte gevolgtrekking, dat ik onbevoegd ben op het zelfde gebied, waarop ik een half jaar te voren beleefdelijk geweigerd had hem mijn ‘noodzakelijk’ geachten steun te verleenen. Om die gevolgtrekking mee te deelen aan de schare zijner bewonderaars, heeft Lector B.H. Molkenboer O.P. een aardigheid bedacht. Hij eindigt n.l. het tweede nummer zijner Kroniek met een revue van de poovere kranten-recensies, die hij mocht oogsten en zegt dan:

 

‘Begrip en onbevangenheid waren niet bepaald de kenmerken van de regelen, door een kwaadwilligen, dus onbevoegden wijsneus geplaatst in een blad, dat èn sedert Thijm kundiger over Vondel-studie placht te

[p. 379]

schrijven èn zich nog nooit zoo door sensatie-lust geprikkeld voelde, om zijn naaste vrienden als damnatus (Dit moet natuurlijk ‘damnatos’ zijn, A.v.D.) ad bestias te behandelen. Zonderling heeft ‘De Tijd’ van 24 Juni (Dit moet 14 Juni zijn. Die Vondel-peuteraars zijn toch heel wat minder nauwkeurig dan men zou denken! A.v.D.) na tien dagen en tusschen marktberichten een afgedwongen exkuusje gestameld over één zinnetje onrecht uit een heele fanfaronade, maar de blazer zelf bleef achterbaks. Deze heele affaire onthult vrij brutaal een der meest ontmoedigende hedendaagsche ketterijen, die we voorloopig moeten gedoogen bij den troost van Vondels' woord: ‘De lasterkunst valt licht, de botste kan ze best.’

 

Zulke woorden teekenen hun schrijver.

Ik word ‘kwaadwillig en dus onbevoegd’ genoemd, alsof het een voorwaarde was tot de kennis der werken van Joost van den Vondel, dat men sympathiseert met een Pater Dominicaan, die ze óók gelezen heeft. De postulaten der litteratuur-wetenschap zijn tegenwoordig waarlijk velerhande!

Alleraardigst is in de aangehaalde boutade van den komiek geworden Lector de kloosterlijke humor, waarmee hij mijn naam verzwijgt, maar mijn oordeel aanduidt als een ‘hedendaagsche ketterij’. Welk een rijkdom van zinspeling ligt er niet in die woorden! Maar - vraag ik mij bescheiden af - wanneer het een ketterij is, zich ongunstig gestemd te voelen over een tijdschrift, welks redacteuren zelf overtuigd zijn van hun goede bedoelingen, herinnert Lector B.H. Molkenboer O.P. zich dan de rampzalige dag niet meer, waarop hij zichzelf ter brandstapel doemde door zich publiekelijk over de tijdschriften der jongere dichters ongunstig, onwelwillend en boven mate ondeskundig uit te laten? Of is er een geloofsgeheim, volgens hetwelk de ‘Vondel-Kroniek’ a priori recht zou hebben op een gunstiger behandeling dan ‘Roeping’ of ‘De Gemeenschap’? In dat geval heb ik mijn catechismus slecht geleerd.

Dat ik achterbaks bleef, toen de redactie van ‘De Tijd’ inderdaad een ‘afgedwongen’ verontschuldiging maakte over den eersten zin van het aangehaalde stuk, ligt hieraan, dat ik Lector B.H. Molkenboer O.P. moeilijk beleedigd kan hebben door over ‘verwaande hoogleeraren’ te spreken. De qualificatie ‘wijsneus’ ben ik desgewenscht bereid te beantwoorden met dien van ‘domoor’, wanneer het publiek belang mocht stellen in de hoedanigheden onzer zintuigen,

 

Lector B.H. Molkenboer O.P., zeg nu eens eerlijk, waarom gij zooveel drukte maakt over een beoordeeling, die verdiend ongunstig was? Deedt ge niet wijzer, maar bij uwen Vondel te blijven, die dood is en zich niet wreekt, terwijl wij hem toch stiekum lezen, wat gijl ook over hem zegt? Eigenlijk deert gij ons te weinig dan dat wij u verder zouden bevechten. Ik hoop dan ook, dat deze ‘regelen’ mijn afscheid zijn van Vondels Molkenboerderij, die de puikpoëet vast niet als een lustoord zou hebben be-

[p. 380]

schouwd. Immers gij weet goed genoeg, dat Vondel zeker niet zou hebben meegewerkt aan uwe ‘Vondel-Kroniek’. Hij heeft er zoo bitter weinig aan, dat gij en ik over hem twisten. Immers hij rust hoogstwaarschijnlijk reeds lang op de lauweren van een heel wat minder ijdele glorie, dan die, welke gij graag voor u geplukt zaagt door uwe recensenten.

 

ANTON VAN DUINKERKEN.

[p. 381]



illustratie

Charles Eijck
De Mijnwerker (teekening)